Zeker, het kapitalisme waardeert vrijheid. Toch was het altijd afhankelijk van gevestigde morele codes, en met name die van het christendom, om goed gedrag aan te moedigen door middel van het voorbeeld. Net zoals kapitalisme niet kan overleven zonder vertrouwen en eerlijkheid, zo kan individuele vrijheid niet voortbestaan zonder een geïnternaliseerde morele orde.
De huidige westerse samenleving is steeds meer geobsedeerd is geraakt door het individu, omdat instellingen als het gezin, de kerk, de natie en vakbonden zwakker zijn geworden. Deze vermindering van sociaal kapitaal heeft de armen onevenredig veel schade toegebracht.’
Nee, de kerk is geen triomfantelijke illustratie van hoe het eruitziet als sociale en culturele uitdagingen worden opgelost. In plaats daarvan is het een illustratie van hoe het is als mensen zich wenden tot de grote vragen waarmee we keer op keer worden geconfronteerd in berouw en vertrouwen, en proberen een leven te leiden waarin we niet voortdurend met elkaar in oorlog zijn, individueel en collectief, en op zoek zijn naar wat we kunnen herkennen als iets dat ons in staat stelt om zij aan zij te floreren onder de God wiens bezorgde liefde voor ons allemaal is.
Mieren zijn er in het land van de Bijbel en in ons eigen land. We zien ze vooral in de zomer. Het zijn kleine beestjes, die vol ijverig bezig zijn om voedsel naar hun nest te brengen. We kunnen ons er over verbazen dat de mieren zo sterk zijn. In verhouding tot hun eigen gewicht kunnen ze zware dingen verplaatsen. Al zien we nog geen mier, dan nog kunnen we aan de kleine korrels grond tussen de tegels en stenen hun aanwezigheid opmerken. Wie een mier over zijn arm voelt kruipen, weet dat dit irriteert.
Mieren, ze horen er voor ons besef bij, zonder dat ze veel bijdragen aan ons menselijk leven. De Bijbel wil ons brengen tot verwondering ook over dit insect, de Schepper van dit beestje en zijn boodschap. We kijken dus met aandacht naar de mier. De Spreukendichter stuurt ons op weg naar de mier. We hoeven dan geen verre reis te maken. Ze zijn achter ons huis te vinden. Als we dan een mier, meestal meerdere mieren, gevonden hebben roept de tekst ons om met aandacht te gaan kijken naar dit beestje. Goed bekeken is dit kleine beestje al een wonder op zichzelf. Het kopje, het lijfje en de pootjes. Wie dit beestje onder een microscoop legt verbaast zich nog meer. Hoe mooi, hoe kunstig. Vakmanschap, door God geschapen. Deze beestjes zijn vol ijver bezig. Niet eentje zit er stil. Ze zijn constant in beweging. We spreken wel over een bezige bij, maar dat geldt evengoed een mier. In de zomerperiode zorgen ze voor voldoende voedsel voor de winterperiode. De ijver van de mieren brengt me bij de ijver van Jezus. Van Hem lezen we, dat Hij altijd leeft om te bidden voor hen, die door Hem tot God gaan. Hij is altijd bezig met dat grote werk. Wat een bemoediging.
Behalve dat we opgeroepen worden om te letten op de mieren, spreekt de tekst ook van wijs worden. We begrijpen wel wat hij bedoelt. De les van de mier is, dat we onze luiheid achter ons laten en ijverig zijn in de taak, die we van God ontvangen hebben. Zo gebruikt God het beeld van de mier. Hij geeft ons onderwijs door dit diertje. Bij het overdenken van deze tekst vinden we nog een wijze les bij de mieren. Een les, die we hard nodig hebben in onze tijd. Mieren leven niet afzonderlijk, maar in een groep, in een volk. Juist het samenleven maakt, dat een mier kan bestaan en voort bestaan. De eendracht van dit volk maakt hen sterk. Wie op de plaats van een mier let, te midden van het mierenvolk, die merkt dat elke mier een eigen plaats en taak heeft in de kolonie. Hoe groot is de onderlinge samenwerking! Alle mieren functioneren zo, dat ze de opbouw en het voortbestaan van de groep dienen en daardoor hun eigen welzijn. Niet het eigen belang, maar het gemeenschappelijk belang staat voorop. Zonder gedoe.