Misschien hebben we iets van houvast aan hoe het Paulus vergaat op Malta.
Hij spoelt daar letterlijk aan op een stuk wrakhout.
Zijn bagage, het hele schip waar hij op reisde, het bleef achter op zee.
En daar is hij dan. Op Malta.
Zonder bezittingen, te midden van andere drenkelingen.
Kwetsbaar, afhankelijk, op onbekend terrein.
Hij is nog maar nauwelijks aan land of hij wordt gemeen gebeten door een gifslang.
En de lokale bevolking denkt dat hij een slecht mens is.
Iemand die ternauwernood aan de zee is ontsnapt
en dan door een giftige slang gebeten wordt.
Zo iemand zijn de goden niet goed gezind.
Het moet hem een miserabel gevoel gegeven hebben.
Hij werd op het schip als gevangene
natuurlijk al nauwelijks serieus genomen.
En nu op Malta, pijnlijk gebeten, is er een tijd lang het isolement.
Eerst maar eens afwachten wat voor vlees we in de kuip hebben.
Het zal ook iets met Paulus gedaan hebben.
De slangenbeet, de argwaan, de afstand.
En wat doe je dan, aangespoeld op Malta.
Bezeerd. Beschadigd. Aangeslagen.

Het eerste wat we Paulus zien doen is doen wat zijn hand vindt om te doen.
En dat is in dit geval: houtsprokkelen.
We lezen: “de plaatselijke bevolking gedroeg zich buitengewoon vriendelijk:
ze verwelkomden ons en staken een vuur aan
omdat het was gaan regenen en koud was.
Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur.”
Een mooie nuchtere, praktische opstelling is dit.
Hij verliest zichzelf niet in gepieker, gesomber.
Nee het is koud, het is nat.
Er brandt al een vuurtje, dus handen uit de mouwen en hout sprokkelen.
Je dienstbaar opstellen, kijken wat er gaande is
en zien waar je iets kunt bijdragen, iets kunt betekenen.

We lezen nog even verder.
“Paulus sprokkelde een grote bos dor hout en legde die op het vuur,
door de hitte kwam er een gifslang uit kruipen,
die zich in zijn hand vastbeet.
Paulus schudde de slang echter van zich af in het vuur en bleef volstrekt ongedeerd.”
Je kunt dit lezen als:
die Paulus hé, het zit hem ook niet mee? Wat een pechvogel.
Ternauwernood aan de dood ontsnapt en nu dit.
En de manier waarop anderen hem hierin framen
zal hem niet geholpen hebben.
Maar in plaats van dat dit hem uit zijn evenwicht brengt
en het onder zijn huid zijn huid gaat zitten
en hij meegaat in het beeld dat anderen van hem creëren,
schudt hij de giftige slang resoluut van zich af.
En uit het verdere verloop blijkt dat hij dat ook mentaal doet.

Dat afschudden is iets dat bij een leven als christen hoort.
Jezus doet ons dat voor.
Hij schudt de slang van zich af en zegt:
‘Ga weg achter mij Satan!’
Hij staat daarmee in de traditie van de psalmisten
die giftige stemmen buiten zichzelf en in zichzelf aanspreken:
‘Wat ben je bedroefd, mijn ziel, en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven,
mijn God, die mij ziet en redt.'(psalm 42).
‘HEER, hoe talrijk zijn mijn belagers, velen vallen mij aan, velen zeggen van mij:
‘God zal hem niet redden.’
U, HEER, bent een schild om mij heen,
U bent mijn eer, U houdt mij staande.’ (psalm 3)

Paulus leeft in deze zelfde traditie.
Je proeft dat in zijn brieven, bijvoorbeeld in 2 Korintiërs 4:
‘We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw.
We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld.
We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten.
We worden geveld, maar gaan niet te gronde.
We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee,
opdat ook het leven van Jezus in ons bestaan zichtbaar wordt.’

