Paus Franciscus schreef op 4 oktober 2023 een brief aan alle mensen van goede wil: Laudate Deum, prijs God! In die brief uit hij zijn zorgen over het klimaat.
Hij schrijft: Acht jaar zijn verstreken sinds ik de encycliek Laudato si’ publiceerde, toen ik met u allen, mijn broeders en zusters van onze lijdende planeet, mijn oprechte zorgen wilde delen over de zorg voor ons gemeenschappelijk huis. Maar met het verstrijken van de tijd heb ik me gerealiseerd dat onze antwoorden niet adequaat zijn geweest, terwijl de wereld waarin we leven aan het instorten is en misschien wel het breekpunt nadert.
De paus rekent in zijn brief af met het oude beeld van de mens als kroon op de schepping die over alles mag heersen, de mens als middelpunt.
De mens die de plaats van God wil innemen wordt de ergste vijand van zichzelf (LD 73). God is de Schepper en eigenaar van deze wereld.
We dachten dat we over de natuur konden heersen. En misschien heeft dat ook wel te maken met theologie, met onze interpretatie van het scheppingsverhaal uit Genesis. Waarin we een opdracht tot heersen lazen?
Vandaag is dan het het conclaaf begonnen. Onder het zingen van ‘Veni Creator Spiritus’ zullen de kardinalen zich afzonderen om – geleid door de Heilige Geest – een nieuwe paus uit hun midden te kiezen.
En het houdt van links tot rechts de gemoederen enorm bezig. Want er is iets aan de manier waarop pausen worden gekozen dat tot de verbeelding spreekt. Degene die het idee van zwarte rook voor ‘geen besluit’ en witte rook voor ‘habemus papam‘ – ‘we hebben een nieuwe paus’ – bedacht, was een marketinggenie. Zoveel beter dan een persbericht of een tweet van het Vatican X-account.
Natuurlijk sprak heet conclaaf zo levendig tot onze verbeelding door recente gelijknamige film met Ralph Fiennes. Naar het boek van Robert Harris. Ja, we zijn dol op het idee van geheime debatten en intriges, mensen die van de wereld worden afgesloten totdat ze een besluit nemen met geheimzinnige, oude rituelen en een onzekere uitkomst. Was er ooit een film waarvan de release beter getimed was?
En dan zijn er nog de enorme aantallen. Er zijn vandaag de dag ongeveer 1,4 miljard katholieken in de wereld; ongeveer evenveel als de bevolking van India en China, de meest bevolkte landen ter wereld. Toch is de identiteit van de nieuwe paus ook voor ons van belang. De leider van China of India is vooral interessant voor mensen die in China of India wonen, maar misschien minder voor degenen onder ons die daar niet wonen. Maar de nieuwe paus is het hoofd van de kerk misschien om de hoek van waar je woont, of van mensen met wie je samenwerkt, of, als je zelf katholiek bent, je eigen spirituele leider. Deze benoeming is dus enorm belangrijk.
Maar het gaat niet alleen om de uiterlijke schijn, het drama, de aantallen. En het geldt ook niet alleen voor katholieken.
Officieel wordt een paus aangeduid als de opvolger van Petrus, één van Jezus’ vrienden. Je zou dus kunnen zeggen dat zijn ambt als het ware een levende link vormt met de oorsprong van de christelijke beweging, de eerste tekenen van de revolutie.
Natuurlijk is er een aantal behoorlijk vreselijke pauselijke zetelbezitters geweest, wier persoonlijke levens nauwelijks enige kennis van of relatie met Jezus vertoonden. Denk bijvoorbeeld aan de zestiende-eeuwse Roderigo Borgia (paus Alexander VI), die ondanks de regel van het geestelijk celibaat, meerdere kinderen kreeg van diverse maîtresses, en het pausschap verwierf door kardinalen om te kopen en zijn favoriete zoon op achttienjarige leeftijd tot bisschop van verschillende lucratieve zetels maakte, en op negentienjarige leeftijd tot kardinaal. Er is dus niets vanzelfsprekends aan – en daarom ontkenden de protestantse hervormers het idee van een algeheel automatisch pauselijk gezag.
Maar wanneer een persoon van evidente heiligheid wordt gecombineerd met dit besef van het gewicht van het ambt, wordt het pausschap een geschenk aan ons allen, dat ons verbindt met de eerste volgelingen van Jezus – zelfs met Jezus zelf.
Het pausschap is een van die unieke dingen in het moderne leven – een navelstreng met het verleden. Monarchieën doen iets soortgelijks: ze verbinden ons met het verleden via de lange rij koningen en koninginnen. Maar vaker wel dan niet onthullen de gebeurtenissen waarnaar ze ons terugvoeren, het proces waarmee die families de macht grepen, duistere politiek, omkoping en bloedige gevechten.
Dit is een lijn in de geschiedenis die ons verbindt met de gebeurtenis die, als we Tom Hollands boek Heerschappij mogen geloven, meer impact heeft gehad op de vorming van de westerse cultuur dan welke andere ook: het opmerkelijke leven, de dood en de wederopstanding van Jezus – een radicaal leven vol liefde, zelfopoffering en transformerende kracht – voor zowel individuen als hele beschavingen. En daarvoor zouden we, of we nu katholiek, protestant, orthodox of misschien zelfs ongelovig zijn, een gebed – of een glas – van dankzegging kunnen heffen.
Het was destijds premier Mark Rutte die Nederland vergeleek met een broos vaasje. ‘Want’ zo zei hij ‘wat we samen hebben opgebouwd is heel breekbaar. Laten we het goed beschermen!’ Hij had het destijds over de toenemende polarisatie in Nederland. Ik wil de metafoor gebruiken voor de democratie. Want die staat mijns inziens ook onder druk, zowel nationaal als internationaal.
Geruchten dat Donald Trump de Amerikaanse grondwet zou kunnen opschorten om een derde termijn als president na te streven, en nog duisterdere dreigingen dat zijn regime zelfs autocratische ambities zou kunnen koesteren, hebben het Westen eraan herinnerd dat we democratie niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen.
Parlementaire democratie, zo hebben we algemeen aangenomen, is een goede zaak. Ze is zo goed dat we haar niet alleen willen delen, maar ook aan andere landen wilden opleggen. De oorlog in Irak uit 2003, bijvoorbeeld werd, zo werd ons verteld, uitgevochten voor vrijheid en democratie, maar zo liep het niet helemaal.
Met democratie bedoelen we meestal politieke verantwoording, waarbij regeringspartijen macht uitoefenen via de wil van de bevolking die ze dienen, uitgedrukt in regelmatige volksraadplegingen die ervoor zorgen dat niemand zich ongestraft aan de macht kan vastklampen.
Het Trump-fenomeen begint echter te wijzen op het vooruitzicht van een volkswil die een regeringsvorm bepleit die niet overeenkomt met onze gebruikelijke liberale uitgangspunten. Er klinken stemmen, waaronder die van schrijfster Margaret Atwood, die een opschorting van de Amerikaanse democratie verwachten als gevolg van de waanzin van de huidige president.
