Mount Doom uit Tolkiens Lord of the Rings

 

Het begin van een nieuw jaar voelt meestal als een frisse start.
Nieuwe kansen, goede voornemens, een beetje hoop.
Maar wees eens eerlijk?
Zo voelt het nu niet echt.
Aan het begin van 2026 lijkt de wereld gevaarlijker
dan ze in lange tijd is geweest,
zeker vanuit westers perspectief.

Psychologen kennen het begrip ‘catastroferen’:
mensen, vaak met PTSS of andere psychische problemen,
gaan dan elk mogelijk gevaar uitvergroten
en zien hun eigen ondergang als onvermijdelijk.
Hun gevoel voor realiteit is verstoord.
Als je elke dag de krant openslaat en wordt overspoeld
door berichten over oorlog, corruptie en rampen,
is het toch knap lastig om níét somber te worden.
Denk aan drones en moderne oorlogsvoering,
schuivende machtsblokken, groeiende ongelijkheid,
cyberaanvallen, door staten gesponsorde hacks,
en AI die we steeds minder lijken te begrijpen.
En dan hebben we het nog niet eens over klimaatverandering,
torenhoge kosten van levensonderhoud
en toenemende polarisatie.

Optimistisch? Niet bepaald.

Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart,
is hoe waarheid en verantwoordelijkheid
lijken te verdwijnen uit het publieke debat.
Gezond verstand voelt soms als een zeldzaamheid.
In plaats van gesprek is er geschreeuw.
Macht wint het van argumenten.
Natuurlijk is ‘gezond verstand’ deels subjectief,
maar ik ben vast niet de enige die zich afvraagt
hoe het kan dat mensen wegkomen
met overduidelijke leugens,
of keihard bewijs wegwuiven als ‘nepnieuws’.
Waar staat de werkelijkheid eigenlijk nog op?

In die stemming raakte ik diep getroffen
door een tekst van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer,
geschreven kort voor zijn arrestatie in 1942.
Hij schrijft over het falen van de ‘redelijke mensen’:
mensen met goede bedoelingen
die denken dat je met logica en nuance een ontspoorde wereld
wel weer recht kunt trekken.
Ze willen recht doen aan alle kanten,
maar worden vermalen tussen botsende krachten.
Teleurgesteld trekken ze zich terug,
of worden slachtoffer van hardere spelers.

En dan stelt Bonhoeffer de pijnlijke vraag:
wie houdt het dan wél vol?
Volgens hem alleen degene die bereid is
zijn eigen rede, principes en zekerheden
los te laten wanneer hij geroepen wordt
tot verantwoord handelen
— niet vanuit eigen gelijk,
maar vanuit gehoorzaamheid
aan iets dat groter is dan hijzelf.
Ja, waar zijn die mensen?

Terwijl ik daarover nadacht, draaide op tv
weer eens de cyclus van The Hobbit en The Lord of the Rings.
Tolkien beschrijft daarin de strijd tegen het ultieme kwaad,
en noemt die strijd ‘de lange nederlaag’.
Tolkien was maar iets ouder dan Bonhoeffer.
Op het eerste gezicht hadden ze weinig gemeen:
een Engelse katholiek versus een Duitse lutheraan;
een fantasyschrijver tegenover een radicale theoloog.
Maar beiden waren gevormd
door de verschrikkingen van oorlog.
Tolkien had de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt
en had geen romantische ideeën meer over de mensheid.
En toch gaf hij de hoop niet op.

Die lange nederlaag komt maar één keer letterlijk voor
in The Lord of the Rings, maar wel op een cruciaal moment.
Galadriel, de elfenkoningin, zegt
dat zij en haar volk al eeuwenlang
die lange nederlaag strijden.
Dat roept een vreemde vraag op:
waarom vechten, als je weet dat je uiteindelijk verliest?

Het verhaal laat zien waarom.
Iedereen in het gezelschap faalt op een of andere manier.
Zelfs Frodo, die de Ring draagt,
bezwijkt op het allerlaatste moment.
Hij kán de Ring niet vernietigen.
Toch wordt het kwaad verslagen
— niet door heldendom, maar door wat lijkt op toeval:
Gollem valt in de afgrond.
Tolkien maakt daarmee een ongemakkelijke
maar eerlijke boodschap duidelijk:
zelfs de besten onder ons falen.
En tóch kan het goede winnen,
op een manier die niemand gepland had.

