Zelfreflectie en -kritiek zijn de pijlers van het wetenschappelijke denken.
Je kunt duizenden boeken lezen, honderden gesprekken voeren,
en tientallen ideeën hebben,
als je geen inzicht hebt in je eigen vooringenomenheden,
loyaliteiten, belangen en invloed van je eigen culturele context,
dan zul je geen academisch niveau bereiken.
In die zin past het universitaire denken onverwacht goed
bij de christelijke boodschap van zonde, schuld en gebrokenheid:
Verwacht niet teveel van jezelf, weet dat je gedachten en je weten incompleet zijn,
de zonde die in je woont zoekt vooral zichzelf.
De Bijbel en de wetenschap zeggen hetzelfde: wantrouw jezelf!
In de kerk leren we daarom ons vertrouwen te stellen op God in Jezus Christus.
De wetenschap pakt dit probleem aan
door terug te vallen op zelfonderzoek, bronnenstudie en zelfkritiek.
In de theologie kunnen beide werelden elkaar versterken.

De theologie is een van de oudste takken van wetenschappelijk onderzoek,
veel universiteiten begonnen als theologische faculteiten.
De wetenschap heeft de theologie veel gebracht,
ook, of misschien wel juist, omdat sommige wetenschappelijke inzichten
leken te botsen met oude opvattingen van de kerk,
en ons dwongen tot nieuwe geloofsdoordenkingen en -gesprekken.
Helaas staat deze academische opleiding onder druk.
Het aantal studenten neemt af,
veel predikanten worstelen met hun beroep.

En vanuit de hbo-wereld kloppen hbo-theologen aan de deur.
Professionals die al langere tijd
niet de erkenning krijgen van de kerken die ze verdienen.
De synode van de Protestantse Kerk in Nederland
probeert een oplossing te vinden
maar moet daarbij rekening houden
met veel verschillende belangen en meningen.

En zo is de academische cirkel al snel rond,
want ook professionals in de kerk hebben belangen.
Er worden brieven verstuurd
door academisch gevormde predikanten en studenten theologie.
HBO-theologen en opleiders roeren zich.
Onze mening blijkt telkens toch wel erg dicht
tegen ons eigen belang en ego aan te schurken.
De alarmbellen van de wetenschappelijke methode
en de gereformeerde zondekennis
zouden eensgezind samen moeten luiden.

Een uitbreiding van het mandaat voor hbo-theologen
kan negatieve consequenties hebben voor de universitaire opleiding
en de toekomst van de theologie.
Het is terecht dat academici daar op wijzen.
Tegelijk is het nog maar de vraag of een monopolie
van academici op het predikantschap de kerk dient.
Gaan academisch geschoolde predikant beter om
met geestelijke vragen en de conflicten in een gemeente?
Kunnen zij complexe exegetische onderwerpen beter verwoorden
in een taal die de gemeente begrijpt?
Hebben zij een betere klik met jongeren?
Dat is geen vraag die zichzelf beantwoord,
daar zou wetenschappelijk onderzoek naar gedaan moeten worden.
Maar sommige academisch-geschoolde theologen
geven sterk de indruk dat ze het antwoord al op voorhand weten.
Dat is geen goede wetenschappelijke houding.

De kerk heeft het moeilijk, al tientallen jaren.
Het lijkt alsof het toenemende belang van de universitaire opleiding
in de kerken parallel loopt met het dalende aantal leden.
Is hier sprake van relatie of correlatie?
Ook dat zou onderzocht moeten worden.
De kerk is niet gediend bij een belangenstrijd.
Tegelijk is het noodzakelijk dat de toekomst van de theologie
en de kunde van de predikant hoog gehouden wordt.

