In een gelijkenis vertelt Jezus over een bruiloft van de zoon van de koning.
De bruiloftszaal is afgehuurd en in gereedheid gebracht.
Maar de genodigden willen niet komen.
Waarom niet, wordt niet duidelijk.
Maar ze passen, ze komen niet.

Waar het nu even om gaat is hoe de koning
vervolgens toch zorgt dat het gehuurde zaaltje vol komt.
Hij zegt tegen zijn personeel:
‘Ga naar de toegangswegen van de stad
en nodig voor de bruiloft iedereen uit die je tegenkomt’.
En zo stroomt de zaal vol, uit heggen en stegen,
goede en slechte mensen, staat er
wat al te denken geeft.
Maakt niet uit, de zaal moet en zal vol, is de opdracht.
Alle middelen heiligen het doel.
Mensen die elkaar niet kennen: bent u soms familie?
Mensen die niets met elkaar gemeen hebben,
behalve dan dat ze kennelijk op het juiste moment
op de juiste plaats waren, daar waar de dienaren van de koning waren.
Mensen in allerlei soorten en maten, goeden en slechten,
die zichzelf terugvinden als gasten op een koninklijk bruiloftsfeest.
Wonderlijk is het.

Of je dat één op één met de kerk zoals wij die kennen gelijk kunt stellen,
is overigens ook nog een vraag. Maar laten we daar even op voortborduren.
Dan is de kerk dus een gemeenschap van mensen die elkaar niet zelf hebben uitgezocht.
Je vindt jezelf terug in een gezelschap van mensen van allerlei slag.
De kerk als contrastgemeenschap
Eén die haaks staat op de normen en waarden
van de ons omringende maatschappij waar groepjes
van gelijkgestemden het liefst in hun eigen bubble blijven.

Zo is het in de geschiedenis precies gegaan.
De beweging die ontstaat na Jezus’ dood en leven,
de kerk, is vanaf het allereerste begin divers en veelkleurig geweest.
Vanaf het allereerste begin is er ook kerkelijke gedoe geweest,
laten we dat ook niet vergeten.
Soms is dat troostend… het is van alle tijden.
De kerk, de gemeente van de Heer, of het lichaam van de Heer,
Bijbelse beelden die spreken, is daarbij een geestelijke gemeenschap.
Waarin eigen regels gelden, een bijzondere gedragscode.
Ook dat kom je vanaf het begin tegen, al in het Nieuwe Testament.

De coronacrisis zet het leven van en in de kerk behoorlijk op z’n kop.
Dat lijkt me het understatement van dit jaar.
‘Traditionele’ kerkdiensten waarin een ongelimiteerd
aantal mensen samen konden komen,
die lekker uit volle borst mee konden zingen
en na de dienst heerlijk met elkaar
onder het genot van iets te drinken na konden keuvelen
zijn sinds eind maart voor langere tijd van de baan.
In veel kerken zijn de online-diensten met beeld en geluid
een zoektocht met allerlei experimenten begonnen.  Het zijn eigenlijk stuk voor stuk missionaire (noem het ‘evangeliserende’) diensten geworden omdat de meeste diensten laagdrempelig voor een ieder te volgen zijn.
Ook de voorgangers moeten zichzelf opnieuw uitvinden. 
Ze moeten zich vaardigheden aanleren die zij in de meeste gevallen nooit geleerd hebben. Daarover wil ik in een later stadium iets schrijven.

In de voor-corona-periode werd er al heel veel gepionierd (geëxperimenteerd) ook binnen ‘gewone’ gemeenten.
Op allerlei manieren richtten kerken zich naar buiten.
Er gebeurden daarbij veel mooie dingen.
Een van de vragen die daarbij ook in beeld komt
is of wij in deze tijd ook ‘zieltjes mogen winnen’?
De laatste tijd – ook voor de corona – was er het idee ontstaan
dat ‘zieltjes winnen’ hoort daar voor velen niet meer bij.
Dat was volgens velen iets van voorbije tijden. Deze vraag komt ook naar boven bij de onlinediensten in de coronatijd.

Nu zijn er zeker goede redenen om op dit punt kritisch naar het verleden te kijken, maar zou dat laatste echt zo zijn?
Of zou de meest wezenlijke missionaire dienst van de kerk misschien
toch kunnen liggen in het in contact brengen van mensen met Jezus Christus?
Zouden ‘zieltjes’ juist in verbondenheid met Hem
niet kunnen uitgroeien tot florerende ‘zielen’?

