‘Controleer de feiten.’
‘Onderzoek het bewijs.’
‘Correlatie is niet hetzelfde als oorzakelijkheid.’
We hebben deze uitspraken waarschijnlijk al zo vaak gehoord
dat ze in ons geheugen gebeiteld zitten.
Als dat zo was, zou misinformatie
nooit een poot aan de grond krijgen..
Maar er zijn voorbeelden te over
van misinformatie die zich razendsnel verspreidt.
Dit komt doordat onze interne, vaak onbewuste, vooroordelen
ervoor zorgen dat we onjuiste beweringen voor waar aannemen.
Een van de boosdoeners is een bevestigingsvooroordeel
of confirmation bias:
de verleiding om bewijs kritiekloos te accepteren
als het bevestigt wat we graag waar zouden willen zien,
en een bewering meteen te verwerpen
als het botst met ons wereldbeeld.
Deze vooroordelen kunnen heel subtiel ons denken binnensluipen;
nee, ze beperken zich niet tot onderwerpen
zoals immigratie of wapenbeheersing,
waarbij de emoties hoog op kunnen lopen.
Voorbeeld:
Er wordt vaak beweerd dat borstvoeding het IQ van kinderen verhoogt,
hoewel correlatie geen causaliteit is.
Maar omdat velen van ons natuurlijke moedermelk
zouden vertrouwen boven flesvoeding,
slikken we deze bewering.
Confirmation bias is moeilijk te doorbreken.
In een onderzoek namen drie neurowetenschappers
studenten met liberale politieke opvattingen
en sloten ze hen aan op een functionele MRI-scanner.
De onderzoekers lazen uitspraken voor
waarmee de deelnemers eerder hadden gezegd
het eens te zijn,
ze gaven vervolgens tegenstrijdig bewijs
en maten de hersenactiviteit van de studenten.
Er was geen effect wanneer niet-politieke beweringen
werden aangevochten,
maar het tegenspreken van politieke standpunten
activeerde hun amygdala:
Dat is hetzelfde deel van de hersenen dat wordt geactiveerd
wanneer een tijger je aanvalt,
wat dus een ‘vecht-of-vlucht’-reactie opwekt.
Confirmation bias speelt dus een grote rol
bij kwesties waar we al een mening over hebben.
Maar over veel onderwerpen
hebben we geen vooroordeel.
Als er niets te bevestigen valt,
is er geen confirmation bias,
dus we hopen dat we deze kwesties
met een heldere blik kunnen benaderen.
Maar helaas kan er ook een andere bias de kop opsteken:
zwart-witdenken.
Deze bias houdt in dat we de wereld in zwart-wit bekijken:
iets is altijd goed of altijd slecht, zonder grijstinten.
Het bestverkochte afslankboek ooit,
Dr. Atkins’ Nieuwe Dieet Revolutie,
profiteerde van deze vooringenomenheid.
Vóór Atkins hadden mensen misschien
geen sterke mening over de vraag
of koolhydraten goed of slecht waren.
Maar zolang ze denken
dat het het een of het ander moet zijn,
zonder een middenweg,
zullen ze vasthouden aan een eenzijdige aanbeveling.
Dat is wat het Atkinsdieet deed:
Het had één regel: vermijd alle koolhydraten.
Niet alleen geraffineerde suiker,
niet alleen simpele koolhydraten, maar alle koolhydraten.
Je kunt beslissen of je iets eet
door te kijken naar de ‘koolhydraten’-regel op het voedingsetiket,
zonder je zorgen te maken
of de koolhydraten complex of simpel,
natuurlijk of bewerkt zijn.
Deze simpele regel speelde in op het zwart-witdenken
en maakte hem gemakkelijk te volgen.
Om een bestseller te schrijven,
hoefde Atkins dus niet gelijk te hebben.
Hij hoefde alleen maar extreem te zijn.
Dus, wat doen we eraan?
De eerste stap is het erkennen
van onze eigen vooroordelen.
