Ik las het laatst en ik schrok me rot: als we zo doorgaan, brengen we de komende tien jaar ongeveer anderhalf jaar van ons wakkere leven door op onze telefoon. Anderhalf jaar. Scrollend. Tikkend. Swipend.
En dan heb ik het niet eens over Generatie Z, die gemiddeld zes uur per dag op dat ding zit. Zes uur. Dat is geen bijzaak meer. Dat is een levensstijl. Dat is liturgie.
We lachen erom. “Ja, ik zit wel veel op m’n telefoon.” Maar intussen pakken we ’m op zonder dat we het doorhebben. Bij elk piepje. Bij elke stilte. Bij elke seconde verveling. “Ik probeer te leven – maar ik raak afgeleid” las ik laatst. Dat is geen onschuldig zinnetje. Dat is een diagnose.
En precies daarom komt de veertigdagentijd als geroepen.
We begonnen met Vastenavond, ‘Shrove Tuesday’ – pannenkoeken stapelen, alles opmaken wat op moet.
En dan: Aswoensdag. Stof ben je. Zes weken oefenen in minder. Minder eten. Minder luxe. Minder ruis. Niet om zielig te doen, maar om wakker te worden.
Wat als we dit jaar eens zouden vasten van onze telefoon?
Ja, ik weet het. Werk. Appjes. Agenda. Maar wees eerlijk: hoeveel daarvan is echt nodig? En hoeveel is gewoon gewoonte? We hebben onszelf getraind in afleiding. Elke dag herhalen we hetzelfde ritueel: pakken, kijken, scrollen. Ons hart volgt onze handen. En onze handen grijpen steeds naar glas en licht.
We zeggen dat we verbonden zijn. Maar wat voor verbinding is dit? We worden gebombardeerd met meningen, rampen, perfecte lichamen en perfecte levens. En ondertussen missen we de mensen die letterlijk tegenover ons zitten. “Sociaal” is het allang niet meer. Het is lawaai.
Misschien is het tijd voor iets radicaals. Iets ouds. Iets analoogs.
Een gewoon horloge. Een echt boek. Een notitieboekje in plaats van meteen googelen. Een wandeling zonder podcast. Ongemakkelijk? Absoluut. Inefficiënt? Zeker. Maar dat is nou juist het punt.
Want het analoge leven gaat over drie dingen die we aan het kwijtraken zijn: gemeenschap, creativiteit en rust.
Gemeenschap: niet duizenden volgers, maar één mens aan je keukentafel. Iemand aankijken zonder dat je scherm ertussen zit.
Creativiteit: niet alleen consumeren, maar maken. Iets met je handen doen. Naaien. Tekenen. Schrijven. Koken. We zeggen dat we “geen tijd” hebben. Onzin. We hebben tijd zat. We geven ’m alleen weg.
En dan rust. Echte rust. Niet “even Netflixen om bij te komen”. Maar stoppen. Een sabbat. Een dag zonder moeten. Zonder presteren. Zonder scrollen. Gewoon zijn. Verveling toelaten. Want juist in die leegte gebeurt er iets. Daar geneest je verbeelding. Daar hoor je weer wat er in je leeft. Daar kan God eindelijk tussenkomen zonder dat Hij moet concurreren met je notificaties.
Dit is geen pleidooi om technologie te links te laten liggen. Het is een oproep tot bekering. Ja, dat woord. Omkeren. Je tijd opnieuw ordenen. Je verlangens opnieuw richten.
Veertig dagen. Dat is alles wat ik vraag.
Niet om offline te vluchten uit de werkelijkheid, maar om terug te keren naar wat echt is.
Ik ben van nature altijd een optimist geweest. Dat zit gewoon in mij. Ik probeer het goede in mensen te zien. Ik ga er meestal van uit dat iemands intenties beter zijn dan ze er misschien op het eerste gezicht uitzien. En ik geloof diep vanbinnen dat er altijd weer een morgen komt. Dat problemen vaak minder groot blijken te zijn als je er eenmaal mee aan de slag gaat. Dat dingen kunnen veranderen.