Die vraag komt natuurlijk direct als een boemerang
terug bij de gemeente en ook bij mijzelf:
ben ik meer mens geworden door mijn geloof en mijn betrokkenheid bij de kerk?
Dat kan een confronterende vraag zijn,
maar het is goed als we deze in de gemeente elkaar toch durven te stellen.
Want als de gemeente me (onverhoopt)
eigenlijk niet helpt in mijn mens-zijn (menswording!),
dan is er ook weinig reden anderen uit te nodigen te kiezen voor Jezus Christus.
Want dan ‘bekeer’ je je tot meer van hetzelfde.
Maar als daadwerkelijk blijkt dat die keuze tot ‘meer dan het gewone’ leidt,
dan ontstaat er een basis om ook niet-gelovigen uit te dagen
hun kaarten op Jezus Christus te zetten.

Het gaat hier om een heel belangrijke zaak.
Wat is de plek van het christelijk geloof op de markt van welzijn en geluk?
Is het een kraampje als willekeurig elk ander kraampje
met ongeveer dezelfde spullen?
Of kun je daar iets krijgen wat nergens anders wordt aangeboden?
Laat ik een voorbeeld geven uit het nabije verleden.
De campagne #doeslief die door SIRE werd geïnitieerd:
je werd opgeroepen om in deze tijd van algemene verharding
oog te hebben voor de behoeftes van de ander.
Ook christenen worden vanuit de Bijbel opgeroepen
om ‘lief te hebben’ en ‘goed te doen’?
Is dat werkelijk anders dan de #doeslief-campagne?
Ik denk dat wij vanuit onze christelijke gemeenschap
werkelijke langdurige aandacht en steun kunnen bieden aan de ander.
Dit maakt volgens mij het verschil maakte met andere soorten van liefdadigheid.
Mensen moeten het kunnen ervaren, beleven.
De liefdadigheid of christelijk gesproken ‘diakonia’ van de christelijke gemeente
droeg al in het verleden werkelijk bij aan de verspreiding van het christendom.
Ik kan me voorstellen dat niet iedereen gecharmeerd is van dit soort markttaal,
maar hoe dan ook zullen we in de gemeente ons over deze vragen moeten buigen.

Want de stap om in deze tijd christen te worden, lijkt steeds groter te worden.
Dat heeft te maken met de vaak grote afstand
van mensen tot de wereld van het christelijk geloof
en helaas ook met het negatieve beeld dat velen van kerk en geloof hebben.
We leven immers in een tijd van beleving, van willen ervaren.
Willen mensen iets gaan zien in het christelijk geloof,
dan moeten ze de waarde daarvan kunnen proeven, kunnen beleven.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat bekeringen vaak via relaties verlopen.
Iemand proeft iets van het geloof van de ander, wordt nieuwsgierig,
gaat op onderzoek uit en besluit christen te worden.
Een jonge vrouw die door haar contact met christenen tot geloof was gekomen vertelde:
‘Ik moest tot mijn eigen verwondering erachter komen
dat ik een godsgeloof heb ontwikkeld.
Daar heb ik lang mee geworsteld. Ik heb er eindelijk maar aan toegegeven.
Ik heb mijn hele leven herzien. Dat is heel helend geweest.
Mijn leven is behoorlijk op z’n kop gekomen.
Ik doe niet meer zo moeilijk over dat je grootse dingen wilt bereiken.’
Ook zij moest ‘wennen’ aan het idee
dat er in haar leven echt een knop was omgegaan.
Nog steeds ontdekken in ons land mensen
de kracht en de schoonheid van het christelijk geloof.
‘Zieltjes winnen’, het gebeurd nog steeds.
Door relaties, door ‘goed doen’ door zoveel andere zaken.
Laten we elkaar niet aanpraten dat de tijd van ‘zieltjes winnen’ achter ons ligt.
Nee, het is niet de zeepkist die daarvoor moet worden bestegen,
maar eerder de aloude manier van werkelijk aandacht en hulp geven aan je naasten.
Zou het kunnen zijn dat we
– vertrouwd als we vaak zijn met de kerk en de christelijke traditie –
dat helemaal niet meer zo scherp zien?
Gelukkig de gemeente die ‘bekeerlingen’ in haar midden heeft.

