De Brits-Amerikaanse filosoof Larry Siedentop (1936-2024)
stelde dat de oorsprong van het liberalisme
ligt in het christelijk denken.
Het liberalisme is als ware
het buitenechtelijke kind van het christendom.
Een kind overigens, dat niet bewust verwerkt is.
Dat nooit een ‘project’ van de kerk geweest is.
Maar desalniettemin onlosmakelijk en logisch
verbonden met eeuwen denkwerk in de christelijke traditie.

Veel van het denken van Siedentop over individualisme
voert terug naar de apostel Paulus,
zonder meer een sleutelfiguur in de vroege kerk.
En hij heeft nog steeds, anno vandaag,
diepgaande invloed op het christendom heeft.
Zijn denken heeft de idee van de christelijke gemeenschap gevormd:
Als een verzameling van gelijkgestemde zielen, verenigd in het geloof in Christus.

Paulus postuleerde,
door zijn ervaringen met al die verschillende groepen mensen en culturen,
dat alle mensen – gelovigen en ongelovigen – gelijk zijn.
Hij maakte bovendien serieus werk van innerlijke, individuele reflectie.

In zijn Galatenbrief stelt Paulus dat de christelijke gelovigen vrij zijn.
Vrij zijn in hun geloof in God.
De opvatting van Paulus over Christus
maakte korte metten
met de veronderstelling waarop het antieke denken
tot dan toe had gesteund,
namelijk de veronderstelling van natuurlijke ongelijkheid.
In plaats daarvan zet Paulus in op menselijke gelijkheid.

Sterker nog: volgens Siedentop
zien we in de geschriften van Paulus het ontstaan
van een nieuw gevoel van rechtvaardigheid,
gebaseerd op de veronderstelling van gelijkheid.
Dit denken over ethiek en moraliteit
en – vooral – morele gelijkheid,
waarbij elk individu intrinsieke waarde heeft,
is gegrond in diezelfde christelijke ethiek.

Nu ontstaat in de huidige samenleving
er wereldwijd een snel groeiende hoeveelheid (jonge) mensen
die een diep wantrouwen in de overheid hebben,
omdat ze geloven dat die niet naar hen luisteren
en er ook niet om geven.
En dan besef je dat de democratie
in de problemen zit, en niet alleen op het wereldtoneel.
Want ook bij ons in Nederland
is een zeer verontrustende trend aan het ontstaan
dat steeds meer mensen denken
dat het land beter af zou zijn onder een dictator,
of in ieder geval een ‘sterke man’
die gewoon met een pennenstreek
knopen kan doorhakken.
(zie hiervoor de euforie bij zijn aanhangers
tijdens het ondertekenen
door Trump van zijn decreten)

Uit een recente peiling blijkt dat 52 procent van de jongeren
gelooft dat het land moet worden bestuurd door een sterke leider
die zich niet hoeft te bekommeren
om het parlement of verkiezingen.
Nog alarmerender is
dat 33 procent denkt dat het land beter af zou zijn
als het leger de leiding had.
Als dat ons niet aan het denken zet,
bedenk dan dit:
bijna de helft (47 procent) van jongeren
gelooft dat onze maatschappij radicaal
moet worden veranderd door middel van een revolutie.

Deze cijfers zijn verbijsterend.
Voor degenen onder ons die zijn opgegroeid
met een sterke toewijding aan democratie,
is het onbegrijpelijk
dat de generatie die is opgegroeid
met de meeste vrijheid,
de meeste toegang tot informatie
en de grootste digitale connectiviteit,
zo bereidwillig zou zijn om
hun recht op stemmen, protesteren
en leiders ter verantwoording te roepen,
op te geven.
Maar voordat we ons haasten om ze te veroordelen,
moeten we de moeilijke vraag stellen:
waarom voelen zoveel mensen zich zo?

Wat als het niet zozeer zo is dat jongeren
zich tegen de democratie keren,
maar dat ze het gevoel hebben dat de democratie zich tegen hen keert?
Denk er eens over na:
Hun scholen brokkelen af.
Hun leraren staan onder druk.
Als ze geestelijke gezondheidszorg
of speciale zorg nodig hebben,
moeten ze lang wachten of hard vechten
en waarschijnlijk allebei.
Als ze naar de universiteit willen,
moeten ze een schuld aangaan
die langer duurt dan de tijd dat ze leven.
En als ze een huis willen kopen
moeten ze volgens de statistieken
waarschijnlijk wachten tot ze 33 jaar oud zijn
om zelfs maar te denken aan het kopen van een huis.

Je zou denken dat deze strijd
mensen ertoe zou dwingen
politiek actiever te worden.
Maar deze generatie is nog steeds
de minst politiek betrokken groep in het Nederland.
Hoewel het waar is dat velen
momenteel te jong zijn om te stemmen,
is er ook een groot deel
dat te weinig betrokken is
om de relevantie van formele politiek in te zien.
De opkomst van jongeren bij verkiezingen
is vaak abominabel laag bij verkiezingen.

Vergeleken met de opkomst van 70 procent of meer
voor 65-plussers,
en de boodschap is duidelijk:
jongeren stemmen niet en politici spreken hen niet aan.
Dat verergert het probleem alleen maar.
Ondanks allerlei beloften van de politiek om dit punt aan te pakken,
lijken ze geen haast te hebben om de hervorming door te voeren.

Zie de mens die in zijn lijden
teken werd voor alle tijden
van wat liefde dragen kan.

Deze woorden zijn geïnspireerd op woorden van Pontius Pilatus.
Nadat hij Jezus had laten geselen
en de soldaten hem een doornenkroon op hadden gezet
en een purperen kleed om hadden gedaan,
zijn ‘Zie de mens’ de woorden waarmee hij Jezus voorstelt aan de verzamelde menigte.

Waarom zegt Pilatus dat?
Om bij de menigte zie zich tegen Jezus gekeerd heeft mededogen op te wekken?
Laat je raken door deze deerniswekkende figuur.
Want een mens is mens in kwetsbaarheid.
Als wij de ander aangetast zien, dan herkennen wij onszelf in de ander.
Daar zien wij een mens, zoals wijzelf zijn.
Daar zijn we verbonden met elkaar. Jezus is echt mens,
net zo echt als wij mens zijn, juist in zijn lijden.
Het is tevergeefs, de menigte is in de greep van bloeddorstigheid.
Waar blijft hun menselijkheid?

De woorden hebben binnen het evangelie naar Johannes een nog grotere reikwijdte.
Het evangelie begint met: Het Woord is mens geworden.
Dat klinkt mee in deze woorden van Pilatus.
Hier staat hij: Het woord van God, dat mens geworden is.
Pilatus bedoelt het niet, maar het betekent het wel.
In deze lijdende mens verbindt God zich met heel de mensheid,
Met alle mensen. Jezus is de mens bij uitstek.
Jezus is de mens zoals God het bedoelt:
Een mens met ontferming, levend vanuit zijn liefde.
Voor ons is Jezus ook degene die laat zien hoe God is.
Dat God niet bovenaf wil beschikken over de mensen, maar ons wil dienen.
Zich met ons wil verbinden op leven en dood.