Misschien is dat ook wel de reden dat ik me altijd zo thuis heb gevoeld bij Star Trek. Die serie ademt hoop. Het laat een toekomst zien waarin de mensheid haar grootste problemen achter zich heeft gelaten: oorlog, armoede, discriminatie. In plaats daarvan richt ze zich op iets hogers. Op samenwerking. Op ontdekken. Op leren. Op beter worden, samen, als mensheid, binnen die Verenigde Federatie van Planeten.
Maar als ik terugkijk op de afgelopen jaren, dan moet ik toegeven dat dat optimisme langzaam is weggesijpeld. Het voelde alsof het op allerlei niveaus achteruitging. Kijk alleen al naar het wereldnieuws. Oorlogen in Oekraïne, Israël en Gaza, Soedan, Jemen, een wispelturige, rancuneuze kleuter die zijn wil oplegt aan de wereld. De macht van de sterkste die lijkt te regeren. Dag na dag beelden van geweld en menselijk leed. Daarbovenop het constante nieuws over klimaatverandering: overstromingen, bosbranden, smeltende ijskappen, ecosystemen die instorten. Het is moeilijk om daar niet moedeloos van te worden.
En dan is er wat dichter bij huis gebeurt. De energiecrisis. De steeds hogere kosten van het dagelijks leven. Zorgen over de toekomst van de zorg, over speciaal onderwijs, over hoe we omgaan met vrouwenhaat en het groeiende geweld tegen vrouwen en meisjes. En dit is nog maar een greep uit de krantenkoppen.
Alsof dat nog niet genoeg is, komt daar ook nog bij: de invloed van giftige sociale media, de angst voor kunstmatige intelligentie die ons boven het hoofd groeit, de steeds fellere polarisatie in het publieke debat, en zelfs de serieuze kans op een nieuwe pandemie. Op een gegeven moment dacht ik: waar moet ik dit allemaal laten? Ja, hoe blijf je hoopvol in zo’n wereld?
Toen stuitte ik min of meer toevallig op een boek van Tom Ough: The Anti-Catastrophe League. De titel klinkt alsof het zo uit een Marvel-film komt, maar het boek gaat juist over heel concrete, aardse problemen. En over mensen die daar iets aan proberen te doen. Het lezen ervan zette iets in beweging. Het hielp me om voorbij de eerste laag van angst en doemdenken te kijken en te vragen: wat gebeurt hier nu echt?
Ough is journalist en werkte een tijd bij een filantropische organisatie die zich bezighoudt met de grootste risico’s voor de mensheid. In zijn boek neemt hij je mee langs allerlei mogelijke rampen. Van een asteroïde die de aarde raakt, tot een extreme zonnestorm die onze wereldwijde elektriciteitsnetten kan uitschakelen. Maar ook meer bekende zorgen komen voorbij: klimaatverandering, kunstmatige intelligentie en een toekomstige pandemie – die door de WHO zelfs alvast ‘Ziekte X’ wordt genoemd.
Wat het boek bijzonder maakt, is dat Ough niet blijft hangen in angst. Bij elk risico introduceert hij de mensen die ermee bezig zijn: wetenschappers, diplomaten, eigenzinnige denkers en stille doorzetters. Mensen die hun morele zorg niet alleen voelen, maar er ook naar handelen. Vaak tegen de stroom in, soms met grote persoonlijke offers.
Na al dat onderzoek komt Ough uit bij wat hij ‘existentiële hoop’ noemt. Hij ontkent de ernst van de problemen niet, maar hij weigert te geloven dat het einde onafwendbaar is. Zoals hij zelf schrijft: ‘Het einde is zelden zo dichtbij als wordt beweerd.’