De kerk kan veel leren van het bedrijfsleven,
waar men, met veel succes,
niet zo radicaal vasthoudt aan opleidingen en diploma’s.
We moeten oppassen dat het grote deel
academisch geschoolde theologen in beslissende kerkelijke organen
niet tot een “wij van wc-eend adviseren wc-eend” situatie zorgt.
Sommige theologen vergelijken zichzelf graag met artsen en piloten,
maar het werk dat ze doen lijkt misschien wel meer
op die van leraren en vooral managers.
Andersom lijkt het wel alsof men in de kerk denkt
dat je met je master theologie dan ook direct alles kan.
Geen leek mag op de plaats van de theoloog gaan zitten,
maar theologen vinden we op alle posities in de kerk.
Dat is toch vreemd.
Geestelijk leiderschap groeit in de praktijk,
en is ook vaak een kwestie van karakter en talent.
De kerk heeft een diversiteit aan voorgangers nodig.
Als de theologische universiteit niet in staat is
kritischer op zichzelf te reflecteren
zijn we het academisch denkniveau in feite al kwijt.
De hand kan niet zeggen tegen de voet dat die niet nodig is.

 

Als een preek bedoeld is om Gods Woord te brengen,
dan betekent dat dus dat
in een preek in de eerste plaats de Bijbel uitgelegd moet worden.
Tegenwoordig wordt die stap nogal eens overgeslagen.
Het lijkt wel alsof de gekozen Bijbeltekst vaak alleen nog dient
als een kapstok om de preek aan op te hangen.
Het is niet meer de voedingsbodem waar de preek uit opkomt.
Sommigen zeggen ook ronduit dat de exegese, de uitleg van de tekst,
in de studeerkamer moet gebeuren
en dat je daar de kerkganger niet mee moet lastig vallen.

Maar ik ben het daar echt niet mee eens.
Hoe kun je de gemeente Bijbelkennis bijbrengen,
als je ze niet voordoet hoe je de Bijbel moet lezen en interpreteren?
Hoe kun je preken met gezag, als je niet duidelijk maakt
hoe je argumentatie precies in de Bijbel geworteld is?
Wil de luisteraar je woorden als gezaghebbend aanvaarden,
dan moet je hem in de gelegenheid stellen je na te rekenen.
Dat kan alleen als je de luisteraar
de belangrijkste stappen van je exegese laat meebeleven.

Verder leer je volgens mij het meest van een preek als je laat zien
hoe het gekozen Schriftgedeelte past in het geheel van de Schrift
en in het geheel van de geloofsleer.
Leren doe je door wat je nog niet weet te verbinden met wat je al wel weet.
Dat geldt ook voor de geloofsleer en Bijbelkennis.
Om een voorbeeld te noemen,
hoe kun je preken over de menselijke verantwoordelijkheid
zonder expliciet het verband te leggen met leer over uitverkiezing en voorzienigheid?
Misschien dat veel predikanten ervan uitgaan
dat doorgewinterde christenen die verbanden zelf wel leggen.
Maar ik vrees dat de meeste kerkgangers
inmiddels zo weinig kennis hebben dat hun dat niet meer lukt.

Vervolgens een waardevolle drieslag uit de Heidelbergse Catechismus:
ellende, verlossing en dankbaarheid.
Dat wil zeggen dat elke preek moet vertellen hoe zondig we zijn,
hoe we gered worden
en hoe we als bekeerde christenen moeten leven.
Veel mensen willen alleen nog maar het laatste horen.
De eerste twee delen vinden ze gepasseerde stations.
We zijn immers al gered? Dus daar hoeven we het niet meer over te hebben.
Dat is alleen maar deprimerend.
Nú moeten we horen hoe we voortaan als christen moeten leven.
En het liefst op een manier die ons helpt om enthousiaste christenen te worden
die vol vreugde in het leven staan.

Het probleem is alleen dat het zo nu eenmaal niet werkt.
Ook als bekeerde christenen hebben we elke dag weer vergeving nodig.
Preken die ons alleen maar aansporen om als goede christenen te leven,
ervaren we daarom zo maar als een zware last die ons wordt opgelegd
en die we nauwelijks kunnen dragen.
Er worden ons normen voorgehouden waar we niet aan kunnen voldoen.
In plaats van te bemoedigen, ontmoedigen zulke preken juist.

