En…voel je je al een beetje ‘kerstig’?
Of ben je, net als zovelen, gewoon moe?
Door de jaren heen heb ik vrienden en collega’s gehad
die als ware feestvierders de decembermaand indoken,
onvermoeibaar op zoek naar kerstfilms,
kerstgerechten en kerstliedjes,
en genoten van alles wat voor hen een soort
zachte, magische sfeer oproept die alles helderder maakt.
De lichtjes gaan aan, de kerstliedjes beginnen te spelen
en hun stemming lijkt mee te stijgen met de feestdagen.

Dit heeft me altijd verbaasd.
Daar zit je dan straks, op kerstavond,
in een tochtige kerk te wachten
tot de middernachtdienst begint.
De kaarsen flikkeren in de duisternis
die ze nog niet heeft overspoeld;
maar de duisternis is er nog steeds.
Je hebt het gevoel dat je er
maar net aan ben ontsnapt,
sterker nog,
je hebt haar misschien wel meegebracht.

Misschien komt dit gewoon
doordat feestdagen haaks staan
op jouw voorkeur voor rustige bijeenkomsten
met kleine groepjes mensen.
De specifieke eisen van december
betekenen dat voor veel mensen dat ze zich op de 24e
meestal helemaal niet meer in kerststemming voelen,
maar er gewoon helemaal klaar mee zijn.
Want morgen is weer een dag
en sta je onder druk om een feestelijk diner te bereiden
waar je niet bepaald zin in hebt,
noch om te koken, noch om op te eten.

Misschien is dan toch het kerkbezoek
niet meer dan een zelfzuchtige ontsnapping aan dit alles.
De boodschap is immers stralend, zelfs als je dat zelf niet bent.
God had de wereld zo lief dat Hij Zijn enige Zoon zond.
Dit is de hoop die door de eeuwen heen weergalmt:
de belofte dat God dichtbij is gekomen,
niet alleen tot degene die zich in kerststemming voelt,
maar ook (misschien wel meer)
tot degene die zich moe en overbelast voelt.

Toch kun je zelfs in de kerk
nog steeds geplaagd worden
door je eigen afstand tot de emotionele atmosfeer
die je lijkt te omringen.
Je kunt dan de woorden van geloof uitspreken,
de theologie bevestigen,
je kunt de schoonheid van het kerstverhaal erkennen
en toch voel je toch niets dieper dan je eigen vermoeidheid.
Je zingt de kerstliederen die je zo graag zingt,
maar de woorden klinken hol.
Hoeveel doet dit er eigenlijk toe?
Ja, je wordt ertoe aangezet om me dat af te vragen.

Iemand schreef eens vanuit een christelijk perspectief openhartig
over haar ervaringen met depressie.

‘…als God werkelijk de God van de Bijbel is,
dan eist hij onze aanbidding en gehoorzaamheid,
ongeacht hoe we erover denken,
of over onszelf, of over anderen.’

Deze uitspraak grijpt me, niet omdat ze streng klinkt,
maar omdat ze waar klinkt.
De kern van haar betoog is
de overtuiging dat de ziel wordt gedefinieerd
als ‘het zelf in relatie tot God’.
Met andere woorden, onze aanbidding
gaat niet primair over hoe we over God
of over Kerst denken,
maar over het feit dat we bij God horen,
dat we ons gevoel van eigenwaarde ontlenen
aan Gods achting voor ons,
en dat we ons steeds opnieuw op God richten,
ongeacht de feestdagen in december.

Dit inzicht komt op mij over
als een glimp in de decemberduisternis:
hier voel ik eindelijk een klein sprankje hoop.
Als mijn ziel mijn zelf is dat zich tot God richt,
dan doet mijn emotionele vlakheid niets af
aan die relatie, integendeel,
ze versterkt die juist.
In die koude kerk zitten is geen daad van egoïstisch escapisme.
Het is een moment waarop je er bent
voor een God die er voor jou is geweest,
en jouw onvermogen
om een kerstsfeer op te roepen
verandert niets aan de betekenis
van die roep en het antwoord.
Hierin mag je de geruststelling vinden
dat het gebrek aan emotie
geen teken van een geestelijk tekort is
– sterker nog, het zou wel eens
het tegenovergestelde kunnen zijn.