Dat betekent overigens niet
dat Frodo faalt als persoon.
Immers, zonder zijn inzet
was de Ring nooit op die plek gekomen.
Tolkien schreef zelfs dat niemand,
uitgeput en gekweld zoals Frodo,
weerstand had kunnen bieden.

De vraag blijft dus: waarom blijven vechten?
Omdat niet vechten erger is.
In Tolkiens wereld is wanhoop een wapen van het kwaad.
De ‘lange nederlaag’ betekent niet dat alles zinloos is,
maar dat menselijke pogingen altijd tekortschieten.
En tóch zijn ze noodzakelijk.

Dat idee sluit aan bij wat Martin Luther King ooit zei:
De boog van het morele universum is lang,
maar hij buigt naar rechtvaardigheid.
Dat betekent niet dat alles vanzelf goed komt
door onze plannen.
Integendeel: mensen falen voortdurend,
zelfs met de beste bedoelingen.
Maar het wijst op een hoger doel
dat niet afhankelijk is van onze perfectie.

Hoop komt dan niet uit systemen,
vooruitgang of natuurwetten
— die lopen uiteindelijk allemaal vast.
Hoop komt voort uit vertrouwen:
dat er Iemand is die door chaos, toeval
en zelfs menselijk falen heen werkt.
Tolkien geloofde dat ook.
Hij noemde het ‘eucatastrofe’:
precies wanneer alles verloren lijkt,
gebeurt er iets onverwachts
dat het hele verhaal laat kantelen.

Dat is geen excuus om niets te doen of ons terug te trekken.
De ‘lange nederlaag’ is geen totale nederlaag.
Het betekent dat onze pogingen om
vrede, recht en genezing te brengen
in een gebroken wereld
– wat het Oude Testament van de Bijbel ‘shalom’ noemt –
nooit compleet zullen zijn,
misschien zelfs gedoemd
zijn onvolledig of zelfs te mislukken —
maar dat ze daarom niet waardeloos zijn.

Zoals de elfen blijven vechten, zo doen wij wat we kunnen.
Niet omdat we denken dat we de wereld redden,
maar omdat het goed is om het goede te doen.
Dat is misschien geen grote overwinning,
maar wel een voorzichtige hoop.
En soms zijn onze daden korte momenten
waarin iets van die uiteindelijke gerechtigheid zichtbaar wordt.

 

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Daar valt toch niet echt tegenin te gaan?
Het is een universeel erkende waarheid,
die diepgeworteld is in onze culturele identiteit.

Maar ik ben me gaan afvragen of het wel zo duidelijk is,
en of onze intuïtieve aannames wel standhouden.

Natuurlijk willen we allemaal ‘vrede op aarde’,
een vreedzaam leven in vreedzame gemeenschappen
en, in ieder geval soms, wat ‘rust en stilte’.
Vrede is iets goeds.
We verlangen ernaar, we omarmen het
en we eren degenen die het mogelijk maken.

Maar ik weet niet meer zeker of we wel goed begrijpen
waar het allemaal om draait.
Of is het allemaal een beetje duister
als je onder de oppervlakte graaft.

De aanhoudende stroom van gewelddadige conflicten
vanuit Oekraïne, Gaza, Soedan en elders
tot onze steeds meer gepolariseerde politieke debatten,
het buitensluiten van mensen
met wie we het oneens zijn
in identiteitspolitiek
en de venijnigheid van bredere cultuuroorlogen:
het is allemaal erg heftig en veel.
Veel mensen hebben dan ook besloten
het nieuws niet meer te volgen.
Deze trend lijkt in een recent rapport van het Reuters Institute
naar desinteresse in het nieuws te worden gestaafd.

Ik verlang naar doorbraken
op het gebied van vredesbemiddeling.

Toen werd mijn aandacht getrokken
door een artikel op een nieuwsplatform.
De kop luidde:
‘Trumps diepe obsessie:
Het winnen van een Nobelprijs voor de Vrede’.