Soms wordt er voor gekozen om de normen maar af te zwakken.
Maar dat lijkt me niet de goede oplossing.
De enige manier om te voorkomen dat een preek ontmoedigt in plaats van bemoedigt,
is het evenwicht bewaren tussen de drie elementen ellende, verlossing en dankbaarheid.
We moeten voldoen aan Gods normen. Maar we kunnen het niet.
Dat wordt ons vergeven.
En we worden vernieuwd, zodat we toch meer willen
en ook gaan voldoen aan Gods normen dan we anders zouden doen.
Dat complete verhaal moet in elke preek terugkomen.
Alleen dan wordt je als gelovige echt bemoedigd
en gesterkt om als christen te leven.
Omdat alleen dit complete verhaal in een christelijk leven ontspanning brengt
en het bewaart voor overspanning.

Wordt vervolgd…

 

Wie wil er nou een baan die een zware wissel trekt op je gezin?
Met onchristelijke werktijden en hoge stressniveaus.
Wie wil er nou een baan waarbij iedereen een mening over je heeft?
Waar de morele fouten uit je werk- of privéleven
in de media kunnen worden uitvergroot.
Wie wil er een baan die wantrouwen oproept
onder een groot deel van de Nederlandse bevolking?
Een baan die in het verleden enig gezag met zich meedroeg,
maar tegenwoordig vooral een lege huls lijkt geworden.
Ik merk dat om mij heen veel – vooral jongere – dominees afhaken.
Ze geven er soms na een korte tijd de brui aan.
Vaak hebben ze een nieuwe uitdaging gevonden:
directeur van een christelijke stichting, docent of noem het maar op.
Veel jonge collega’s verwachten
dat hun predikantschap een beperkte houdbaarheidsdatum heeft.
Hun toekomst ligt bij maatschappelijke organisaties,
het kerkelijke bestuursapparaat, de academie
of een niet-ambtelijke carrière in het bedrijfsleven.
Deze veranderingen worden vaak toegejuicht. ‘Wat mooi dat je je hart volgt!’

En natuurlijk, er kan sprake zijn van een nieuwe roeping die op je pad komt.
Maar voor het predikantentekort is deze uitstroom slecht nieuws,
en soms lijkt een carrière switch een makkelijke uitweg uit de sleur van het ambt.
Aan de andere kant heeft ‘de kerk’ ook een gave om predikanten
die soms door omstandigheden tijdelijk geen vaste gemeente hebben
het extreem lastig te maken om gemotiveerd te blijven.
Ook kunnen gemeenteleden zich als een wolf gaan gedragen
en willen ze de herder verslinden.
Je voelt de last van de onmogelijke verwachtingen van gemeenteleden,
bijvoorbeeld dat de dominee ‘de jeugd weer in de kerk brengt.’
Gemeenteleden willen dat de dominee in elke eredienst
aandacht besteedt aan de dertigers en de jongeren en de ouderen.
De conclusie kan dan zijn dat als ik mijn roeping wil volgen,
de gemeente misschien niet de plek is waar je die roeping kan ontwikkelen.
In een enquête die gehouden werd 50 procent (!)
van de ondervraagde voorgangers aan
te hebben overwogen om te stoppen met het predikantschap.

Maar de kerk heeft echter baat bij honkvastheid.
Predikanten die volhouden, niet voor even, maar – ondanks alles – voor het leven.
Die het ‘gewone’ werk doen: preken, bezoeken,
bouwen aan gemeenschappen van Christus.

Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.

