de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971 

 

Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa.
Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich,
terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait.
Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen.
En jongeren – maar zij niet alleen –
verliezen hun vertrouwen in de democratie.

Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis,
of zelfs een politieke of een identiteit of etnische.
Het is eerder een spirituele crisis.
En als je er met deze bril op naar kijkt,
zie je overal de tekenen ervan.

Zoals afgelopen zomer
toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken,
een nationale militaire opbouw aankondigde,
met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera.
Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd
door de algemene Noord-Europese angst
voor het expansionistische Rusland.
Kort daarna sprak ze een groep studenten
van de Universiteit van Aalborg toe
waar ze iedereen verraste door te zeggen:

‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben
die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’

Ze sprak over het onderscheidingsvermogen
dat nodig is om waarheid van onwaarheid
te onderscheiden in een wereld
waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn
en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist,
niet meer technologie.
Herinvoering van de dienstplicht is één ding,
maar mensen overtuigen om te vechten
en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders.
Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken.
Waarom zou Generatie Z vechten
voor een economisch systeem
dat niet in hun voordeel lijkt te werken,
hen geen uitzicht biedt
op een eigen huis of een vaste baan,
en weinig te bieden heeft
om tot heldendom te inspireren?
John Lennon stelde zich een wereld voor
met ‘niets om voor te doden of te sterven’.
Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven,
is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.

De oproep van Frederiksen
is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa.
Een ander is de opkomst
van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd.
Elites mogen dan neerkijken
op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen,
maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen
die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert
en die het verlies betreuren
van het culturele en breed christelijke kader
dat, in de herinnering van vorige generaties,
eeuwenlang het besturingssysteem
van het Nederlandse leven vormde.
Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig
en het gebrek aan iets om het te vervangen,
vormen een probleem.
Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme,
gericht op het vernietigen van het geloof,
maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.

Een andere is wat wel de Stille Opwekking wordt genoemd:
tekenen van hernieuwd kerkbezoek
onder (vooral) jonge mensen.
Oplevingen van religie vinden meestal plaats
wanneer een gemeenschap voelt
dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd.
In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels,
naar beschikbare bronnen
van wijsheid en geruststelling.
Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’,
maar het is veeleer een teken
van een verlangen
naar een spirituele betekenis,
naar iets heiligs,
iets dat niet voor geld te koop is
en een waarde heeft
die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.

Dus, terug naar verrassende oproep
tot spirituele vernieuwing
van Mette Frederiksen,
in haar eigen land.
Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa,
Nee, Frederiksen staat niet bekend
als een regelmatige kerkganger
en haar sociaaldemocratische partij
is de afgelopen decennia
stond over het algemeen
lauw tegenover religie.
Toch was ze eerlijk genoeg
om het probleem te erkennen.
Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden
dat de waarheid niet bestaat,
is het niet verwonderlijk
dat we het moeilijk vinden
om waarheid van onwaarheid te onderscheiden.
Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd
dat de belangrijkste stem
om naar te luisteren
onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ –
is het niet verwonderlijk
dat we geen idealen meer hebben
om ergens voor te leven of te sterven.
Jongeren gaan misschien de straat op
vanwege klimaatverandering of Palestina,
maar zijn ze bereid
hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs,
dat dat alles te boven gaat,
zelfs als het hun beschaving
al generaties lang in stand houdt?

Waarschijnlijk niet.
En er is geen reden om te denken
dat Denemarken anders is
dan welk ander Europees land dan ook.
Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland,
ook al zijn onze politici
niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen
in het signaleren van het probleem.

Dus waar is het antwoord te vinden?
Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:

Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken,
omdat die een natuurlijke gemeenschap
en een nationale basis biedt…
Als ik de Kerk was, zou ik nu denken:
hoe kunnen we zowel een spiritueel
als een fysiek raamwerk zijn
voor wat de Denen doormaken?

Maar daarin schuilt nu juist het probleem.
De Deense Kerk,
één van de lutherse kerken in Noord-Europa,
verkeert niet bepaald in een goede gezondheid:
70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk,
maar slechts 2,4 procent van hen
komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk
– wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers
in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.