En hier op Malta blijkt dat dit niet zomaar loze woorden zijn,
maar blijkt Paulus hier ook echt in te wortelen en te wandelen.
Het geeft hem in uitermate belabberde omstandigheden
iets van incasseringsvermogen, veerkracht en koersvastheid.

 

In zijn boek ‘Onder de wonderboom’ verkent theoloog Eugene Peterson
de kloof die er vaak is tussen onze fraaie idealen en de weerbarstige realiteit.
Het boek gaat over Jona die we aantreffen tussen Tarsis en Nineve.
Tarsis is waar hij zelf in wil wegvluchten, een soort droombeeld,
een door hem zelf gecreëerde ideale situatie.
Nineve staat voor de weerbarstige werkelijkheid van zijn feitelijke werkplek.
Volgens Peterson bevindt ieder mens zich in deze spanning
tussen Tarsis en Nineve, tussen droom en realiteit.
En het evangelie speelt zich niet af op de laag van ideeën en idealen.
Het is nadrukkelijk geografisch.
Het gebeurt op specifieke, concrete plaatsen:
Hebron, Machpela, Sinaï, Nazareth, Samaria, Galilea.
En altijd weer is er in verschillende gedaanten de verleiding
van wat we ook wel gnostiek noemen.
Een manier van denken die zich afkeert van de beperkingen van plaats en tijd
en weinig op heeft met de rotzooi en wanorde van het dagelijks leven.
Het richt zich op verheven ideeën, op hoger en dieper.
Op het bijzondere in plaats van het alledaagse, op ingewijden en geestelijke virtuozen
in plaats van op dwarse, eigenwijze en ploeterende medemensen.

Ik las laatst in de biografie ‘a burning in my bones’
hoe Eugene Peterson zelf zich een leven lang heeft verzet
tegen dit wegvluchten uit de weerbarstige realiteit
naar ‘meer uitdaging’ of ‘grotere mogelijkheden’.
Hij diende als pastor maar liefst 29 jaar
Christ Our King Presbyterian Church in Bel Air, Maryland,
een dorpje met niet meer dan 10.000 inwoners,
hoewel hij van tijd tot tijd in de verleiding kwam
om er weg te trekken en ook wel solliciteerde naar een functie elders.
Peterson is in zijn biografie pijnlijk eerlijk
over wat het van hem heeft gevraagd om te blijven.
Over hoezeer hij daar soms tijdenlang in tekort schoot.
Maar ook hoe hij juist zo leerde wat Jezus volgen betekent.

‘Life is What Happens To You While You’re Busy Making Other Plans.’
Een uitspraak die ook van toepassing is op Paulus in Handelingen 27 en 28.
Hij is bezig met zijn reis naar Rome
en wordt onderweg keer op keer bevestigd in deze bestemming
en het hogere doel daarvan.
Maar dan is daar een heftige storm en een schipbreuk
en spoelt hij letterlijk aan op het eiland Malta.
Malta was op geen enkele manier deel van zijn reisplan.
Je zou kunnen zeggen: een rare, onbedoelde afslag.
Malta was zeg maar plan B, een zijspoor.

Ik denk dat heel wat mensen dat gevoel hebben bij hun leven.
Je stapte samen in het huwelijksbootje en vormde een gezin
maar ergens onderweg strandde dat bootje en brak het in stukken.
En sindsdien leef je verder op een ander spoor, plan B zeg maar.
Je verloor onderweg een dierbare aan de dood of aan het leven
en sindsdien voel je je geamputeerd
en je leeft wel verder maar met een gat in je hart.
Verlies van je gezondheid, je bedrijf, je goede naam,
het kan je het gevoel geven dat je op een zijspoor bent beland.
En wat kun je nog verwachten van een leven op plan B?
Ging met alles wat je bent kwijtgeraakt, niet ook je levensbestemming overboord?
En is er op dit zijspoor ook iets te vinden van God?
Beweegt Hij mee van plan A naar plan B?