Als een bewering onze emoties aanwakkert
en we staan te popelen
om die te delen of te verwerpen,
of als het extreem is
en een universeel recept geeft,
moeten we voorzichtig te werk gaan.
De tweede stap is het stellen van vragen,
vooral als het een bewering is
die we graag accepteren.
Eerst is het zaak om
‘het tegenovergestelde te overwegen’.
Als een onderzoek
tot de tegenovergestelde conclusie was gekomen,
welke gaten zou je er dan in prikken?
Vraag jezelf vervolgens af
of deze bedenkingen
nog steeds van toepassing zijn,
ook al levert het de resultaten op die je wilt.
Neem de overvloed aan onderzoeken
die beweren dat duurzaamheid
de bedrijfsprestaties verbetert.
Wat als een artikel had aangetoond
dat duurzaamheid de prestaties verslechtert?
Voorstanders van duurzaamheid
zouden een heleboel bezwaren opwerpen.
Ten eerste,
hoe hebben de onderzoekers duurzaamheid gemeten?
Waren het de duurzaamheidsclaims
van een bedrijf
in plaats van de daadwerkelijke uitvoering ervan?
Ten tweede,
hoe groot was de steekproef die ze analyseerden?
Als het een handvol bedrijven betrof
door slechts één jaar heen,
zou de tegenvallende prestatie
te wijten kunnen zijn aan willekeur;
er zijn onvoldoende gegevens
om sterke conclusies te trekken.
Ten derde,
is er sprake van oorzakelijkheid of slechts correlatie?
Misschien is hoge duurzaamheid
niet de oorzaak van lage prestaties,
maar is er iets anders,
zoals strenge regelgeving,
dat beide veroorzaakt.
Nu je je ogen hebt geopend
voor potentiële problemen,
vraag jezelf dan af
of ze een bedreiging vormen
voor het onderzoek dat je graag wilt aanprijzen.
Een tweede vraag is om je af te vragen wie de auteurs zijn.
Denk na over wie het onderzoek heeft geschreven
en wat hun motieven zijn om de bewering te doen
die ze hebben gedaan.
Veel rapporten worden geproduceerd
door organisaties die zich richten
op belangenbehartiging
in plaats van wetenschappelijk onderzoek.
Vraag je dan af:
‘Zouden de auteurs het artikel hebben gepubliceerd
als het tegenovergestelde resultaat was gevonden?’
Zo niet,
dan hebben ze mogelijk selectief gekozen
voor hun gegevens of methodologie.
Naast vooringenomenheid
is een andere belangrijke eigenschap
de expertise van de auteurs
in het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek.
Vooraanstaande CEO’s en investeerders
hebben aanzienlijke ervaring,
en er is niemand beter gekwalificeerd
om een verslag te schrijven
over de bedrijven
die ze hebben geleid
of de investeringen die ze hebben gedaan.
Sommigen gaan echter verder
dan het vertellen van oorlogsverhalen
en verkondigen een universele set regels voor succes;
maar zonder wetenschappelijk onderzoek
weten we niet of deze principes
in het algemeen werken.
Een simpele vraag is:
‘Als dezelfde studie door dezelfde auteurs was geschreven,
met dezelfde referenties,
maar de tegenovergestelde resultaten zou vinden,
zou je het dan nog steeds geloven?’
Tegenwoordig kan iedereen een bewering doen,
een complottheorie lanceren
of een statistiek publiceren.
Als mensen willen dat het waar is,
gaat het viraal.
Maar we hebben de middelen om dit te bestrijden.
We weten hoe we onderscheidingsvermogen moeten tonen,
vragen moeten stellen en
eventuele negatieve gevolgen
van bedrijfsactiviteiten
moeten uitvoeren
als een bevinding ons niet bevalt.
De truc is om onze vooroordelen te beteugelen
en dezelfde kritische blik te gebruiken
wanneer we iets zien dat we graag willen accepteren.