Filosoof John Gray
is vernietigend over de gevangenschap
van de westerse kerken in de tijdgeest.
Hij beschouwt ze als
een weerspiegeling van de verwarring
van de tijdgeest
in plaats van een coherent alternatief te bieden…
dit soort christendom
is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’

Dat is misschien wel het probleem,
maar het is ook de kans.
Het christendom is de standaard spirituele traditie
van het Westen.
Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit.
Anderen komen en gaan,
maar dit geloof zit in onze aderen,
in ons landschap, onze kunst en ons geheugen.
Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen,
heeft het talloze mensen geïnspireerd
tot een leven van onbaatzuchtige toewijding.
Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk
verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk,
toen een nieuwe middeleeuwse,
gekerstende beschaving ontstond
uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen,
of tijdens de hervormingsbewegingen
van de zestiende en zeventiende eeuw,
of tijdens de missionaire bewegingen
van de negentiende eeuw.
Keer op keer is het een katalysator gebleken
voor wijsheid om de uitdagingen
van de crisis het hoofd te bieden,
voor individuele zelfopoffering,
culturele vernieuwing
en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling:
iets om voor te leven en te sterven.

En dat is nog steeds zo.
Je hoeft alleen maar terug te denken
aan de 21 Libische martelaren
– voornamelijk gewone Koptische christenen
uit een eenvoudig dorp
die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen
en die een gruwelijke dood verkozen
in plaats van hun geloof
in de liefde van Christus te verloochenen,
om te laten zien
hoe het christelijk geloof 
iets biedt niet om voor te doden,
maar wel om voor te sterven.

Ik twijfel er niet aan
dat het christendom dat opnieuw kan bieden.
Niet als een terugkeer
naar iets uit het verleden,
maar in een nieuwe vorm
die trouw blijft aan zijn wortels,
maar op een manier
die er nieuw uitziet;
misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.

Kunnen christenen,
zoals John Gray het verwoordde,
een coherent alternatief bieden
voor de verwarring van de tijdgeest
in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?

De toekomst,
niet alleen van het Europese christendom,
maar ook van Europa,
hangt er mogelijk van af.

 

Hoewel ik in één van mijn vorige webposts
een ander beeld schetste,
bestaat er nog steeds het algemene beeld
dat de mainstream kerken wankelen.
En dat is niet zonder reden:
Want door de vergrijzing
lopen ze het risico uit te sterven
in hun Westerse en Midden-Oosterse kernlanden.
Enquêtes bevestigen namelijk keer op keer
dat slechts een minderheid
van de mensen nog naar de kerk gaan.
En een noodkreet van de scheidend scriba van de PKN
zegt dat ook het predikantenkorps van de PKN vergrijsd.
Er is volgens sommigen zelfs een tekort aan predikanten;
Op dat tekort valt het een en ander af te dingen, trouwens.

Dan kun je je afvragen: so what?
Als er steeds minder mensen naar de kerk gaan
zijn er toch ook minder predikanten nodig?
Tegelijkertijd prediken veel opiniemakers
een seculiere ideologie met een zelfvertrouwen
dat neigt naar religieus fanatisme.
Anderen, onzeker over hun verankering,
voelen een resterende gehechtheid aan spiritualiteit,
terwijl ze wel sceptisch staan
tegenover het bestaan van God
en andere geloofsartikelen.

Hoe positief ik misschien ook sta
tegenover de gevoelde opleving van christendom
in de huidige tijd,
blijft er toch een stemmetje horen
dat weigert de slingers op te hangen
en dat zegt:

wat als…

ja, wat dan?

In de komende webposts wil ik me bezighouden
met die vraag:
als het christendom in ‘het Westen’
dan zijn langste tijd gehad heeft
wat blijft er dan over?

Want de wijsheid die de kerk aan haar volgelingen leert blijft,
en die is beschikbaar voor de bredere samenleving,
die intellectueel robuust is
ze inspireert een transformerende wereldwijde aanwezigheid.
Dat blijkt ook uit een groot en breed opgezet internationaal onderzoek,
en een rapport over de verontrustende gevolgen van secularisatie.

