Onder een seculiere Franse regering is € 700 miljoen uitgegeven
aan de renovatie van de Notre Dame na de brand van 2019.
Het geld is echter niet afkomstig van Franse belastingbetalers,
maar van grote en kleine donaties
van mensen in Frankrijk en van over de hele wereld.
Wat is er toch met kathedralen?
(en misschien in bredere zin: christelijke gebouwen)
Want het aantal mensen dat kathedralen bezoekt om te bezoeken,
om te bidden of anderen te ontmoeten, blijft stijgen,
zelfs terwijl het kerkbezoek afneemt
en religie uit de mode lijkt te raken.
Dus wat is er aan de hand?

Het bouwen van een grote kerk
is een lang en zeer kostbaar proces,
en christelijke gemeenschappen
konden een eeuw of langer nodig hebben
om een kathedraal te bouwen
of te upgraden naarmate er middelen beschikbaar komen.
In landen waar het christelijk geloof
werd omarmd door de machthebbers,
hielpen overheden bij het bouwen van kathedralen.
Het waren niet alleen centrale punten voor erediensten
en het kerkelijk leven in hun gebied,
maar waren ook grote overdekte ontmoetingsruimten
die ook door de staat werden gebruikt voor
synodes, kroningen, vergaderingen
of diensten die het politieke leven ondersteunden
en de sociale cohesie versterkten.
Gemeenschappen en heersers wilden het beste
en grootste gebouw dat ze konden hebben,
tot eer van God (en ook die van de bouwers):
en kathedralen waren een focus voor het beste dat te vinden was
in architectuur en kunst, preken in steen en glas-in-lood,
kleurrijke hoogbouwwonderen
die de bewoners van een vaak lelijke
en sombere laagbouwwereld inspireerden.

Wat verklaart dan de blijvende aantrekkingskracht van kathedralen
en de emotionele banden tussen deze gebouwen en ons
die de herbouw van Notre Dame heeft benadrukt?

Om te beginnen zijn deze gebouwen
de dragers van verhalen en identiteiten.
Wij mensen houden van een goed verhaal.
We willen verhalen horen, zien en vertellen;
een verhaal maken van ons eigen leven;
deel uitmaken van een groter verhaal
dat ons identiteit en betekenis geeft.
In kathedralen kun je bezoekers en pelgrims ontmoeten
die graag de geschiedenis wilden weten,
met andere woorden het verhaal
van zo’n geweldige plek en alles wat het bevat.
Er zijn de bezoekers die hun eigen verhalen schrijven
en op elke toeristische bestemming
een foto maken van hun knuffel.
En er zijn de mannen en vrouwen op een crisispunt,
die in hun eigen verhaal die op zoek gaan
naar vergeving of hoop of liefde,
en die beginnen te vinden in het grote verhaal van God, van Jezus
en het christelijk geloof waarvan een kathedraal getuigt.

Dat vasthouden aan identiteit is natuurlijk niet alleen individueel.
De ramp van 2019 met de Notre Dame in Parijs
werd over de hele wereld gevoeld,
omdat deze kathedraal met haar glorieuze architectuur
en haar schatten deel uitmaakt
van het verhaal van de wereld
waar miljoenen mensen
door hun bezoeken
en begrip bij betrokken zijn geraakt;
een tragedie die natuurlijk het diepst wordt gevoeld in Frankrijk,
waar de kathedraal verweven is
met de Franse geschiedenis en identiteit.
Elke kathedraal, ongeacht haar leeftijd of grootte,
draagt het verhaal
van haar gemeenschap en haar mensen,
maakt deel uit van ons menselijke verhaal,
van het jouwe en het mijne.
Hun erfgoed is ook het onze.
Het verhaal dat een kathedraal vertelt over identiteit,
geloof en hoop kan verlevendigen en inspireren.

Aan de andere kant zijn kathedralen getuigen.
Kathedralen zijn niet alleen gastheer
van staatsgelegenheden:
hun rol is om een plek te zijn voor mensen
uit een breed geografisch en sociaal gebied
om elkaar te ontmoeten en te vieren,
te aanbidden, te rouwen,
te luisteren en te leren.
Het zijn plekken waar we zowel bevestigd als uitgedaagd worden.
Of het nu gaat om een lokaal liefdadigheidsconcert
om mensen in nood te helpen,
een groot bedrijfsjubileum, een seminar
of een protestlocatie voor mensen
die zich zorgen maken over een actueel politiek,
sociaal of religieus onderwerp,
de rouwenden van een belangrijke publieke figuur
of een dakloze die op zoek is naar waardigheid en onderdak;
kathedralen getuigen van de waarde
van het menselijk leven voor God.
Voor een kathedraal zijn alle mensen geliefd door God
en worden er verwelkomd.
Terwijl kathedralen een verhaal en identiteit hebben,
terugkijken en getuigen van en focussen op
een lokale of nationale gemeenschap,
kun je je ook een andere aantrekkingskracht voorstellen;
die van vooruitkijken en omhoogkijken:
‘vlaggenschepen van de Geest’.
Uit een enquête onder bezoekers
die kathedralen binnenkwamen,
bleek dat slechts 10 procent van hen van plan was
om iets spiritueels te doen;
maar toen ze naar buiten kwamen,
had 40 procent van hen gebeden,
een kaars aangestoken, met een geestelijke gesproken
of had een dienst bijgewoond.