Die zin bleef bij me hangen. Want hoe we de wereld zien, wordt enorm beïnvloed door de verhalen die we horen. En daarin spelen de media een grote rol. Nee, dat is geen nieuwe gedachte. Al jaren wordt kritisch gekeken naar hoe nieuws wordt gebracht: de constante focus op wat er mogelijk mis kan gaan, de speculatie, het drama.
Al in 2008 werd uitgelegd hoe de media omgaan met wat hij ‘complexe noodsituaties’ noemde. Er werd gewerkt met vaste clichés: de heldhaftige hulpverlener, het hulpeloze kind, het Westen als redder. Conflicten werden gepresenteerd alsof het sportwedstrijden waren, met duidelijke winnaars en verliezers.
En eerlijk gezegd: dat is nauwelijks veranderd. Vandaag de dag wordt alles ingedeeld in kampen. Links of rechts. Voor of tegen. Pro-Israël of pro-Palestina. Klimaatactivist of ontkenner. Voor of tegen AI-regulering. Het is altijd een nulsomspel: ik win alleen als jij verliest.
Juist daarom vond ik het boek Feitenkennis van Hans Rosling zo interessant. Deze Zweedse statisticus liet zien hoe vaak onze gevoelens botsen met de feiten.
Rosling toonde, met data aan, dat veel dingen wereldwijd juist beter gaan. Minder extreme armoede. Minder kindersterfte. Meer meisjes naar school. Meer vaccinaties. Het nieuws focust op uitzonderingen en rampen, maar dat zegt weinig over het grote geheel.
Dat zelfde geldt ook voor milieuverhalen. Door alles als een onafwendbare apocalyps te presenteren, raken mensen verlamd. Terwijl de werkelijkheid genuanceerder is. Problemen worden aangepakt. Er wordt vooruitgang geboekt. En er zijn echte, haalbare oplossingen.
Ja, klimaatverandering is ernstig, maar het betekent niet automatisch het einde van de mensheid. Zelfs in de zwaarste scenario’s blijft een groot deel van de aarde bewoonbaar. Het zou een tragedie zijn, zeker. Maar geen totale ondergang.
Ik pleit daarom voor een ander verhaal. Niet wij als de laatste generatie die alles kapotmaakt, maar misschien juist als de eerste generatie die echt een duurzame wereld bouwt. Dat vraagt geen naïef optimisme, maar hoop die gebaseerd is op feiten en mogelijkheden.
Wat me vooral raakt in dit hele verhaal, is hoe sterk het raakt aan theologie. Aan hoe we nadenken over het einde, over de mens, over hoop. Apocalyptische taal is overal. Maar in de christelijke traditie, zeker in het boek Openbaring, gaat het niet om een letterlijke voorspelling van vernietiging. Het is beeldtaal. Het gaat over hoop. Over volhouden. Over God die de geschiedenis niet loslaat.
Theoloog Jürgen Moltmann zei het treffend: christendom is hoop. Geen vlucht uit deze wereld, maar een kracht die het heden verandert.
Vanuit dat perspectief is het idee dat alles eindigt in totale vernietiging eigenlijk slechte theologie. En hetzelfde geldt voor een mensbeeld waarin de mens alleen maar wordt gezien als een fout in de schepping. Ja, we zijn gebroken. Maar we zijn ook geschapen naar Gods beeld. Gezegend vanaf het begin. In staat tot liefde, zorg en verantwoordelijkheid.
En precies daar, op dat snijvlak van realisme en hoop, heb ik mijn houvast weer teruggevonden. Geen blind optimisme. Maar een hoop die gevoed wordt door feiten, door geloof, en door het besef dat de toekomst nog openligt.
Of zoals Jean-Luc Picard in Star Trek het zegt: ‘het verleden ligt vast. Maar de toekomst? Die mogen we samen vormgeven. Met openheid. Met optimisme. En met een nieuwsgierige geest.’