Maar uit verdediging van het christelijk geloof, de apologetiek,
die te vaak wordt gekleineerd door tegenstanders,
komt toch een vervagende profiel van het christendom in het heden naar voren,
hoewel er ook overtuigend wordt betoogd dat het historisch christendom van Europa
cruciaal blijft voor het voortbestaan van een humane cultuur.

1 Koningen 19,11-12

 

Voorbij het lawaai de alledaagse onrust klinkt een zacht, constant suizen.
Is dit het voorzichtige geluid van een stille opwekking?

‘Er kwamen vanochtend voor het eerst meer jonge mannen naar de kerk.’

‘Plotseling zitten onze kerkbanken vol met twintigers.’

‘Er komt een nieuw gezin op zondag. Hun tienerdochter sleept hen mee.’

Pardon? Dit zijn berichten die ik bijna niet kan geloven.

Want de afgelopen jaren werd de waarschuwing gehoord:
het westers christendom krimpt!
En de gesprekken die er dan over werden gevoerd
werden gekleurd met een ondertoon van verwarring en onzekerheid.
Het geluid werd zelfs zo sterk
dat we zelf er ook in begonnen te geloven.

En nu wijzen cijfers uit dat er sprake is van een voorzichtige groei van het kerkbezoek.

De cijfers van een recentelijk Brits onderzoek ondersteunen
– en later geflankeerd door Nederlands onderzoek
dat zelfs de landelijke media haalde –
de toename van kerkbetrokkenheid in de afgelopen jaren,
met name onder jonge mannen.
Het getuigt van een voorzichtig groeiende kerk,
de toegenomen positieve impact ervan in gemeenschappen
en spirituele openheid onder jongeren.
Dus ook in Nederland zie en hoor je van
hernieuwde en nieuwe belangstelling
voor het christelijk geloof.
Het schetst een beeld van een multi-etnische
en multi-generationele kerk die transformeert,
samen met een voortdurend veranderend cultureel landschap.
En dat het allemaal erg spannend.
Welke kant gaat het op en wat beklijft?

Het Britse rapport signaleert een algemene toename van mensen
die minstens één keer per maand naar de kerk gaan
en zichzelf christen noemen, van 8 naar 12 procent.
Het laat een radicale verschuiving zien
onder jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar,
allemaal binnen de Generatie Z,
die vaker aan deze definitie van kerkgangers
voldoen dan welke andere generatie dan ook,
met uitzondering van degenen boven de 65.
Een verdere omkering van de normen is
dat het onderzoek mannen vaker naar de kerk brengt dan vrouwen,
in de meeste leeftijdsgroepen,
maar vooral onder mensen onder de 35.
Cruciaal in het rapport is dat het hier niet gaat om
‘jonge mannen die lid worden terwijl jonge vrouwen vertrekken’,
maar om een gezamenlijke toename van kerkbezoek.

Het lijkt erop dat het christendom misschien wel cool wordt gevonden.

Generatie Z gelooft het vaakst in God en bidt regelmatig.
Iets minder dan twee derde zou het fijn vinden als een christelijke vriend voor hen bidt,
en 47 procent van de niet-kerkgaande Generatie Z
vindt het goed dat christenen met niet-christenen over hun geloof praten.
Dit duidt op een verschuiving van het toeschrijven
van groei aan de invloed van culturele commentatoren of mediapersoonlijkheden,
naar zelfverzekerde lokale christenen die hun geloof delen met vrienden.
Maar in plaats van te worden aangespoord door influencers en intellectuelen,
komt de grootste impact voort uit relaties en persoonlijke uitnodigingen.
Journalist Tijs van den Brink laat in het Nederlands Dagblad optekenen:
‘Bereid je als kerk voor op een toestroom van nieuwe gelovigen’
Hij is niet verbaasd dat steeds meer jongeren
belangstelling tonen voor het christelijk geloof.
In zijn programma’s ziet hij signalen van een kentering.
Jongeren die zich via sociale media
tot het geloof bekeren of daar openlijk over praten.
Hardstyle-dj Sefa voelt zich net zo thuis op het festival Defqon.1
als in de Gereformeerde Gemeente.
Hij is op zoek naar zijn plek
in de muziekwereld als jonge gelovige.
‘Zondagsrust is het mooiste wat er is.’ zegt ie.