Het koor komt binnen, de dienst begint.
We zingen samen het kerstlied ‘Stille nacht, heilige nacht’,
dat op treffende wijze de worsteling weergeeft
met de spanning tussen wereldmoeheid
en de boodschap van hoop waarin we belijden te geloven:

Stille nacht, heilige nacht,
Davids Zoon, lang verwacht,
die miljoenen eens zaligen zal,
wordt geboren in Bethlehems stal,
Hij, der schepselen Heer,
Hij, der schepselen Heer.

Hulploos Kind, heilig Kind,
dat zo trouw zondaars mint,
ook voor mij hebt Ge U rijkdom ontzegd,
wordt Ge op stro en in doeken gelegd.
Leer me U danken daarvoor.
Leer me U danken daarvoor.

Stille nacht, heilige nacht,
vreed’ en heil wordt gebracht,
aan een wereld, verloren in schuld;
Gods belofte wordt heerlijk vervuld.
Amen, Gode zij eer!
Amen, Gode zij eer!

Het lijkt erop dat het echte kerstgevoel
wordt ervaren door degenen
onder ons die verdoofd,
moe of uitgecheckt aankomen.
Het kerstverhaal is immers een verhaal
over God die nabij komt,
niet naar mensen die zich heilig en hyperactief voelen,
maar naar een vermoeide wereld vol mensen
die zich gewoon, genegeerd en uitgeput voelen.
God verscheen niet in een zachte, magische omgeving,
maar in een stal (sic!);
de minst emotioneel geënsceneerde setting
die je je kunt voorstellen.
Daar, net als hier,
waren duisternis en kaarslicht
in een wankel evenwicht.
Maar daar werd een kind geboren,
en daar mag jouw ziel haar waarde weer ontdekken.

Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden
betekende dat ook voor kerken
dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort.
Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid
om elkaar online te ontmoeten.
En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten
die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen –
door veel mensen worden beluisterd en bekeken.
Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten.
Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen
blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen
niet worden gehaald.

De groep mensen die nu wegblijft,
heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen.
Ik noem er een paar:
ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven;
ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit;
ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben;
ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is.
Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven.
Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online
vanuit de luie stoel te volgen.
Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat
de terugloop van het aantal kerkgangers
door de coronacrisis nog sneller zal gaan.

Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw
een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’
met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan.
Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord);
om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping);
om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht);
om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag);
om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven);
om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).

Zijn deze argumenten nog valide
of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken?
Ja, hoe moet dit nu verder?
Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht
voor de geloofsgemeenschap?
Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’?
Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken?
Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd
verder over na te denken
en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen.
Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!

De coronacrisis zet het leven van en in de kerk behoorlijk op z’n kop.
Dat lijkt me het understatement van dit jaar.
‘Traditionele’ kerkdiensten waarin een ongelimiteerd
aantal mensen samen konden komen,
die lekker uit volle borst mee konden zingen
en na de dienst heerlijk met elkaar
onder het genot van iets te drinken na konden keuvelen
zijn sinds eind maart voor langere tijd van de baan.
In veel kerken zijn de online-diensten met beeld en geluid
een zoektocht met allerlei experimenten begonnen.  Het zijn eigenlijk stuk voor stuk missionaire (noem het ‘evangeliserende’) diensten geworden omdat de meeste diensten laagdrempelig voor een ieder te volgen zijn.
Ook de voorgangers moeten zichzelf opnieuw uitvinden. 
Ze moeten zich vaardigheden aanleren die zij in de meeste gevallen nooit geleerd hebben. Daarover wil ik in een later stadium iets schrijven.

In de voor-corona-periode werd er al heel veel gepionierd (geëxperimenteerd) ook binnen ‘gewone’ gemeenten.
Op allerlei manieren richtten kerken zich naar buiten.
Er gebeurden daarbij veel mooie dingen.
Een van de vragen die daarbij ook in beeld komt
is of wij in deze tijd ook ‘zieltjes mogen winnen’?
De laatste tijd – ook voor de corona – was er het idee ontstaan
dat ‘zieltjes winnen’ hoort daar voor velen niet meer bij.
Dat was volgens velen iets van voorbije tijden. Deze vraag komt ook naar boven bij de onlinediensten in de coronatijd.