De laatste tijd lijkt er enorm veel belangstelling te ontstaan voor de meeslepende Netflix-drama Adolescence. Zelfs zoveel dat er nu naar aanleiding van de problematiek die serie wil agenderen een lespakket wordt ontwikkelt. Zeker, Adolescence is een deels verzonnen verhaal maar het wil wel échte problematiek aan de kaak wil stellen. Het feit is dat het (mannelijke) brein enorm wordt beïnvloed door content, inhoud, die te vinden is op sociale media. Dat betekent dat mensen die extreem geweld zien op de sociale media die ook vaker bezigen in het échte leven.
Want hoe zit het met de rol van sociale media in deze verhalen? De perstonnages in Adolescence werden geradicaliseerd door de gewelddadige content die ze online hadden bekeken. Op sociale media doet extreme content het goed, vooral op sites zonder filters voor pornografie en geweld. Ze zaten opgesloten in een konijnenhol, een bubbel waar ze geen oog ben oor meer hadden voor andere zaken. En ook in het echte leven beginnen we langzamerhand te ontdekken dat contentalgoritmes niet neutraal zijn, maar ons juist opsluiten in echokamers die ons doelbewust vormen tot betere consumenten van content, reclame en objecten. Sociale media verzamelen onze data en verkopen die door, wat betekent dat ze ons als product cultiveren.
Toch verhullen deze manipulaties het diepste probleem. Sociale media depersonaliseren ons, verhinderen ons om een echte menselijke verbinding aan te gaan en verdraaien onze kijk op iedereen behalve onszelf. De Duitse filosoof Martin Buber maakte onderscheid tussen twee verschillende manieren waarop mensen in de wereld kunnen bestaan.
De ene was Ik-Het; een persoon behandelt iedereen en alles waarmee hij of zij in contact komt als een ‘Het’, iets om te gebruiken of uit te buiten.
De andere was Ik-Gij, waarbij mensen ieder ander mens benaderen als een uniek wezen, met middelen om het Ik aan te bieden, wat ervoor zorgt dat er een wederzijdse, open, actuele verbinding ontstaat. Voor Buber was de ultieme ‘Gij’ God, met wie mensen de diepste en meest transformerende verbinding kunnen hebben.
Sociale media zorgen ervoor dat we het leven in de ‘ik/het’-modus zien door oprecht contact met anderen te vermijden en een nep-bestaan te bieden die nooit open kunnen staan voor oprechte verbinding met anderen. Liefde en genegenheid worden gecommercialiseerd: likes, volgers, reacties. Onze presentatie van onszelf wordt extremer, perfecter, mooier, om nieuwe zaken op te blijven delven. Onze ogen en ons hart worden naar binnen gedwongen en we verliezen elk gevoel van een ‘Jij’ onderweg. We blijven gewoon het ik tegenkomen: onze eigen gedachten, behoeften, verlangens, zelfgeradicaliseerd door ons eigen brein dat op een eilandje blijft zitten.
Kerkvader Augustinus ontwikkelde in de vierde eeuw het idee van de ‘erfzonde’. Alle mensen zijn vatbaar voor vernietiging: het zit in ons DNA. Het bewijs voor zo’n idee is te vinden in elke menselijke ervaring, als degene die vernietigt en degene die vernietigd wordt. Zonder controle, zonder oprechte verbindingen met anderen om ons hart uit te dagen en te verruimen, graaft een ik/het-leven steeds dieper in deze destructieve impulsen totdat onze menselijkheid verdraaid wordt tot gewelddadige obsessies.
Het ik/het-leven richt zich volledig op zelfverheerlijking via alle mogelijke middelen, iets wat versterkt wordt door sociale media. Wat als we niet genoeg likes, volgers en reacties krijgen? Wat als we zelfverheerlijking niet kunnen bereiken via de meer banale media van aantrekkingskracht, aandacht en populariteit?