De meesten van ons in Nederland zullen waarschijnlijk zeggen dat democratie meer moet zijn dan een systeem waarin meerderheden hun zin krijgen. Want we willen ook dat onze regering zich aan de wet houdt. En dan moeten we niet alleen beslissen welke wet, maar ook wiens wet. Voor degenen met een religieuze overtuiging zal die vraag deels en in belangrijke mate beantwoord worden door Gods wet, waarop de westerse beschaving aantoonbaar is gebouwd.
Hier komt pluralisme om de hoek kijken, zonder welke een democratie niet effectief kan functioneren. Want een staat is een verzameling politieke en burgerlijke gemeenschappen, waarin alle individuen rechten en plichten hebben, die wettelijk beschermd zijn.
Dit model is gebaseerd op de Romeinse wetgevende macht, die sterk gecentraliseerd was en systematisch wantrouwend stond tegenover verenigingen, wat de reden was waarom vroege christenen eronder werden vervolgd. De val van dat rijk liet een juridisch vacuüm achter, waarin natiestaten en de vroegmiddeleeuwse kerk terechtkwamen.
Het was dit laatste staatsorgaan dat de basisprincipes van het Romeinse recht erfde, gecentraliseerd, universeel en soeverein, onder de paus. En het is dat orgaan dat in conclaaf bijeen is om een nieuwe paus te kiezen. Die verkiezing democratisch noemen is meer dan overdreven, omdat de demos, de gewone mensen, er niet bij betrokken zijn en ook niet vertegenwoordigd zijn.
De Kerk is geen democratie, net zomin als God verantwoording schuldig is aan zijn schepping. Eerder andersom – sommige denominaties spreken van ‘Gods uitverkorenen’, degenen die Hij kiest voor verlossing. In het christelijk denken is God een dienende koning, maar desalniettemin een absolute en, zoals sommigen die zich tegen God verzetten, een tirannieke autoriteit.
Hoe moeten we reageren op een ondemocratische Godheid? Een antwoord daarop zou gevonden kunnen worden in dat pluralistische kenmerk van democratie. We zijn er eerlijk gezegd niet goed in om pluralisme in onze geloofssystemen te erkennen. Op zijn best opereren we in een soort absoluut duopolie – je gelooft, of je gelooft niet. Een pluralistisch model zou er een zijn waarin we de goddelijke wil leren kennen via de gehele schepping, alle uitingen van geloof en ongeloof, in plaats van alleen via onze eigen wil.
Pluralisme is gezond, zowel in de seculiere politiek als in religieuze gebruiken. Het is de tegenpool van de groeiende autocratie zoals bijvoorbeeld in de Verenigde Staten van Amerika en geeft een stem aan een scala aan wereldbeelden.
Dit is geen pleidooi voor theocratie, maar de overtuiging dat de christelijke traditie berust op het principe dat geen enkele politieke orde de autoriteit van God kan claimen, behalve het Lichaam van Christus. En het Lichaam van Christus omvat alle leden van het menselijk ras. In tegenstelling tot politieke partijen concurreren wij niet om de macht, maar vormen wij een gemeenschap die wijst naar een geredde en genezen wereld.
De keuze is hier tussen een soort seculier burgerschap, een vorm van multiculturalisme dat een akkoord sluit tussen verschillende gemeenschappen op basis van universeel verlichte principes. Of we kunnen reageren op de energie waarop die seculiere utopie gegrondvest zou kunnen worden, door bereidwillige gemeenschappen te bouwen die streven naar wereldwijde rechtvaardigheid en vrede. Dat is een missie van de Kerk op het gebied van diversiteit.
Het gaat dus minder om democratie dan om pluralisme. En dat pluralisme moet een herkenbaar kenmerk worden van de gelovigen, wat het historisch gezien maar al te vaak niet is geweest. We kunnen alleen maar hopen en bidden dat het een missie wordt die ook centraal staat in de beraadslagingen die de komende dagen zullen leiden tot een witte rookpluim uit de Sixtijnse Kapel.
Het boek Exodus, laat ons de namen herinneren, niet alleen van de zonen van Israel, maar ook van twee dappere vrouwen, verzetsstrijders: Sifra en Pua. Ze staan op tegen de kwade macht die dood wil.
Deze kwade macht is naamloos. Hoe de farao heette vertelt het verhaal niet. Wel zien we duistere trekken die dit volk maar al te goed herkent: van slavenarbeid, tot genocide. Terwijl in de tussentijd, van kwaad tot erger, de woonplaatsen langzaam zijn verandert tot werkkampen. Het kwaad mag dan geen naam hebben, we kijken hier de dood recht in de ogen.
Is het verhaal hier afgelopen? Is dit de moraal van het verhaal? Dat het goed met je gaat, als je je verzet…?
Wat ik van verzet weet, komt uit jongensboeken, en het stoere beeld wat ik ervan heb, is ongetwijfeld geromantiseerd. Maar de werkelijkheid was rauwer; het gaat op leven en dood. En misschien wel meer van dat laatste: de dood.
Als je je verzet tegen het kwaad, stoot je je. Een Stolpersteen, een steen waarover je struikelt. Van hen herinneren we ons de namen. Maar zo’n struikel-steen laat ook zien: We vertillen ons snel aan het kwaad. Het botst, het schuurt. Blijkbaar lukt het ons als mensen niet, om nee te zeggen tegen kwaad: Het is zo groot, en zo universeel.
Wat zou jij doen? Zou ik de moed hebben om op te staan? Of is mijn gebrek aan lef nu precies hoe diep het kwaad in de wereld zit?
Zelfs al heeft iemand de moed om in verzet te komen, vaak lijkt het zinloos. Je kunt het zien het aan die laatste regel: Toen gaf de farao aan heel zijn volk het bevel om alle Hebreeuwse jongens die geboren werden in de Nijl te gooien; de meisjes mochten in leven blijven. Die twee kraamvrouwen, heldinnen, hadden zich verzet. maar het kwaad neemt alleen maar toe. De kinderen die zij hebben gekregen, je hoopt maar, dat het meisjes waren; zouden ze het anders hebben overleefd?
Maar toch; verzet denkt niet na over zin. Die vrouwen, Sifra en Pua, gaan niet berekenen, of hun lef levens zal kosten. Net zomin als dat je afwoog of het wel verantwoord was, om een kind illegale kranten te laten rondbrengen. Verzet kost je soms alles, en toch doe je het.
En door dat verzet heen klinkt dat hogere doel, dat intense verlangen naar bevrijding. Opkomen voor dat Godgegeven leven, waar je net als die vrouwen ontzag voor hebt, ja, ontzag voor de Heer zelf.
Het Wilhelmus zingt eerst: ‘den Koning van Hispanje heb ik altijd geëerd.’ Verzet is nooit de basis; de uitgangspositie. En doorgaans, is gehoorzaamheid iets goeds. We proberen het aan te zien, tot het echt niet langer gaat. Of moeten tot onze schaamte erkennen dat we gewoon het lef niet hebben. Maar als je doorzingt, komt toch echt de bede: ‘dat ik toch de tirannie mag verdrijven, die mij mijn hart doorwondt.’ Dat is verzet. En dan raakt het me dat deze regel wordt voorafgegaan door de wens: ‘dat ik toch vroom mag blijven.’ Ik hoor daarin het vroedvrouwen-verzet: het ontzag voor God.