Nu zijn er zeker goede redenen om op dit punt kritisch naar het verleden te kijken, maar zou dat laatste echt zo zijn?
Of zou de meest wezenlijke missionaire dienst van de kerk misschien
toch kunnen liggen in het in contact brengen van mensen met Jezus Christus?
Zouden ‘zieltjes’ juist in verbondenheid met Hem
niet kunnen uitgroeien tot florerende ‘zielen’?

Die vraag komt natuurlijk direct als een boemerang
terug bij de gemeente en ook bij mijzelf:
ben ik meer mens geworden door mijn geloof en mijn betrokkenheid bij de kerk?
Dat kan een confronterende vraag zijn,
maar het is goed als we deze in de gemeente elkaar toch durven te stellen.
Want als de gemeente me (onverhoopt)
eigenlijk niet helpt in mijn mens-zijn (menswording!),
dan is er ook weinig reden anderen uit te nodigen te kiezen voor Jezus Christus.
Want dan ‘bekeer’ je je tot meer van hetzelfde.
Maar als daadwerkelijk blijkt dat die keuze tot ‘meer dan het gewone’ leidt,
dan ontstaat er een basis om ook niet-gelovigen uit te dagen
hun kaarten op Jezus Christus te zetten.

Het gaat hier om een heel belangrijke zaak.
Wat is de plek van het christelijk geloof op de markt van welzijn en geluk?
Is het een kraampje als willekeurig elk ander kraampje
met ongeveer dezelfde spullen?
Of kun je daar iets krijgen wat nergens anders wordt aangeboden?
Laat ik een voorbeeld geven uit het nabije verleden.
De campagne #doeslief die door SIRE werd geïnitieerd:
je werd opgeroepen om in deze tijd van algemene verharding
oog te hebben voor de behoeftes van de ander.
Ook christenen worden vanuit de Bijbel opgeroepen
om ‘lief te hebben’ en ‘goed te doen’?
Is dat werkelijk anders dan de #doeslief-campagne?
Ik denk dat wij vanuit onze christelijke gemeenschap
werkelijke langdurige aandacht en steun kunnen bieden aan de ander.
Dit maakt volgens mij het verschil maakte met andere soorten van liefdadigheid.
Mensen moeten het kunnen ervaren, beleven.
De liefdadigheid of christelijk gesproken ‘diakonia’ van de christelijke gemeente
droeg al in het verleden werkelijk bij aan de verspreiding van het christendom.
Ik kan me voorstellen dat niet iedereen gecharmeerd is van dit soort markttaal,
maar hoe dan ook zullen we in de gemeente ons over deze vragen moeten buigen.

Want de stap om in deze tijd christen te worden, lijkt steeds groter te worden.
Dat heeft te maken met de vaak grote afstand
van mensen tot de wereld van het christelijk geloof
en helaas ook met het negatieve beeld dat velen van kerk en geloof hebben.
We leven immers in een tijd van beleving, van willen ervaren.
Willen mensen iets gaan zien in het christelijk geloof,
dan moeten ze de waarde daarvan kunnen proeven, kunnen beleven.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat bekeringen vaak via relaties verlopen.
Iemand proeft iets van het geloof van de ander, wordt nieuwsgierig,
gaat op onderzoek uit en besluit christen te worden.
Een jonge vrouw die door haar contact met christenen tot geloof was gekomen vertelde:
‘Ik moest tot mijn eigen verwondering erachter komen
dat ik een godsgeloof heb ontwikkeld.
Daar heb ik lang mee geworsteld. Ik heb er eindelijk maar aan toegegeven.
Ik heb mijn hele leven herzien. Dat is heel helend geweest.
Mijn leven is behoorlijk op z’n kop gekomen.
Ik doe niet meer zo moeilijk over dat je grootse dingen wilt bereiken.’
Ook zij moest ‘wennen’ aan het idee
dat er in haar leven echt een knop was omgegaan.
Nog steeds ontdekken in ons land mensen
de kracht en de schoonheid van het christelijk geloof.
‘Zieltjes winnen’, het gebeurd nog steeds.
Door relaties, door ‘goed doen’ door zoveel andere zaken.
Laten we elkaar niet aanpraten dat de tijd van ‘zieltjes winnen’ achter ons ligt.
Nee, het is niet de zeepkist die daarvoor moet worden bestegen,
maar eerder de aloude manier van werkelijk aandacht en hulp geven aan je naasten.
Zou het kunnen zijn dat we
– vertrouwd als we vaak zijn met de kerk en de christelijke traditie –
dat helemaal niet meer zo scherp zien?
Gelukkig de gemeente die ‘bekeerlingen’ in haar midden heeft.