Deze mens is de stichter van een koninkrijk.
Hij draagt de tekenen van zijn koningschap:
een doornenkroon en de purperen mantel.
Straks is zijn troon het kruis.
Zijn koningschap is van een totaal andere orde.
Is van een andere wereld.
Een wereld waar de mens is zoals God het bedoelt.
En in zijn weg wordt Hij voor ons de weg,
de poort naar dat nieuwe koninkrijk.

Hij wordt dat voor de mensen van toen en nu.
De woorden van Pilatus zijn in het Latijn overbekend geworden:
Ecce homo’. Zie de mens.
De ware mens voor ons die de liefde leeft
opdat wij ons aan die liefde geven.

De zeventiende-eeuwse Franse wis- en natuurkundige,
christelijk filosoof en theoloog Blaise Pascal schreef eens:

alle problemen van de mensheid komen voort
uit het onvermogen van de mens om rustig
alleen in een kamer te zitten.

En nu, vierhonderd jaar later, hebben we bewijs van hoe moeilijk we dit vinden.

Onderzoekers voerden een experiment uit
waarbij ze meerdere mensen alleen in een kamer plaatsten
met niets anders te doen dan daar vijftien minuten te zitten.
De meerderheid gaf toe zich ongemakkelijk te gaan voelen
als men zich met niets anders dan zijn gedachten bezighoudt.
Het experiment werd herhaald,
alleen werd er dit keer een instrument in de kamer geplaatst
dat een onaangename elektrische schok kon toedienen.
In de periode van vijftien minuten
diende één op de vier vrouwen zíchzelf de schok toe
om de verveling te verlichten.
Twee op de drie mannen deden dat ook.

Er is een kans dat we de verkeerde conclusies trekken
uit sociale experimenten
omdat het moeilijk is om in de gedachten van anderen te kruipen,
maar we kunnen hier een goede gok wagen.
Onze levens zijn overprikkeld.
Alleen in een kamer zijn met onze gedachten
voor een langere tijd is vreemd.
We hóren niet zo te leven menen we.
Onze smartphones zijn de ‘stok en staf die ons vertroosten’.
Elk vrij moment moet worden besteed aan TikTok, Instagram of Spotify.

Naarmate mensen ouder worden,
denken ze vaak dat de wereld zijn aandachtsspanne verliest,
zonder te beseffen dat de focus afneemt
naarmate we ouder worden.
Maar er lijkt iets te zijn veranderd in de afgelopen twee decennia.
Er is een geheel nieuwe digitale architectuur ontworpen
die er niet was.
Het creëert de buzz van de stad,
en is om ons heen verrezen als wolkenkrabbers,
waardoor koude schaduwen en bittere windtunnels
van woede en afleiding ontstaan die de warmte blokkeren.

Deze nieuwe online stad is opzettelijk ontworpen
om onze aandacht vast te houden;
om te voorkomen dat we offline iets gaan doen.
En het werkt.
Tussen 2010 en 2020 hebben we wereldwijd
twintig keer meer informatie verbruikt.
Dit is een kolossale toename voor onze hersenen
om in een oogwenk te verwerken.
Onze geest is minder geworden als het coole,
witte minimalistische interieurontwerp
waar mensen naar streven in het leven
en meer als het rommelhok
waar kapotte en nutteloze spullen
worden gedumpt.

Sommige wetenschappers stellen
dat we onszelf de schuld van deze situatie geven.
Als we anderen vertellen dat onze smartphone ons afleidt,
is het antwoord dat we krijgen dat we hem moeten uitzetten.
Hoewel we dit soort stappen kunnen ondernemen,
worden we er echter meer en meer afhankelijk
van gemaakt door techbedrijven .
Natuurlijk is er net als bij shopaholics
sprake van individuele verantwoordelijkheid,
maar er is ook het bouwwerk van consumentenkapitalisme
dat is ontworpen om ons meer spullen te laten kopen
of – in het geval van het internet –
meer informatie te laten absorberen.

Als we bedenken wat het betekent
om Jezus vandaag de dag te volgen,
beseffen we vaak niet wat technologie met ons doet.
De voordelen zijn duidelijk
– de wereld binnen handbereik hebben,
in een oogwenk met familie en vrienden kunnen praten –
maar de nadelen blijven onduidelijk.
Hoe beïnvloedt digitale afleiding
het lezen van de Bijbel
en een toewijding aan gebed?
Er is weinig onderzoek naar gedaan,
maar we geven God misschien
minder toegewijde aandacht dan voorheen.
Als we van de ene bron naar de andere fladderen,
als een vlieg op een warme zomerdag,
blijven we niet lang genoeg
op één plek om te ontdekken
of God daar op ons wacht.

Aanwijzingen van God komen vaak
van buiten het kerkelijk denken.
Nu heeft een groep tech-tovenaars uit Silicon Valley
het idee van een digitale sabbatical bedacht,
waarbij mensen één dag per week offline doorbrengen.
Hoewel ze zichzelf beschrijven
als niet bepaald religieus,
verdrinkt hun manifest
zo’n beetje in religieuze traditie.
Ze adviseren mensen om:

  • Technologie te vermijden
  • Contact te houden met geliefden
    Uw gezondheid te koesteren
  • Naar buiten te gaan
  • Commercie te vermijden
  • Kaarsen aan te steken
  • Wijn te drinken
  • Brood te eten
  • Stilte te vinden
  • Iets terug te geven

Het is een sabbatical die opnieuw is uitgevonden
voor het digitale tijdperk.

Er wordt een aantal praktische acties opgesomd
die kunnen worden ondernomen,
zoals gefocust blijven op de taak
en blootstelling aan sociale media te beperken,
omdat is aangetoond dat dit in grote hoeveelheden
slecht is voor de geestelijke gezondheid.
We moeten onze gedachten ook kunnen laten afdwalen.
Dit spreekt het argument
over het niet verliezen van de focus niet tegen.
Het afdwalen van de gedachten is, paradoxaal genoeg,
een vorm van aandacht.
Het is de ruimte waarin we de puzzels
van ons leven oplossen,
punten met elkaar verbinden
die we hadden gemist,
een plaatje inkleuren
om het tot leven te brengen.

Wanneer de profeet Elia God ontmoet op de berg Horeb,
is er eerst een sterke wind,
daarna een krachtige aardbeving
en ten slotte een laaiend vuur.
Maar God openbaart zichzelf
niet in deze aangrijpende verschijnselen.
Hij is te vinden in de pure stilte die volgt;
in het gefluister van een stem.

De pure stilte van vandaag wordt verbroken
door het vertrouwde gezoem van een nieuwsfeed
of een update op sociale media
– of de schok van een elektrische stroom.
Het is nu het moment dat we
binnen gehoorsafstand
van de zwakke audio
van het Goddelijke komen.

Kerkvader Augustinus wist het al:

onrustig blijft ons hart totdat het rust vindt in U’

 

Waar ligt jouw loyaliteit?

Bij de huidige clash tussen Amerika en Europa,
bij de herdenking van 3 jaar (en eigenlijk langer)
oorlog in Oekraïne,
kwam die vraag bij mij op.