De personnages uit Adolescence zeiden dat ze berucht wilden worden en probeerden de meest extreme uitingsvorm voor hun geweld te vinden om ervoor te zorgen dat ze nooit vergeten zouden worden. Helaas ze zullen niet de laatsten zijn. De persoon in Adolescence blijft zijn misdaad ontkennen, maar in aflevering drie van Adolescence stelt hij dat hij het jonge meisje dat hij vermoordde, alles kon aandoen wat hij wilde. Dezelfde impulsen komen terug; andere als objecten om te gebruiken voor zelfbevrediging.
De goede bedoelingen voor menselijk contact, waar sommige van die vroege socialemediasites voor bedoeld waren, zijn grotendeels verloren gegaan. Maar de goede bedoeling kan blijven bestaan in ons eigen voornemen om een ik/gij-leven te leiden. Door sociale media naast ons neer te leggen en verbindingen met mensen in de echte wereld aan te gaan door de ander met nieuwsgierigheid en openheid te bekijken, zorgen we ervoor dat we ons hart voortdurend naar buiten richten, oprechte relaties omarmen en ruimte in ons hart vinden om aan de ander te denken vóór onszelf. Dit zijn de relaties die ons menselijker zullen maken.
Uiteindelijk had Buber gelijk dat de ultieme ‘jij’-verbinding die we kunnen maken, die met God is. Het christelijke verhaal zit vol met Gods verlangen om een relatie met de mensheid te zoeken, om ons in staat te stellen een verbinding met God te vinden die onze eigen menselijke ervaring overstijgt en ons transformeert tot mensen die langzaam groeien, weg van onze destructieve instincten.
Wat zou het christelijk geloof kunnen bijdragen aan het gesprek over de cultuur waarin jonge mannen opgroeien? Een ik/gij-leven leiden dat nieuwsgierig, open en op zoek is naar de meest ware goddelijke en menselijke verbinding. Zo’n leven zou zelfs degenen kunnen raken die geteisterd zijn door sociale media en genegeerd worden door andere ik/het-levens. Het zou hen zelfs kunnen inspireren tot mededogen en nieuwsgierigheid, waardoor ze verder kijken dan de inhoud die hen naar binnen keert, zich naar buiten keren en een gezondere toekomst vinden.
De zeventiende-eeuwse Franse wis- en natuurkundige, christelijk filosoof en theoloog Blaise Pascal schreef eens:
alle problemen van de mensheid komen voort uit het onvermogen van de mens om rustig alleen in een kamer te zitten.
En nu, vierhonderd jaar later, hebben we bewijs van hoe moeilijk we dit vinden.
Onderzoekers voerden een experiment uit waarbij ze meerdere mensen alleen in een kamer plaatsten met niets anders te doen dan daar vijftien minuten te zitten. De meerderheid gaf toe zich ongemakkelijk te gaan voelen als men zich met niets anders dan zijn gedachten bezighoudt. Het experiment werd herhaald, alleen werd er dit keer een instrument in de kamer geplaatst dat een onaangename elektrische schok kon toedienen. In de periode van vijftien minuten diende één op de vier vrouwen zíchzelf de schok toe om de verveling te verlichten. Twee op de drie mannen deden dat ook.
Er is een kans dat we de verkeerde conclusies trekken uit sociale experimenten omdat het moeilijk is om in de gedachten van anderen te kruipen, maar we kunnen hier een goede gok wagen. Onze levens zijn overprikkeld. Alleen in een kamer zijn met onze gedachten voor een langere tijd is vreemd. We hóren niet zo te leven menen we. Onze smartphones zijn de ‘stok en staf die ons vertroosten’. Elk vrij moment moet worden besteed aan TikTok, Instagram of Spotify.
Naarmate mensen ouder worden, denken ze vaak dat de wereld zijn aandachtsspanne verliest, zonder te beseffen dat de focus afneemt naarmate we ouder worden. Maar er lijkt iets te zijn veranderd in de afgelopen twee decennia. Er is een geheel nieuwe digitale architectuur ontworpen die er niet was. Het creëert de buzz van de stad, en is om ons heen verrezen als wolkenkrabbers, waardoor koude schaduwen en bittere windtunnels van woede en afleiding ontstaan die de warmte blokkeren.