Deze week is het de Week van Gebed. In deze week wordt door middel van het gezamenlijk beleggen van dagelijkse gebedsdiensten in de verschillende naburige kerken gestreefd naar een groeiende eenheid tussen christenen en kerken, ook op lokaal niveau. Ook in mijn kerkelijke gemeente wordt er aandacht aan besteedt.week van gebed 2015 En dat vind ik goed. Immers, in een wereld die bol staat van allerlei tegenstellingen en religieuze controverses, is het goed om te laten zien dat christenen ook op lokaal vlak elkaar juist kunnen vinden in wat hun bindt, niet in wat hen scheidt. Daarmee  kloppen we als het ware op de deur van de de mensen om ons heen om zo het goede nieuws te verspreiden van een God die liefde is en verdeeldheid onder zijn kinderen verafschuwt.

Vanwege de aanslagen in Parijs is het de meeste mensen waarschijnlijk ontgaan: de protestantse kerk in het Zeeuwse Hoek is in vlammen opgegaan. Toegegeven, geen ramp van mondiale proporties, maar toch een enorm verlies voor de plaatselijke protestantse gemeente. de kerk van Hoek in de hensHet grootste deel van de kerk inclusief interieur moet helaas als definitief verloren worden beschouwd. Gelukkig zit de predikant – ondanks zijn emoties – niet neer bij de pakken, maar hij zit in nieuwe kerkbouw ook een missionaire kans. ‘We willen ook een huis worden voor het dorp’ zegt hij.

Ondanks het feit dat het verlies van een kerkgebouw hem het inzicht moest opleveren dat een kerk ‘een huis voor het dorp’ moet worden, is dit wel het wel herkenbaar dat het veel moeite kost om echt naar buiten te treden, missionair te zijn. Vaak zitten kerkleden, ondanks alle goede bedoelingen om missionair te zijn, vastgeklonken aan hun kerkgebouw waar een geschiedenis aan kleeft en – starre – denkpatronen. En niet alleen de kerkleden, ook voor eventuele buitenstaanders is de drempel van een traditioneel kerkgebouw door allerlei omstandigheden vaak heel erg hoog.

Dus, ja weg met dat (vaak veel te dure) kerkgebouw en laat gemeentes weer samenkomen in kantines, scholen, dorpshuizen of kroegen. In de hens ermee, en dat uit haar as een mooie, nieuwe vrije vogel mag opstijgen! Slecht die drempel tussen binnen en buiten! En voor de cynici onder mijn lezers die het woord ‘missionair’ wel een heel erg modewoord vinden: het is misschien wel het oudste beweging van de de christelijke gemeente: de straat op, onder de mensen.

… deur die naar stilte openstaat.
Muren van huid, ramen als ogen,
speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt
als wij er binnengaan
om recht voor God te staan.