Immers, de oorlog in Oekraïne woedt voort
en Amerika keert terug naar de onvoorspelbare heerschappij
van de eerste president in de Amerikaanse geschiedenis
die een veroordeelde crimineel is.
En de algoritmen van sociale media
blijven verschillende groepen scheiden
en versterken in steeds meer gesloten feedbackloops en echokamers.
Dit kan de loyaliteit aan een standpunt versterken,
maar ons verder vervreemden van onze vrienden en buren
wiens loyaliteit elders ligt.
Al deze en vele andere gevallen benadrukken
het conflict van loyaliteiten in onze samenleving
en de bredere wereld.
Wat nog duidelijker is,
is dat als we vrede willen sluiten,
liefde voor vijanden willen cultiveren
en het algemeen belang willen nastreven,
loyaliteit misschien wel de meest gewilde deugd is,
bovenaan elk verlanglijstje.

Maar wat is loyaliteit nu echt?
Is loyaliteit een deugd of een ondeugd?’
Loyaliteit kun je duiden als het delen van verbintenissen van een ander persoon
en de bereidheid om verschillende soorten tegenspoed te doorstaan
om die verbintenissen na te streven en verder te brengen.
Loyaliteit is een absolute deugd
in de zin dat we het absoluut nodig hebben,
dat het fundamenteel is voor de menselijke conditie
en niet optioneel.

Als loyaliteit dan één ding is,
is het de bereidheid om te erkennen
dat we gebonden zijn aan andere mensen,
of we dat nu leuk vinden of niet.
Kaïns vraag aan God, toen God op zoek was naar Abel,
is nog steeds relevant: ‘Ben ik mijn broeders hoeder?’
Misschien is de grootste ontrouw
het impliciete ‘nee’ in Kaïns retorische vraag.
Door te ontkennen dat hij gebonden is aan zijn broer
is hij niet alleen ontrouw aan Abel,
maar ook aan zichzelf,
omdat hij zijn eigen menselijkheid ontkent
en zichzelf isoleert van de menselijkheid van andere mensen.
Als we onszelf isoleren en alleen loyaal zijn aan onszelf,
verliezen we de vreugde om volledig mens te zijn.
Als we simpelweg degenen doden die we niet mogen,
of dat nu letterlijk is (in oorlog of moord)
of figuurlijk (‘ontvrienden’, annuleren, doen alsof ze niet bestaan),
dan volgen we Kaïn.
Loyaliteit, als de band die ons bindt aan de rommeligheid
van de echte wereld waar mensen
het de hele tijd heftig oneens zijn,
vereist dan niet alleen wijsheid,
maar ook moed.
Het vergt moed om je in het huwelijk te verbinden
aan één persoon.
Het vergt moed om een kind op te voeden.
Het vergt moed om te blijven praten mét
en lief te hebben
mét degenen met wie je het diep oneens bent.

Laten we onthouden om loyaliteit te oefenen.
Loyaliteit niet alleen aan degenen van wie we houden,
maar ook aan degenen van wie we misschien gaan houden.
Laten we wijs en dapper genoeg zijn om geketend te zijn
aan degenen met wie we het oneens zijn,
loyaal aan de mensheid die ons bindt.

Na jaren van gepolariseerde politiek,
nepotisme van eerdere heersers
en betwiste machtsclaims,
gelooft een onvoorspelbare en egoïstische leider
dat God hem heeft gered om de natie weer groot te maken.
Hij wordt geprezen als de machtigste leider ter wereld
en verrast iedereen onmiddellijk door een reeks
ontwrichtende nieuwe maatregelen uit te vaardigen
om de manier waarop de maatschappij functioneert
radicaal te veranderen
en kondigt aan dat hij antichristelijke vooroordelen
in de maatschappij gaat aanpakken.

Komt dit je bekend voor?

Nee, het is niet Donald Trump.
Het is de vierde-eeuwse heerser van het Romeinse Rijk
genaamd Constantijn de Grote.
En de parallellen zijn opvallend.

Constantijn, de zoon van een Romeinse generaal
en een Balkan-barvrouw,
was de eerste christelijke Romeinse keizer.
Voor die tijd waren alle keizers heidenen
die de Griekse en Romeinse goden aanbaden.
Begin 300 na Christus luidde keizer Diocletianus
een periode van intense vervolging van christenen in,
gericht op het onderdrukken van hun subversieve invloed.
Nadat het was gaan liggen en na jaren
van politieke strijd binnen het rijk,
marcheerde Constantijn naar de hoofdstad
en versloeg zijn vijand Maxentius
in de slag bij de Milvische brug buiten Rome.
Vlak voor de slag had Constantijn
een droom waarin hij een teken zag
van iets dat leek op een kruis in de lucht,
met de spreuk ‘in dit teken zult gij overwinnen’.
Vanaf dat moment geloofde hij
dat God hem had uitgekozen voor dit directe doel:
vrede brengen in het rijk door zijn vijanden,
intern en extern,
en het te veroveren onder de vlag van het christendom.

Na zijn troonsbestijging
introduceerde Constantijn, net als Trump,
nieuwe economische beleidsmaatregelen
om de woekerende inflatie terug te draaien,
hij herstructureerde de overheid
en versterkte hij de militaire capaciteit
om de vijanden van het rijk af te schrikken.
Hij begon ook privileges te geven
aan de tot nu toe vervolgde christenen.
Het heidendom, de ‘officiële’ religie van het rijk,
werd steeds meer naar de tweede plaats verwezen.
Kerken kregen land om nieuwe gebouwen op te bouwen
en bijeenkomsten van christelijke leiders werden alledaags,
waarvan hij er een aantal voorzat,
zoals het Concilie van Nicea 
dat plaatsvond in 325 na Christus,
1700 jaar geleden dit jaar.
(Zie hiervoor ook:
https://slothouber.wordpress.com/2025/01/04/ik-geloof/)
Christelijke geestelijken werden vrijgesteld
van openbare taken om zich zo
aan hun gebeden te kunnen wijden.
Kruisiging werd afgeschaft als vorm van executie.
Zondag werd een wekelijkse vrije dag,
heidense praktijken in het openbaar werden verboden.

Historici hebben jarenlang gedebatteerd
over Constantijns motivatie.
Was hij een oprechte christen,
die het geloof wilde bevorderen
door de kerk een goede kans te geven
om het rijk te bekeren?
Was hij een zegen voor de kerk
door haar te bevrijden van de last van vervolging?
Zeker, in die tijd waren veel christenen opgetogen
en genoten ze van hun nieuwe privileges
en toegang tot het keizerlijk hof
net als de predikanten
die werden uitgenodigd in het Witte Huis.
Eusebius, de grote historicus van de vroege kerk,
schreef:
‘in elke stad publiceerde de zegevierende keizer
decreten vol menselijkheid
en wetten die het bewijs leverden
van vrijgevigheid en ware vroomheid.
Alle tirannie was weggezuiverd.’
Het zou de stem van een van de predikanten
kunnen zijn die Trump adoreren.