Ten tijde van de coronacrisis wordt de kerk en de dominee als voorganger geconfronteerd met het feit
dat veel kerken en predikanten jarenlang als de grote roze olifant
in de kamer hebben proberen te vermijden.
En dat is het feit dat er in de samenleving de laatste vijftig jaar
een verschuiving heeft plaatsgevonden van woord- naar beeldcultuur.
Juist doordat kerkdiensten noodgedwongen door de coronamaatregelen mensen in de oude zin van het woord niet bij elkaar konden komen
werd deze verschuiving heel zichtbaar.
Massaal werd er een begin gemaakt om ‘kerkdiensten’
in geluid én beeld uit te zenden via de media.
Gevolg was dat voorgangers zich iets eigen moesten maken
waarvoor ze eigenlijk nooit goed opgeleid zijn.
Voorgangers moesten ineens rekening houden met een camera
die hen het wereldwijde web opslingeren.
Kon je in de voor-coronatijd nog proberen de kerk en de diensten
in de kerk als een soort tegencultuur
tegenover de heersende beeldcultuur neer te zetten,
nu ben je zelf onderdeel geworden van die beeldcultuur.
De cultuur van sound-bites en kort-en-bondigzijn
is bijna een vereiste geworden voor de prediking.
Niet meer ellenlang uitweiden of allerlei bij en omwegen bewandelen, maar binnen een korte tijd tot de kern komen is het devies.
Nu ik dit schrijf lijkt het een open deur, maar veel voorgangers
– waaronder ikzelf –
maken ons aan bovenstaande zaken nogal eens schuldig.
Wat ik merk is dat het voorbereiden van preken mij meer tijd kost:
‘tuurlijk weet ik waar de preek over moet gaan,
maar de vraag waar ik meer aan tijd besteed is ‘hoe zeg ik het’.
Drie dingen die ik meer toepas zijn:
1) ik heb het in de preek meer over mijzelf.
Ik merk dat mensen op zoek naar herkenning.
Gelukkig heb een goed voorbeeld namelijk de apostel Paulus:
‘Toen ik in uw stad rondliep’(Hnd 17,23) tot ‘Volg mij na’ (Fil. 3,17).
2) Nog meer dan ik al deed probeer ik een beeld te vinden
uit het dagelijks leven, waarin men zich kan herkennen.
3) de ‘hoevraag’ wordt belangrijk. Ik deed dat sowieso tijdens mijn preken, maar ik merk dat dat de vraag
‘hoe krijgt deze boodschap handen en voeten in mijn leven?’.
De bewuste beantwoording van deze vraag
maakt dat de verkondiging eerder en beter bij mensen landt.

Overall zou je kunnen zeggen het de kunst is om te weten
wat je wil zeggen en dat vervolgens met kracht en eenvoud te doen. Nogmaals moet ik opmerken dat dit open deuren lijken,
maar dat deze vaardigheid de meeste voorgangers niet is aangeleerd
en die zeker in de beeldcultuur waarin we ons nu moeten bewegen
zich moeten aanleren.

Toen ik vanochtend mijn krant opensloeg, maakte mijn hart een vreugdesprong. Ik las: ‘herdersopleiding zit al vol’. Voor mijn geestesoog zag ik beelden van volle collegezalen gevuld met studenten die het ambt van predikant ambiëren. In plaats het krimpen van de opleiding tot predikant zouden – wat de Protestantse Theologische Universiteit betreft –  de oude opleidingsplaatsen van Utrecht, Leiden en vooral 😉 Kampen de deuren weer openen om de toestroom op te kunnen vangen. Helaas werd mij, toen ik verder las,  gewaar dat het niet ging om de opleiding tot predikant maar om een opleiding tot schaapherder in Velp. Als je het aantal inschrijvingen bekijkt zal er dus van die ‘grote, stille heide’ waar het kinderliedje over zingt binnenkort niet veel meer over zijn.  Althans voor deze leerlingen dan… schaapskuddeMijn collega’s en ik dwalen wel verder onverdroten en enthousiast voort op een steeds stiller wordende heide, zo lijkt het vaak. Helemaal aan het eind van het artikeltje stond nog de toevoeging dat schaapherders ‘ook aan de slag kunnen als terreinbeheerder’. Hmm, dat is misschien juist ook waar mijn collega’s en ik onze taak moeten zoeken: als terreinbeheerder. Immers, in de stad, de wijk of het dorp waar we predikant zijn is er buiten de eigen plaatselijke kerkelijke gemeente nog heel wat terrein te beheren, terug te winnen, te ontginnen… Op zoek naar verdwaalde, verweesde schaapjes. Het liedje op de grote, stille heide gaat verder: ‘Op de grote stille heide, rust het al bij maneschijn. Als de schaapjes en de bloemen vredig ingesluimerd zijn’. Misschien moeten we ook die vredig ingesluimerde schaapjes wekken zodat de heide er minder eenzaam en stil uit komt te zien.

