“Hoe kan ik God ontmoeten, in concrete daden van
liturgie, gebed of in het dagelijks leven?”,
Dat is een vraag, of beter een klacht van veel mensen,
die soms leidt tot twijfel aan Gods bestaan.
Zo helder en eenvoudig soms de geloofsbelijdenis en de liturgie spreken over God,
zo onhelder en moeizaam is soms onze ervaring van God.
Het christelijke geloof voorkomt deze ervaring niet, en bevrijdt ons er ook niet van.
Geloof maakt het juist specifieker en scherper.
Hoe komt de God die in geloofsbelijdenis
zo helder omschreven en zo goed gekend lijkt, echt voor mij ten leven?
Hoe worden de woorden en de uiterlijkheden van de liturgie
en van mijn gebed – ‘Onze Vader’, Avondmaal, enzovoorts –
tot bemiddelaars van werkelijke Godsontmoeting?
Of deze uitspraken in de precieze zin van het woord
vragen zijn, is niet zo zeker.
Mocht er een rationeel antwoord op te geven zijn,
dan blijkt namelijk dat dit niet afdoende is.
Dit soort uitspraken lijkt daarom eerder de rationele verwoording
van wat ten diepste innerlijke ervaring is.
Zoals de vraag van een doodzieke mens ‘waarom geeft God dit mij?’
meer een klacht dan een vraag is,
of zoals de psalmist meer klaagt dan vraagt
‘waarom hebt Gij onze omheining verwoest?’ (Psalm 80).
Dit zijn uitspraken, gesteld in de vraagvorm,
die een ervaring uitdrukken:
zo gemakkelijk als het is om de geloofsbelijdenis op te zeggen
en een gebed of liturgie te ‘doen’,
zo moeizaam is liturgie vieren
en God beleven met heel ons hart en wezen.
‘En toch…’.
Wat is de moeite tussen het gebed en het geloven?
Wat voor moeite is het eigenlijk?
Hoe verhouden zich moeite en Gods nabijheid?
Hoe moeten we de ervaring van moeite hanteren?
‘En toch’.
Want dat er vragen zijn, en blijven, sluit geloven niet uit;
eerder past het bij geloven.
en dat moeite ervaren wordt, en ervaren blijft worden,
sluit de nabijheid van God niet uit;
eerder past het daarbij.
Het verstandigste om te doen is:
je overgeven en volhouden.
…