Deze opmerkelijke openheid voor religie en ervaringsgerichte spiritualiteit
onder Generatie Z is echter niet niet langer een anekdotische curiositeit;
dit is echte, gedocumenteerde groei die wordt getoond
in een opkomende spirituele generatie,
ontvangen door een culturele sfeer die steeds meer openstaat voor geloof.

Naar de kerk gaan is goed voor je.
In een tijdperk van zelfhulpfenomenen positioneert de kerk zich
als tegengif tegen een gefragmenteerd sociaal leven en psychische crises.
Kerkgangers van alle leeftijden zijn vaker gelukkig,
hebben meer hoop voor de toekomst en geloven
dat hun leven zinvol is dan niet-kerkgangers,
en zeggen minder vaak dat ze zich angstig of depressief voelen.
Cruciaal is dat deze bevindingen ook gelden voor jonge kerkgangers,
wat een extra reden is voor hun kerkbezoek. Simpelweg: het maakt ze gelukkiger.

Het is dé oplossing voor een generatie – met name jonge mannen –
die het digitale omringd is, maar sociaal geïsoleerd.
Kerkbezoek leidt tot een betere verbinding
met mensen in de bredere gemeenschap,
waarbij bijna twee derde van de 18- tot 34-jarigen
zich verbonden voelt met mensen in hun buurt,
vergeleken met slechts een kwart
van hun niet-kerkbezoekende leeftijdsgenoten.
Als we specifiek kijken naar jonge mannen in de kerk,
loopt dit percentage op tot 68 procent,
wat kerken een ongelooflijke kans biedt
om de eenzaamheidsepidemie te doorbreken.

‘Het verschil is verbluffend’, tekent het rapport op.
‘Het schetst een beeld van jongvolwassenen
die een diep gevoel van zingeving en levenstevredenheid
hebben gevonden door regelmatig naar de kerk te gaan,
die zich verbonden voelen met hun gemeenschap
en – in de gegevens die we hebben verzameld over hun sociale activiteiten –
ook graag iets terugdoen voor hun lokale gemeenschap.
Dit is niet het beeld
dat we doorgaans van jongvolwassenen in de media zien,
maar het is wel een krachtig beeld.

Naar de kerk gaan is niet alleen goed voor jezelf,
maar ook voor je gemeenschap.
De diepste bemoediging schuilt misschien wel in de blik
die het biedt op een christendom
dat geloof in actie uitstraalt.
Het onderzoek laat een beeld zien van kerkgangers
die niet alleen bezorgd zijn om hun eigen welzijn,
maar ook het leven van anderen willen verbeteren
– 78 procent van alle kerkgangers
is het erover eens dat het belangrijk is
om een verschil te maken in de wereld.

Vooral de jongere generaties van de kerken
die verlangen naar sociale verandering,
hebben vertrouwen en investeren in het bewerkstelligen
van positieve verandering,
en voelen zich verantwoordelijk
om bij te dragen aan hun gemeenschap.
Daden zoals regelmatig doneren aan een goed doel,
een lokale voedselbank steunen
en deelnemen aan activiteiten
ter verbetering van het milieu
worden gezien
als de gevolgen van christelijk geloof in actie.
Het geeft de gevolgen aan van kerkgang
door een diepe belichaming van Gods liefde
en het doorgeven van deze liefde aan anderen.

‘Dit zijn de indicatoren of je een ware gelovige bent of niet’, wordt eraan toegevoegd,
waarbij bemoediging uit bevindingen worden gedeeld.
Het gaat er niet om of je naar de kerk gaat of de liederen zingt.
Jezus legt uit hoe je kunt weten of je in het Koninkrijk bent of niet:
Ik had honger en jullie gaven me te eten,
ik had dorst en jullie gaven me te drinken.