Daar moest ik laatst aan denken toen ik een aankondiging las van een conferentie met de titel ‘Geloven in preken’. Foie gras. U weet het wel: de in Nederland zeer omstreden manier om ganzen vet te mesten waarbij de dieren enkele malen per dag via een trechter mechanisch of pneumatisch gevoerd worden. Met deze wijze van dwangvoedering kan de lever abnormaal opzwellen. Ik dacht aan deze martelvoeding vanwege de vergelijking die Ciska Stark maakte toen zij het spits afbeet op bovenstaande conferentie. ‘Kerkgangers zijn een stel tamme ganzen. De kerkganger van nu is een tamme gans die iedere zondag naar de kerk waggelt, waar de tammeganzendominee preekt over het wildeganzenleven van vliegen en vrij zijn. Daar laaft de tamme gans zich aan zijn wezenlijke roeping.’ Het beeld ontleend zij aan de Dagboeknotities van de Deense theoloog en filosoof aan het eind van de negentiende eeuw, Søren Kierkegaard. vlucht ganzenDeze aftrap van mevrouw Stark zette me aan het denken. Wat zij prikkelend stelt zegt iets over de kerkganger, die zich als tamme gans het gemakkelijke voedsel, het laaghangende fruit, laat welgevallen en zichzelf daarmee in slaap sust en niet bedacht is op de naderende Kerst wat voor hun een wisse dood betekent. Maar het zegt ook iets over de dominee, die zijn publiek met liedjes-van-verlangen tevreden houdt en niet laat opschrikken. ‘Want het hart van dit volk is vet geworden en zij hebben met de oren slecht gehoord, en hun ogen hebben zij dichtgedaan, opdat zij niet op enig moment met de ogen zouden zien en met de oren horen en met het hart begrijpen, en zij zich zouden bekeren en Ik hen zou genezen’ citeert Paulus de Heilige Geest in Handelingen. Foie gras, maar dat geldt niet alleen voor de luisteraars, maar zoals gezegd evenzeer voor de predikers. Scherpe kanten van het evangelie, de struikelblokken worden graag vermeden, kool en geit moeten worden gespaard, spiegels omgedraaid, mensen naar de mond gepraat.

‘Moet een kerkdienst de vorm krijgen als afwisselende mix van liederen en teksten, gebed en getuigenis waar de preek slechts terloops een rol in speelt? Met de dominee in de rol van verteller die de verschillende ‘stukjes’ aan elkaar praat?’ vraagt Stark zich vervolgens elders af. Want alle deskundigen stellen dat de concentratie van een hoorder gemiddeld zeven tot acht minuten is. Gelukkig beëindigd Stark haar betoog met ‘prediker en hoorders geloven niet in de prediking, maar in een God die spreekt. (…) Volgens Stark zit het in de aard van het gesproken woord zelf: het is een ‘levend’ woord, een “viva vox” (levende stem) of zoals men vandaag zou zeggen: het is live. In tegenstelling tot hetgeen je leest of op papier of op een scherm ziet, is een gesproken woord iets vluchtigs in tijd en ruimte, het is niet gefixeerd en dus principieel open voor betekenis. De preek is niet de preek op papier of hetgeen je achteraf kunt navertellen: Het woord gebeurt op het moment zelf en dat is Bijbels: het Woord geschiedt.’

