En?

Hoe kijken we terug op 2024 wat betreft het christendom, de christelijke kerk?
Werden we verder in een hoek gedreven
of was zoals sommigen zeggen
‘de verrassende wedergeboorte van het geloof in God?’

Want in de afgelopen jaren en in 2024
hebben we een stroom publieke figuren gezien
die verschillende gradaties van interesse
in het christendom aangaven, of zelfs voluit geloofden.
Sommigen… zijn belijdende gelovigen (Francis Spufford, Nick Cave),
sommigen hebben een beetje
in de kerkportiek rondgehangen (Tom Holland, Philip Goff),
anderen zitten nog steeds op een bankje
in het voorportaal (Alain de Botton).
En dan is er Ayaan Hirsi Ali (die meezingt vanaf de kerkbanken),
Jordan Peterson (soms op de preekstoel, soms in het koor)
en zelfs Richard Dawkins
(die glimlacht bij de uitvoering van Stille Nacht door het koor
terwijl hij voorbijloopt).

In de Verenigde Staten gebeurd iets vergelijkbaars.
Maar dan ingewikkelder. De alliantie van het evangelicalen
met Donald Trump is op zijn zachtst gezegd problematisch.
(zie hiervoor het boek van Kristin Kobes Du Mez Jesus and John Wayne.
How White Evangelicals Corrupted a Faith and Fractured a Nation).

J.D. Vance, aankomend vice-president,
is een serieuze christen,
die de reis heeft gemaakt van een evangelische kerkelijke opvoeding,
via studentenatheïsme naar een conservatief rooms-katholicisme.
Eerst noemde J.D. Vance zich een ‘never-Trumper’
en vond Trump ‘idioot’ en ‘schadelijk’.
Vance ging zelfs zover dat hij zich afvroeg
of Trump niet ‘de Hitler van Amerika’ zou zijn.
Geleidelijk aan veranderden zijn opvattingen over Trump.
J.D. Vance koesterde politieke ambities en moest een kamp kiezen.
Uiteindelijk veranderde hij van een uitgesproken tegenstander
in één van Trumps felste verdedigers in de Senaat.

J.D. Vance belichaamt waar een groot deel
van de huidige generatie Republikeinen in gelooft.
Hij komt uit de ‘vergeten’ blanke onderklasse,
maar werkte zich omhoog op een manier
die past in het klassieke verhaal van de American Dream.

Op lokaal niveau zijn er eveneens veel verhalen
over mensen die kerken binnenstappen,
op zoek naar een soort betekenis in het leven
en zich opnieuw of voor het eerst bezighouden met het geloof.
Soms is het de krachtige emotie
van charismatische of pinksteraanbidding,
soms de majesteit van de gebouwen,
het mysterie van katholieke liturgie
(Stephan Sanders, Willem Jan Otten, Kristien Hemmerechts)
of de oosters orthodoxe liturgie die jongeren trekt.

Mijn mening hierover, voor zover het iets waard is,
is dat de westerse cultuur tijdelijk of definitief
geen kracht meer heeft.
In de twintigste eeuw kwamen zowel het fascisme als het communisme op
en gingen ten onder.
Francis Fukuyama verklaarde het ‘einde van de geschiedenis’
in de triomf van het seculiere, liberale, consumentenkapitalisme.
Maar ook die lijkt opgedroogd,
en wordt steeds meer als spiritueel hol
en politiek verdacht ervaren.
De ‘wokecultuur’
was een poging om een reeks morele waarden te herstellen
om de onaangename en onrechtvaardige effecten
van de ongebreidelde markt in te dammen,
maar de strijdbaarheid en agressiviteit ervan,
de poging om aspecten van de natuurlijke orde te weerstaan,
om nog maar te zwijgen van de aanname
van een destructieve fixatie op een reductionistische identiteitspolitiek,
heeft een eigen terugslag gegenereerd.

Nick Cave verwoordde het goed
in een recent interview:
mensen hebben behoefte aan betekenis,
en de seculiere wereld heeft die niet bedacht.
De eeuwige menselijke zoektocht
naar doel en betekenis is niet verdwenen,
en er is niet veel te bieden in de seculiere cultuur.
Dus staan mensen plotseling open voor
het verkennen van meer oude voorraden wijsheid.