Aan de andere kant was Constantijn opvliegend,
onvoorspelbaar en wraakzuchtig.
Hij liet zijn tweede vrouw, drie zwagers,
zijn oudste zoon en zijn schoonvader executeren.

Zijn ijdelheid strekte zich uit tot het hernoemen
naar zichzelf
van de oude stad Byzantium,
– die net de hoofdstad van het rijk was geworden –
als Constantinopel.
Gebruikte hij cynisch de groeiende culturele kracht
van het christendom om eenheid te brengen
in een verdeeld en fragmenterend rijk?
Sommige historici suggereren dat hij hiermee
de aard van het christendom fataal veranderde.
Constantijn was precies het soort militaire messias
dat de Joden uit de eerste eeuw hadden verwacht,
maar toch een totaal andere dan de gekruisigde rabbi uit Nazareth.

Welke van de twee is het? Het is moeilijk te zeggen.
Zeker, hij bevorderde het christelijk geloof
en gaf het nieuwe vrijheden.
Maar hoewel hij het Concilie van Nicea voorzat,
met het beroemde decreet
dat Christus dezelfde natuur had als God de Vader,
wordt Jezus in Constantijns religie nauwelijks genoemd.
Soms lijkt hij zichzelf te hebben gezien
als de Verlosser van de Kerk
in plaats van Christus,
met het keerpunt van de geschiedenis
niet in de eerste eeuw
met de overwinning op zonde en dood
door de opstanding van Jezus,
maar in de vierde eeuw
met zijn eigen overwinning op Maxentius.

Voor sommige historici was de christelijke kerk
oorspronkelijk een tegenculturele beweging,
die een radicaal nieuwe visie op het leven bood,
waarbij de armen boven de rijken,
de zwakken boven de machtigen werden bevoordeeld,
gecentreerd rond de gekruisigde Jezus.
Na Constantijn werd het christendom gecentreerd
rond een majestueuze heerser
van de hemelen en de aarde.
Christus de Pantocrator, de ‘albeheerser’
het beeld van Christus in glorie
dat in orthodoxe kerken
over de hele wereld te vinden is,
verving afbeeldingen van Christus aan het kruis.
Zij beweren dat dit niet het geval was
doordat Constantijn
naar het beeld van Christus werd gevormd,
maar dat Christus aangepast werd
aan het beeld van Constantijn.

De overeenkomsten van Constantijn met Donald Trump
zullen duidelijk zijn,
ook al zullen verschillende lezers
verschillen in hoe ze de mate van gelijkenis zien.
Ze waren beiden voorstander van het christendom,
ook al is hun eigen persoonlijke geloof
moeilijk vast te stellen.
Ze kunnen allebei meedogenloos en wraakzuchtig zijn
tegenover degenen die hen dwarszitten.
Ze zijn niet bang om het bestaande wetten en regels te verscheuren,
geldende waarden en normen te verlaten
en nieuwe beleidslijnen aan te nemen
die de gevestigde orde opschudden.

Dus, wat zou het verhaal van Constantijn
ons kunnen vertellen
als we de wederkomst van Donald Trump overwegen?

Veel christenen verheugden zich over Trumps herverkiezing.
Bij zijn inauguratie verklaarde Franklin Graham,
Amerikaans evangelist, een van de voormannen van religieus rechts
en fervent medestander van Trump,
net als Eusebius vele eeuwen eerder,
dat God de nieuwe president had ‘opgewekt’.
Trump zelf beweerde dat God hem had gered
door de moordaanslag van vorig jaar
om Amerika weer groot te maken.
Anderen zien het als een ramp,
en zien een heerser
met een dubieus karakter
die totaal niet op Jezus lijkt.

Constantijn was, per saldo, een gemengde zegen voor de kerk.
Zijn heerschappij stelde de kerk in staat om te floreren.
Het gaf het een positie binnen de maatschappij
die een netwerk van kerken, parochies en bisdommen
mogelijk maakte die hielpen
om zijn boodschap wijd en zijd te verspreiden.
Het was ongetwijfeld makkelijker
om christen te zijn en te worden onder Constantijn
dan onder zijn antichristelijke voorgangers.
Maar tegelijkertijd veranderde hij subtiel
de vorm van het christendom
en maakte de kerk het geloof van de machtigen,
ook al heeft het christendom altijd meer gefloreerd
onder de armen en die weten dat ze hulp nodig hebben.

De kerk onder Trump
is misschien blij met wetten en culturele bewegingen
die het makkelijker maken om hun geloof
te beoefenen en te promoten.
Maar het gevaar om de visie van de kerk
op leiderschap en heerschappij
te laten bepalen door Donald Trump
in plaats van Jezus Christus,
blijft bestaan.

In de jaren van de regering van Constantijn,
terwijl het optimaal gebruik maakte
van de kansen die een nieuw gekerstend rijk bood,
had de kerk ook figuren nodig als Ambrosius,
de vierde-eeuwse bisschop van Milaan
die bereid was keizer Theodosius
uit de kerk te weren
toen hij misdaden beging in naam van het rijk.
Er was ook het radicale christendom nodig
van de woestijnvaders en -moeders
die zich terugtrokken op afgelegen plekken
om te bidden
en een radicaal alternatieve levensstijl te leiden
dan het steeds gemakkelijke christendom
van het stadsleven.

Sommige christenen zijn misschien blij
met de kansen die een Trumpiaanse wereld
zou kunnen bieden.
Maar ze moeten voorzichtig zijn met wat ze wensen.
Volgelingen van de gekruisigde rabbi uit Nazareth
moeten oppassen dat ze hun wagen
niet aan één politieke leider aanhaken.
Er is tenslotte maar één Messias.

4 juni 1976 – 16 februari 2024

In verband met het eenjarig herdenken van de moord op Navalny, een repost van een eerder bericht 

In de rechtszitting kort na zijn arrestatie,
waarin zijn voorwaardelijke straf werd omgezet in echte gevangenisstraf,
vertelde Navalny het gerechtshof in Moskou dat hij christen was geworden.

Tijdens dat proces in 2021 zei hij:
‘Feit is dat ik christen ben…
Ik was zelf ooit een behoorlijk militante atheïst…
Maar nu ben ik een gelovige, en dat helpt mij enorm bij mijn activiteiten…
Er zijn minder dilemma’s in mijn leven,
omdat er een Boek is waarin over het algemeen
min of meer duidelijk staat welke actie in elke situatie moet worden ondernomen.

‘Het is natuurlijk niet altijd gemakkelijk om dit Boek te volgen,
maar ik probeer het echt. En dus is het, zoals ik al zei,
waarschijnlijk gemakkelijker voor mij
dan voor vele anderen om zich met politiek bezig te houden.’

Navalny citeerde vaak verzen uit de Bergrede van Jezus, in het bijzonder:
“Zalig zijn zij die hongeren en dorsten naar gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden”           (Matteüs 5:6).
‘Ik heb altijd gedacht dat dit specifieke gebod min of meer een instructie tot activiteit is’,
merkte Navalny op.

Aleksej Navalny vocht onbevreesd tegen de corruptie in Rusland
en werd vergiftigd, gevangengezet en op 16 februari 2024 vermoord door de staat.