Het boek Exodus laat ons de namen herinneren van deze Sifra en Pua. Het boek gaat verder, want bij verzet kan het niet blijven. Exodus is een boek van bevrijding. Vol ontzag uitkijkend naar het werk dat de Bevrijder verzet.
Still uit de film Bonhoeffer. Pastor. Spy. Assassin.
Dietrich Bonhoeffer heeft zijn 40ste verjaardag nooit gehaald.
Hij werd ter dood veroordeeld in een schijnproces in het concentratiekamp Flossenbürg. Hij werd naakt, naar de galg geleid en in april 1945 op direct bevel van Adolf Hitler geëxecuteerd; officieel wegens verraad.
Sindsdien zijn Bonhoeffers leven en gedachten onderhevig geweest aan projecten en wensvervulling. Bonhoeffer is geseculariseerd, geliberaliseerd, geradicaliseerd en gepopulariseerd door mensen uit het hele religieuze en politieke spectrum, op manieren die slechts een oppervlakkige zorg voor historische feiten en weinig (of geen) begrip van zijn literaire nalatenschap laten zien. Onlangs en opmerkelijk genoeg, in feite weerzinwekkend, is Bonhoeffers naam zelfs gebruikt door de Amerikaanse rechtse Heritage Foundation om het zogenaamde ‘open-grenzenactivisme’ en ‘milieu-extremisme’ van Amerikaanse links te veroordelen in hun Project 2025, een verlanglijst voor het presidentschap van Donald Trump.
Het was dan ook met gemengde gevoelens dat ik de nieuwe film Bonhoeffer: Pastor. Spy. Assassin ben gaan kijken.
Uitgebracht door het christelijke productiebedrijf Angel Studios heeft de film de volgende trailer:
‘Terwijl de wereld op de rand van vernietiging balanceert, wordt Dietrich Bonhoeffer meegesleurd in het epicentrum van een dodelijk complot om Hitler te vermoorden. Met zijn geloof en lot op het spel, moet Bonhoeffer kiezen tussen het hooghouden van zijn morele overtuigingen of alles op het spel zetten om miljoenen Joden te redden van genocide. Zal zijn verschuiving van het prediken van vrede naar het beramen van moord de loop van de geschiedenis veranderen of hem alles kosten?’
De bijbehorende afbeelding toont de pacifisme predikende Bonhoeffer met een pistool in zijn hand.
Zoals elke biopic voor het grote scherm, mengt de film Bonhoeffer feiten en fictie met een flinke scheut artistieke en filmische vrijheid. Deze vrijheid is natuurlijk noodzakelijk voor de kunst van het scenarioschrijven: tijd moet worden gecomprimeerd; biografie moet worden verlevendigd; karakters van mensen moeten worden gedemonstreerd; want uiteindelijk moet de film worden bekeken.
Het lijdt geen twijfel dat Bonhoeffer tijd doorbracht aan het Union Theological Seminary in New York en dat hij daar klaagde over de staat van de Amerikaanse theologie; dat hij actief deelnam aan de Abyssinian Baptist Church in Harlem en goede vrienden werd met een Afro-Amerikaanse student genaamd Frank Fisher.
Maar leren jazzpiano spelen in een nachtclub in Harlem? Met de kolf van een geweer worden geslagen door een racistische hoteleigenaar? En een vurig voorvechter worden van Afro-Amerikaanse burgerrechten? En de fictieve Harlem-preek bevat ook een verwijzing naar de executie van 33.000 Joden nabij Kiyv – het bloedbad van Babi Yar, dat pas in september 1941 plaatsvond. Bonhoeffers verblijf in Harlem stond inderdaad centraal in zijn denken, met name over kwesties die verband hielden met ras. Toch bagatelliseert de vermenging van gebeurtenissen die plaatsvonden rond het hoogtepunt van de genocide (de meeste Joden die tijdens de Holocaust werden vermoord, stierven in 1942 en 1943) met gebeurtenissen en geschriften uit de zomer voor de oorlog de ontwikkeling van Bonhoeffers theologie; zoveel van zijn denken was een nauwgezette maar directe reactie op wat hij met eigen ogen zag.
Er bestaat ook geen twijfel over dat toen Hitler aan de macht kwam, dat Bonhoeffer zich uitsprak tegen de gevaren die inherent waren aan het Führer-concept en dat hij in de jaren dertig onverzettelijk kritiek uitte op het nazisme en de nationaalsocialistische ideologie.
In de film krijgt hij de volgende woorden in de mond gelegd: ‘Ik kan niet blijven doen alsof bidden en onderwijzen genoeg is.’ ‘Vuile handen … Dat is alles wat ik te bieden heb.’ Of, als antwoord op de vraag van zijn vriend en student Eberhard Bethge, of Hitler de eerste kwaadaardige leider is sinds de Schrift werd geschreven: ‘Nee. Maar hij is de eerste die ik kan stoppen.’
Waren dit ooit zijn woorden?
Nee, niemand zal ook betwisten dat Bonhoeffer een ondergronds seminarie leidde in Finkenwalde om toekomstige predikanten van de Bekennende Kirche in Duitsland op te leiden; of dat hij zei: ‘Elke roep van Christus leidt tot de dood’. Maar de film verdraait ook enkele belangrijke aspecten van de bredere historische context. Cruciaal is dat Hitler en de nazipartijleiding, net als – foutief – in Eric Metaxas’ Bonhoeffer-biografie, worden afgeschilderd als degenen die de Deutsche Evangelische Kirche (Duitse Protestantse Kerk, DEK) overnemen en die hun greep daarop blijkbaar nooit opgeven, waarmee ze een Reichskirche creëren. Ondertussen bestrijdt de Bekennende Kirche – hier geleid door Bonhoeffer en Niemöller – moedig de nazi’s, met name hun anti-joodse beleid en acties, waaronder de Holocaust. Dit misleidende verhaal suggereert dat er twee kanten aan de Kerkstrijd waren: de (ogenschijnlijk onverschrokken) Bekennende Kirche en de Reichskirche, die in de film het restant van de DEK vertegenwoordigt, die zogenaamd door Hitlers ‘brute nationalisme’ was ingelijfd.
Deze versie van de kerkstrijd versmelt de Rijkskerk, de aanzienlijke minderheidsfractie van de DEK, de Duitse christenen, die gretig vele aspecten van het nazisme omarmden en ‘gedejudaïseerde’ Bijbels en gezangboeken creëerden en gebruikten. Toch laat ze de meerderheid van de Duitse protestanten volledig buiten beschouwing, die ervoor kozen zich niet aan te sluiten bij de Duitse christenen of de Bekennende Kirche. Ze verzwijgt ook het feit dat Hitler uiteindelijk het idee van een Rijkskerk opgaf.
Maar wat wel betwistbaar is, is dat (zoals de film suggereert) Finkenwalde een veilige haven was van waaruit een complot om Hitler te vermoorden werd gelanceerd, en dat Bonhoeffers meest memorabele aforisme van christelijk discipelschap bedoeld was om te worden samengevoegd, zoals in de film gebeurd, met beelden van een samenzweerder die een zelfmoordbom voorbereidde.