Ik had al een vage herinnering dat president Trump
tijdens zijn eerste ambtstermijn
een beetje verbolgen was over het feit dat Barack Obama
de prijs had ontvangen,
terwijl híj, de Donald, hem niet had gekregen.
Maar het lijkt erop dat het meer is dan dat.

Verder wordt er geschreven
dat hij al jaren ‘geobsedeerd’ is
door het winnen van deze prijs
en dat zijn huidige regering
‘hem agressief pusht voor een Nobelprijs’.
Er wordt zelfs gesuggereerd
dat dit ook de onderliggende boodschap was
van de ruzie in het Witte Huis
met de Oekraïense president Zelensky.

President Trump is sinds 2016
al talloze keren genomineerd voor de Nobelprijs,
waarbij parlementsleden uit de VS,
maar ook uit Scandinavië en Australië
zijn naam daar inbrachten.

Sinds 1901 is de Nobelprijs 105 keer toegekend.
Dr. Martin Luther King jr.,
Nelson Mandela
en Moeder Teresa
lijken misschien de belichaming van zo’n prijs,
maar er zijn ook vaak controverses geweest.

Bijvoorbeeld de keren dat de prijs werd toegekend
aan Michail Gorbatsjov, Yitzhak Rabin,
Shimon Peres en Yasser Arafat;
die waren bijzonder controversieel.
Maar het was de keer dat de prijs aan Henry Kissinger in 1973
werd toegekend die de grootste ophef veroorzaakte,
waardoor twee van de vijf leden
van de selectiecommissie uit protest aftraden
en de toekenning door de pers werd gehoond.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’
Ja, wat wilde Jezus eigenlijk zeggen?
Wat hoorde de menigte hem zeggen?

Een snelle blik terug op de Bergrede bevestigde
dat ‘de zegeningen’ waarmee deze rede begint
vooral bestemd zijn voor degenen
die zich in een ogenschijnlijk achtergestelde positie bevinden:
‘de armen van geest … zij die treuren …
de zachtmoedigen … de barmhartigen … de vervolgden’.
Waarom benoemt Jezus dan ook de vredestichters
die door iedereen geprezen zouden moeten worden?
Zij zijn degenen die goede dingen doen met positieve voordelen.
Zij zouden toch door iedereen geprezen moeten worden,
waarom hebben zij een speciale zegen nodig?

Van het ‘vrede op aarde’ dat Jezus’ geboorte aankondigde,
tot zijn laatste geschenk aan zijn vrienden:
‘Vrede laat ik jullie na; mijn vrede geef ik jullie’,
vrede is de kern van Jezus’ boodschap.
Vrede ontvangen, vrede geven, vrede maken,
‘vrede zij met u’, ‘ga in vrede’,
ja, vrede is overal in de evangelieverhalen terug te vinden.

Natuurlijk is dit voor Jezus shalom,
of, terug naar het Aramees van zijn moedertaal, shlama.
Hoewel het een alledaagse begroeting is,
is de gedachte die in het woord besloten ligt
veel dieper en rijker:
het gaat over heelheid, welzijn en harmonie.
In plaats van alleen de afwezigheid van lawaai en conflict,
heeft dit soort vrede inhoud en diepgang.

Misschien is dat wel de reden waarom het ‘gesticht’ moet worden.

Want het is interessant dat Jezus niet zegt
‘gezegend de vredelievende mensen’
zij die slechts het leven van vrede ervaren en consumeren.
Evenmin legt hij de nadruk op ‘gezegend de vredestichters’:
zij die de grenzen bewaken.
Nee, het zijn ‘gezegend de vredestichters’,
als degenen die hun mouwen opstropen
en actief een omgeving van heelheid,
welzijn en harmonie creëren.

Geen probleem toch?
Wie is er nou niet een voorstander
van heelheid, welzijn en harmonie?
Nou ja, niemand denken we waarschijnlijk,
totdat we stuiten op wat Jezus later
zegt:

Jullie hebben gehoord dat er gezegd is:
‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’
Maar Ik zeg jullie:
heb je vijanden lief
en bid voor hen die jullie vervolgen,
opdat jullie kinderen mogen zijn
van jullie Vader in de hemel.

