Het omgekeerde is ook waar:
de inhoud wordt deels bepaald door de vorm.
Een ‘hoge’ kansel kan bijvoorbeeld benadrukken
dat Gods Woord boven mensenwoorden uitgaat.
En hoewel die gedachte theologisch klopt,
is niet uitgesloten dat ze psychologisch
onbedoeld het tegenovergestelde uitstraalt.
Bijvoorbeeld doordat jongere generaties
een hoge kansel onbewust
associëren met afstandelijkheid van de spreker,
of, ernstiger nog, een ver, onbereikbaar, abstract Evangelie.

Zo werkt de vormgeving van een kerkzaal twee kanten op:
ze kan woordeloos het Evangelie verkondigen.
Maar ze kan ook stilzwijgend een sta-in-de-weg-zijn
in de ontmoeting van God met mensen.
Het verschil tussen die twee verschilt per generatie,
tijdperk, kerkgebouw, cultuur en ga zo maar door.
Van doorslaggevend belang hierin
is ook de liturgische kennis van gemeenteleden:
wie niet weet wat een Paaskaars, doopvont, kruisteken,
dooprol of kansel symboliseert,
beleeft er ook geen geloofsinhoud aan.

Daarom begint gesprek over de toekomst
van een eigen kerkgebouw en/of een liturgisch centrum
het beste met het inhoudelijke verdieping:
‘waarom staat dat voorwerp daar,
welke betekenis heeft het,
hoe is dat zo gekomen,
vinden we dat ook nu nog belangrijk?’
Die verdieping kan hand-in-hand gaan met geloofsgesprek:
‘welke herinneringen heb jij bij dat doopvont?
op welke momenten hielp de vormgeving van ons kerkgebouw
jou bij de ontmoeting met God, of juist niet?’ enzovoort.
Dat brengt het gesprek op de twee betrokken lagen:
kennis én geloofsbeleving.