Nu we de cijfers hebben, blijven er vragen over.
Hoe kunnen we reageren?
Waar leidt dit toe?
Zijn we getuige van de dood van het traditionele christendom? En dus?
Zeggen dat de bevindingen de kerk hebben verrast,
is misschien een understatement.
We leven in tijden van politieke onrust.
Religie en zo’n beetje alles wordt als wapen gebruikt.
De armoedekloof neemt toe, en niet alleen in materiële armoede.

De realiteit is dat we allemaal een rol te spelen hebben.
Het rapport is inclusief in zijn aanpak en aanbevelingen.
De eerste oproep is om de omvang en impact van kerkgangers
meer te erkennen,
iets wat kan worden overgenomen door sociale influencers en besluitvormers.
Er zijn ook aanbevelingen die meer gericht op mensen binnen de kerk:
om discipelschap en Bijbelonderwijs prioriteit te geven,
er moet nadruk gelegd worden
op het opbouwen van interpersoonlijke relaties.

Laten we echter dit mooie nieuws
ook met een korreltje zout nemen;
nuchter blijven
en niet meteen té euforisch worden.
Want de populariteit van het christendom
is de afgelopen tweeduizend jaar
vaker toegenomen én ook weer afgenomen.
Er zijn altijd tijden geweest dat het de snoepje van de maand – of van de eeuw – was,
zoals toen het zo’n 300 jaar na Jezus de officiële religie
van het Romeinse Rijk begon te worden.

Maar populariteit brengt ook gevaren met zich mee.
Wanneer de aantrekkelijkheid
van het christendom bekoeld is,
heeft het de neiging zijn ziel te verliezen,
zijn radicale aard verwaterd
zeker door de mensen
die zich tot het kruis trokken
als een soort modeaccessoire.
Op sommige momenten is het geslonken
tot een paar dappere zielen die de neergang trotseerden,
zoals de elf angstige discipelen
die in Jeruzalem bijeenkwamen na de executie van Jezus.
Of tot een groepje stoere, ruige christenen
dat maar blééf bidden tijdens jaren van vervolging
en vaak hun geloof met hun leven moesten bekopen.

Ook zijn de waarheidsaanspraken
van het christendom vaak niet populair.
Maar voor ons christenen
blijft ons geloof waar,
of mensen het nu geloven of niet.
Dus het feit dat er nu meer mensen geloven
dan een paar jaar geleden,
maakt het christelijk geloof
niet meer of minder waar.

Eerlijk gezegd heb ik die voorspellingen
over de ondergang van de kerk
toch nooit al te serieus genomen.
Daarom ben ik ook niet iemand
die meteen de slingers ophangt
als de voorspellingen
voor het christendom nu positief uitpakken.

Ik denk dat zij die geloven in Jezus,
een beetje sceptisch moeten zijn
over onderzoeken en statistieken.
Getalsmatige projecties en kansberekening
zijn nuttig om maatschappelijke trends te ontdekken,
maar ze hebben weinig invloed op waarheidsvragen.
Statistische analyses van wat er doorgaans met overledenen gebeurt,
zouden de opstanding immers nooit hebben kunnen voorspellen.

De aantrekkingskracht van het christelijk geloof
is juist dat het niet gebaseerd is
op hoeveel mensen erin geloven.
Het draait om een gebeurtenis
waarbij het eeuwige tijdelijk werd,
waarbij God de menselijke geschiedenis binnentrad
in de gedaante van een rabbi uit Galilea.
Het overstijgt daarom tijd en ruimte,
opiniepeilingen en enquêtes.
Het geeft een vertrouwen
dat niet geworteld is
in de wisselende stemming van de publieke opinie,
die het ene moment op
en het andere moment weer neer gaat,
maar juist iets blijvends, permanents en betrouwbaars.

Wees dus blij, als je dat wilt,
met het vooruitzicht op een komende,
hernieuwde golf van geloof.
Maar laat je niet misleiden door te denken dat dit iets bewijst.
Zoals Jezus ooit zei:
‘Verheug je er niet over dat de geesten zich aan je onderwerpen,
maar verheug je dat je namen in de hemel geschreven staan.’ (Lucas 10: 20)

En toch….
Voorbij het lawaai van twijfel en onzekerheid over het christendom
resoneert een zacht, laag en constant gezoem.
Het eist niets; het deelt.
Het overstemt anderen niet; het luistert.
Het houdt niets achter; het nodigt uit.
Het waardeert daden boven woorden.
Is dit het geluid van een stille opwekking?