Misschien is de grootste ironie van alles
dat juist op het moment
dat we misschien de opkomst
van een openheid voor het spirituele,
het ‘numineuze’ (het goddelijke) en het religieuze zien,
de kerk niet in staat lijkt te zijn
om daarvan te profiteren.

Dus, wat zijn de vooruitzichten voor 2025?
Aan het einde van zijn monumentale
en steeds invloedrijker wordende werk
The Master and his Emissary,
maakt neurowetenschapper Iain McGilchrist (zelf geen christen)
een veelzeggend punt:
De westerse kerk is naar mijn mening
actief bezig geweest zichzelf te ondermijnen.
Ze heeft niet langer het vertrouwen om vast te houden
aan haar waarden,
maar sluit zich in plaats daarvan aan bij het koor van stemmen
dat materiële antwoorden toeschrijft
aan spirituele problemen.
God is het interessante aan religie,
en mensen hongeren naar God.
We kijken naar de kerk om ons een ervaring van God,
mysterie, heiligheid en gebed te geven
die, hoewel het misschien niet de tegenstellingen
van de natuurlijke wereld oplost,
ons in contact zal brengen
met de bovennatuurlijke wereld
die een eeuwig leven zal brengen.
Alleen de terugkeer van sterke religie,
een religie die eisen stelt, dwingende verklaringen biedt
voor de problemen van dood en lijden,
en gelovigen een gevoel van verbondenheid
met de levende God geeft,
heeft enige hoop om te concurreren
op de postchristelijke markt.

Nee, in 2024 is religie in het algemeen
en het christendom in het bijzonder
nooit ver van de voorpagina’s geweest,
ten goede noch ten kwade.

God is niet weggegaan.
En de Kerk zal, als ze het beste wil halen
uit een periode waarin mensen in de problemen
weer naar haar kijken,
daar misschien aandacht aan moeten besteden.

 

Zo rondom Eeuwigheidszondag
– het moment voor de herdenking in de (protestantse) kerk van hen die gestorven zijn –
denk ik wat verder na over het aspect van de dood in het christendom.
Het christendom heeft twee dingen te zeggen over de dood,
en het zegt beide krachtig.
De twee verweven houdingen van het christendom
ten opzichte van de dood zijn rouw en hoop.
Aan de ene kant is de dood een schaduw;
aan de andere kant is er een Licht opgekomen
dat die schaduw zal verdrijven.
Beide aspecten zegt Paulus erg krachtig :
‘De laatste vijand die vernietigd zal worden, is de dood.’( 1 Korinthe 15)

De dood is onze vijand; de dood is bestemd voor vernietiging.
Het idee van de dood als vijand
– ‘het meest angstaanjagende van alle lichamelijke kwaden’ (Thomas van Aquino) –
lijkt misschien achterhaald in de 21e eeuw.
Maar begrijpen we nu niet dat de dood natuurlijk is,
gewoon onderdeel van het soort wezen dat we zijn?

Aan de ene kant belijdt het christendom dat we sterfelijk zijn,
dat de dood als heel natuurlijk bij het leven hoort.
Maar aan de andere kant zegt het christendom ook
dat de dood een ontwrichting, een belediging is.
Want zij behoort niet tot het leven zoals dat bedoeld is.

Verzoening voor deze spanning berust
op die vreemde status van de mens,
gemaakt voor een relatie met God:
geschikt voor, geroepen tot.
Een model voor die relatie is opmerkelijk genoeg vriendschap geweest,
met Mozes als voorbeeld:
‘Zo sprak de Heer tot Mozes van aangezicht tot aangezicht,
zoals men tot een vriend spreekt.’ (Exodus 33)
Zo’n soort relatie, dat God van aangezicht tot aangezicht zien,
zou onsterfelijkheid verlenen aan onze van nature sterfelijke lichamen
(‘wanneer we hem zien, zullen we zijn als Hij,
want we zullen Hem zien zoals Hij is’).
Dus beide delen van het raadsel zijn waar:
we zijn van nature sterfelijk, maar we worden geroepen
tot een bestemming die onze natuur te boven gaat.
Onze tragedie is dat we rationele wezens zijn
die dwaas genoeg zijn om zich af te keren van God
en van het licht van de onsterfelijkheid.

