Bij het ervaren van een Godsontmoeting
speelt niet alleen het verstand een rol.
Niet voor niets stelt Rahner
dat achter zakelijke argumenten tegen het christelijke geloof
bijna altijd ervaring de vooronderstelling is
– ervaring van de ongrijpbaarheid
van God en van het bestaan.
Als we stellen dat de moeite met God
en met het bestaan niet tot het besluit hoeft te leiden
om afscheid van God te nemen,
dan volstaat het dus niet om aannemelijk te maken
dat God zich bekend kan maken
en dat God en mens elkaar ontmoeten kunnen.
Dat hetgeen door het verstand begrepen werd
als ‘tot de mogelijkheden behorend’
ook feitelijk gebeurt,
dat kan het verstand niet aantonen,
maar alleen de ervaring,
overigens niet zonder de christelijke traditie.
De houding die daarvoor nodig is,
is niet meer de bereidwillige inspanning
van het verstand dat zoekt naar begrip
en niet bang is om daar moeite voor te doen.
Als men, nog zonder bevredigend resultaat,
het einde van de verstandelijke mogelijkheden bereikt,
‘laten we het dan kort houden:
dan kan alleen een sprong in het geheel andere aanbevolen worden’.
Die sprong, dat andere, de nu aanbevolen houding is:
capitulerend zich overgeven.
‘Men moet zich tegenover de onbegrijpelijkheid
die een antwoord belet in deze onbegrijpelijkheid laten vallen,
als was het de ware vervulling en zaligheid, en afzien van een antwoord’.
Zo’n houding klinkt simpel, bijna naïef:
geen vragen meer stellen, en zich overgeven aan God.
Het is echter niet het simplisme van de absolute naïviteit.
Het loslaten van vragen wordt pas aanbevolen
na het stellen en beantwoorden ervan.
Als dan blijkt dat Godsontmoeting
aannemelijk gemaakt kan worden
zonder bewezen te worden,
en als dan blijkt dat reflectie
de moeite van Godsontmoeting niet kan oplossen,
pas dan wordt het tijd voor de eenvoud van
‘een soort nieuwe naïviteit’.
…