Daar moest ik laatst aan denken toen ik een aankondiging las van een conferentie met de titel ‘Geloven in preken’. Foie gras. U weet het wel: de in Nederland zeer omstreden manier om ganzen vet te mesten waarbij de dieren enkele malen per dag via een trechter mechanisch of pneumatisch gevoerd worden. Met deze wijze van dwangvoedering kan de lever abnormaal opzwellen. Ik dacht aan deze martelvoeding vanwege de vergelijking die Ciska Stark maakte toen zij het spits afbeet op bovenstaande conferentie. ‘Kerkgangers zijn een stel tamme ganzen. De kerkganger van nu is een tamme gans die iedere zondag naar de kerk waggelt, waar de tammeganzendominee preekt over het wildeganzenleven van vliegen en vrij zijn. Daar laaft de tamme gans zich aan zijn wezenlijke roeping.’ Het beeld ontleend zij aan de Dagboeknotities van de Deense theoloog en filosoof aan het eind van de negentiende eeuw, Søren Kierkegaard. vlucht ganzenDeze aftrap van mevrouw Stark zette me aan het denken. Wat zij prikkelend stelt zegt iets over de kerkganger, die zich als tamme gans het gemakkelijke voedsel, het laaghangende fruit, laat welgevallen en zichzelf daarmee in slaap sust en niet bedacht is op de naderende Kerst wat voor hun een wisse dood betekent. Maar het zegt ook iets over de dominee, die zijn publiek met liedjes-van-verlangen tevreden houdt en niet laat opschrikken. ‘Want het hart van dit volk is vet geworden en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen’ citeert Paulus de Heilige Geest in Handelingen. Foie gras, maar dat geldt niet alleen voor de luisteraars, maar zoals gezegd evenzeer voor de predikers. Scherpe kanten van het evangelie, de struikelblokken worden graag vermeden, kool en geit moeten worden gespaard, spiegels omgedraaid, mensen naar de mond gepraat.

‘Moet een kerkdienst de vorm krijgen als afwisselende mix van liederen en teksten, gebed en getuigenis waar de preek slechts terloops een rol in speelt? Met de dominee in de rol van verteller die de verschillende ‘stukjes’ aan elkaar praat?’ vraagt Stark zich vervolgens elders af. Want alle deskundigen stellen dat de concentratie van een hoorder gemiddeld zeven tot acht minuten is. Gelukkig beëindigd Stark haar betoog met ‘prediker en hoorders geloven niet in de prediking, maar in een God die spreekt. (…) Volgens Stark zit het in de aard van het gesproken woord zelf: het is een ‘levend’ woord, een “viva vox” (levende stem) of zoals men vandaag zou zeggen: het is live. In tegenstelling tot hetgeen je leest of op papier of op een scherm ziet, is een gesproken woord iets vluchtigs in tijd en ruimte, het is niet gefixeerd en dus principieel open voor betekenis. De preek is niet de preek op papier of hetgeen je achteraf kunt navertellen: Het woord gebeurt op het moment zelf en dat is Bijbels: het Woord geschiedt.’

Ik geloof in de kracht van de Geest, een God die spreekt die van dode beenderen weer levende mensen kan maken, die toegestopte oren kan openen, dichtgeslibte aders kan openen en die mensen weer in de ruimte kan zetten van de vrijheid van het geloof en mensen weer een stem kan geven om de Bijbel met al haar hoekige, scherpe en vaak aanstootgevende kanten te verkondigen!