De dood is onze vijand omdat we, hoewel sterfelijk van aard,
oorspronkelijk geroepen werden
tot iets dat buiten de natuur ligt, maar dat verloren.
God keerde zich naar ons toe, maar wij keerden ons af.
Vijandschap, tragedie en verlies zijn echter niet het hele verhaal,
en ze zijn zeker niet het einde van het verhaal.
Er is ook de vernietiging van de dood.
Dat is waar het leven, de dood en de opstanding van Christus over gingen.
Als de dood onze vijand is, dan is het een verslagen vijand, overwonnen,
hoewel niet volledig vernietigd, totdat God de wereld opnieuw schept.

Christenen kunnen soms zo blij zijn
over het vooruitzicht van de vernietiging van de dood
dat ze vergeten dat deze vernietiging nog steeds een belofte is,
en dat we nog steeds onder de heerschappij ervan leven.
Voor nu liggen de hoop en het verdriet verweven.
Daarom lezen we in het Nieuwe Testament over
‘geen verdriet hebben, zoals mensen die geen hoop hebben’ ( 1 Tessalonicenzen 4:13).
Ik zie dat niet als een algemene aanbeveling om geen verdriet te hebben,
niet te rouwen (de dood is tenslotte nog steeds onze vijand),
maar als een verbod op het soort verdriet dat geen hoop kent
(omdat de vernietiging van de dood verzekerd is).
Deze dualiteit in christelijke houdingen ten opzichte van de dood
komt tot uiting in de manier
waarop christenen de lichamen van de doden behandelen.
We beschouwen begrafenispraktijken
waarschijnlijk als vanzelfsprekend,
maar het idee om de lichamen van de doden
met de grootste zorg en waardigheid te behandelen,
was een punt waar het christendom echt op hamerde.
Jezus Christus had bijvoorbeeld een lijst
van zes goede daden gegeven in de gelijkenis
van de schapen en de bokken:
‘de hongerigen voeden, de dorstigen te drinken geven, de naakten kleden,
reizigers onderdak bieden, de zieken bezoeken
en gevangenen bezoeken.’ (Lucas 10)
Het zou een gedurfde beslissing zijn
om deze lijst van Christus aan te vullen,
maar de kerk deed het,
door er een zevende ‘daad van lichamelijke barmhartigheid’
aan toe te voegen: de doden begraven.

Het christendom is definitief de religie van de incarnatie:
van God die menselijk vlees aanneemt.
Lichamen doen er daarom toe.
Praten over het afwerpen van het lichaam,
alsof het lichaam slechts een oude mantel is
waar de ziel te groot voor is geworden,
is niet iets wat christenen zeggen.
Wij zijn lichamelijke wezens,
dus christelijke hoop is gericht
op de wederopstanding van het lichaam.
(Zo ook – ik zou er voor de volledigheid aan toe moeten voegen –
is het christelijke lot ook lichamelijk.
Degenen die sterven in vijandschap met God en het goede,
zo beweert het geloof, en het aanbod van verzoening afwijzen,
worden geconfronteerd met de consequenties in het herrezen lichaam.)

De boodschap van de incarnatie en de hoop op de wederopstanding
veranderde iets voor de vroege christenen.
Ze vonden dode lichamen niet langer beangstigend.
In de oudheid moesten lichamen buiten de stad worden begraven,
verstoten uit de menselijke gemeenschap.
Christenen veranderden dat
en begonnen hun geliefden binnen de stad te begraven.
Lichamen moesten worden gekoesterd, niet gevreesd.
De lichamen van hun helden
– degenen die uitblonken in deugd, en vooral de martelaren –
werden rechtstreeks naar hun kerken gebracht.
Zorg voor de lichamen van de doden
weerspiegelt beide polen van christelijke houdingen
ten opzichte van de dood.
Enerzijds hebben christenen
de lichamen van de doden met grote zorg bewaard,
omdat de dood een belediging is.
De dood is de vijand die ons allemaal treft.
Terwijl we dat verlies betreuren,
houden we de lichamen veilig
totdat het ongedaan wordt gemaakt.
Het christendom is niet te snel door rouw heen gesprongen,
maar heeft rouw ook niet het laatste woord gegeven.
De dagelijkse begrafenispraktijk
sluit waarschijnlijk het duidelijkst aan bij het verdriet,
hoewel de hoop erdoorheen geweven is.
En er is ook de andere kant van de christelijke houding
ten opzichte van de dood:
naast rouw is er hoop op de vernietiging van de dood.