Volgens Jezus draait vredesbemiddeling dus om
heelheid, welzijn en harmonie,
en de reikwijdte ervan reikt tot,
en omvat,
zelfs onze vijanden.
En waarom, omdat God het zo doet:

‘Hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden,
en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’

Dit is de maatstaf
voor de vorm van vredeshandhaving
waar Jezus het over heeft.

Je zou kunnen stellen dat vredesbemiddeling
een generatieproces is.
Dat het gaat om het vormgeven van hoe we samenleven;
als individu, in buurten of zelfs internationaal,
waar we dit soort principes belichamen en vormgeven.
Dit bereik je niet van de ene op de andere dag.

We stichten vrede en bouwen gemeenschappen op
waarin we in de loop der tijd floreren.
Ik ben omdat we zijn.
Het welzijn van ieder van ons
is afhankelijk van het welzijn van ons allemaal.
Dit is een manier van leven,
geen kant-en-klare remedie.

Maar hoe zit het met vredesbemiddeling
te midden van een conflict?

Dit is waar het vredesproces troebel wordt,
vooral als je onder de oppervlakte graaft.
Altruïsme van mensen, gemeenschappen en landen
in conflict staat zelden centraal in wat ze te bieden hebben.

Om dus zelfs maar te kunnen denken
aan een authentiek vredesproces,
moeten beide partijen in een conflict het willen.
Als dit niet het geval is,
zal de vredestichter ofwel falen
ofwel het risico lopen
als marionet in de handen
van kwaadwillenden
te worden gemanipuleerd.

Om daadwerkelijk het punt te bereiken
waarop een vredesproces kan worden gestart,
moeten de betrokken partijen
tot het besef zijn gekomen
dat de kosten van het voortzetten van hun conflict
de realistische voordelen
die ze kunnen behalen, overstijgen.

Vredesvoering moet altijd beginnen
met de bestaande situatie.
Het gaat er niet om de situatie te herstellen zoals die was.
Het gaat er ook niet om de toekomst te verwezenlijken
waar men van droomt.
Het gaat om een koude, harde confrontatie
met hoe de situatie werkelijk is.

Daarom is het impopulair,
vooral bij degenen
die de rechtvaardigheid van hun zaak nastreven,
hun doelen bereiken
en de overwinning nastreven in plaats van vrede.
De vredestichter is een actuele
en ongewenste herinnering aan hun falen.

Wanneer de vredesbemiddeling
vervolgens op gang komt,
kan degene die in het midden staat,
de vredestichter, geen partij kiezen.
Toch zullen beide partijen hen onvermijdelijk
als partijdig beschouwen,
omdat hun aspiraties tijdens de onderhandelingen
worden afgewogen.
Vredestichters worden gemakkelijk afgedaan
als verzoeners
of zelfs als verraders van de rechtvaardigheid.

Vrede stichten draait altijd om compromissen sluiten.
Het gaat erom de huidige situatie te accepteren
en zorgen opzij te zetten
om de best haalbare balans te bereiken.
Wolfgang Münchau schreef onlangs
over de vredesonderhandelingen over Oekraïne:

‘Het doel van vredesbesprekingen
is om de gaten op te vullen.
Beide partijen kunnen het ene stuk land
tegen het andere ruilen.
Met geld koop je dingen.
Maar vredesakkoorden gaan nooit over
wie gelijk heeft en wie ongelijk.
Ze gaan niet over historische claims.’

Pragmatisch in plaats van principieel,
een compromis wordt al snel afgeschilderd
als een vies woord.
Vredestichters lijken karakterloos,
zwak en moreel gebrekkig
en lopen het risico
door alle partijen
verkeerd begrepen
en verkeerd voorgesteld te worden.

Volgens de Amerikaanse politicoloog R.J. Rummel,
die zich specialiseerde
in de studie van oorlog en collectief geweld
met het oog op de oplossing
daarvan, is het een vergissing te denken
dat ‘vrede sluiten’ gelijkstaat
aan een ontwerp-, constructie- en bouwproject.
Hoewel hij zo’n visie verleidelijk aantrekkelijk vindt,
is het misplaatst te geloven
dat vrede centraal gepland
en geconstrueerd kan worden.