Sinds het nieuws over zijn dood bekend werd,
heb ik nagedacht over de woorden van Navalny.
Hij zag de instructie van Jezus niet alleen als een belofte
die in de toekomst vervuld zou worden,
maar als een zeer actuele oproep tot actie.
Het motiveerde hem niet alleen om op te komen voor gerechtigheid,
maar ook om zich uit te spreken tegen onrecht.
Het gaf hem de moed om zijn eigen leven op het spel te zetten in het belang van anderen.

Zijn honger en dorst naar gerechtigheid
waren niet alleen spiritueel, maar letterlijk:
soms koos hij voor een hongerstaking
om de aandacht van de wereld te trekken,
soms werd hij uitgehongerd als straf in de gevangenis.
Hoe dan ook, hij bleef zich inzetten
voor het teweegbrengen van verandering
in het politieke systeem van zijn land.

Als Navalny zijn geloof kan vasthouden,
gerechtigheid kan blijven nastreven
en anderen kan uitdagen om de leer van Jezus te volgen,
zelfs terwijl hij gevangen wordt gezet,
gemarteld en zelfs vermoord,
moeten we misschien allemaal heroverwegen
hoe we de vrijheden en kansen die we hebben gebruiken.

Misschien moeten ook wij ons meer uitspreken
als er sprake is van misbruik van publieke middelen,
ongepaste invloed van de media,
het oppotten van rijkdom door enkelingen,
of om de verslaving aan geld, seks en macht aan te pakken.

Kunnen we nog meer doen om te pleiten voor de gemarginaliseerden
en om ervoor te zorgen dat degenen die aan de macht zijn,
werken ten behoeve van degenen die dit het meest nodig hebben?
Hoe kunnen we pleiten voor een goed landsbestuur
en onze leiders ter verantwoording roepen,
en eisen dat degenen die leiding geven
dit met integriteit en mededogen doen?

Navalny’s leven, dood en geloof dwingen de vraag af:
wat kunnen we vandaag de dag in de naam van Jezus
en met behulp van de Bijbel doen
om rechtvaardigheid en gerechtigheid na te streven?

In zijn eigen woorden: ‘You’re not allowed to give up!’

 

Vandaag is het Valentijnsdag:
hét grote westerse feest van de ‘romantiek’, de ‘liefde’ de ‘geliefden’.

Maar wiens dag is dit nu?

Valentijn, of Valentinus, was een martelaar uit de derde eeuw.
Sommige legendes beweren dat zijn geloof
op de proef werd gesteld door een plaatselijke rechter,
die zijn blinde dochter voor Valentijn bracht
en eiste dat hij haar zou genezen.
Dat deed hij.
De rechter en zijn hele huishouden
namen afstand van hun heidense afgoden en werden gedoopt.
Dit – in sommige ogen – schandalige incident, en verdere hinderlijke evangelisatie,
leidde ertoe dat keizer Claudius beval dat Valentijn werd geëxecuteerd.
Een andere legende beweert dat hij een Romeinse priester was
die keizerlijke bevelen trotseerde
en in het geheim met Romeinse soldaten trouwde
volgens een christelijke ritueel,
waardoor de soldaten aan verdere dienstplicht konden ontkomen.

Ik neem aan dat deze laatste legende ertoe heeft geleid
dat Valentijn werd aangenomen als beschermheilige
van hartvormige chocolaatjes – dat en het middeleeuwse idee
dat de vogels midden februari zouden paren.

Hoe dan ook, ik ben niet geïnteresseerd in de legendes over Valentijn,
hoe vermakelijk ze ook zijn.
Het maakt me niet uit of hij in het geheim koppels trouwde,
of blinden genas, of een vroege dating-app voor vogels pitchte.

Hij was een martelaar.

Martelaarschap is een concept
waar we tegenwoordig niet meer zo bekend mee zijn.
Oké , het is nog steeds een woord in de volksmond:
We noemen mensen een ‘echte martelaar’
als ze zichzelf straffen door werk te doen
dat niemand van hen verwacht of wil.
We noemen iemand een ‘martelaar voor de zaak’
als ze zichzelf vastlijmen op een snelweg,
of worden gearresteerd voor het vernielen
van een schilderij met soep.
Dit is géén martelaarschap.

Het ware martelaarschap is een daad van romantisch verlangen.
Het ware martelaarschap is een daad van liefde!

Een van de vroegste verslagen van christelijk martelaarschap
komt van Ignatius, de bisschop van Antiochië.
Ergens halverwege de tweede eeuw werd hij ter dood veroordeeld
en onder bewaking naar Rome vervoerd.
Tijdens zijn reis schreef hij brieven
aan verschillende christelijke gemeenschappen,
waaronder een aan de kerk in Rome.
Het verslag van het martelaarschap in deze brief
is zowel verbazingwekkend mooi
als de sleutel tot het begrijpen van het martelaarschap.
Hij schrijft deels om de christenen van Rome te smeken
hem niet te redden van zijn lot,
noch door geweld noch door omkoping.

Hij wenst zijn martelaarschap en legt uit
waarom. Hij schrijft dat hij in dit lijden
‘…een discipel begint te worden.’
Hij vergelijkt zijn ongelukkige situatie
met de ‘weeën’ die hem nu overkomen
en doet dan een opmerkelijke bewering:
hij staat niet op het punt te sterven,
maar staat op het punt echt te leven!

‘Geef mij dit, broeders:
weerhoud mij niet van het leven; wens niet dat ik sterf…
Laat mij het zuivere licht ontvangen;
als ik daar ben aangekomen, zal ik een mens zijn.’

Sommigen die alleen de vreselijke, pijnlijke, grijpende aard
van het martelaarschap kunnen zien –
en het is een zegen dat we leven in een tijdperk
en een land waar we elkaar niet doden vanwege ons geloof –
hebben gesuggereerd dat Ignatius
óf een showman óf een gek was.
Ik ben het daar niet mee eens.
Ignatius wil niet gemarteld worden
omdat hij een naam voor zichzelf wil maken,
maar omdat hij begrijpt dat hij in het martelaarschap
één wordt met de enige ware martelaar:
Jezus Christus.

Misschien was hij gek… hij was smoorverliefd op Christus!
Hij verlangde ernaar verenigd te worden met Christus,
hij verlangde ernaar zo dicht mogelijk bij Jezus Christus te zijn:
‘Ik verlang naar het brood van God,
dat is het vlees van Jezus Christus…
en als drank verlang ik naar zijn bloed,
dat is onvergankelijke liefde.’
Hij verlangde naar Jezus boven alles,
zelfs boven zijn eigen leven.

Martelaarschap, op deze manier gezien,
is een waarlijk ‘romantische’ daad –
een daad van iemand die zo verlangend is naar,
zo waarlijk, krankzinnig, diep verliefd op Jezus,
dat ze alles zullen geven voor Jezus’ wil.
Martelaren laten ons het echte patroon van liefde zien:
het offer van onszelf voor het welzijn van een ander.
Dit is de les die Jezus zijn discipelen leerde:
‘Niemand heeft grotere liefde dan deze,
dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.’
In het leven en de dood van de martelaar zien we
deze echte liefde gemanifesteerd,
en het is niet onbeantwoord maar volledig beantwoord.
Jezus verlangt naar ons en sterft voor ons,
en de martelaar verlangt naar Jezus en sterft voor hem.
Zoals Ignatius aan de Romeinen schrijft:
‘Verlang ernaar, opdat ook u begeerd mag worden.’