En Bonhoeffer sloot zich zeker aan bij de Duitse militaire inlichtingendienst en fungeerde als een soort dubbelagent. Hij gaf zeker informatie over de samenzwering door aan internationale kerkleiders tijdens zijn reizen buiten Duitsland. Hij wist zeker van zowel ‘Unternehmen Sieben’ (een plan om een kleine groep Joden en Joodse christenen uit Duitsland te smokkelen naar veiligheid in Zwitserland), als het geplande complot om Hitler te vermoorden.
Maar om, zoals de film ook doet, te suggereren dat Bonhoeffer centraal stond in deze plannen en er persoonlijk bij betrokken was, of dat hij via bisschop George Bell aan Winston Churchill vroeg om te lobbyen voor het leveren van een bom die de samenzweerders konden gebruiken om Hitler te doden, is niets meer dan een zeer omstreden en zelfs samenzweringstheorie. Andere scènes zijn – onbedoeld – onnauwkeurig of ‘metaforisch’. Wanneer Martin Niemöller het (inmiddels beroemde) gedicht ‘Als die Nazis die Kommunisten holten..’ voordraagt, doet hij dat met een donderende preek op profetische wijze, alsof hij die beroemde woorden al uitsprak voordat de nazi’s ‘hem kwamen halen’. In de film wordt de preek blijkbaar in 1944 gehouden, hoewel Martin Niemöller in 1937 werd gearresteerd en in 1944 in Dachau zou zijn geweest (de Niemöller in de film verklaart tijdens de preek dat hij ‘dertien jaar’ hun predikant was geweest; Niemöller werd in 1931 predikant in Berlijn-Dahlem). Wat bekend zou worden als Niemöllers ‘bekentenis’ werd pas na de oorlog uitgesproken, dus na zijn zeven jaar durende opsluiting in eerst een Berlijnse gevangenis, vervolgens Sachsenhausen en uiteindelijk Dachau.
Zeker, Bonhoeffers leven en gedachtegoed zijn duidelijk boeiend, maar het is ook complex.
Bonhoeffer liet een reeks boeken, essays, preken, onafgemaakte manuscripten, werknotities en brieven na, die allemaal notoir moeilijk te interpreteren zijn. Bonhoeffer walst over deze moeilijkheid en complexiteit heen en trivialiseert daarmee de erfenis van een hedendaagse, gemartelde christelijke heilige. De film vertelt ook gedeeltelijk een onwaar verhaal: het verhaal van een man die voorbestemd is, ja vastbesloten, om een leven van gebed, onderricht en diplomatie te verloochenen om een potentiële huurmoordenaar te worden en zich koste wat kost bezig te houden met gewelddadige politieke spionage en activisme.
Dit alles is (heel) ver verwijderd van de man die in 1930 Amerikaanse christenen aanspoorde om te onthouden dat ze broeders en zusters hebben ‘in elk volk,’ niet alleen in hun eigen volk, en dat als het volk van God verenigd zou zijn, ‘geen nationalisme, geen haat van rassen of klassen zijn plannen kan uitvoeren en (…) de wereld vrede zal hebben.’
Zeker, het is gebruikelijk dat filmmakers gebeurtenissen samenvoegen om een verhaal efficiënter te kunnen vertellen. Maar het verhaal van de film is een heel eind verwijderd van de man die in november 1940 schrijft dat ‘radicalisme,’ en ‘christelijk radicalisme’ in het bijzonder, ‘voortkomt uit een bewuste of onbewuste haat (…) jegens de wereld, of het nu de haat is van de goddelozen of van de vrome.’
En het is een heel eind verwijderd van de man die met Kerst 1942 reflecteert op de ‘onvergelijkbare waarde’ van het hebben geleerd ‘de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis van onderaf te zien, vanuit het perspectief van de verstotenen, de verdachten, de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en verguisden, kortom vanuit het perspectief van het lijden.’
de film Bonhoeffer loopt daarom het risico Bonhoeffers erfenis als theoloog, pastor en man van verzet bloot te stellen aan nog meer misbruik. In een tijd waarin het politieke en religieuze discours steeds meer doorspekt is met xenofobe, autoritaire en nationalistische retoriek, en in het slechtste geval christelijk nationalistische retoriek, is dit niet wat nodig is. Het is niet verrassend dat Bonhoeffer-experts over de hele wereld en Bonhoeffers eigen familie zich zorgen maken.
Maar is Bonhoeffer desondanks de prijs van een kaartje waard? Na het zien van de film blijft het bij mij toch knagen. Want naast het pathetisch overdreven Amerikaans-Duitse accent van de acteurs, naast de enorm vrije omgang met situaties en teksten uit de Bijbel, de enorm vrije filmische brei en fouten van fictie en geschiedenis, blijf ik het mij afvragen: is dit nu wel of niet een goede kennismaking met de figuur van Dietrich Bonhoeffer? ‘Tuurlijk, er is inhoudelijk heel, heel veel mis met deze film, – maar dat geldt voor mij ook met de jaarlijkse The Passion op tv – kan het dan toch niet een ingang vormen voor mensen als kennismaking met Dietrich Bonhoeffer?
Misschien verrassend genoeg denk ik dat het dat wel is: al was het maar vanwege de ontknoping.
In een opeenhoping van verfraaide feiten zijn de laatste scènes van de film ook enorm aangrijpend en diep ontroerend. Kort voor zijn executie gaat Bonhoeffer zijn medegevangenen voor in het ochtendgebed, waarbij hij brood breekt en wijn met hen drinkt als herdenking van de dood van Jezus Christus. Vervolgens loopt Bonhoeffer in vrede naar de galg, wetende dat voor hem, als discipel van Jezus Christus, zijn dood slechts het begin van het leven is.
Het is zo’n standvastige hoop, in het aangezicht van alle vernederende absurditeit van menselijke tegenstrijdigheden (om wat woorden van Fjodor Dostojevski te lenen), waar de kerk en onze wereld vandaag de dag misschien het meest wanhopig behoefte aan hebben.
Ik moest twee keer met mijn ogen knipperen, toen ik mij plotseling realiseerde wat er gebeurde: president Trump en president Zelensky die in een tête-à-tête met elkaar spraken op de begrafenis van paus Franciscus. Dit was zó belangrijk!
De meeste berichtgeving over de requiemmis van paus Franciscus richtte zich toch op het ‘spektakel’ of de kans voor wereldleiders om contact te leggen. Het is verleidelijk om te denken dat het hoofdpodium van de Sint-Pietersbasiliek eigenlijk een bijzaak was van de marginale gebeurtenissen van politici die de wereld verdeelden. Met alle planning die gepaard gaat met gebruikelijke geopolitieke topconferenties, heeft het Vaticaan een spectaculair, geïmproviseerd decor geboden.
Toch kijk ik hiernaar met gemengde gevoelens. Maar als het om zaken van leven en dood gaat, is er geen betere locatie dan een begrafenis.
Dit veronderstelt natuurlijk dat leiders de tegenwoordigheid van geest hebben om het dode lichaam voor zich te erkennen (niet ‘overleden’), in plaats van alleen maar de handelingen te verrichten en na te denken over de fotomoment. Maar de raderen van de dood kunnen niet worden vermeden.