‘Jezus kwam niet alleen om mensen voor te bereiden op hun dood, maar ook om hun te leren leven. De Weg, zoals het christendom vroeger heette, trok omdat er een ander leven werd aangeboden dan het (Romeinse) keizerrijk te bieden had.’

Dit schrijft Shane Claiborne, als een van grondleggers onderdeel van The Simple Way, een nieuwe monastieke beweging die met een leefgemeenschappen onder meer in de achterbuurten van Philadelphia een eigentijdse vorm geeft aan de lange kloostertraditie. Shane ClaiborneClaiborne is ook actief in Willow Creek, een megakerk in de Verenigde Staten.

Claiborne wordt wel eens een van de nieuwe kerkhervormers genoemd. Met vragen als ‘Voldoet de kerk nog aan haar roeping om zorg te dragen voor de armen, de weduwen en de wezen?’ probeert hij christenen weer oog te geven voor hun ware roeping. Als activist liep Claiborne stage bij Moeder Teresa in Calcutta en bemoedigde hij christenen en getroffen burgers in Bagdad door tijdens de oorlog daar naartoe af te reizen. Claiborne wil terug naar het het beeld van de kerk dat Jezus leerde. En daarvoor moeten we bij onszelf beginnen. Claiborne citeert Mahatma Gandhi die zei: ‘Wees de verandering die je in de wereld wilt zien.’ Zelf begon hij zijn Simple Waybeweging door in een slechte buurt van Philadelphia samen te leven met de andere buurtbewoners. Hij gaf hen eten, hield samen de wijk schoon en bood kinderen huiswerkbegeleiding aan. Zelf is Claiborne geïnspireerd door Fransiscus van Assisi die ook in een heel rijke en roerige tijd hoorde dat hij de kerk moest helpen herstellen.

Claiborne verwijt de huidige kerk dat zij te veel bezig is met de hemel en daardoor de problemen aarde vergeet. De ellende om hen heen wordt vaak genegeerd. Maar dat is niet de bedoeling van Jezus. ‘De kerk’ zo zegt Claiborne ‘zegt dat hem om geloof gaat, maar de Bijbel zegt dat geloof bergen kan verzetten, maar dat zij zonder de liefde leeg blijft. Zonder liefde stelt het niets voor. Geloof en werken horen samen.’

Nu lijkt Claibornes ideaal misschien een illusie. Onhaalbaar. Maar dat is volgens hem precies het punt. Als het haalbaar zou zijn volgens onze eigen logica, hebben we God niet meer nodig. ‘Je vijanden liefhebben gaat ons zeker niet gemakkelijk af, daar hebben we Gods genade en liefde voor nodig’ zegt Claiborne.

Er is een ander leven dan dat wat de wereld aanbiedt!

Ik vertel niemand een geheim dat in deze tijd de secularisatie, de ontkerkelijking  met kracht om zich heen slaat. Kerken kunnen hun leden niet meer zo vast houden, zoals dat wel voorheen leek te lukken. Waar vroeger de kerken op zondagen nog vol zaten, lijkt het wel of het ‘kerkvolk’ nu haar spirituele heil elders zoekt. Nee, niet dat Nederland en masse ‘van God los is’, dat zeggen de cijfers wel waaruit blijkt dat de mens ongeneeslijk religieus blijkt te zijn. Maar toch, in de kerk komen ze niet meer.  Nu is er vreugdevol nieuws: zo te horen hebben kerken het panacee gevonden om mensen vast te houden en zelfs misschien weer voor nieuwe aanwas te zorgen.

Overal in den lande worden Pioniersplaatsen, Missionaire gemeentes of wat voor termen men er ook voor gebruikt ingesteld en worden predikanten bijgeschoold. Want, zo leerde ik laatst uit een artikeltje in Trouw ‘de preken niet meer aansluiten bij de belevingswereld van de kerkgangers aan’. Nu horen jullie mij niet zeggen dat een preek die aansluit bij de actualiteit niet nodig is, maar toch zet ik vraagtekens en voetnoten bij zo’n opmerking. Want waar leggen we het uitgangspunt van de kerkdienst? Ligt dat primair bij het  individu? Wat beleef jij aan de kerkdienst? Hoe raakt het jou?