Dit is de les die elk stel, naarmate ze groeien
in hun leven en hun liefde samen, langzaam leert.
Als we romantiek en liefde zoeken,
proberen we niet te veranderen,
of te controleren, of plezier te halen uit de ander als object;
we proberen onszelf vrij en volledig aan hen te geven,
in de vreugde van dienstbaarheid en opoffering.
Op onze kleine manier,
wanneer we ons wagen aan het grote mysterie van de ‘romantiek’,
proberen we zelf martelaren te zijn –
martelaren voor degene van wie we houden.

Valentijn was een man van oprechte liefde,
want hij was een martelaar.
Er is geen grotere reden
om een beschermheer te zijn van de passie,
van zaken van het hart,
van romantische liefde.

 

Voorgaande aflevering: https://slothouber.wordpress.com/2024/02/29/als-het-leven-gebeurd-4-5/

Vastberadenheid wordt gemakkelijk verkeerd begrepen.
Bij Jezus’ leerlingen wordt zoiets al snel fanatisme.
Fanatisme moet het hebben van zich afzetten tegen anderen.
Wij mensen zijn daar vaak druk mee in de weer.
We trekken lijnen, stellen grenzen en alles
en iedereen die daar dan niet aan voldoet,
valt erbuiten, wijzen we af.
Te zwaar of te licht, te reformatorisch of te evangelisch, te blij of te somber,
te strak in de leer of juist te open-minded.
En ergens denken we daarmee dan ook God aan onze zijde te hebben.
De Samaritanen bijvoorbeeld die Jezus en zijn leerlingen tegenkomen.
Ze zijn vanuit Joods perspectief niet zuiver genoeg, niet goed genoeg.
En als ze geen ruimte bieden voor Jezus vinden de leerlingen
dat het tijd is om hen een lesje te leren,
liefst met vuur uit de hemel.
Dat afschrijven, wegzetten, veroordelen,
het zit ons kennelijk in het bloed.
Het past op geen enkele manier bij wat Jezus voor ogen staat.

Dostojevski vertelt het beroemde verhaal van de Grootinquisiteur.
Christus keert in de 16e eeuw terug op aarde.
Hij verricht enkele wonderen, wordt opgepakt door de Spaanse inquisitie
en in cel gegooid en wacht op de brandstapel.
In de nacht krijgt hij bezoek van de Grootinquisiteur
die in een eindeloze tirade zich keert
tegen de boodschap van het koninkrijk
die Jezus verkondigde toen hij mens was en rondtrok op aarde.
Die tijd is voorbij, zegt de grootinquisiteur,
ik laat je niet opnieuw de orde verstoren.
Wat mensen nodig hebben is geen boodschap van liefde en rechtvaardigheid.
Orde zal er alleen zijn met een dwingend systeem.
Geef de mens brood, beheers zijn geweten en heers over de wereld!
Jezus zit daar in de cel op de grond
en hoort de tirade rustig en vol aandacht aan.
Zodra de man is uitgeraasd
staat Jezus op, kust hem op zijn bloedeloze lippen en loopt de gevangenis uit.

Nee, Jezus vastberadenheid wordt nooit een fanatisme.
Je zou het eerder een vorm van radicaliteit kunnen noemen.
Daar zit het woord ‘radix’ is wat ‘wortel’ betekent.
Radicaliteit hoeft het niet te hebben van afzetten tegen de ander.
Het ontleent kracht en vreugde aan een diepe verworteling.
Bij Jezus is dat een verworteling in het hart van God zelf.
We zingen dat in psalm 130:
Gij al Gods bondgenoten, ziet naar Gods toekomst uit.
De Heer is vastbesloten, tot goedertierenheid.
Jezus is hier niet bezig met een grimmige, kille parade.
Hij is bezig met een vredesoffensief,
een revolutie van onvoorwaardelijke en onweerstaanbare Goddelijke liefde.
Een liefde die uitgaat boven al de manieren
waarop wij mensen proberen gestalte geven aan liefde.

 

Veel van onze evangelisatiebenaderingen gaan ervan uit

dat mensen vragen hebben over het christelijk geloof.

Maar hoe betrekken we mensen

die er in het geheel geen last van lijken te hebben?

Ik stel je voor aan Pim.

Hij is een van de moeilijkste mensen om een gesprek

over Jezus mee te beginnen.

Want Pim is niet anti, noch vijandig,

hij is gewoon volkomen ongeïnteresseerd in het geloof.

Pim was opgegroeid in een christelijk gezin,

maar was als tiener van zijn geloof afgestapt.

Nu wist hij niet wat hij geloofde, maar dat deerde hem niet.

Tijdens een gesprek, toen ik Jezus noemde, antwoordde Pim:

‘Kijk, God kan mij niets schelen’.

Ik deinsde een beetje achteruit

en hij vertelde verder:

‘Het leven is leuk! Ik heb de baan die ik wil, de auto die ik wil, de flat die ik wil,

de vrouw die ik wil. Waar komt God erbij, dan?”

Ik ken nog meer mensen zoals Pim en jij misschien ook.

Vrienden, collega’s, buren en zelfs familieleden,

die zich blijkbaar niets aantrekken van geestelijke zaken.

Als je met ze over geloof probeert te praten,

kan het voelen alsof je mist aan de muur probeert te spijkeren.

Uit een recent onderzoek bleek dat dit type persoon in aantal groeit.

Het lijkt erop dat steeds meer mensen het niets kunnen schelen:

nee, ze zijn geen atheïst, ze zijn ‘apatheïstisch‘.

Hoe bereiken we mensen zoals Pim?

Zoals ik al eerder aangaf:

veel van onze evangelisatiebenaderingen

gaan ervan uit dat mensen erom geven of vragen hebben.

Maar hoe betrekken we hen die er geen lijken te hebben?

Dit is waar een voorvraag enorm behulpzaam kan zijn.

Een vraag die zich afvraagt, is gebaseerd op,

het verschil tussen ergens naar kijken en ergens doorheen kijken.

In een essay van ruim honderd jaar geleden vraagt

schrijver F.W. Boreham ons een telescoop voor te stellen die bij een raam staat.

Nu kun je naar de telescoop kijken en de koperen fittingen bewonderen,

hoe goed hij is ontworpen, enzovoort.

Of je kunt naar de telescoop gaan, er doorheen kijken en aanschouwen!

Je zult verbazingwekkende dingen zien als je naar de nachtelijke hemel tuurt.

En dat verschil tussen kijken en dóórkijken

geldt ook voor veel van onze dagelijkse ervaringen.

Laat ik dit illustreren aan de hand van een gesprek dat enige tijd geleden plaatsvond

tussen de Canadese psycholoog Jordan Peterson (beroemd vaag over God)

en de Britse psycholoog en presentator Susan Blackmore.