Zo zingt Tussentijds het in lied nummer 10.
Over dit huis en een belangrijk persoon binnen de kerk, de predikant, wordt veel nagedacht.
Theologenbeweging Dominee 2.0 komt met betrekking tot de dominee met een opmerkelijk voorstel:
in plaats van de huidige aanstelling van een predikant ‘voor het leven’ pleit zij er voor een predikant aan te stellen op basis van contracten met de duur van 7 jaar. Zo, zegt men, voorkom je dat een predikant tot zijn emeritaat aan een gemeente verbonden blijft zonder dat de gemeente de mogelijkheid heeft zich van desbetreffende dominee te ‘ontdoen’. Aan het eind van zo’n periode vindt er dan een evaluatie plaats, een ‘functioneringsgesprek’, een gesprek over gedane werkzaamheden en behaald resultaat, waarin het optreden van de predikant wordt bekeken en gekeken wordt of men voor een komende periode nog wel met elkaar door wil gaan. De ‘domineesmarkt’, zo is het idee, moet meer bij de tijd worden gebracht, in lijn met de buitenkerkelijke arbeidsverhoudingen. Een bijkomend voordeel, zo meent men, is dat is dat er meer omloopsnelheid komt onder dominees, en dat men bepaalde ‘specialisten’, want deze constructie verplicht predikanten om zich interessant voor gemeentes te (blijven) maken, op tijdelijke basis kan ‘inhuren’. In eerste instantie lijkt dit een sympathiek voorstel waar misschien ook beginnende predikanten garen bij spinnen. Echter, er zijn zeker een aantal vragen bij te stellen. Laat ik er een paar stellen: creëer je door tijdelijke contracten niet de hijgerigheid die er juist buiten de kerk heerst. Waar buiten de kerk juist veel kritiek begint te klinken over ‘flexwerkers’ zou dit concept binnen de kerk moeten worden geïntroduceerd voor predikanten. Het lijkt mij een idee wat nog eens goed en kritisch doordacht moet worden. Niet dat een predikant niet kritisch moet kijken naar eigen functioneren en daar zeker ook op aangesproken mag worden, maar kan een predikant een gemeente nog op een kritische wijze de gemeente een spiegel voorhouden; een spiegel die niet altijd even gewenst is. Of moet de predikant met in zijn achterhoofd komende afloop van het contract zich gaan beperken tot het lijmen en pamperen van zijn gemeente. En een tweede vraag zou kunnen zijn: hoe kan een predikant zich specialiseren als je kijkt naar de overvolle agenda van veel dominees. Specialiseren kreeg je niet vanuit de opleiding mee, je moest juist van alles een beetje weten; en nu moet men zich gaan specialiseren om zo mogelijk interessant te blijven voor de markt. Daarenboven, heeft men nagedacht over de oudere predikant (en dat begint al na je 45ste), in het huidige kader niet meer interessant voor veel gemeentes die altijd maar inzetten op de noodzaak van het trekken en/of vasthouden van de jeugd en jonge gezinnen; iets wat in hun ogen een ‘oudere’ predikant echt niet meer kan. Of moet een predikant zich vooral toeleggen op de oudere kerkganger, maar wel oog houden voor de hele breedte van de gemeenschap. Zijn er überhaupt gemeentes die enkel en alleen een ‘specialist’ vragen, is het niet veeleer een alleskunner die ze willen hebben? Het zijn zomaar een aantal misschien voor de hand liggende vragen die zeker ook de revue mogen passeren. Is de kerk ‘zomaar een dak boven wat hoofden’ waar de buitenkerkelijke normen en regels gelden, of een gemeenschap die op een andere manier met elkaar om wil gaan?

‘Zomaar een dak boven wat hoofden’. Dit brengt mij bij het punt waar het gaat over de kerk. Over een concept genaamd ‘De Nieuwe Bijbelschool’, een platform waar vragen van nu worden betrokken op een opnieuw leren lezen van de Bijbel als sparring-partner voor mensen ‘van buiten de kerk’, die op verschillende plekken in het land ontstaat. In deze Bijbelklasjes ontmoeten niet-kerkelijken elkaar en lezen en bestuderen onder begeleiding van een theoloog de Bijbel. De ervaring leert dat nogal wat mensen geïnteresseerd zijn in de verhalen van de Bijbel. een opblaasbare kerkZe doen kennis van de Bijbel op en komen in aanraking met geloof. (ik zie een analogie met Alpha- en soortgelijke andere cursussen Maar de mensen kunnen niks met het taalgebruik in een reguliere eredienst, ze passen qua sociale context niet tussen de kerkgangers of ze willen vooral hun eigen beginnende geloofsgemeenschap behouden. Want haast automatisch nodigt de Bijbel uit om je leven te delen met anderen. Waar dat gebeurt, ontstaan vormen van gemeenschap.

Deze beweging, maar ook het nadenken over de predikant, roept vragen op over wat kerk-zijn is. Wanneer ben je kerk? Een LEVEND lichaam? Dienen deze gemeenschappen te worden ingepast in bestaande kerkelijke structuren en verbanden? Hoe gaan wij om met de dominee, wat moet zijn taak zijn en in wat voor vorm is betrokken bij een gemeenschap?

Zijn de ramen, om met lied 10 uit Tussentijds te spreken, geopend om de Pinkstergeest te laten waarheen hij wil of houden we ramen liever potdicht om het vuur door gebrek aan zuurstof langzaam uit te laten gaan?
Me dunkt, het zijn waardevolle initiatieven die en mogelijke weg kunnen wijzen naar Kerk 2.0.

Wordt vervolgd zou ik zeggen…