De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer stelt  in zijn boekje ‘Het wezen van de kerk’, colleges over ‘de leer van de kerk’ (uit de dertiger jaren van de vorige eeuw!)  stelt dat het primaat ligt bij de samenkomst. ‘In de samenkomst gebeurt het, dat men de Geest ontvangt, gebeurt het wonder’. Ook bij de Reformatie, zo gaat Bonhoeffer verder, wordt het belang van de samenkomst in acht genomen. De reformatoren willen wel de vrije zelfstandigheid  tegenover de kerkdienst, maar geen vrijheid van het individu ver van de samenkomst. Het ontspoorde echter toen in het protestantisme het accent kwam te liggen op de ervaring. Dan draait het om de individualistische vraag ‘Wat heb ik er aan?’ De typisch individualistische constateringen over bijvoorbeeld de onaantrekkelijkheid van kerkdienst, de slechte preken zijn dan onvermijdelijk. Men kan tenslotte, zo stelt Bonhoeffer, geen aannemelijke argumenten meer aanvoeren om de samenkomsten te bezoeken. Voorstellen tot verbetering, vernieuwing en activering, zo gaat Bonhoeffer verder, zijn er tegenwoordig (!) genoeg in de kerk. Maar de grondslag is overal de vrome ervaring.  En dat is volgens hem geen goed uitgangspunt.

Dit werd gesteld in de jaren ver voor de Tweede Wereldoorlog. In onze tijd zien we nog steeds een zelfde soort  beweging bij de kerk en de kerkgangers. Moeten we het hebben van het aanbieden van allerlei leuke, aangename religieuze theorieën waar het publiek naar harte lust in kan grasduinen en kan pakken wat hem of haar aanstaat en de rest in de bak kan laten liggen? Smeren we alles dicht met een theologie dat God overal en altijd bij je is? Gaan we zitten op de beleving van de mensen, onder het mom van ‘u vraagt en wij draaien’? Aansluiten bij de beleving van de mensen die bijvoorbeeld alleen in de kerk komen om bemoedigd te worden?

Een interessante mening hierover staat geschreven in Provocatie van Willem Maarten Dekker. In diepste essentie, zo zegt hij, gaat het om de radicaliteit van geloven. Geloven kost wat. Het vraagt om een totale, volledige overgave. Je ontmoet een God die aanwezig is, maar soms ook afwezig. Kortom, een God die niet altijd even sociaal acceptabel overkomt.

En of dat geloof nu grote groepen trekt of niet, de essentie van het Woord moet verkondigd worden. Een boodschap dient niet altijd even sympathiek overkomt. Voor een christelijk geloof dat in het Westen eeuwenlang in het middelpunt heeft gestaan is dat misschien even slikken. Kerk in de marge worden is zeker geen fijn proces.

Beleef de kerk? Ja, beleef de kerk! In haar samenkomsten, in een Woordverkondiging die een compromisloze, ongepolijste, tegendraadse boodschap van de Bijbel voor de wereld heeft.

Met deze woordspeling vraagt Hans Eschbach, directeur van het Evangelisch Werkverband binnen de PKN, in het Nederlands Dagblad aandacht voor zijn stelling dat jongeren hun geloof niet beleven in de reguliere eredienst. Volgens hem moet we erkennen dat jongeren zich niet thuis voelen binnen de kerkelijke structuren. Volgens Eschbach dient de Protestantse Kerk dit te erkennen. ‘Zij moet erkennen dat de eredienst bij jongeren voor hun geloofsbeleving niet in beeld is. De jeugd moet ruimte krijgen om in hun taal en met hun muziek vorm te geven aan ‘aanbidding van en toewijding aan de Heer van de kerk’. ‘Dan is er hoop.’ Alle ‘experimenten’ om jongeren bij de eredienst te betrekken ten spijt moet worden erkent dat de gemeente van Christus niet maakbaar is. ‘We hebben meer behoefte aan knieologie, aan mensen die biddend op de knieën gaan, dan aan theologie. We moeten het niet hebben van onze denkramen of slimme methodes, maar van onze afhankelijkheid van God.’