Kathedralen zijn, net als alle kerken,
metaforische voetafdrukken van God in de wereld:
spirituele ruimte die is gereserveerd
om buiten onszelf en ons dagelijks leven
te stappen, om te reflecteren, te bidden en te aanbidden,
om een ontmoeting te hebben,
de aanwezigheid van God te zoeken.

 

Het omgekeerde is ook waar:
de inhoud wordt deels bepaald door de vorm.
Een ‘hoge’ kansel kan bijvoorbeeld benadrukken
dat Gods Woord boven mensenwoorden uitgaat.
En hoewel die gedachte theologisch klopt,
is niet uitgesloten dat ze psychologisch
onbedoeld het tegenovergestelde uitstraalt.
Bijvoorbeeld doordat jongere generaties
een hoge kansel onbewust
associëren met afstandelijkheid van de spreker,
of, ernstiger nog, een ver, onbereikbaar, abstract Evangelie.

Zo werkt de vormgeving van een kerkzaal twee kanten op:
ze kan woordeloos het Evangelie verkondigen.
Maar ze kan ook stilzwijgend een sta-in-de-weg-zijn
in de ontmoeting van God met mensen.
Het verschil tussen die twee verschilt per generatie,
tijdperk, kerkgebouw, cultuur en ga zo maar door.
Van doorslaggevend belang hierin
is ook de liturgische kennis van gemeenteleden:
wie niet weet wat een Paaskaars, doopvont, kruisteken,
dooprol of kansel symboliseert,
beleeft er ook geen geloofsinhoud aan.

Daarom begint gesprek over de toekomst
van een eigen kerkgebouw en/of een liturgisch centrum
het beste met het inhoudelijke verdieping:
‘waarom staat dat voorwerp daar,
welke betekenis heeft het,
hoe is dat zo gekomen,
vinden we dat ook nu nog belangrijk?’
Die verdieping kan hand-in-hand gaan met geloofsgesprek:
‘welke herinneringen heb jij bij dat doopvont?
op welke momenten hielp de vormgeving van ons kerkgebouw
jou bij de ontmoeting met God, of juist niet?’ enzovoort.
Dat brengt het gesprek op de twee betrokken lagen:
kennis én geloofsbeleving.

 

Vanwege deze menselijke, lichamelijke kant van de geloofsbeleving
hoeft het geen verbazing te wekken dat discussies
over onderhoud aan kerkgebouwen soms snel verhit raken.
Theologisch is het kerkgebouw weinig anders
dan een willekeurig ander gebouw,
psychologisch is het kerkgebouw
de plek waar men ‘thuiskomt bij de Vader’.
En hoewel de liefde van God geen gebouw nodig heeft,
krijgt het gebouw wel betekenis
als daar regelmatig de liefde van God ondervonden werd.

Die psychologische verbondenheid
aan een vaste plek om God te ontmoeten
kan heel sterk zijn.
Zij krijgt onder meer vorm
in zogenaamde ‘invented traditions’ (‘uitgevonden tradities’).
Een voorbeeld daarbij is een gemeentelid dat erop hamert
dat een kerkzaal écht niet zonder avondmaalstafel kan
‘omdat die daar al generaties lang zo staat’.
Maar in werkelijkheid zijn avondmaalstafel
in protestantse kerkgebouwen een noviteit.
Als gevolg van de Liturgische Beweging
uit de jaren ’70 van de vorige eeuw
kwamen deze tafels in kerkinterieurs terecht.
Omdat deze persoon emotioneel gehecht is geraakt
aan de vormgeving van het kerkgebouw,
herschrijft hij de geschiedenis
zodat de vormgeving gehistoriseerd wordt,
en daarmee zijn beleving bij het kerkgebouw veiliggesteld.