‘Bittere rivalen kunnen de rituelen van de sterfelijkheid erkennen‘ werd er ergens door een analist geschreven. Verhalen over leiders die recent begrafenissen bijwoonden, zijn soms onthutsend. De begrafenis van paus Franciscus was niet anders: Een onhandige Trump bijvoorbeeld die door zijn vrouw moest worden aangespoord om mee te doen met het gebruik van de vredesgroet.
Naast degenen die Franciscus prioriteit gaf – degenen die naar de marge werden verdrongen – was er een kritische ‘massa’ op de begrafenis aanwezig van mensen die zich in het hart van de samenleving bevonden: Er waren 170 delegaties, waaronder 50 staatshoofden, 15 regeringsleiders en 12 regerende monarchen. Treffend wordt er dan bericht: ‘Omdat de dood altijd bij ons is (…) bestaat er weinig twijfel over dat deze begrafenis nu de belangrijkste ceremoniële gebeurtenis is in het wereldwijde diplomatieke systeem’.
Daarom moest deze onwaarschijnlijke kans op bilaterale diplomatie ten volle worden benut.
Juist omdat begrafenissen, terwijl de lichamen in het graf neerdalen, ons uit het alledaagse, de 24-uurs nieuwscyclus en het doomscrollen verheffen, bieden ze ons de mogelijkheid om contact te maken met wat er echt toe doet. Minder dan 24 uur voor zijn dood sprak de paus op Paaszondag de woorden:
Christus is verrezen! Deze woorden vatten de hele betekenis van ons bestaan samen, want we zijn niet gemaakt voor de dood, maar voor het leven. God schiep ons voor het leven en wil dat de menselijke familie weer opstaat!
En nu onze wereldorde wankelt, zou de menselijke familie wel eens weer kunnen opstaan wanneer de machthebbers elkaar ontmoeten op een begrafenis.
Zeker, we zullen moeten afwachten of de geopolitieke ontmoetingen die hebben plaatsgevonden, vruchten afwerpen. Maar we mogen in die hoop leven. Als wereldleiders lering zouden trekken uit de raadselachtige, overleden paus, zouden ze inzien dat hij als teflon was voor de politieke etiketten die mensen hem probeerden op te plakken. Je krijgt de indruk dat hij streefde naar iets blijvenders dan soundbites, snelle overwinningen en populariteit.
Ik zou er ook aan toe willen voegen dat begrafenissen er zijn voor de levenden. Begrafenissen helpen ons te rouwen. Ze helpen ons verlies te verwerken, en daarom blijven de ‘stoffelijke resten’ bestaan. De oude verklaringen, de preek, het breken van het brood en het uitschenken van de wijn, ja zelfs de theatrale aspecten, helpen ons ons eigen leven te plaatsen op een wereldtoneel waar we zowel bijfiguren zijn als ook de onverdeelde aandacht van vele toeschouwers waard zijn.
In een wereld waar geopolitiek miljoenen mensen dreigt te depersonaliseren en te ontmenselijken, botsen begrafenissen onvermijdelijk tussen het universele en het individuele. De context van aanbidding en dankzegging tilt ons ook uit de aantrekkingskracht van de vluchtigheid van natiestaten en ons eigen leven, om de mogelijkheid te ontdekken en te laten draaien om Iemand die veel grootser en standvastiger is. Net als bij diplomatie is er geen betere plek om de dood te overdenken dan een begrafenis.
De titel van deze blog is ontleend aan ‘In paradisum’ een gezang dat deel uitmaakt van de requiemmis.
Gister op Paasmaandag overleed paus Franciscus op de leeftijd van 88 jaar. Hij leek half hersteld van een maand ziekenhuisopname vanwege een longontsteking en zegende op Paaszondag zelfs de menigte die zich op het Sint-Pietersplein had verzameld vanaf het balkon. Moge hij rusten in vrede.
Hij werd in 1936 in Buenos Aires geboren als Jorge Mario Bergoglio, als zoon van twee Italiaanse immigranten die een leven zochten zonder Mussolini’s fascistische heerschappij. Helaas kon dit hun zoon niet behoeden voor dictaturen – in de jaren 70 werd de Argentijnse regering omver geworpen door een militaire junta, die zich fel verzette tegen het socialisme.
Dit stukje biografie is essentieel om een genuanceerd beeld van paus Franciscus te schetsen.
In 1958 trad hij toe tot de Sociëteit van Jezus, een religieuze orde die half opgericht was om een reactie te vormen op de protestantse Reformatie. Hun oorsprong in de apologetiek heeft de ‘jezuïeten’ een reputatie van softie ten aanzien van de leer gegeven. Toen hij op 13 maart 2013 werd verkozen tot paus Franciscus, zagen sommigen een aanwijzing dat deze paus een hervormer was.
Velen zagen dat paus Franciscus tijdens zijn pontificaat dit probeerde waar te maken: In 2021 beperkte de paus het gebruik van de traditionele Latijnse mis, een stap die gemeenschappen die de overstap naar volkstaaldiensten in de jaren 60 betreurden en ernstig beledigde. In 2023 bevestigde hij dat priesters mensen in ‘niet reguliere verbintenissen’ mogen zegenen, zoals paren van hetzelfde geslacht en hertrouwde stellen, maar níet als een zegen voor de verbintenis. Tóch wordt hij ook gezien als een wind van verandering – openhartig, populair en oprecht nederig in zijn dienende leiderschap.
Maar tijdens zijn tijd als hoofd van de Argentijnse jezuïeten was de jonge pater Bergoglio naar buiten toe conservatief en verzette hij zich tegen de linksgeoriënteerde bevrijdingstheologie die de Latijns-Amerikaanse conferenties en seminaries van die tijd overspoelde. Als paus kon hij zo nors en traditioneel zijn als maar kan. Zijn antwoord op de vraag van een interviewer of vrouwen in 2024 tot de priesterwijding toegelaten konden worden, begon met een bot ‘nee’. Hij kwam in de problemen toen hij in een openhartig gesprek over de sfeer in sommige katholieke seminaries een negatieve belediging uitsprak voor homo’s. De naam die hij koos, Franciscus, naar de heilige van Assisi, was meteen een heel programma. Franciscus van Assisi stond immers ook voor de heropbouw van een vervallen kerk. Ook bij het aantreden van de nieuwe paus verkeerde de Rooms-Katholieke Kerk immers in stormachtig weer: misbruikschandalen, gesjoemel in de bank van het Vaticaan en misstanden in de Romeinse curie, het ambtenarenapparaat van de kerk. Paus Franciscus maakte meteen na zijn benoeming meteen werk van de noodzakelijke hervormingen, waarbij hij voortbouwde op de fundamenten die Benedictus had gelegd. Door gerichte benoemingen probeerde Franciscus het Vaticaanse bestuursapparaat doeltreffender en transparanter te maken.