De observatie van Eschbach lijkt mij meer dan terecht. Ik moest meteen denken aan de eerste regels van psalm 127 ‘Als de HEER het huis niet bouwt,
vergeefs zwoegen de bouwers’.

Is mijn stelling te bot als ik zeg ‘als we niet snel genoeg op de knieën gaan, houden we een rollatorkerk over?

Welke ‘kerk zonder drempels’ verkiezen wij?

De laatste jaren is er vooral in protestantse kerken een hele nieuwe beweging aan de gang: er moet steeds meer gebruik worden gemaakt van allerlei ‘nieuwe media’. Je kunt daarbij denken aan de onvermijdelijke beamer met allerlei presentaties daarop afgespeeld om de kerkdienst vaak visueel te ondersteunen. En ik heb begrepen dat in de ‘evangelische’ gemeentes er nog een schepje boven wordt gedaan wat betreft het toepassen van nieuwe media in haar veelkleurige verschijningsvorm. Je kunt je afvragen of de reden van het gebruik van deze nieuwe media wordt ingegeven vanuit een grondhouding van ‘het opleuken’ van de vermeende saaiheid van de kerkdienst of dat het gebruik voortkomt uit het idee dat het gebruik daarvan een functionele en effectieve bijdrage heeft aan de dienst. Ik hoop dat voornamelijk dat het gebruik van nieuwe media voornamelijk vanuit de tweede reden wordt ingegeven.

Een reden voor mij om over dit vaak beschreven onderwerp te schrijven komt door het binnenkort op de markt brengen van een computergame: Mass we prayMass, we pray simuleert kerkelijke vieringen, ‘want je zou niet moeten wachten tot zondag om naar de kerk te gaan’, aldus de ontwikkelaars. Met een kruisvormige controller bootst men in het spel kerkelijke rituelen na. De kruisvormige controller is vergelijkbaar met de controller van de Nintendo Wii: het reageert op bewegingen. Dus sta je voor de computer kruisjes te slaan, doe je alsof je met wijwater sprenkelt en slinger je met een wierookhouder. Ook bestaat er een speciale knielbank die precies registreert hoe vaak je knielt.  Voor een voorproefje: volg deze link: http://www.youtube.com/watch?v=nRMiRFJzIKA

De game moet in 2010 op de markt komen en is ontwikkeld door Prayer Works Interactive. De missie van het bedrijf is duidelijk: ‘We willen met behulp van computergames mensen dichter bij God brengen’. Het is niet bekend of de game ook op de Nederlandse markt zal verschijnen.

Mocht het spel op de Nederlandse markt verschijnen dan vaak ik mij af of dit de echte ‘ouderwetse’ kerkgang ten goede zal komen. Of moet dit meer mensen trekken? Of zal een aantal mensen dit spel niet aangrijpen  gewoon zondag zelf ‘kerkje’ te spelen.

Is het dan voor de kerk game over?

Het wordt religies en in het bijzonder hier in het Westen het christendom vaak verweten dat ze niet met hun tijd meegaan. Ze gebruiken te archaïsche woorden, te ouderwetse terminologie en middelen zo wordt gezegd en dat kan de mensen niet echt meer geboeid houden. Het moet eigenlijk allemaal meer hip, cool en spiffy.

Toch lees je met de regelmatigheid van de klok van religies – en ik beperk me hier even tot het christendom – dat er allerlei initiatieven ontstaan om mensen via de moderne, nieuwe media te benaderen. Een aantal voorbeelden: online pastorale begeleiding, kerkdiensten (achteraf) online beluisteren, podcasts van priester Roderick Vonhögen et cetera, et cetera.

Een nieuwe loot aan deze stam wordt aangekondigd in het volgende bericht:

Bericht aan God via iPhone

In moeilijke tijden wordt er vaak meer gebeden dan wanneer het voor de wind gaat. Allen Wright besloot daarom maar een iPhone-applicatie te verzinnen waarmee je gemakkelijk een brief naar God kan sturen. Met de applicatie ‘Note to God’ kunnen mensen ‘zelfgeschreven gebeden naar God sturen.’

interactieve kerkdiensten?