Ik geloof in de kracht van de Geest, een God die spreekt die van dode beenderen weer levende mensen kan maken, die toegestopte oren kan openen, dichtgeslibte aders kan openen en die mensen weer in de ruimte kan zetten van de vrijheid van het geloof en mensen weer een stem kan geven om de Bijbel met al haar hoekige, scherpe en vaak aanstootgevende kanten te verkondigen!

… deur die naar stilte openstaat.
Muren van huid, ramen als ogen,
speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt
als wij er binnengaan
om recht voor God te staan.

Zo zingt Tussentijds het in lied nummer 10.
Over dit huis en een belangrijk persoon binnen de kerk, de predikant, wordt veel nagedacht.
Theologenbeweging Dominee 2.0 komt met betrekking tot de dominee met een opmerkelijk voorstel:
in plaats van de huidige aanstelling van een predikant ‘voor het leven’ pleit zij er voor een predikant aan te stellen op basis van contracten met de duur van 7 jaar. Zo, zegt men, voorkom je dat een predikant tot zijn emeritaat aan een gemeente verbonden blijft zonder dat de gemeente de mogelijkheid heeft zich van desbetreffende dominee te ‘ontdoen’. Aan het eind van zo’n periode vindt er dan een evaluatie plaats, een ‘functioneringsgesprek’, een gesprek over gedane werkzaamheden en behaald resultaat, waarin het optreden van de predikant wordt bekeken en gekeken wordt of men voor een komende periode nog wel met elkaar door wil gaan. De ‘domineesmarkt’, zo is het idee, moet meer bij de tijd worden gebracht, in lijn met de buitenkerkelijke arbeidsverhoudingen. Een bijkomend voordeel, zo meent men, is dat is dat er meer omloopsnelheid komt onder dominees, en dat men bepaalde ‘specialisten’, want deze constructie verplicht predikanten om zich interessant voor gemeentes te (blijven) maken, op tijdelijke basis kan ‘inhuren’. In eerste instantie lijkt dit een sympathiek voorstel waar misschien ook beginnende predikanten garen bij spinnen. Echter, er zijn zeker een aantal vragen bij te stellen. Laat ik er een paar stellen: creëer je door tijdelijke contracten niet de hijgerigheid die er juist buiten de kerk heerst. Waar buiten de kerk juist veel kritiek begint te klinken over ‘flexwerkers’ zou dit concept binnen de kerk moeten worden geïntroduceerd voor predikanten. Het lijkt mij een idee wat nog eens goed en kritisch doordacht moet worden. Niet dat een predikant niet kritisch moet kijken naar eigen functioneren en daar zeker ook op aangesproken mag worden, maar kan een predikant een gemeente nog op een kritische wijze de gemeente een spiegel voorhouden; een spiegel die niet altijd even gewenst is. Of moet de predikant met in zijn achterhoofd komende afloop van het contract zich gaan beperken tot het lijmen en pamperen van zijn gemeente. En een tweede vraag zou kunnen zijn: hoe kan een predikant zich specialiseren als je kijkt naar de overvolle agenda van veel dominees. Specialiseren kreeg je niet vanuit de opleiding mee, je moest juist van alles een beetje weten; en nu moet men zich gaan specialiseren om zo mogelijk interessant te blijven voor de markt. Daarenboven, heeft men nagedacht over de oudere predikant (en dat begint al na je 45ste), in het huidige kader niet meer interessant voor veel gemeentes die altijd maar inzetten op de noodzaak van het trekken en/of vasthouden van de jeugd en jonge gezinnen; iets wat in hun ogen een ‘oudere’ predikant echt niet meer kan. Of moet een predikant zich vooral toeleggen op de oudere kerkganger, maar wel oog houden voor de hele breedte van de gemeenschap. Zijn er überhaupt gemeentes die enkel en alleen een ‘specialist’ vragen, is het niet veeleer een alleskunner die ze willen hebben? Het zijn zomaar een aantal misschien voor de hand liggende vragen die zeker ook de revue mogen passeren. Is de kerk ‘zomaar een dak boven wat hoofden’ waar de buitenkerkelijke normen en regels gelden, of een gemeenschap die op een andere manier met elkaar om wil gaan?