 

Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.
Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?
Johannes 6,66-67

De deur dichtslaan doen mensen die niet meer geloven, niet meer hopen.
Die gooien de deur dicht en gaan op z’n best naar het Museumplein of naar het Malieveld.
De vanzelfsprekende van het doorgeven van het geloof is,
zeker in een geseculariseerde maatschappij zoals de onze, verleden tijd.
Het geloof wordt, onder invloed van de verlichting,
tegenwoordig vooral gezien als een geheel van opvattingen
die sterk betwistbaar en bijzonder onwaarschijnlijk zijn,
in elk geval inferieur aan de wetenschap.
Tegelijk neemt de afkalving van religieuze praktijken
en van een hecht christelijk gemeenschapsleven dramatische proporties aan.
De moderne apologetiek
lijkt aan deze situatie niet echt iets te kunnen veranderen.
Integendeel, zij lijkt zelf onderdeel van de negatieve context en ontwikkeling.
Zij lijkt in elk geval, samen met het geloof, maatschappelijk irrelevant te worden.
Maar dat is paradoxaal genoeg ook het geval met het atheïsme,
dat eveneens in ongenade is gevallen.
We zijn collectief als het ware ‘voorbij geloof en ongeloof’:
ook al is vooral geloven helemaal not done.
Moeten gelovigen in deze situatie dan niet radicaal om gekeerde beweging maken
en terug (hun) geloof als vertrouwvolle manier van leven omarmen en verdiepen?
Eens startte de gemeente start klein. Werd zelfs vervolgd. Maar Jezus wint het tot in Rome.
Wat is dan de kracht?
Juist in deze tijd van Jezus’ schijnbare afwezigheid valt het op als iemand tot geloof komt.
Of op een andere manier wordt iemand onverwacht geraakt door Jezus.
Het gebeurt. Wat is dat een onvoorstelbare kracht. Dat komt echt uit het niets.
Efeze 1 vergelijkt het met de kracht van de opstanding van Jezus.
Je staat stomverbaasd te kijken. Jezus geeft het. God is er, Hij is betrouwbaar.

Wat dat betreft is deze tijd juist echt een heel hoopvolle tijd.
Je hebt in onze snelle cultuur een tegenbeweging van slow: bijvoorbeeld slowfood
In plaats van de snelle hap neem je de tijd voor je maaltijd.
Zo doet Jezus vandaag ook. Slow-believe;
dat leert Jezus ons.
Kijk in het detail van je leven. Merk jij dat Jezus er is?
In een situatie dat je zoveel ellende meemaakt,
merk je op: mensen staan echt om me heen. Ik word niet losgelaten.
Dan vergroot misschien ook de mogelijkheid van een eigentijdse reflectie.
Je wordt niet losgelaten

Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.

Blue Sakura

Hoewel zingeving volop in de aandacht staat,
kloosterweekenden maanden van tevoren vol zitten,
er yoga in elke sportschool wordt aangeboden
en in boekwinkels de rekken vol staan met tal van spirituele zelfhulpboeken, sluiten kerkgebouwen massaal de deuren.
Ze worden afgebroken of verbouwd met een andere bestemming.
Loop door mijn thuisstad Zwolle en je vindt er tal van prachtige kerkgebouwen met een andere bestemming. Sommige zijn omgebouwd tot appartementencomplex, boekhandel of sushirestaurant.

Een sushirestaurant in een kerk is zeven dagen per week open.
De meeste kerken als godshuis zijn enkel op zondagochtend toegankelijk, in een voor buitenstaanders vaak onverstaanbare dienst. Ook daarom staat de ‘traditionele geloofsbeleving’ waarbij mensen regelmatig kerkdiensten bezoeken onder druk. En dan hebben we het nog geen eens over de huidige ‘tijd van corona’. Dit wil overigens niet per se zeggen dat mensen niet zoeken naar oorsprong, zin en doel van dit bestaan. God is niet dood, maar de zoektocht naar God kent veelkleurige uitingsvormen. In de samenleving groeit een nieuwe generatie op die onbevangen en nieuwsgierig de kerk tegemoet treedt.
Aan deze behoefte wordt echter amper tegemoetgekomen.