Het christendom blijft niet steken bij de nadruk
op de nederlaag van de dood.
Het verheugt zich in het hebben in de hoop
en de verzekering van de opstanding,
wanneer ‘de dood niet meer zal zijn’.

waarschijnlijk nooit door Luther uitgesproken, wel aan hem toegeschreven

 

Vandaag, 31 oktober, is het Hervormingsdag.
Eeuwen geleden zou de monnik Maarten Luther
95 stellingen hebben geslagen
op de deur van de Slotkapel te Wittenberg.
Al geruime tijd is onzeker of deze gebeurtenis echt heeft plaatsgevonden.
Degenen die over deze gebeurtenis vertellen,
waren in 1517 namelijk nog niet in Wittenberg.
Ook is het raadselachtig waarom deze stellingen
de naam ’95 stellingen’ hebben,
omdat er versies bekend zijn met andere nummeringen.
Ook voor de theologie van Luther en de reformatorische doorbraak
zijn deze stellingen veel minder kenmerkend
dan bijvoorbeeld Luthers commentaar op de Romeinenbrief.
Toch zijn deze stellingen een publicitair succes.
Ook al heeft Luther ze wellicht niet geslagen op de deur,
hij verstuurde ze wel op 31 oktober
naar enkele bisschoppen en gaf exemplaren aan zijn vrienden.
Binnen enkele weken werden ze over heel Europa gedrukt en verspreid.
Deze stellingen zijn het eerste mediasucces sinds de uitvinding van de boekdrukkunst.

Een eeuw later, in 1617,
een jaar voor het uitbreken van de Dertigjarige Oorlog in Duitsland
beginnen de gereformeerden in de Palts de Hervormingsdag te gedenken.
Andere regio’s en ook de Lutheranen sluiten hierbij aan.
Zodoende kan de componist Johann Sebastian Bach in 1725
zijn cantate maken ter herdenking van de Hervorming.

In 1817 wordt de Hervormingsdag in Nederland ingevoerd.
De Franse tijd is net achter de rug.
Nederland heeft een koning uit het Oranjehuis.
De kerk krijgt in 1816 een nieuwe kerkorde:
het algemeen reglement.
Willem I wil naar Pruisisch voorbeeld
de Lutheranen en de Gereformeerden
in één kerk laten samenkomen.
De invoering van de (gezamenlijke) Hervormingsdag in 1817
is daarvan een voorbode.
Hervormingsdag is niet alleen een kerkelijk gebeuren.
hoewel het wel op zondag gehouden wordt.
Na de Franse tijd krijgt Nederland de Zuidelijke Nederlanden erbij
en heeft Nederland een grote katholieke bevolking
binnen de landsgrenzen.
Is Nederland nu een protestantse of een katholieke natie?
Hervormingsdag is aan de ene kant een poging tot oecumene
– Lutheranen en Gereformeerden -,
maar ook een poging tot afgrenzing: anti-katholiek.

Overigens: de synode draagt in 1817 op
Hervormingsdag te houden op de zondag na 31 oktober.
Pas rond 1850 Hervormingsdag op de dag zelf.

 

Zelfreflectie en -kritiek zijn de pijlers van het wetenschappelijke denken.
Je kunt duizenden boeken lezen, honderden gesprekken voeren,
en tientallen ideeën hebben,
als je geen inzicht hebt in je eigen vooringenomenheden,
loyaliteiten, belangen en invloed van je eigen culturele context,
dan zul je geen academisch niveau bereiken.
In die zin past het universitaire denken onverwacht goed
bij de christelijke boodschap van zonde, schuld en gebrokenheid:
Verwacht niet teveel van jezelf, weet dat je gedachten en je weten incompleet zijn,
de zonde die in je woont zoekt vooral zichzelf.
De Bijbel en de wetenschap zeggen hetzelfde: wantrouw jezelf!
In de kerk leren we daarom ons vertrouwen te stellen op God in Jezus Christus.
De wetenschap pakt dit probleem aan
door terug te vallen op zelfonderzoek, bronnenstudie en zelfkritiek.
In de theologie kunnen beide werelden elkaar versterken.