‘Zomaar een dak boven wat hoofden’. Dit brengt mij bij het punt waar het gaat over de kerk. Over een concept genaamd ‘De Nieuwe Bijbelschool’, een platform waar vragen van nu worden betrokken op een opnieuw leren lezen van de Bijbel als sparring-partner voor mensen ‘van buiten de kerk’, die op verschillende plekken in het land ontstaat. In deze Bijbelklasjes ontmoeten niet-kerkelijken elkaar en lezen en bestuderen onder begeleiding van een theoloog de Bijbel. De ervaring leert dat nogal wat mensen geïnteresseerd zijn in de verhalen van de Bijbel. een opblaasbare kerkZe doen kennis van de Bijbel op en komen in aanraking met geloof. (ik zie een analogie met Alpha- en soortgelijke andere cursussen Maar de mensen kunnen niks met het taalgebruik in een reguliere eredienst, ze passen qua sociale context niet tussen de kerkgangers of ze willen vooral hun eigen beginnende geloofsgemeenschap behouden. Want haast automatisch nodigt de Bijbel uit om je leven te delen met anderen. Waar dat gebeurt, ontstaan vormen van gemeenschap.

Deze beweging, maar ook het nadenken over de predikant, roept vragen op over wat kerk-zijn is. Wanneer ben je kerk? Een LEVEND lichaam? Dienen deze gemeenschappen te worden ingepast in bestaande kerkelijke structuren en verbanden? Hoe gaan wij om met de dominee, wat moet zijn taak zijn en in wat voor vorm is betrokken bij een gemeenschap?

Zijn de ramen, om met lied 10 uit Tussentijds te spreken, geopend om de Pinkstergeest te laten waarheen hij wil of houden we ramen liever potdicht om het vuur door gebrek aan zuurstof langzaam uit te laten gaan?
Me dunkt, het zijn waardevolle initiatieven die en mogelijke weg kunnen wijzen naar Kerk 2.0.

Wordt vervolgd zou ik zeggen…

Al rondstruinend op het wereldwijde web kreeg ik een post onder ogen met de titel Het manifest. Het blijkt een soort  ‘open brief’  te zijn aan de synode van de Protestantse Kerk in Nederland. Dit manifest is opgesteld door een aantal jonge theologen dat net afgestudeerd is aan de PThU (de universiteit die onder meer opleidt  tot predikant binnen de PKN) en graag dominee wil worden. Zij constateren dat de leeftijdscategorie 20-35 jaar zich niet aangesproken weet door de prediking. Een kerk die vaak de antwoorden geeft op vragen die niet meer worden gesteld en dus geen mensen meer de kerk in trekt . Schertsend wordt deze jonge generatie predikanten dan ook verstaan gegeven dat zij het licht maar uit moeten doen, omdat de kerk alleen nog maar een ‘uitvaartcentrum’ is waar niets meer bij komt, alleen maar af gaat.

Maar daar past deze generatie voor. Zij is opgegroeid met dezelfde vragen en zoektocht waarmee hun generatiegenoten zijn groot geworden. En  zij menen dat zij deze mensen nog wel het een en ander te vertellen heeft en dat goed voor het voetlicht kan brengen.