Daarom zoeken veel kerken als gemeenschap en met hun gebouw naar nieuwe wegen. Er wordt veel gepraat en nog harder gerend om allerlei nieuwe activiteiten van de grond te trekken, zonder te zien waar de ware schat ligt – in de gemeenschap, in het gebouw dat behoort tot de orde van het niet-efficiënte, niet-nuttige en niet-economische domein.
Het kerkgebouw contrasteert daardoor met deze tijd; het is heilig.
Moeten we dus massaal de vaak inefficiënte kerkgebouwen maar van de hand doen? Dat vraag ik mij wel af. Want het is misschien niet meer het ritme van de tijd van alles zo efficiënt mogelijk, maar het zijn fysieke plekken die mensen dwingen stil te staan bij de zin van het leven. Denk aan de overweldigende natuur, een museum of een treincoupé die dwingen tot stilte en reflectie. Het zijn anti-plaatsen in verhouding tot hun context. Plekken die hun betekenis aan dat anders-zijn ontlenen. Waar de dynamiek van de weerbarstige, gebroken realiteit kan samenvallen met de hoop dat het anders zou kunnen zijn.

Dit is de schat die ook het kerkgebouw herbergt. Geheel passend bij het DNA van de kerk om ‘wel in, maar niet niet van’ deze wereld te zijn. Zo blijkt bijvoorbeeld dat een bezoek aan de Dominicanenkerk in Zwolle voor 70 procent van de bezoekers rust oplevert; 52 procent van de bezoekers die zelf niet gelovig zijn, ervaren er verwondering. Het openstellen van je kerkgebouw kan een heilzaam antwoord zijn op de zoektocht van velen naar rust en ontstijging van het lelijke aardse.
De hemel raakt er even de aarde.

Nee, je vindt er geen sushi, maar voedsel voor de ziel.

In deze periode beleggen veel kerken hun Startzondag:
de aftrap van een nieuwe kerkelijk seizoen
waar veel activiteiten op het kerkelijk erf weer opnieuw beginnen.
Maar de eerlijk gebied te vragen ‘Wat starten we eigenlijk?’
Startzondag, dat is een woord uit een andere tijd, zo lijkt het wel. In de anderhalvemetersamenleving kan zo veel niet. De atmosfeer is nu anders. De wereldwijde coronacrisis heeft diepe sporen getrokken in onze samenleving. Het kerkelijk leven is op veel plaatsen ontwricht en het is de vraag hoe gemeenten uit de crisis tevoorschijn komen. We zitten immers helemaal niet in de cyclus van een jaarlijkse carrousel die we weer aan de gang proberen te krijgen.
De coronacrisis versterkt daarmee het gevoel dat een gure, winterse kou veel kerken in haar greep heeft. We somberen met elkaar over lege kerkbanken, afnemende interesse in de Bijbel en het geloof dat verdwijnt naar de rand van de samenleving. Volgens sommige berichten versnelt de coronacrisis de neergang van de kerk. Men stelt dat de kerk qua ontvolking nu jaren eerder komt dan geprognosticeerd is voor een situatie van over een paar jaar. We zitten midden in een vreemde tijd, waarin we afvragen wie uit de gemeente waar zit, hoe mensen erbij zitten en met wie we amper nog contact krijgen. Een periode waarin je lange adem nodig hebt, wijsheid, gezamenlijke reflectie en gebed. Misschien ook iets van besef dat het in onze eigen recente kerkgeschiedenis het zonder precedent is dat de gemeente zo lang niet samen heeft kunnen komen.
Ik merk in contacten met collega’s hoeveel er onder de oppervlakte speelt. De teleurstelling over wat ons ontvalt, de verzwakking die je om je heen ziet gebeuren, de geestelijke dynamiek van de liturgie en de prediking die zo verandert. Soms ook de mensen die de gemeente in de steek laten, door hun afwezigheid of hun onbereikbaarheid. Ook je eigen dorheid of onbestemdheid van binnen. En je bezorgde intuïtie hoe je er in deze omstandigheden eind oktober aan toe moet zijn. Ondertussen moet je flexibel zijn, mediageniek en vol nieuwe ideeën over kerkzijn.