Susan is atheïst, maar meer nog,

Susan zou zeggen dat ze letterlijk geen enkel nut in religieus geloof ziet.

Ze geeft gewoon niets om God.

Maar halverwege het gesprek merkte Susan op:

De afgelopen jaren heb ik de gewoonte gehad om ’s ochtends wakker te worden

(zelfs als het regent), naar buiten te kijken en

‘Wauw!’ te zeggen, als een gevoel van dankbaarheid.

Geen dankbaarheid tegenover God, of wie dan ook, of wat dan ook,

gewoon vrij zwevende dankbaarheid.’

Ze werkte het idee verder uit:

Vanochtend keek ik bijvoorbeeld naar buiten en het was zo groen,

we hebben vorst gehad en het was de afgelopen dagen wit,

maar vanochtend was het groen.

En [ik voelde] dankbaarheid jegens het universum, als je het een naam wil geven.

Het is niet echt ‘god’ omdat het geen schepper is,

maar het is ook niet iets waar ik voor kan bidden.’

Er is hier een voor de hand liggende vraag, en Jordan stelde die:

‘Dus waarom zou je daar dan dankbaarheid voor voelen?’

Waarop Susan reageerde met de onsterfelijke woorden: ‘Ik weet het niet.’

Ik denk dat Susan ermee worstelde dat als je denkt

dat we in een universum leven waar atomen de ultieme realiteit zijn,

waar de wetenschap alles kan verklaren

in termen van materiële processen, dankbaarheid niet past.

Maar als Susan haar slaapkamerraam opengooit, wil ze instinctief roepen:

‘Wauw! Bedankt!’

Misschien is het probleem dat Susan

naar de ervaring van dankbaarheid kijkt,

in plaats van er doorheen.

Waar zou dankbaarheid op kunnen wijzen als je er doorheen keek,

in plaats van alleen maar aan te nemen

dat het een paar synapsen waren die niet werkten?

Ik zou Susan graag willen vragen:

‘Heb je je ooit afgevraagd waarom dankbaarheid zoveel voor ons betekent?

Misschien ontbreekt het velen van ons niet aan dingen om dankbaar voor te zijn,

maar misschien ontbreekt het sommigen van ons

aan iemand om dankbaar voor te zijn?’

 

Een ander voorbeeld van een vraag komt van Michael,

die met een student aan het chatten was.

Toen die ontdekte dat Michael een christen was,

flapte de student eruit: ‘Ik houd niet van God!’

‘maar waar houd je dan wel van?’ vroeg Michael.

‘Liefde!’ antwoordde de leerling.

‘Dat is geweldig,’ antwoordde Michael.

‘Heb je je ooit afgevraagd wat liefde is?’

De student dacht even na voordat hij antwoordde:

‘Ik weet het niet zeker’.

‘Aangezien jij niet van God houdt,’ antwoordde Michael,

‘zullen we dan een biologische verklaring proberen.

Kunnen we zeggen dat liefde een chemische reactie is

die in onze hersenen is ontwikkeld,

om ons aangetrokken te voelen tot mensen

(meestal van het andere geslacht),

zodat we ons kunnen voortplanten

en het menselijk ras draaiende kunnen houden?’

‘Dat is een onzinverklaring!’

zei de studente.

Michael vroeg haar vervolgens of ze zich ooit had afgevraagd

waarom ze liefde zo belangrijk vond

en waarom, als ze echt een atheïst was,

een puur materialistisch antwoord niet genoeg was.

Bovendien, als we niet alleen naar liefde kijken

(‘Hoera, ik voel me liefdevol vandaag, mijn genen werken correct!’),

maar door de ervaring, zou het misschien zo kunnen zijn

dat liefde in de zin dat de meeste mensen

het woord gebruiken meer maakt zin

binnen een christelijke kijk op de wereld?

Met een verwonderende vraag is je doel:
· Zoek iets waar je vriend om geeft
· Wees geïnteresseerd en stel vragen
· Gebruik een verwonderende vraag om zachtjes het idee

te introduceren dat datgene waar je vriend om geeft

niet goed past in een goddeloze wereld
· Laat zien hoe Jezus dit het meest logisch maakt

 

Een ander voorbeeld:

Toen ik de Amnesty International-sticker

op de achterruit van de auto van Pim zag,

vonden we eindelijk een manier

om geestelijk gesprekken te voeren en vroeg ik:

‘Heb je je afgevraagd waarom je om gerechtigheid geeft?’

Daar heb je een opening…

En nee, hoewel ik er een nieuwe draai aan heb gegeven

dit is geen compleet nieuwe aanpak:

Paulus gebruikt het in Athene in Handelingen 17,16-34,

of zoals C.S. Lewis in eens zei:

‘Ik geloof in het christendom net zoals ik geloof in het opgaan van zon,

niet alleen omdat ik hem zie, maar omdat ik daardoor al het andere zie.’

 

Omdat het christendom licht werpt op al het andere,

is het stellen van geïnteresseerde vragen over datgene waar mensen om geven

een mooie, zachte en krachtige stap naar gesprekken over het evangelie.

 

‘Geloof is louter bijgeloof’
zo wordt het geloof door het atheïsme vaak karikaturaal beschreven.
Ze stelt er dan tegenover dat het atheïsme juist objectief en neutraal is.
Toch is het idee van seculiere objectiviteit op zichzelf een drogreden.
Secularisme is, net als elk wereldbeeld, een perspectief,
ironisch genoeg geënt op het christendom,
de geschiedenis van de mensheid van het verlaten van geloof
en de morele basis daarvan heeft rampzalige gevolgen gehad.

Want secularisme is ook een vooroordeel,
vaak gegrond in een ethische ijdelheid,
waarvan de zogenaamd universele principes
zeer christelijke wortels hebben.
Begrippen als persoonlijke autonomie
komen voort uit een traditie die het leven als heilig beschouwt,
gebaseerd op het geloof dat mensen
uniek geschapen zijn naar Gods evenbeeld.
Beroepen op mededogen
weerspiegelen Jezus’ leringen
en christelijke argumenten voor sociale rechtvaardigheid
door de geschiedenis heen.
Zelfs de scheiding van het seculiere en het heilige
is afgeleid van Jezus’ leer om ‘aan de keizer te geven wat van de keizer is
en aan God wat van God is’.
Een auteur als Tom Holland heeft in zijn boek Heerschappij laten zien
hoe westerse samenlevingen,
hoewel vaak losgekoppeld van hun christelijke wortels,
nog steeds opereren binnen kaders
die gevormd zijn door eeuwen van christendom.

Een politiek secularisme begon op te komen
na de Europese godsdienstoorlogen
in de zeventiende eeuw,
maar het veronderstelde historische conflict
tussen wetenschap en religie,
waarin de eerste zegeviert
over bijgeloof en een vijandige kerk,
is een mythe.
Deze ‘conflictthese’, die in de achttiende eeuw
werd gepromoot blijft bestaan,
ook al is deze uitgebreid ontkracht.
Historici benadrukken nu de complexe relatie
tussen geloof en wetenschap.