Omdat kerkgangers emotioneel verbonden raken met ‘hun’ kerkgebouw,
neigen ze ernaar dat gebouw te verabsoluteren.
Vormgeving, inrichting en zelfs bouwkundige details
krijgen emotionele of zelfs geloofsinhoudelijke waarde.
Wie de vorm verandert (of afschaft),
verandert ook iets aan de ‘beleving’ bij het kerkgebouw,
of aan de herinnering daaraan.
ja, kerkmensen neigen dikwijls naar nostalgie.
maar vorm is in de kerkzaal ook inhoud.

 

Op die manier raken ze aan elkaar verbonden:
dat praktische, dienstbare ouderlijk huis
en de herinneringen die daaraan verbonden zijn.
Het ‘ouderlijk huis’ krijgt een symbolische waarde:
de tastbare plek verwijst naar herinneringen en gevoelens.
Dat is onvermijdelijk:
we zijn als lichamelijke wezens geschapen.
We kunnen niet anders dan
herinneringen, ervaringen en gevoelens
koppelen aan een bepaalde plek.

Een kerkgebouw is het ‘Vaderlijk huis’:
hier werden mensen gedoopt, deden ze belijdenis, trouwden ze,
hier vandaan werden zij begraven.
Het kerkgebouw draagt geschiedenis bij zich:
generaties kerkgangers, en vooral:
generaties vol verhalen en gevoelens.
Dat is niet alleen negatief, of lastig.
Het is zoals wij geschapen zijn.

Het kerkgebouw als aards ‘Vaderlijk huis’
verwijst in die zin naar het hemels Vaderhuis:
hier woont God bij de mensen.
De hemel is vanuit ieder gebouw bereikbaar;
maar in het eigen kerkgebouw voelt alsof de regelmatige gebeden
daar het plafond van de hemel
een stukje dunner gebeden hebben.
Hij woont op alle plekken,
maar hier was Hij vaak thuis,
en daarom Zijn kinderen ook.

 

Een ouderlijk huis is niet ‘zo maar’ een huis.
Het is de plek waar je letterlijk je eerste stappen zette,
vrienden maakte, herinneringen verzamelde.
Het ‘doet’ iets met je
zodra dat ouderlijk huis niet meer ‘in de familie’ is.
Hoewel er van het rijtjeshuis in dezelfde straat
nog twintig exact gelijke staan,
is er maar eentje jouw ouderlijk huis.
In zekere zin lijkt zo’n ouderlijk huis op een kerkgebouw.

In de protestantse theologie is de waarde van een kerkgebouw vaak gerelativeerd.
Sinds Pinksteren woont de Heilige Geest in elke christen;
ons lichaam is ‘Gods tempel’.
Anders dan in het Oude Testament
heeft de heilige God geen eigen tempel meer nodig.

De reformatoren benadrukten dat kerkgebouwen
‘leerhuizen’ zouden moeten zijn:
praktisch, functioneel, gericht op de Woordverkondiging.
Waar in de katholieke theologie het kerkgebouw
nog sacramentele waarde werd toegekend,
benadrukte de Reformatie dat Gods aanwezigheid
niet afhangt van het type of de kwaliteit van een gebouw.

Het was verstandig dat de reformatoren
benadrukten dat God soeverein is.
Dat betekent dat Hij als het ware vrij is
om te gaan en staan waar Hij wil.
Zijn nabijheid kan niet worden afdwongen
door imposante beelden of indrukwekkende architectuur.
Zijn Zoon liet Zich huisvesten in een arme stal
en Zijn glorie was er niet minder om.
Zijn Geest woont in onze menselijke, kwetsbare harten
en het is Hem genoeg.

Tegelijkertijd:
de Schepper gaf ons een ziel en een lichaam.
En hoewel een kerkgebouw voor God de Heer ‘niets toevoegt’,
is niet uitgesloten dat een kerkgebouw dienstbaar is
aan de relatie tussen God en mensen.
Dat ligt niet aan de Heer, maar aan ons mensen.
In die zin lijkt een kerkgebouw op een ouderlijk huis.
In zo’n huis gaat het om de liefde tussen ouders en kinderen.
Die liefde heeft op zichzelf geen gebouw nodig.
Maar het is natuurlijk wel praktisch
een dak boven je hoofd te hebben.
En het spreekt vanzelf dat je emotioneel betrokken
raakt op dat huis.

Blue Sakura

Hoewel zingeving volop in de aandacht staat,
kloosterweekenden maanden van tevoren vol zitten,
er yoga in elke sportschool wordt aangeboden
en in boekwinkels de rekken vol staan met tal van spirituele zelfhulpboeken, sluiten kerkgebouwen massaal de deuren.
Ze worden afgebroken of verbouwd met een andere bestemming.
Loop door mijn thuisstad Zwolle en je vindt er tal van prachtige kerkgebouwen met een andere bestemming. Sommige zijn omgebouwd tot appartementencomplex, boekhandel of sushirestaurant.

