Waar staat ‘de wereld’ als het gaat om het uitleggen van wat zíj gelooft?
‘Zijn we seculier, christelijk of heidens?’,
werd bijvoorbeeld na een analyse van de Olympische Spelen in Parijs gevraagd.
Staat één manier van denken over onszelf
op het punt te worden overschaduwd?
Wat is dan secularisme?
De filosoof Charles Taylor
maakt onderscheid tussen drie soorten secularisme.
Eén daarvan houdt in dat de religieuze aanwezigheid
in het openbare leven wordt weggevaagd.
De output van veel omroepen weerspiegelt deze tendens.
Ten tweede kan secularisme ook worden gezien
in een afname van persoonlijke religieuze praktijken,
vaak gelijktijdig met een terugtrekking
uit de gemeenschap naar het individualisme.
Taylors derde vorm van secularisme
berust op de teloorgang van kerken en andere geloofsgemeenschappen
als bronnen van normen die persoonlijk gedrag bepalen.
Dat christenen last hebben van alle drie de vormen is duidelijk genoeg.
Zij zouden ook hun deel van de schuld op zich moeten nemen.
De kerk heeft duidelijk soms desillusie of scepsis gevoed.
Maar alternatieve visies zouden ook kritisch bekeken moeten worden.
‘Type één’ secularisme komt erop neer
dat mensen van geloof wordt verteld
dat ze vrij zijn om te geloven en te praktiseren
als ze dat willen,
maar dat hun overtuigingen volledig transcendent moeten zijn
en helemaal niet immanent.
Met andere woorden, religie is acceptabel
als een excentrieke privéhobby
omdat zowel type één als type twee secularisme inhoudt
dat gemeenschappen van spirituele overtuiging
in deze betuttelende termen worden gezien.
Wat betreft de vraag hoe secularisme
het uitgeholde publieke plein vult:
tegenstanders van ‘publieke’ religie hebben weinig aansluiting
bij Taylors derde categorie.
Dit betekent dat hun standpunt
zowel zelf-tegenstrijdig als in wezen negatief kan lijken.
Zeggen ‘niemand mag beweren dat zijn opvattingen normatief zijn’
is op zichzelf een normatieve uitspraak doen.
Bij nadere beschouwing lijken de zaken dus nog duisterder.
Hoewel het zichzelf presenteert als een gunstig negatief groot verhaal,
bevindt seculier rationalisme
zich in een ongemakkelijke en onopgeloste relatie met postmodernisme,
waarvan exponenten gevaarlijk
en/of vervelend ‘alternatieve’ feiten of ‘mijn waarheid’ (Donald Trump) beweert.
Als zelfs een atheïstische vaandeldrager als Friedrich Nietzsche
al voorspelde dat de dood van God nihilisme en totalitarisme zou voortbrengen,
dan is de westerse samenleving wellicht in veel groter gevaar
dan algemeen wordt aangenomen.
Misschien – zoals rabbijn Jonathan Sacks waarschuwde –
zou zo’n ‘spirituele klimaatverandering’
op één lijn moeten worden gesteld met de milieucrisis.
Het is dan ook geen wonder dat
deze ‘punten’ van het christendom
vanwege de sociale zegeningen
die het met zich meebrengt
regelmatig worden onderschreven
door zowel de niet-gelovigen als de gelovigen.
…


Het heeft er mede toe bijgedragen dat calvinistische leefstijlen verder zijn verwaterd.’ meldde het Nederlands Dagblad vanochtend. (Aanvullende berichtgeving van het CBS meldde dat het kerkbezoek onder protestanten eigenlijk nauwelijks afneemt, dat in tegenstelling tot rooms-katholieken en bezoekers van de moskee.)
Ik ben ervan overtuigd dat het christendom in het Westen nog steeds een zeggingskracht heeft voor de hele maatschappij, dat uitdagend kan zijn, prikkelend, dat aantrekkingskracht heeft, maar bovenal maatschappijkritisch dient te zijn. Dat is ook wat ik heb proberen duidelijk te maken in mijn post over Calvijn en het calvinisme. Ik denk dat we ons niet hoeven neer te leggen bij de geest van de tijd. Misschien worden we marginaal, maar dat betekent niet dat we ons niet hoeven te onderscheiden. Laten we eerlijk zijn, het christendom is zo ook begonnen, als een kleine splintergroepering die door wat zij deed verbazing, soms zelfs afkeuring oogstte. En ja, wanneer dan de traditionele kerken moeten worden hervormd, misschien opnieuw uitgevonden, het zij zo. Wat 0p de eerste plaats moet staan is dat de kerk, de christenen, een zoutend zout moeten zijn dat reinigt, misschien zelfs soms bijt, maar een boodschap heeft die uniek is! En dat is meer dan een soort algemeen spiritueel gevoel.
Wat is het geval: de vrijgemaakte Gereformeerde Kerk heeft een beperkt aantal Opwekkingsliederen vrijgegeven voor de gemeentezang. Omkleedt met allerlei argumenten is een zeer beperkt aantal van circa 70 liederen vrijgegeven. Wat me meestal behoorlijk irriteert in dit soort discussies, en nu wil ik het breder trekken dan deze actie in de vrijgemaakte kerk, is het vermeende onfeilbare gezag wat dit soort oekazes ademt. ‘Laten we oppassen want de liederen zijn niet in balans’ en open deuren als ‘wat zich heeft bewezen, beklijfd’. Zoals ik al schreef, deze houding is niet alleen maar toebehouden blijft aan de vrijgemaakte kerk. Ook in onze kerk kunnen ze er wat van. Menig musicus voelt zich mijlenver verheven boven de ‘te makkelijke deuntjes’ en de ‘eenzijdige’ visie van de Evangelische Liedbundel & Co. Ik denk dat iedere voorganger met mij uit ‘ervaring’ (oei, bijna een fout woord) kan zeggen dat hij of zij de zich meestal in de liederenkeuze beperkt tot het zingen van een aantal coupletten van een psalm of gezang die dan ook behoorlijk ‘eenzijdig’ kunnen zijn. En over het andere argument: wat zich heeft bewezen, beklijfd: hoe vaak maak ik niet mee dat liederen die in de ene gemeente uit volle borst worden meegezongen, in een andere gemeente niet herkend worden. Raakt een orde van dienst daardoor meteen uit balans? Ik vraag het me af!