Zij voelt zich echter gedwarsboomd door een universitair instituut dat predikanten opleidt die 20 jaar geleden keurig op hun plaats zouden zijn. En ook het kerkelijk instituut  ontbeert  een heldere boodschap, straalt geen identiteit uit. Helaas zien zij voornamelijk schroom en valse bescheidenheid  ten aanzien van het spreken over God en wat geloof persoonlijk voor de mensen betekent, Dit als reactie op het al te dwingend spreken van de kerk. De nieuwe generatie predikanten spreekt de hoop uit dat zij mogelijkheden krijgt binnen de heersende kerkelijke cultuur nieuwe wegen in te slaan om mensen weer enthousiast te krijgen Ze verlangen hiervoor coaching van mensen die niet bang zijn voor verandering (ook van kerk en ambt).

‘Where your talent and the needs of the world cross, there lies your vocation’ stond boven het manifest. Vrij vertaald betekent het dat je roeping daar ligt waar jouw talent en de nood van de wereld elkaar kruizen. Deze theologen zijn oprecht op zoek naar een ‘doorstart’ [reveil?]) van de kerk waar die de aansluiting bij de mensen van deze  lijkt te zijn verloren. Ze willen gaan vissen, maar missen het juiste net, de goede hengel. Natuurlijk, er zit heel wat overenthousiasme bij dat misschien bijgesteld moet worden, dat onderkennen ze zelf ook, maar ze willen hun talent vruchtbaar maken in deze wereld. Dat vind ik een groot goed.

Zondag aanstaande zal ik de tekst bepreken uit Marcus 6,6b-13. Daar zend Jezus zijn discipelen uit en zegt hun bijna niets mee te nemen. Dit doet hij mijns inziens om juist de noodzaak van het verbinden, in contact en gesprek treden met mensen duidelijk te maken. Er wordt niets gezegd over bepaalde vaststaande vormen van prediking en kerk zijn. Verbind je met mensen in hun wereld en met hun gebruiken, dat is het adagium.

´Go fish´ zo heet het blog waar het manifest op verschenen is. ´Ga, wees vissers van mensen´ zegt Jezus. Kom in beweging en wees een manifest, een zichtbaar,  christen in deze wereld

Het is volgens mij al weer enige tijd geleden dat het programma Taxi op tv was. Taxichauffeur Maarten Spanjer ontlokte gedurende vele afleveringen aan heel wat  passagiers prachtige anekdotes en er ontsponnen zich heel wat gesprekken. Een van de meest beroemde afleveringen was die waarin Rijk de Gooijer zijn net gewonnen Gouden Kalf onder de rit zo het raam uitkieperde. Maar niet alleen in hilarische scenes grossierde het programma, ook vonden er bij tijd en wijle hele serieuze en bijna intieme gesprekken plaats.

Aan dit programma moest ik denken toen ik laatst in het plaatselijke huis-aan-huisblaadje De  Peperbus een artikeltje las met de titel Zwolse taxi als biechtplaats. Nelleke Simons, theatermaakster van beroep die haar inkomen probeert aan te vullen met een baan als taxichauffeur verteld in dat artikel dat ze regelmatig wordt vergast op bijzondere, grappige of ontroerende verhalen van haar klanten. ‘Een taxi is voor mij niemandsland’ zo verteld zij ‘Het is een land waar iedereen en niemand eigenaar van is’.

Je zou het ook zo kunnen zeggen als de kop van het artikeltje ‘taxi als biechtplaats’. De apostel Paulus werkte in Bijbelse tijden als tentenmaker om zo de kost te verdienen en te kunnen functioneren als verkondiger van het evangelie van Jezus Christus. Je zou kunnen zeggen hij maakte mobile homes voor mensen die van de ene naar de andere plaats gingen. In een taxi gaan de mensen ook van de ene naar de andere plaats. De taxi en de tent, beiden hebben ze iets tijdelijks, iets voorlopigs. Uitnodigend tot een gesprek.

Taxichauffeur en predikant zou dat een goede combi zijn…