De theologie is een van de oudste takken van wetenschappelijk onderzoek,
veel universiteiten begonnen als theologische faculteiten.
De wetenschap heeft de theologie veel gebracht,
ook, of misschien wel juist, omdat sommige wetenschappelijke inzichten
leken te botsen met oude opvattingen van de kerk,
en ons dwongen tot nieuwe geloofsdoordenkingen en -gesprekken.
Helaas staat deze academische opleiding onder druk.
Het aantal studenten neemt af,
veel predikanten worstelen met hun beroep.

En vanuit de hbo-wereld kloppen hbo-theologen aan de deur.
Professionals die al langere tijd
niet de erkenning krijgen van de kerken die ze verdienen.
De synode van de Protestantse Kerk in Nederland
probeert een oplossing te vinden
maar moet daarbij rekening houden
met veel verschillende belangen en meningen.

En zo is de academische cirkel al snel rond,
want ook professionals in de kerk hebben belangen.
Er worden brieven verstuurd
door academisch gevormde predikanten en studenten theologie.
HBO-theologen en opleiders roeren zich.
Onze mening blijkt telkens toch wel erg dicht
tegen ons eigen belang en ego aan te schurken.
De alarmbellen van de wetenschappelijke methode
en de gereformeerde zondekennis
zouden eensgezind samen moeten luiden.

Een uitbreiding van het mandaat voor hbo-theologen
kan negatieve consequenties hebben voor de universitaire opleiding
en de toekomst van de theologie.
Het is terecht dat academici daar op wijzen.
Tegelijk is het nog maar de vraag of een monopolie
van academici op het predikantschap de kerk dient.
Gaan academisch geschoolde predikant beter om
met geestelijke vragen en de conflicten in een gemeente?
Kunnen zij complexe exegetische onderwerpen beter verwoorden
in een taal die de gemeente begrijpt?
Hebben zij een betere klik met jongeren?
Dat is geen vraag die zichzelf beantwoord,
daar zou wetenschappelijk onderzoek naar gedaan moeten worden.
Maar sommige academisch-geschoolde theologen
geven sterk de indruk dat ze het antwoord al op voorhand weten.
Dat is geen goede wetenschappelijke houding.

De kerk heeft het moeilijk, al tientallen jaren.
Het lijkt alsof het toenemende belang van de universitaire opleiding
in de kerken parallel loopt met het dalende aantal leden.
Is hier sprake van relatie of correlatie?
Ook dat zou onderzocht moeten worden.
De kerk is niet gediend bij een belangenstrijd.
Tegelijk is het noodzakelijk dat de toekomst van de theologie
en de kunde van de predikant hoog gehouden wordt.

De kerk kan veel leren van het bedrijfsleven,
waar men, met veel succes,
niet zo radicaal vasthoudt aan opleidingen en diploma’s.
We moeten oppassen dat het grote deel
academisch geschoolde theologen in beslissende kerkelijke organen
niet tot een “wij van wc-eend adviseren wc-eend” situatie zorgt.
Sommige theologen vergelijken zichzelf graag met artsen en piloten,
maar het werk dat ze doen lijkt misschien wel meer
op die van leraren en vooral managers.
Andersom lijkt het wel alsof men in de kerk denkt
dat je met je master theologie dan ook direct alles kan.
Geen leek mag op de plaats van de theoloog gaan zitten,
maar theologen vinden we op alle posities in de kerk.
Dat is toch vreemd.
Geestelijk leiderschap groeit in de praktijk,
en is ook vaak een kwestie van karakter en talent.
De kerk heeft een diversiteit aan voorgangers nodig.
Als de theologische universiteit niet in staat is
kritischer op zichzelf te reflecteren
zijn we het academisch denkniveau in feite al kwijt.
De hand kan niet zeggen tegen de voet dat die niet nodig is.