Vrede ‘ontstaat’ eerder
wanneer er een evenwicht ontstaat
tussen wat de betrokken partijen oprecht geloven,
daadwerkelijk willen
en werkelijk kunnen bereiken.
Deze wederzijdse zelfkennis
kan niet door een externe derde partij
in kaart worden gebracht
en kan slechts gedeeltelijk
door henzelf worden begrepen.

De kunst van de vredestichter
is het mogelijk maken
van een evoluerend proces
van wederzijdse aanpassingen.
Onderweg moeten ze ervoor zorgen
dat hernieuwde evenwichtige relaties
worden ondersteund
door een ‘verwevenheid van wederzijdse belangen,
capaciteiten en wilskracht’.
Vredestichters zijn verre van centrale messiasfiguren;
het gaat nooit om hen en hun ideeën of grootse plannen.
Ze zijn eerder mensen die zorgen dat dingen soepel verlopen
die moeten weten
wanneer ze zich bescheiden moeten opstellen
en uit de weg moeten gaan.

Rummel concludeert:

‘Vrede is een structuur van verwachtingen, een sociaal contract.
Het zal alleen worden nageleefd
als de partijen, om welke reden dan ook,
het in al hun overlappende belangen,
mogelijkheden
en wil vinden om dit te doen.’

Een moeizaam verworven vrede
kan buitengewoon fragiel blijven.

Ja, wie zou een vredestichter zijn?
Wie zou zich vrijwillig openstellen
voor manipulatie door kwaadwillenden?
Wie zou zich onderwerpen
aan de afwijzing van ongewenst, impopulair,
verkeerd begrepen, verkeerd voorgesteld
of afgeschilderd te worden
als verraders
van de rechtvaardigheid?

Bovendien moeten ze zichzelf wegcijferen
en begrijpen dat hun beste inspanningen
alleen maar tot precaire resultaten kunnen leiden,
als er al enig resultaat is.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Inmiddels zijn er 338 kandidaten genomineerd
voor de Nobelprijs voor de Vrede van 2025.
Onder hen is wijlen paus Franciscus,

‘… voor zijn onstuitbare bijdrage
aan het bevorderen van bindende en alomvattende vrede
en broederschap tussen mensen, etnische groepen en staten.’

Overigens ging de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar
naar de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado.

De titel van deze blog is ontleend aan ‘In paradisum’ een gezang dat deel uitmaakt van de requiemmis.

 

Gister op Paasmaandag overleed paus Franciscus op de leeftijd van 88 jaar.
Hij leek half hersteld van een maand ziekenhuisopname vanwege een longontsteking
en zegende op Paaszondag zelfs de menigte
die zich op het Sint-Pietersplein had verzameld vanaf het balkon.
Moge hij rusten in vrede.

Hij werd in 1936 in Buenos Aires geboren als Jorge Mario Bergoglio,
als zoon van twee Italiaanse immigranten
die een leven zochten zonder Mussolini’s fascistische heerschappij.
Helaas kon dit hun zoon niet behoeden voor dictaturen
– in de jaren 70 werd de Argentijnse regering omver geworpen
door een militaire junta, die zich fel verzette tegen het socialisme.

Dit stukje biografie is essentieel om een genuanceerd beeld van paus Franciscus te schetsen.

In 1958 trad hij toe tot de Sociëteit van Jezus,
een religieuze orde die half opgericht was
om een reactie te vormen op de protestantse Reformatie.
Hun oorsprong in de apologetiek
heeft de ‘jezuïeten’ een reputatie van softie ten aanzien van de leer gegeven.
Toen hij op 13 maart 2013 werd verkozen tot paus Franciscus,
zagen sommigen een aanwijzing dat deze paus een hervormer was.

Velen zagen dat paus Franciscus tijdens zijn pontificaat
dit probeerde waar te maken:
In 2021 beperkte de paus het gebruik van de traditionele Latijnse mis,
een stap die gemeenschappen
die de overstap naar volkstaaldiensten
in de jaren 60 betreurden en ernstig beledigde.
In 2023 bevestigde hij dat priesters mensen in
‘niet reguliere verbintenissen’ mogen zegenen,
zoals paren van hetzelfde geslacht en hertrouwde stellen,
maar níet als een zegen voor de verbintenis.
Tóch wordt hij ook gezien als een wind van verandering
– openhartig, populair en oprecht nederig in zijn dienende leiderschap.