Geloof was niet zozeer een tegenstand
tegen intellectueel onderzoek,
maar juist de basis ervan.
Het middeleeuwse christelijke Europa
bracht de grote universiteiten voort;
dit was niet alleen omdat de kerk macht en rijkdom had,
maar omdat kennis van God werd gezien
als de basis voor alle begrip.
Deze verwevenheid van geloof en academie
voedde de Verlichting, toen wetenschappers als Newton of Kepler
de studie van de schepping
(wat Calvijn beschreef als ‘het theater van Gods glorie’)
benaderden als een bevestiging van de goddelijke orde
van een God die er behagen in schepte
dat Zijn schepselen ‘Zijn gedachten na Hem dachten’.

Hun christelijke overtuigingen gaven niet alleen
een impuls voor rigoureuze verkenning,
maar brachten hen ook nederigheid
bij over het menselijk intellect.
In tegenstelling tot de visie van de moderniteit op de geest
als een losstaand, alziend oog,
geloofden zij dat de cognitieve vermogens
van de mens waren verminderd,
zowel moreel als intellectueel,
door de val van Adam,
waardoor perfecte kennis onbereikbaar werd.
Blaise Pascal legt deze worsteling
met onzekerheid vast in zijn Pensées:
‘We verlangen naar waarheid, en vinden in onszelf alleen maar onzekerheid (…)
Dit verlangen is aan ons overgelaten, deels om ons te straffen,
deels om ons te laten inzien vanwaar we zijn gevallen.’

Voor Pascal en zijn gelovige tijdgenoten
was het tegengif tegen menselijke trots
en zelfbedrog te vinden in de Almachtige.
Ironisch genoeg was het deze nederigheid,
geworteld in een zeer theologische bezorgdheid
over de menselijke cognitieve feilbaarheid,
die de wetenschappelijke methode
het leven schonk,
het proces van systematisch experimenteren
gebaseerd op empirisch bewijs,
en dat later centraal kwam te staan
in het denken van de Verlichting.

Hoewel veel van de leidende figuren gelovigen waren,
versnelde het Verlichtingstijdperk
een verschuiving van God naar de mens
als het centrum van begrip en ethiek.
Filosofen als David Hume
marginaliseerden of elimineerden God helemaal,
wat de weg vrijmaakte voor Zijn latere afwijzing
als een spook van menselijke projectie (Freud)
of als een instrument van uitbuiting en onderdrukking (Marx),
terwijl Rousseau het aantrekkelijke idee populariseerde
dat de mens niet inherent gebrekkig was,
maar van nature goed,
alleen zijn omgeving deed hem slechte dingen doen.

Maar het was de nihilist Nietzsche,
de zoon van een lutherse dominee,
die het morele vacuüm voorspelde
dat ontstond door de dood van God
en de diepgaande gevolgen daarvan.
Ethische grenzen werden onstabiel,
waardoor nieuwe ideologieën alles konden rechtvaardigen
in het nastreven van hun utopische doelen.
Nietzsches profetieën over de opkomst van het totalitarisme
en concurrerende ideologieën
die de twintigste eeuw zouden kenmerken,
waren huiveringwekkend accuraat.
Duitse universiteiten leverden de intellectuele rechtvaardiging
voor nazi-gruweldaden tegen de Joden,
terwijl de door marxisten geïnspireerde revoluties
en het beleid van de Sovjet- en Chinese communistische regimes
leidden tot afschuwelijk lijden
en de dood van tussen de 80 en 100 miljoen mensen.
Zonder Goddelijke verantwoording
versterkten deze pseudo, mensgerichte religies
de menselijke kwaadaardigheid
en de destructieve impulsen van de mens.

Begin jaren negentig was de Sovjet-Unie ingestort,
wat Francis Fukuyama ertoe bracht
vanuit zijn ivoren toren te beweren
dat seculiere liberale democratie
het natuurlijke eindpunt was
in de sociaal-politieke evolutie
van de mensheid
en dat de geschiedenis ‘was geëindigd’.
Maar zijn optimisme was van korte duur.
De gebeurtenissen van 9/11
en de heropleving van een krachtig islamisme
gaven de leugen dat iedereen een seculiere liberale democratie in westerse stijl wilde,
terwijl in het Westen een herverpakte versie
van het oude marxistische onderdrukkersnarratief
op de campussen begon te verschijnen,
met zijn bedrieglijke utopische sirenenzang
dat de mens de auteur van zijn eigen verlossing kon zijn
die de academie betoverde.
Deze keer kwam het in de vorm
van verdeeldheid zaaiende
identiteitsgebaseerde ideologieën
bedekt met postmoderne machtsnarratieven
die de realiteit leken te tarten en Chestertons visie bevestigden
dat ‘wanneer de mens ophield in God te geloven, hij in alles kon geloven’.

Terwijl universiteiten ideologie boven bewijs
en conformiteit boven intellectuele vrijheid propageerden,
leek George Orwells kritiek
op intellectuele goedgelovigheid
en het duistere fanatisme
dat het vaak bevordert,
belichaamd in de distopische roman 1984
waar de realiteit zelf wordt gemanipuleerd door dogma,
relevanter dan ooit.
Orwell was niet de enige die dacht
dat sommige ideeën zo dwaas waren
dat alleen intellectuelen ze geloofden.
Andere commentatoren zijn net zo sceptisch
en bekritiseren de vaste academici
wiee levens geïsoleerd zijn
van het lijden van degenen
die moeten leven onder hun favoriete ideologieën,
en die theorieën verkiezen
boven werkbare oplossingen.
Intellect, zo merken zij op, is niet hetzelfde als wijsheid.
Meer recentelijk betwijfelt
de Amerikaanse schrijver David Brooks,
het nut van elitaire onderwijssystemen
die te veel nadruk leggen op cognitieve vaardigheden
ten koste van andere kwaliteiten,
en suggereert dat ze de neiging hebben
om een bekrompen heersende klasse
te produceren die blind is
voor hun eigen vooroordelen en valse overtuigingen.

Maar het seculiere vertrouwen lijkt af te nemen.
Sinds het hoogtepunt van het Nieuwe Atheïsme
halverwege de jaren 2000
is er een groeiende ontevredenheid
met wereldvisies
die beperkt zijn tot rede en materialisme.
Kunstenaars als Nick Cave
hebben kritiek geuit op het onvermogen
van het secularisme
om concepten als vergeving en genade aan te pakken,
terwijl mensen als Ayaan Hirsi Ali
het christendom openlijk hebben omarmd.
Het verlangen naar het transcendente
en een wereld die ‘opnieuw betoverd’ is,
lijkt wijdverbreid te zijn.

Het verhaal van de val, vergeving,
verbondenheid en de transformerende liefde van God
is het verhaal dat het meest aansluit
bij onze diepste menselijke verlangens
en geleefde ervaring,
terwijl het ons tegelijkertijd de hoop biedt
op verlossing en – met Goddelijke hulp –
betere versies van onszelf worden;
het soort mensen
waarvan het secularisme
denkt dat we dat al zijn.