 

Vanwege deze menselijke, lichamelijke kant van de geloofsbeleving
hoeft het geen verbazing te wekken dat discussies
over onderhoud aan kerkgebouwen soms snel verhit raken.
Theologisch is het kerkgebouw weinig anders
dan een willekeurig ander gebouw,
psychologisch is het kerkgebouw
de plek waar men ‘thuiskomt bij de Vader’.
En hoewel de liefde van God geen gebouw nodig heeft,
krijgt het gebouw wel betekenis
als daar regelmatig de liefde van God ondervonden werd.

Die psychologische verbondenheid
aan een vaste plek om God te ontmoeten
kan heel sterk zijn.
Zij krijgt onder meer vorm
in zogenaamde ‘invented traditions’ (‘uitgevonden tradities’).
Een voorbeeld daarbij is een gemeentelid dat erop hamert
dat een kerkzaal écht niet zonder avondmaalstafel kan
‘omdat die daar al generaties lang zo staat’.
Maar in werkelijkheid zijn avondmaalstafel
in protestantse kerkgebouwen een noviteit.
Als gevolg van de Liturgische Beweging
uit de jaren ’70 van de vorige eeuw
kwamen deze tafels in kerkinterieurs terecht.
Omdat deze persoon emotioneel gehecht is geraakt
aan de vormgeving van het kerkgebouw,
herschrijft hij de geschiedenis
zodat de vormgeving gehistoriseerd wordt,
en daarmee zijn beleving bij het kerkgebouw veiliggesteld.

Omdat kerkgangers emotioneel verbonden raken met ‘hun’ kerkgebouw,
neigen ze ernaar dat gebouw te verabsoluteren.
Vormgeving, inrichting en zelfs bouwkundige details
krijgen emotionele of zelfs geloofsinhoudelijke waarde.
Wie de vorm verandert (of afschaft),
verandert ook iets aan de ‘beleving’ bij het kerkgebouw,
of aan de herinnering daaraan.
ja, kerkmensen neigen dikwijls naar nostalgie.
maar vorm is in de kerkzaal ook inhoud.

 

De kerk, dat is de veelkleurige gemeenschap waar:
de één de ander uitnemender acht dan zichzelf’ (Filippenzen 2: 3),
om maar wat te noemen.
Of: waar ieder ‘voor zover het in zijn of haar macht ligt,
alles in het werk stelt om met alle mensen in vrede te leven’ (Romeinen 12: 18).
De kerk is de plaats waar we elkaar ‘aanvaarden
zoals Christus ieder van ons heeft aanvaard’ (Romeinen 15: 7).
En zo is er eindeloos veel te noemen,
wat samen de kerk tot die geestelijke gemeenschap maakt.
Waarvan je ten minste verwachten mag,
dat we op een andere manier met elkaar omgaan.
‘Niet driftig zijn, niet gewelddadig, niet hebzuchtig’,
als kwaliteiten van leiderschap in de gemeente,
volgens de brief aan Titus.
En als positieve competenties gelden dan:
‘gastvrij zijn, goedwillend, bezonnen, beheerst’ en nog meer.

Te mooi om waar te zijn, zegt u misschien.
Ook ik ben nuchter genoeg,
als je lang genoeg meedraait in de kerk weet je daar alles van.
En toch, zeg ik graag: het is te mooi om niet waar te zijn…

‘Tuurlijk; de kerk is een vrijwilligersorganisatie.
Ja, maar we zijn ook en vooral een gééstelijke gemeenschap
en als we dat zouden vergeten, als we de uitdaging die daarin gelegen is,
uit het oog zouden verliezen, dan leven we onder de maat.
Dat laten we toch niet gebeuren?

Daarom wil ik toch tegen het einde nog
even terug naar de gelijkenis.
Er zitten ook problematische kanten aan.
Met name het grove geweld is iets dat opvalt.
De genodigden willen niet komen.
Als de koning aandringt door zijn dienaren op pad te sturen
om hen persoonlijk uit te nodigen,
volharden ze in hun weigering
en slaan ze zelfs de dienaren dood.