Vanuit verschillende kanten worden aanbevelingen aangereikt.
Bijvoorbeeld ‘Heb aandacht voor de sociale en spirituele functie van de kerk’ of ‘Neem ruimte om te bouwen vanuit de kern’.

Ten aanzien van het eerste legde ik in mijn vorige blog al de vinger op één punt dat mijns inziens best belangrijk is: namelijk dat er is eigenlijk heel weinig behoefte aan prediking want gemeenteleden willen vooral ontmoeting en sociaal contact. Uit een onderzoekje bleek namelijk als antwoord op de vraag naar wat mensen missen in het kerkzijn,
preken behoorlijk laag te scoren. Ook werd ergens onlangs gesteld dat gemeenteleden eerder het gezellig samenzijn missen dan de gezamenlijke viering van het Heilig Avondmaal. 

Ondanks dat ik dat herken en ik geloof dat het van belang is om daar heel aandachtig naar te kijken en ons op te bezinnen, speelt bij mij van binnen vooral sterk de gedachte op dat dat eigenlijk heel zorgwekkend is. Als ik het even ruwweg vertaal, doe ik dat zo: de kern van kerk zijn (dat het evangelie van Jezus Christus en zijn koninkrijk van Geest en liefde er klinkt en mensenlevens aanraakt en transformeert) is vervangen door verlangen naar sociaal contact.
Nee, met sociale aandacht is niets mis. Maar die vinden we ook in het buurthuis en op de sportvereniging en de muziekband waarin we spelen.
Als dan de kern van het kerkzijn verwordt tot een verlangen naar sociaal contact dan zie ik een tekort aan aandacht voor en ervaring met het werk van de Heilige Geest. Een spiritueel tekort gaat in wezen dus over iets wat nogal ernstig is: geen of te weinig ruimte voor de Geest die waait waar en wanneer hij wil; geen of te weinig aandacht voor het eigen werk van de heilige Geest die troost, vernieuwt, wijsheid schenkt, profetisch leert spreken en geneest; geen of te weinig focus op de gaven van de Geest en de vrucht van de Geest; geen of te weinig aandacht voor gebed en biddend leven, kortom voor spiritualiteit als leven in de Geest van Jezus.

Juist omdat ik het zo herken in het kerkelijke leven dat ‘gelovigen ontmoeting broodnodig hebben’, juist omdat ik zie hoezeer de kerk kan verworden tot een sociaal netwerk dat aan elkaar hangt van barbecues en andere ontmoetingen zonder veel inhoud, juist omdat het me raakt hoe groot de machteloosheid lijkt te zijn om in kleine groepen geloofsgesprekken te voeren, juist omdat ik merk dat de Woordverkondiging naar de marge van het kerkzijn wordt gedrongen door al die andere dingen die moeten gebeuren in kerkdiensten, juist omdat ik zoveel biddeloosheid lijkt het me dat gelovigen Jezus juist broodnodig hebben.

Ondanks al deze somberingen moet ik denk aan dat clubje van 12 doodsbange mannen op dat zolderkamertje meer dan twee duizend jaar geleden. Hun leider was dood, alle beloftes en voorspellingen waren in hun ogen niet uitgekomen en ze zagen alleen een boze wereld om hun heen die op z’n zachtst gezegd niet op hen zat te wachten. We weten wat er gebeurd is sinds die tijd. En meermalen is de kerk al doodverklaard en het christelijk geloof ten grave gedragen. Ik geloof dat de Geest nog steeds nieuwe kieren vindt om mensen te inspireren en te stimuleren om Gods vrederijk dichterbij te brengen en op een of andere manier proberen het Evangelie uit te dragen.