Via de iPhone-applicatie hebben gebruikers ook de mogelijkheid om de gebeden van anderen te lezen. Zij kunnen ook aangeven of ze het een goed gebed vinden. Alles in de applicatie gebeurt anoniem.

Als voorganger denk ik erover om mijn diensten binnenkort maar via een of andere internetapplicatie aan te bieden die gemeentes dan op een of andere manier aan de kerkgangers kunnen aanbieden. Ik schrijf hier ‘kerkgangers’, maar ik realiseer me dat dat er steeds minder worden. Mensen willen liever zelf het waar en wanneer van hun eigen spirituele moment plannen. Dat scheelt mij weer enorm veel reistijd en de last om op een onmogelijk vroege tijd op zondagochtend naar een of andere plaats in Nederland af te reizen én de noodzaak voor mensen op een vastgesteld tijdstip naar de kerk te komen.

De kerk ‘achterlijk’? Vergeet het maar! Wij gaan mee met de tijd, met en naar de toekomst. Wij zijn ten slotte mensen van de weg. En die weg heeft te maken met beweging, met op reis zijn. Dynamiek!

Eigenlijk zou dit een heel optimistisch blog kunnen worden. In deze tijd van de enorme recessie proberen juist kerkgangers de economie draaiende te houden door te blijven of juist meer te shoppen: als christen heb je natuurlijk altijd iets over voor je medemens… En door meer te gaan shoppen kunnen we de middenstand – groot en klein-  in stand houden en een fikse financiële injectie geven… Kerkgangers, christenen zijn het tenslotte gewend om iets over te hebben voor de ander, is het niet als bijdrage in de collecte, dan toch wel door zaken te kopen bij de middenstand die het echt wel zwaar heeft in deze tijden van crisis. Zo’n oude kerk staat toch niet voor niets midden in het stadscentrum (met winkels), toch…?

Maar helaas voor de middenstand, zo’n positief blog wordt het niet. Het gaat hier niet over het feit dat kerkgangers hun geld meer en meer gunnen aan het overeind houden van de neringdoenden.  kerkgangerHet gaat hier om het feit dat dat meer en meer kerkgangers – volgens sommige personen althans – naast hun eigen kerkgemeenschap vaak ook hun oor te luister leggen bij andere gemeenschappen. Je zou kunnen zeggen dat klantenbinding niet alleen in het dagelijkse leven steeds minder opgeld doet, maar dat die binding in het kerkelijk bedrijf ook onder druk staat.  Zo van ‘even kijken of het gras bij de buurman groener is’.

Eerlijk gezegd weet ik eigenlijk nooit zo goed hoe ik met dit soort berichten om moet gaan. Er zijn mensen die over dit ‘kerkshoppen’ zeggen dat het er nu eenmaal bij hoort: mensen willen zich nu eenmaal niet meer onvoorwaardelijk binden aan een instituut. Misschien ben ik te idealistisch in dezen. Ik denk dat je als kerk jouw leden zo goed mogelijk dient te bedienen en niet er voetstoots van uit moet gaan dat het toch normaal is dat mensen zich niet meer voor langere tijd willen binden aan één club of vereniging. Het moet toch mogelijk zijn om kerkgangers dusdanig uit te dagen dat ze terug willen komen. Want ik denk dat het het voor de kerk helemaal niet zo positief is dat kerkgangers regelmatig ‘shoppen’. Zou dit uiteindelijk niet kunnen leiden dat mensen op een gegeven moment geen lid meer willen blijven van één kerkgemeenschap en dus zondag aan zondag op zoek naar wat hun op dat moment het beste past? Waar blijft dan de fundamentele betekenis van religie: verbondenheid. Waar blijft de verbondenheid aan één specifieke gemeenschap?

Kerkgangers, het zijn net mensen…

Met het gegeven ‘shoppen’ moeten we als kerk leven, maar we mogen er ons niet bij neer leggen.