De reactie van de koning is al even gewelddadig.
Hij stuurt een strafexpeditie erop af,
laat de moordenaars ombrengen en hun stad in brand steken.
Waar is dat allemaal voor nodig, vraag je je af.

Maar het geweld is nog niet voorbij.
Als de bruiloftszaal gevuld is, blijkt er iemand niet de juiste kleding aan te hebben.
Ook zoiets aparts.
Hij wordt zonder pardon op koninklijk bevel door de uitsmijters verwijderd.

Waarom die strengheid?
Er is door uitleggers volop gespeculeerd over de betekenis van dat slot, wat dat bruiloftskleed,
dat die ene aangelegen persoon kennelijk niet aan had, precies behelst.
In de tekst zelf wordt dat niet duidelijk.

Maar het zou kunnen zijn dat het bruiloftskleed
een beeld is, van hoe je je gedraagt, van je levenswandel.
Zo wordt datzelfde beeld ook elders in het Nieuwe Testament gebruikt.
‘Bekleed je met de nieuwe mens’ (Efeziërs 4: 24),
of ‘bekleed je met Christus’ (Galaten 3: 27),
of ‘met de wapenuitrusting van God’ (Efeziërs 6: 11) 
of is dat weer te gewelddadig?

Hoe dan ook.
Als wij geroepen zijn, en dat geldt voor ieder van ons;
als wij bij de kerkelijke gemeenschap horen, schept dat verplichtingen.
Niet zozeer om ook vrijwilligerswerk te doen, al is dat nooit verkeerd,
maar vooral om te leven naar de maatstaven van de geestelijke gemeenschap,
waarin het beeld van Christus norm en leidraad is.

 

In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning.
De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht.
Maar de genodigden willen niet komen.
Waarom niet, wordt niet duidelijk.
Maar ze passen, ze komen niet.

Waar het nu even om gaat is hoe de koning
vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt.
Hij zegt tegen zijn personeel:
‘Ga naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’.
En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen,
goede en slechte mensen, staat er
wat al te denken geeft.
Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht.
Alle middelen heiligen het doel.
Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie?
Mensen die niets met elkaar gemeen hebben,
behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment
op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren.
Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten,
die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest.
Wonderlijk is het.

Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen,
is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren.
Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht.
Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag.
De kerk als contrastgemeenschap
Eén die haaks staat op de normen en waarden
van de ons omringende maatschappij waar groepjes
van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.

Zo is het in de geschiedenis precies gegaan.
De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven,
de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest.
Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest,
laten we dat ook niet vergeten.
Soms is dat troostend… het is van alle tijden.
De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer,
Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap.
Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode.
Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.

 

Maar wat wordt daar dan mee bedoeld, geestelijke gemeenschap?
Maak je het dan niet onnodig vroom, wat hoogdravend misschien.
Het is toch gewoon mensenwerk…
met alle menselijke kleinheden en kleinigheden, vertel ons wat.
Laten we het alsjeblieft een beetje nuchter houden…

Ja, daar ben ik ook wel van. En toch.
Een wezenlijk kenmerk van de kerk is,
dat wij een gemeenschap zijn van mensen
die elkaar niet hebben uitgezocht.
We horen bij elkaar, niet omdat we familie zijn,
niet omdat we uit hetzelfde dorp of gemeenschap stammen;
we horen niet bij elkaar omdat we verwante eigenschappen,
politieke overtuigingen, voorkeuren of smaken hebben;
we zijn niet per se bevriend met elkaar,
delen niet vanzelf dezelfde interesses of meningen.
We zijn geen gemeenschap van mensen die hetzelfde denken,
zelfs niet hetzelfde geloven,
of op dezelfde manier in het leven staan.
De kerk is geen gezelligheidsvereniging, van mensen met dezelfde voorkeuren.
Nee, we hebben elkaar niet uitgezocht, onze karakters botsen soms,
we zijn heel verschillend, maar we zijn allemaal,
ieder op een eigen wijze, geroepen, geboeid,
geraakt door het verhaal van het evangelie.
Door het evangelie van Jezus Christus
die de onvoorwaardelijke liefde van God belichaamt.