Maar tijdens zijn tijd als hoofd van de Argentijnse jezuïeten
was de jonge pater Bergoglio naar buiten toe conservatief
en verzette hij zich tegen de linksgeoriënteerde bevrijdingstheologie
die de Latijns-Amerikaanse conferenties en seminaries van die tijd overspoelde.
Als paus kon hij zo nors en traditioneel zijn als maar kan.
Zijn antwoord op de vraag van een interviewer
of vrouwen in 2024 tot de priesterwijding toegelaten konden worden,
begon met een bot ‘nee’.
Hij kwam in de problemen toen hij in een openhartig gesprek
over de sfeer in sommige katholieke seminaries
een negatieve belediging uitsprak voor homo’s.
De naam die hij koos, Franciscus, naar de heilige van Assisi,
was meteen een heel programma.
Franciscus van Assisi stond immers ook voor de heropbouw van een vervallen kerk.
Ook bij het aantreden van de nieuwe paus verkeerde de Rooms-Katholieke Kerk
immers in stormachtig weer:
misbruikschandalen, gesjoemel in de bank van het Vaticaan
en misstanden in de Romeinse curie,
het ambtenarenapparaat van de kerk.
Paus Franciscus maakte meteen na zijn benoeming
meteen werk van de noodzakelijke hervormingen,
waarbij hij voortbouwde
op de fundamenten die Benedictus had gelegd.
Door gerichte benoemingen probeerde Franciscus
het Vaticaanse bestuursapparaat
doeltreffender en transparanter te maken.

Ook stond Franciscus voor een arme kerk
voor de armen,
voor barmhartigheid
voor armoede, nederigheid,
voor eenvoud, voor zorg voor de schepping,
en voor vrede en interreligieuze dialoog.
Zo ging Franciscus van Assisi in tijden van de kruistochten bijvoorbeeld
langs bij de sultan van Egypte.
Met dat voorbeeld in gedachten zou paus Franciscus
geregeld naar moslimlanden reizen,
en de broederlijkheid met moslims verdedigen.
En liefde voor de schepping
vertaalde zich dan weer
in een bijzondere aandacht voor ecologie.
Franciscus werd de eerste paus
die zo sterk de nadruk zou leggen op klimaatverandering.
Hij schreef met Laudato Si’ de eerste encycliek over de kwestie.
In 2020 schreef hij de sociale encycliek Fratelli tutti,
een geschreven I have a dream’.
Daarin tekende hij een wereld
– en wegen daar naartoe –
waarin vluchtelingen worden verwelkomd,
de doodstraf niet meer bestaat,
er geen oorlog meer wordt gevoerd,
het milieu voor de winst gaat,
de kloof tussen arm en rijk bijna verdwijnt
en mensen elkaar als broeders en zusters zien.
Hij dacht meer vanuit de mens dan vanuit de leer.
Meer dan zijn voorganger Benedictus XVI,
legde Franciscus de nadruk op
de praktische kant van het geloof.
Hij wilde de kerk van binnenuit hervormen
en de geestelijken en parochianen meenemen
op de weg van een belerende
naar een luisterende, gastvrije kerk.

Maar toch…
Te liberaal voor de conservatieve gelovigen,
en te traditioneel voor de liberale katholieken.
Franciscus was een paus met een duidelijk profiel:
sociaal progressief inzake onderwerpen
als armoede, ongelijkheid
en de zorg voor de schepping,
conservatief op het gebied van abortus en euthanasie.
Anders dan zijn voorgangers gaf hij ruimte aan vragen
rond celibaat en vrouwelijke ambtsdragers,
al veranderde de leer niet.
De taal en de stijl waren veranderd,
maar de kerk bleef vooral zoals ze was.