Ook stond Franciscus voor een arme kerk voor de armen, voor barmhartigheid voor armoede, nederigheid, voor eenvoud, voor zorg voor de schepping, en voor vrede en interreligieuze dialoog. Zo ging Franciscus van Assisi in tijden van de kruistochten bijvoorbeeld langs bij de sultan van Egypte. Met dat voorbeeld in gedachten zou paus Franciscus geregeld naar moslimlanden reizen, en de broederlijkheid met moslims verdedigen. En liefde voor de schepping vertaalde zich dan weer in een bijzondere aandacht voor ecologie. Franciscus werd de eerste paus die zo sterk de nadruk zou leggen op klimaatverandering. Hij schreef met Laudato Si’ de eerste encycliek over de kwestie. In 2020 schreef hij de sociale encycliek Fratelli tutti, een geschreven ‘I have a dream’. Daarin tekende hij een wereld – en wegen daar naartoe – waarin vluchtelingen worden verwelkomd, de doodstraf niet meer bestaat, er geen oorlog meer wordt gevoerd, het milieu voor de winst gaat, de kloof tussen arm en rijk bijna verdwijnt en mensen elkaar als broeders en zusters zien. Hij dacht meer vanuit de mens dan vanuit de leer. Meer dan zijn voorganger Benedictus XVI, legde Franciscus de nadruk op de praktische kant van het geloof. Hij wilde de kerk van binnenuit hervormen en de geestelijken en parochianen meenemen op de weg van een belerende naar een luisterende, gastvrije kerk.
Maar toch… Te liberaal voor de conservatieve gelovigen, en te traditioneel voor de liberale katholieken. Franciscus was een paus met een duidelijk profiel: sociaal progressief inzake onderwerpen als armoede, ongelijkheid en de zorg voor de schepping, conservatief op het gebied van abortus en euthanasie. Anders dan zijn voorgangers gaf hij ruimte aan vragen rond celibaat en vrouwelijke ambtsdragers, al veranderde de leer niet. De taal en de stijl waren veranderd, maar de kerk bleef vooral zoals ze was.
Wat tekende paus Franciscus dan precies? Wat hij volgens mij leerde van de militaire machtsovername in de jaren zeventig, was de prijs van idealisme, aan beide uiteinden van het politieke spectrum. Hij was, naar mijn mening, een pragmaticus. Geen academicus zoals zijn voorganger, paus Benedictus XVI, en, in tegenstelling tot paus Johannes Paulus II, was er geen duidelijk politiek doel in de vorm van de uiteenvallende Sovjet-Unie. Franciscus was paus in een veel complexere wereld, die steeds meer een duidelijke morele basis miste en het steeds moeilijker vond om te reageren op enorme technologische en sociale veranderingen. Toch deed hij wel een dappere poging om het huidige obsessieve consumentisme te agenderen, bijvoorbeeld in zijn encycliek Dilexit Nos uit 2024:
‘Om de liefde van Jezus tot uitdrukking te brengen wordt vaak het symbool van het hart gebruikt. Sommigen vragen zich af of dit symbool nog steeds betekenisvol is. Maar omdat wij geneigd zijn oppervlakkig en snel te leven zonder uiteindelijk te weten waarom, en omdat wij geneigd zijn onverzadigbare consumenten en slaven van de raderwerken van een markt te worden, die geen belangstelling heeft voor de zin van ons bestaan, hebben wij er allen behoefte er het belang van het hart opnieuw te ontdekken.’
Franciscus zal bekend blijven staan om zijn pogingen om in alles een evenwicht te vinden om te pleiten voor verandering, maar zich elders terug te trekken. Hij was geliefd om dezelfde redenen waarom hij fel bekritiseerd werd. Zo gepolariseerd is onze tijd.
Ze zijn Jezus gevolgd. Door de nauwe straten van de stad Jeruzalem. De Damascuspoort uit. Tot op de kruisheuvel Golgotha. Het zijn Maria, de moeder van Jezus; Maria, de vrouw van Klopas en Maria uit Magdalena. Het is hun liefde voor Jezus die hen hier heeft gebracht, bij het kruis van Jezus. Wat een intens verdriet moet het hen gedaan hebben toen ze zagen hoe hun geliefde Jezus aan het kruishout werd vastgespijkerd. Wat een gevoelens van machteloosheid moeten hen zijn overvallen toen ze hoorden hoe hun geliefde Jezus werd bespot en veracht door de geestelijke leiders van hun volk. Het zwaard snijdt in al zijn scherpte door hun ziel als ze aan de voet van het kruis staan waar hun geliefde Jezus als een gewetenloze misdadiger hangt. Dan merkt Jezus hen op. Zijn oog valt op Maria, zijn moeder. En op Johannes, de enige van de leerlingen die niet is weggevlucht. ‘Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ (Johannes 19:26-27) Het is opvallend hoe Jezus in zijn lijden aan het kruis steeds met anderen bezig is geweest. Het zijn bewogen woorden, die Hij vanaf het kruis spreekt. Woorden die voortkomen uit het diepste van zijn wezen. Bewogen met anderen. Want hoe moet het nu verder met Maria? Moet ze straks helemaal alleen weer terug naar Nazareth? Hoe lang zou ze al de weduwe van Jozef zijn? Wie zal er daar in haar levensonderhoud voorzien? De gekruisigde Jezus spreekt hier Maria aan als ‘vrouw’ en niet als moeder. Maria is niet alleen zijn moeder, zij is ook de vrouw die zich uit liefde in dienst gesteld heeft van haar Heer. ‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’ (Lucas 1: 38) Heel Maria’s leven staat in het teken van het dienen van de Heer! Vanaf zijn kruis draagt Jezus in zijn liefdevolle bewogenheid deze vrouw op aan de zorgen van Johannes. Daarmee snijdt Hij de natuurlijke band met zijn moeder door. Hij neemt afscheid van haar, door haar een ander in zijn plaats als zoon toe te wijzen. En opnieuw moet Maria als moeder een stap terug doen. Nu voorgoed. Nu definitief.
En Johannes?
Sommige uitleggers denken dat Johannes, net als Jakobus zijn broer, een neef van Jezus moet zijn geweest. Eén van die donderse jongens van Zebedeüs en Salome. Johannes is de leerling waar rabbi Jezus veel van is gaan houden. Iemand die Hem drie jaar lang is gevolgd, door dik en door dun. Trouw en het vertrouwen waard. Johannes is dan ook de enige leerling waar we in het evangelie van lezen dat hij bij het kruis staat. Ook Johannes wordt door de gekruisigde Jezus persoonlijk aangesproken. Het is geen vriendelijk verzoek dat Jezus doet aan zijn beste vriend. Het is een taak, een opdracht die de Heer hem geeft: ‘Zorg voor haar!’ De man en de vrouw waar Jezus op aarde het meest van is gaan houden worden door Hem door dit kruiswoord aan elkaar verbonden. Hij wil dat ze één gezin gaan vormen. Voortaan woont Maria in het huis van Johannes. Zij zullen samen het begin gaan vormen van een nieuwe gemeenschap: de gemeente van Jezus Christus. Zij zullen als eersten brood en wijn met elkaar delen.
En wij?
Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan. Aan zijn kruis brengt Hij mensen bij elkaar. Hij draagt ons op om zorg te dragen voor elkaar. Om als broeders en zusters in liefde met elkaar om te gaan. Om onze vreugde en ons verdriet, onze rijkdom en onze nood met elkaar te delen. Aan het kruis herinnert Jezus ons aan de woorden die Hij eerder sprak: ‘Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet, is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (Matteüs 12: 50) Als je Jezus gaat volgen, kun je allerlei banden, zelfs familiebanden, kwijtraken. Maar de gekruisigde Jezus ziet je staan en geeft je een nieuwe familie om je heen: de gemeente van onze Heer Jezus Christus.
Dat is het geheim van dit derde bewogen kruiswoord!
De Veertigdagentijd of Lijdenstijd in aanloop naar Pasen is voor christenen de periode die in het teken staat van soberheid, inkeer en bezinning op je eigen christenzijn. Christenen geloven dat ieder mens geschapen is naar Gods beeld en leven in alle volheid verdient. Tragisch genoeg leven we in een wereld van gebroken relaties waar onrecht, ongelijkheid, corruptie en rampen miljoenen mensen van hun toekomst beroven. Een christen wordt opgeroepen om de onvoorwaardelijke liefde van Christus weerspiegelen door hun leven, hun daden en woorden. Het geven van hoop, herstel en vernieuwing voor de wereld zijn daar een onderdeel van. Ontwikkelingshulp in allerlei vorm is daar ook uiting van. Hieraan moest ik denken toen hoorde over het onderstaande.
Want in veel landen worden de gelden voor ontwikkelingshulp drastisch verlaagd. Niet alleen in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk en wie weet niet van de aankondiging in de Verenigde Staten om het budget van USAID – dat internationaal veel hulp overeind houdt – zeer drastisch te verlagen. In het Verenigd Koninkrijk heeft de afkondiging tot verlaging van het budget op ontwikkelingshulp zelfs geleid tot het aftreden van de minister voor Internationale Ontwikkeling Anneliese Dodds. Ze schreef in haar ontslagbrief:
‘Uiteindelijk zullen deze bezuinigingen voedsel en gezondheidszorg wegnemen van kwetsbare mensen.’
De forse vermindering van ons internationale hulpbudget brengt inderdaad levens in gevaar over de hele wereld. De stap ondermijnt echter ook de eigen nationale veiligheid. Een sterke aanwezigheid op het wereldtoneel komt niet primair tot stand door militaire kracht, maar juist door diplomatie en gerichte ontwikkelingsfinanciering.
Dodds:
‘In de rest van de wereld is het teleurstellend dat we waarschijnlijk het internationale ontwikkelingsbudget gaan plunderen, omdat de invloed van het Verenigd Koninkrijk in de wereld vaak voortkomt uit een combinatie van onze harde macht en onze zachte macht, onze diplomatie en onze ontwikkelingsfondsen.‘
Zo zien we ook in Nederland dat minister Klever van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp projecten stopt op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid, beroepsonderwijs en hoger onderwijs, sport en cultuur. En ook op hulp op het gebied van klimaat, maatschappelijk middenveld en multilaterale samenwerking wordt flink bezuinigd. Onder dat laatste valt bijvoorbeeld Unicef; de VN-kinderrechtenorganisatie wordt door Klever met 50 procent gekort.
Internationale hulp is bewezen een van de meest effectieve manieren om welvaart en vrede te creëren. Het is een strategische investering in nationale en internationale veiligheid, en is ook aantoonbaar nuttiger en kosteneffectiever dan militaire defensie-uitgaven.
Het verlagen van hulpbudgetten kan op korte termijn geld vrijmaken, maar in werkelijkheid verzwakt het de invloed van de donorlanden, ondermijnt het de wereldwijde stabiliteit en vergroot het de veiligheidsrisico’s. Het is niet alleen een valse zuinigheid, maar ook een potentieel gevaarlijke en contraproductieve beleidswijziging.
Hier zijn tien redenen waarom internationale hulp zo’n cruciale investering in veiligheid is:
1. Het aanpakken van de grondoorzaken vermindert terrorisme.
Buitenlandse hulp helpt vrede te bevorderen, armoede te verminderen en ontwikkeling te ondersteunen in de meest kwetsbare regio’s. Wanneer landen stabiel zijn, is de kans kleiner dat ze in chaos vervallen of broedplaatsen worden voor terrorisme en extremisme. Door Nederland gefinancierde onderwijsinitiatieven hebben meer dan 1,5 miljoen gemarginaliseerde meisjes onderwijs geboden, waardoor de kwetsbaarheid van jongeren voor extremistische rekrutering is verminderd. Door de aantrekkingskracht van radicalisering te verminderen, heeft deze investering bijgedragen aan het verlagen van de langetermijndreiging van terrorisme tegen Nederlandse burgers in binnen- en buitenland.
2. Investeren in wereldwijde gezondheid vermindert pandemierisico’s.
Virussen houden zich niet aan grenzen. Financiering voor de ebola-respons heeft geholpen wereldwijde uitbraken te voorkomen, waardoor het risico op dodelijke ziekten die zich naar Nederland verspreiden, is verminderd. Op dezelfde manier is door te investeren in vaccinaties tegen nieuwe stammen van Covid over de hele wereld, is de eigen pandemieparaatheid versterkt en de volksgezondheid in eigen land beschermd.
3. Sterkere relaties tussen landen verminderen conflicten.
Steun aan en hulp bij het trainen van politie en overheidsfunctionarissen, versterkte de diplomatieke banden op de lange termijn en voorkwam een terugkeer naar instabiliteit die zich mogelijk over het hele continent had verspreid. Dit heeft ook geholpen Nederland te positioneren als een vertrouwde diplomatieke partner, wat heeft geleid tot handelsovereenkomsten en politieke allianties die de wereldwijde belangen van Nederland ten goede komen.
4. Ondersteuning van stabiliteit vermindert gedwongen migratie.
Het wordt nu erkend dat het bouwen van ankers, en niet muren, de beste strategie is om migratie in te dammen. Het ontwikkelingshulpprogramma heeft economische en sociale steun geboden in landen als Syrië, Libanon en Afghanistan, waardoor gedwongen ontheemding werd verminderd en de druk op de Nederlandse grensbeveiliging werd verlaagd. Door regio’s te stabiliseren die door conflicten zijn getroffen, is ook Nederland in staat geweest illegale migratie en de bijbehorende kosten van grenshandhaving, asielverwerking en noodhuisvesting te verminderen.
5. Het bevorderen van duurzaamheid vermindert de schaarste aan hulpbronnen als gevolg van klimaatverandering.
Ondersteuning van duurzame landbouw- en schone energieprojecten in Afrika en Azië, waardoor de concurrentie om afnemende hulpbronnen wordt verminderd en klimaatgerelateerde conflicten worden voorkomen die hebben bijgedragen aan het turbulenter maken van de wereld. Dit heeft niet alleen de wereldwijde stabiliteit verbeterd, maar ook kansen gecreëerd voor Nederlandse bedrijven in de sectoren groene energie en duurzame ontwikkeling.
6. Veerkracht opbouwen vermindert internationale criminaliteit en instabiliteit.
Financiering is bijvoorbeeld instrumenteel geweest bij het stabiliseren van landen, door hun bestuur te verbeteren, wetshandhaving op te leiden en criminaliteit en piraterij te verminderen die niet alleen de internationale scheepvaart maar ook het toerisme bedreigen. Als gevolg hiervan hebben Nederlandse rederijen en toeristen die in de regio reizen minder veiligheidsrisico’s ondervonden, wat het vertrouwen in door het Nederland geleide handel en reizen heeft vergroot.