Vaak is je dat van huis uit meegegeven
en heb je dat op een eigen manier
een plaats gegeven in jouw leven.
Soms ben je er op een andere manier bij betrokken geraakt,
ieders verhaal is weer anders.
Maar dat is de kern van wat ik dan maar even ‘geestelijke gemeenschap’ noem.
De kerk vindt haar basis niet in een menselijke voorkeur,
maar in een roepstem, een appèl van de andere kant,
of hoe je dat ook wilt noemen.
De kerk vindt haar grondslag niet in een menselijke beslissing,
zoals een vrijwilligersorganisatie wordt gevormd.
De kerk is een gevolg van een beweging die buiten ons om op gang is gebracht
en waar wij in worden meegenomen,
waar wij ons in laten voegen en die wij, als het goed is,
op een eigen manier weer doorgeven aan een volgende generatie.

 

Is de kerk een vrijwilligersorganisatie?
Ik was onlangs op een kerkelijke bijeenkomst, waarop iemand dat zei.
Hij had het over de moeilijkheden waarmee ze in hun kleine gemeente worstelen.
Het bekende verhaal: gebrek aan ambtsdragers,
aan vrijwilligers, vergrijzing, minder kerkbezoek,
de noodzaak tot samenwerking met andere kleine gemeenten misschien.
De kerkorde zit daarbij in de weg, volgens de spreker,
met allemaal regels en voorschriften.
We moeten niet zo moeilijk doen,
de kerk is gewoon een vrijwilligersorganisatie.
We hebben een reglement nodig, geen dikke kerkorde.

Nu was er op diezelfde bijeenkomst
gelukkig ook iemand die meteen antwoordde dat er,
vanuit de kerkelijke organisatie volop meegedacht wordt
om creatieve oplossingen te zoeken.
De kerkorde hoeft geen keurslijf te zijn,
er is meer mogelijk dan je soms denkt.

Nou gaat het mij niet per se om de kerkorde,
maar wel even over die typering
van de kerk als vrijwilligersorganisatie.
Is dat zo?
Zelf zeg ik dat ook wel eens, een beetje gekscherend.
Als iemand van buitenaf vraagt naar mijn werk bijvoorbeeld, dan zeg ik:
ik ben de enige beroepskracht in een vrijwilligersorganisatie.
Dat is toch zo?
Kijk, de meeste mensen zitten voor hun plezier in de kerk, maar als predikant MOET ik er zijn.
Nou ja, ik zei al: gekscherend. En het klopt ook niet helemaal,
want vaak ook kosters en ook organisten horen bij de beroepskrachten,
en natuurlijk kerkelijk werkers
en in sommige plaatsen heb je ook betaalde scriba’s of ledenadministrateurs.

Toch is de kerk vooral een organisatie die drijft op vrijwilligers.
Op die talloze mensen die iets doen voor of namens de kerk,
heel vaak ook op de achtergrond, buiten het zicht van de camera’s.
Als die vrijwilligers er niet zouden zijn,
dan zouden al die betaalde dominees hopeloos onthand zijn.

Dat is allemaal waar.
En toch heb ik op die bijeenkomst
waarop nogal stellig de kerk een vrijwilligersorganisatie werd genoemd,
iets anders daar tegenin gebracht.
Want de kerk is volgens mij in de eerste plaats een geestelijke gemeenschap.
Dat moet voorop staan.

….

 

Rechtsstatelijkheid, dat woord dook opeens op in de verkiezingsdebatten.
De rechtsstaat heeft de afgelopen jaren deuken opgelopen.
Denk aan de toeslagenaffaire,
hoe de overheid om is gegaan met de gaswinning in Groningen,
de etnische profilering.
Zaken waarbij de overheid de burger ongelijk behandelde,
waar grondrechten met voeten zijn getreden.

Wat zou de kerk, wat zouden wij uit ons geloof, uit de Bijbel
kunnen inbrengen in het debat over de rechtsstaat,
de inrichting van de samenleving?
Nederland is een democratische rechtsstaat.
Er is een scheiding tussen kerk en staat.
Dus heeft de kerk wel recht van spreken?
Maar wat nu als de wetten in de staat indruisen
tegen de wetten van het koninkrijk van God?