Hoewel ik in één van mijn vorige webposts
een ander beeld schetste,
bestaat er nog steeds het algemene beeld
dat de mainstream kerken wankelen.
En dat is niet zonder reden:
Want door de vergrijzing
lopen ze het risico uit te sterven
in hun Westerse en Midden-Oosterse kernlanden.
Enquêtes bevestigen namelijk keer op keer
dat slechts een minderheid
van de mensen nog naar de kerk gaan.
En een noodkreet van de scheidend scriba van de PKN
zegt dat ook het predikantenkorps van de PKN vergrijsd.
Er is volgens sommigen zelfs een tekort aan predikanten;
Op dat tekort valt het een en ander af te dingen, trouwens.

Dan kun je je afvragen: so what?
Als er steeds minder mensen naar de kerk gaan
zijn er toch ook minder predikanten nodig?
Tegelijkertijd prediken veel opiniemakers
een seculiere ideologie met een zelfvertrouwen
dat neigt naar religieus fanatisme.
Anderen, onzeker over hun verankering,
voelen een resterende gehechtheid aan spiritualiteit,
terwijl ze wel sceptisch staan
tegenover het bestaan van God
en andere geloofsartikelen.

Hoe positief ik misschien ook sta
tegenover de gevoelde opleving van christendom
in de huidige tijd,
blijft er toch een stemmetje horen
dat weigert de slingers op te hangen
en dat zegt:

wat als…

ja, wat dan?

In de komende webposts wil ik me bezighouden
met die vraag:
als het christendom in ‘het Westen’
dan zijn langste tijd gehad heeft
wat blijft er dan over?

Want de wijsheid die de kerk aan haar volgelingen leert blijft,
en die is beschikbaar voor de bredere samenleving,
die intellectueel robuust is
ze inspireert een transformerende wereldwijde aanwezigheid.
Dat blijkt ook uit een groot en breed opgezet internationaal onderzoek,
en een rapport over de verontrustende gevolgen van secularisatie.

Maar uit verdediging van het christelijk geloof, de apologetiek,
die te vaak wordt gekleineerd door tegenstanders,
komt toch een vervagende profiel van het christendom in het heden naar voren,
hoewel er ook overtuigend wordt betoogd dat het historisch christendom van Europa
cruciaal blijft voor het voortbestaan van een humane cultuur.

 

(voorgaande blogs over dit onderwerp: zie 21 november en 28 november)

Voor velen leidt juist die onbegrijpelijkheid van God, aldus Rahner ,
tot het afscheid nemen van God en het christelijke geloof.
Want de wortel van twijfel aan God
en de daaruit voortkomende diskwalificatie van het christendom
is bijna altijd de moeite met God,
eerder dan rationele en wetenschappelijke argumenten.

Het eigenlijke argument tegen het christendom
is de ervaring van het leven,
deze ervaring van de duisternis.
en ik heb steeds gemerkt dat achter de vakargumenten
tegen het christendom van de wetenschappers
als laatste kracht en als a priori
beslissing vooraf …
steeds deze laatste ervaringen van het bestaan stonden,
die de geest en het hart duister maken en moe en twijfelend.’

Soms gaat dat afscheid heel heftig,
vaker ‘gewoon’ heel geleidelijk en stilletjes.
Waarom geloven in iets dat ongrijpbaar blijft?
Waarom geloven in iets dat,
voorzover het wel te begrijpen
en te benaderen is, kwelling betekent?
Waarom niet, simpelweg,
zich beperken tot het bestaan hier en nu?
Waarom niet mijn levensvervulling vinden
in de vele goede zaken op aarde?

‘en toch’: er is een andere weg mogelijk.
‘en toch’ is de weg van de geloofstraditie,
waarin steeds weer geloofd is
dat de verborgen God wel degelijk bestaat,
en dat die verborgen God wel degelijk zich laat ontmoeten.
Het is mogelijk, zo is de ervaring
en de belijdenis van velen voor ons,
om in God te blijven geloven
en om Gods nabijheid te blijven ervaren.
Niet het onbegrip en de kwelling
hebben het laatste woord, maar Gods nabijheid.
Dat deze traditie tot de mogelijkheden behoort,
dat het zinvol is om je aan die traditie
over te geven en toe te vertrouwen,
en dat je te midden van de moeite simpelweg
– voorzover dat simpel is –
vol moet houden, dat kan je niet bewijzen.
Het kan alleen toegelicht en aannemelijk gemaakt worden,
en dan slechts in zoverre iemand
welwillend en betrokken wil zijn.
Want alleen met welwillendheid en betrokkenheid
kunnen woorden verwijzen
naar dat wat ermee bedoeld is,
kan zo het verband met de eigen ervaring gezocht worden,
en kan dus overtuiging groeien.