Een sushirestaurant in een kerk is zeven dagen per week open.
De meeste kerken als godshuis zijn enkel op zondagochtend toegankelijk, in een voor buitenstaanders vaak onverstaanbare dienst. Ook daarom staat de ‘traditionele geloofsbeleving’ waarbij mensen regelmatig kerkdiensten bezoeken onder druk. En dan hebben we het nog geen eens over de huidige ‘tijd van corona’. Dit wil overigens niet per se zeggen dat mensen niet zoeken naar oorsprong, zin en doel van dit bestaan. God is niet dood, maar de zoektocht naar God kent veelkleurige uitingsvormen. In de samenleving groeit een nieuwe generatie op die onbevangen en nieuwsgierig de kerk tegemoet treedt.
Aan deze behoefte wordt echter amper tegemoetgekomen.

Daarom zoeken veel kerken als gemeenschap en met hun gebouw naar nieuwe wegen. Er wordt veel gepraat en nog harder gerend om allerlei nieuwe activiteiten van de grond te trekken, zonder te zien waar de ware schat ligt – in de gemeenschap, in het gebouw dat behoort tot de orde van het niet-efficiënte, niet-nuttige en niet-economische domein.
Het kerkgebouw contrasteert daardoor met deze tijd; het is heilig.
Moeten we dus massaal de vaak inefficiënte kerkgebouwen maar van de hand doen? Dat vraag ik mij wel af. Want het is misschien niet meer het ritme van de tijd van alles zo efficiënt mogelijk, maar het zijn fysieke plekken die mensen dwingen stil te staan bij de zin van het leven. Denk aan de overweldigende natuur, een museum of een treincoupé die dwingen tot stilte en reflectie. Het zijn anti-plaatsen in verhouding tot hun context. Plekken die hun betekenis aan dat anders-zijn ontlenen. Waar de dynamiek van de weerbarstige, gebroken realiteit kan samenvallen met de hoop dat het anders zou kunnen zijn.

Dit is de schat die ook het kerkgebouw herbergt. Geheel passend bij het DNA van de kerk om ‘wel in, maar niet niet van’ deze wereld te zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld dat een bezoek aan de Dominicanenkerk in Zwolle voor 70 procent van de bezoekers rust oplevert; 52 procent van de bezoekers die zelf niet gelovig zijn, ervaren er verwondering. Het openstellen van je kerkgebouw kan een heilzaam antwoord zijn op de zoektocht van velen naar rust en ontstijging van het lelijke aardse.
De hemel raakt er even de aarde.

Nee, je vindt er geen sushi, maar voedsel voor de ziel.

Kortgeleden las ik het bericht dat de Sint-Jan de Doperkerk in de Arnhemse wijk Klarendal Sint Jan de Doperkerk Arnhemverkocht is aan een stel ondernemers die het gebouw willen transformeren tot een memorarium. Een memorarium is volgens de initiatiefnemers een spirituele belevingsruimte en gedenkplaats in de breedste zin van het woord. In de Sint-Janskerk, die sinds september vorig jaar te koop stond, komen grafkelders, een urnenmuur, een crypte, gebeds- en gedenkruimtes en een hofje voor gestorven kinderen. Een memorarium kan ook worden gebruikt voor uitvaarten, herdenkingen, afscheidsbijeenkomsten en condoleance, zo denken de ondernemers.

Ik zat zo te denken: kunnen we, in het licht van bezuinigingen op ons sociaal stelsel die het kabinet momenteel voorstelt en effectueert, leegstaande kerken niet beter gebruiken als sanctuarium oftewel vrijplaats. Dat gebruik heeft enorm oude papieren waar in de Bijbel al vervolgde mensen een heiligdom in konden vluchten en daar veilig waren voor hun belagers. En ook in de (vroeg)christelijke tijd heeft de kerk lang zo’n functie gehad.

Zouden we in deze tijd kerken niet kunnen inrichten als vrijplaats voor mensen die door het sociale vangnet heen vallen en in het huidige gure sociale klimaat buiten staan? Ik denk dan bijvoorbeeld aan uitgeprocedeerde asielzoekers die Nederland moeten verlaten, die wel weg willen, maar niet kunnen. Ik denk dan aan mensen met psychische stoornissen die geen plaats meer kunnen vinden in instellingen. Ik denk aan heel veel andere mensen die om wat voor reden dan ook tussen wal en schip vallen of op de een of andere wijze zo ‘uitgekleed’ worden dat ze voor hun eigen bestaan moeten vrezen.

Immers de kerk is geen gebouw voor doden, maar voor levenden!

En eerlijk gezegd: zul je dan zien dat de kerken weer vollopen!