7. Hongersnood en ondervoeding voorkomen vermindert politieke instabiliteit.
Financiering van projecten heeft geholpen voedselcrises in Oost-Afrika te voorkomen, waardoor de kans op massale migratie en conflicten over hulpbronnen is verminderd. Zonder die investering zou ook Nederland waarschijnlijk veel meer hebben uitgegeven aan humanitaire noodhulp en crisismanagement, wat de kosteneffectiviteit van preventieve hulp aantoont.
8. Sterkere economieën in het buitenland opbouwen creëert kansen.
Handelsgerichte hulp heeft Afrikaanse landen geholpen stabiele economieën te ontwikkelen, waardoor handelsmogelijkheden voor Nederland zijn gecreëerd en de afhankelijkheid van fragiele staten is verminderd. Sterkere economieën in partnerlanden betekenen een grotere vraag naar Nederlandse export, wat ook ten goede komt aan Nederlandse bedrijven en werkgelegenheid.
9. Humanitaire hulp versterkt de wereldwijde invloed van een land.
Het ondersteunen van humanitaire hulp is belangrijk om de positie van Nederland als wereldwijde humanitaire leider te versterken en heeft geleid tot een soft power-voordeel op het wereldtoneel. Deze goodwill heeft geleid tot sterkere diplomatieke relaties met belangrijke bondgenoten, wat de Nederlandse belangen op het gebied van handel, veiligheid en regionale stabiliteit ondersteunt.
10. Rampenbestrijding bouwt goodwill en strategische partnerschappen op.
Na de aardbeving in Haïti in 2010 heeft Nederland noodhulp verstrekt, wat de banden met Caribische landen heeft versterkt en het wereldwijde leiderschap van Nederland op het gebied van crisisbestrijding heeft laten zien. Deze inspanningen hebben de rol van Nederland als betrouwbare partner in tijden van crisis versterkt, wat heeft geleid tot nauwere economische en diplomatieke relaties met landen in het Caribisch gebied.
Kortom: Als het Westen de hulpfinanciering opzegt, ontstaat er een zeer significant vacuüm waarin andere landen zullen stappen. Rusland heeft bijvoorbeeld al Wagner-huurlingen gestuurd om te patrouilleren in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Mali. Dit is niet alleen slecht voor de burgers van die gebieden, maar ook vanuit het perspectief van de nationale veiligheid van Nederland. Het zou buitengewoon zorgwekkend zijn als Rusland in staat zou zijn om een brede basis van invloed en soft power op te bouwen in het mondiale Zuiden.
Met een steeds kwetsbaardere wereld is dit het instrument dat op dit moment het meest nuttig is voor de nationale veiligheid internationale hulp. De toename van conflicten, migratie, terrorisme en andere vooroorlogse omstandigheden is direct te wijten aan de impact van armoede – die nu 44 procent van de wereldbevolking treft, concentratie van rijkdom – die de kans op financiële crises vergroot, verzwakte handelsroutes – bijvoorbeeld vanwege de oorlog in Oekraïne en het Midden-Oosten, en nieuwe handelspolitiek in de VS, en klimaatverandering – die al die spanningen verergert. Als Nederland in deze turbulente tijden een effectieve verdedigingsstrategie wil, moeten we heroverwegen om onze internationale hulpverplichtingen te verdubbelen, en ze niet op te geven.
De Veertigdagentijd. Als christen staat deze periode in het teken van bezinning op je eigen christenzijn. Ze staat in het teken van mededogen, liefde en barmhartigheid delen en bereid zijn om samen te werken om het leven van mensen te veranderen. Hulp aan een medemens is, die ook geschapen is naar Gods beeld. Wederkerigheid in ontwikkelingshulp vindt zijn basis in de ontvankelijkheid die wij leren van de liefde. Concreet betekent dit dat wij, gevers, allereerst zelf leren, namelijk leren te ontvangen in het geven. Alleen dan is er werkelijk sprake van wederkerigheid. Een les in deze Veertigdagentijd.
Ergens in een kloostertuin in het Atlasgebergte in Algerije liggen zeven eenvoudige grafstenen naast elkaar. Ze horen bij evenzovele vermoorde monniken. Onder hen de abt: frère Christian de Chergé. Het verhaal achter deze grafstenen wordt gevangen in de film ‘Des hommes et des dieux’ uit 2010. Frère Christian en zijn zes medebroeders bewonen een klooster in Algerije. Christian was aanvankelijk Frans officier. Hij werd vrienden met de Algerijnse politieagent Mohammed. Mohammed was moslim, Christian christen. Het stond hun vriendschap niet in de weg. Maar anderen rond Mohammed hadden hier grote moeite mee. Christian was voor hen een vijand: Fransman, militair en christen. Op een dag werd Christian ingesloten door moslimfundamentalisten. Hij vreesde voor zijn leven. Maar Mohammed sprong er tussen en redde zo Christians leven.
Een paar dagen later werd Mohammed gevonden bij de put achter z’n huis: gewurgd. Zijn vriendschap met Christian en zijn reddingdaad kostten hem zijn leven. Dit bepaalde Christians verdere leven: iemand had létterlijk zijn leven voor hem overgehad. Dat deed hem zoveel dat hij besloot in te treden in het klooster, om zich te wijden aan God en de mensen. In zijn denken en geloven werd een bepaald begrip belangrijk: het martelaarschap van de liefde. Dat had hij van zijn vriend Mohammed geleerd: de liefde is bereid om te lijden omwille van de ander. Zelfs voor de vijand.
Toen een tijd later een stel moslimfundamentalisten de omgeving onveilig maakte, kwamen ze ook bij het klooster. Hun leider eiste drie dingen: de dokter van het klooster, medicijnen en geld. Christian weigerde. Hij schreef later: ‘Niet alleen omdat ik mijn broeders hoeder ben, maar ook omdat ik deze broer moest hoeden, die voor me stond, die het nodig had om iets te ontdekken in hemzelf, dat anders was dan wie hij geworden was (…) ik wil niet sterven met haat, ik geloof in God, die onze Vader is. Ik geloof in genade, voor jou en mij.’ Zo wilde Christian getuige zijn.
Maar de spanningen lopen op. Het wordt steeds gevaarlijker en angstiger. Op een dag zijn de kloosterlingen bijeen in de kapel om te bidden. Ineens horen ze het geluid van een naderende gevechtshelikopter. De helikopter richt z’n boordmitrailleur op de kapel. Christian begint te zingen, de broeders slaan de armen om elkaars schouder. En tegen die herrie boven hen, tegen het dreigend geweld in, zingen ze.
Ik vind het een prachtig beeld voor ons als kerk, als gelovige. Om tegen alles in, tegen de dreiging, de terreur, de haat, de onverschilligheid, de lauwheid, de crisis, de oorlog, de verdeeldheid. Om tegen dat alles te zingen. En moed te houden. Te blijven hopen. Vanwege Hem, die is en die was. Die gekomen is en komen zal.