Wat tekende paus Franciscus dan precies?
Wat hij volgens mij leerde van de militaire machtsovername in de jaren zeventig,
was de prijs van idealisme, aan beide uiteinden van het politieke spectrum.
Hij was, naar mijn mening, een pragmaticus.
Geen academicus zoals zijn voorganger, paus Benedictus XVI,
en, in tegenstelling tot paus Johannes Paulus II,
was er geen duidelijk politiek doel
in de vorm van de uiteenvallende Sovjet-Unie.
Franciscus was paus in een veel complexere wereld,
die steeds meer een duidelijke morele basis miste
en het steeds moeilijker vond om te reageren
op enorme technologische en sociale veranderingen.
Toch deed hij wel een dappere poging
om het huidige obsessieve consumentisme
te agenderen,
bijvoorbeeld in zijn encycliek
Dilexit Nos uit 2024:

Om de liefde van Jezus tot uitdrukking te brengen
wordt vaak het symbool van het hart gebruikt.
Sommigen vragen zich af
of dit symbool nog steeds betekenisvol is.
Maar omdat wij geneigd zijn oppervlakkig
en snel te leven
zonder uiteindelijk te weten waarom,
en omdat wij geneigd zijn
onverzadigbare consumenten
en slaven van de raderwerken
van een markt te worden,
die geen belangstelling heeft
voor de zin van ons bestaan,
hebben wij er allen behoefte
er het belang van het hart
opnieuw te ontdekken.’

Franciscus zal bekend blijven staan om zijn pogingen
om in alles een evenwicht te vinden
om te pleiten voor verandering,
maar zich elders terug te trekken.
Hij was geliefd om dezelfde redenen
waarom hij fel bekritiseerd werd.
Zo gepolariseerd is onze tijd.

Martin Luther KingVandaag is het precies 50 jaar geleden dat dominee Martin Luther King jr. zijn beroemde rede ‘I have a dream’ uitsprak op de trappen van het Lincoln Memorial in Washington. In zijn rede stelde hij de grote ongelijkheid aan de kaak tussen blanken en zwarten ondanks het feit dat de slavernij in de Verenigde Staten in feite al was afgeschaft in 1865. In de praktijk van alledag waren zwarten dan wel medeburgers, maar dan wel van een b-garnituur. Jezelf beter, belangrijker achten dan de ander, het is een algemeen menselijke valkuil die nog nooit is opgevuld. Het blijft werken aan ideaal dat God heeft met zijn wereld.

Ondanks zijn eigen levenservaring van uitsluiting en vernedering zei King in zijn rede onder andere ‘Ik heb een droom dat op een dag dit land zal verrijzen en zal leven naar de ware betekenis van haar credo: “Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend; dat alle mensen gelijk geschapen zijn.”‘ Wat mij betreft schreef hij deze woorden niet alleen voor de Verenigde Staten, maar voor alle landen over heel de wereld.

Desmond Tutu, onder meer aartsbisschop en voorzitter van de Waarheids- en Verzoeningscommissie, die na de val van het apartheidsregime in Zuid-Afrika ernaar streefde de verschillende bevolkingsgroepen in vrede met elkaar te laten leven had eenzelfde boodschap en schreef in 2004 in zijn boek ‘God heeft een droom’

‘Ik heb een droom; zegt God. “Help me alsjeblieft die te verwezenlijken. Het is een droom over een wereld waarin alle lelijkheid, ellende en armoede, oorlog en vijandigheid, desmond tutuhebzucht en harde concurrentiestrijd, vervreemding en onenigheid worden veranderd in hun glorieuze tegendeel; een wereld waarin meer wordt gelachen, waarin vreugde en vrede overheersen, een wereld gekenmerkt door rechtvaardigheid en goedheid en mededogen en liefde en zorgzaamheid en de bereidheid tot delen. Ik heb een droom waarin het zwaard wordt omgesmeed tot ploegscharen en speren tot stoksnoeimessen; een wereld waarin Mijn kinderen weten dat ze behoren tot één familie, de menselijke familie, Gods familie, Mijn familie.”’

De droom van Martin Luther King en die verwoord door Tutu zijn tot op de dag van vandaag ‘dreams under construction’ . Ik hoop van harte dat deze dromen ooit bewaarheid mogen worden.