Deze nieuwe online stad is opzettelijk ontworpen om onze aandacht vast te houden; om te voorkomen dat we offline iets gaan doen. En het werkt. Tussen 2010 en 2020 hebben we wereldwijd twintig keer meer informatie verbruikt. Dit is een kolossale toename voor onze hersenen om in een oogwenk te verwerken. Onze geest is minder geworden als het coole, witte minimalistische interieurontwerp waar mensen naar streven in het leven en meer als het rommelhok waar kapotte en nutteloze spullen worden gedumpt.
Sommige wetenschappers stellen dat we onszelf de schuld van deze situatie geven. Als we anderen vertellen dat onze smartphone ons afleidt, is het antwoord dat we krijgen dat we hem moeten uitzetten. Hoewel we dit soort stappen kunnen ondernemen, worden we er echter meer en meer afhankelijk van gemaakt door techbedrijven . Natuurlijk is er net als bij shopaholics sprake van individuele verantwoordelijkheid, maar er is ook het bouwwerk van consumentenkapitalisme dat is ontworpen om ons meer spullen te laten kopen of – in het geval van het internet – meer informatie te laten absorberen.
Als we bedenken wat het betekent om Jezus vandaag de dag te volgen, beseffen we vaak niet wat technologie met ons doet. De voordelen zijn duidelijk – de wereld binnen handbereik hebben, in een oogwenk met familie en vrienden kunnen praten – maar de nadelen blijven onduidelijk. Hoe beïnvloedt digitale afleiding het lezen van de Bijbel en een toewijding aan gebed? Er is weinig onderzoek naar gedaan, maar we geven God misschien minder toegewijde aandacht dan voorheen. Als we van de ene bron naar de andere fladderen, als een vlieg op een warme zomerdag, blijven we niet lang genoeg op één plek om te ontdekken of God daar op ons wacht.
Aanwijzingen van God komen vaak van buiten het kerkelijk denken. Nu heeft een groep tech-tovenaars uit Silicon Valley het idee van een digitale sabbatical bedacht, waarbij mensen één dag per week offline doorbrengen. Hoewel ze zichzelf beschrijven als niet bepaald religieus, verdrinkt hun manifest zo’n beetje in religieuze traditie. Ze adviseren mensen om:
Technologie te vermijden
Contact te houden met geliefden Uw gezondheid te koesteren
Naar buiten te gaan
Commercie te vermijden
Kaarsen aan te steken
Wijn te drinken
Brood te eten
Stilte te vinden
Iets terug te geven
Het is een sabbatical die opnieuw is uitgevonden voor het digitale tijdperk.
Er wordt een aantal praktische acties opgesomd die kunnen worden ondernomen, zoals gefocust blijven op de taak en blootstelling aan sociale media te beperken, omdat is aangetoond dat dit in grote hoeveelheden slecht is voor de geestelijke gezondheid. We moeten onze gedachten ook kunnen laten afdwalen. Dit spreekt het argument over het niet verliezen van de focus niet tegen. Het afdwalen van de gedachten is, paradoxaal genoeg, een vorm van aandacht. Het is de ruimte waarin we de puzzels van ons leven oplossen, punten met elkaar verbinden die we hadden gemist, een plaatje inkleuren om het tot leven te brengen.
Wanneer de profeet Elia God ontmoet op de berg Horeb, is er eerst een sterke wind, daarna een krachtige aardbeving en ten slotte een laaiend vuur. Maar God openbaart zichzelf niet in deze aangrijpende verschijnselen. Hij is te vinden in de pure stilte die volgt; in het gefluister van een stem.
De pure stilte van vandaag wordt verbroken door het vertrouwde gezoem van een nieuwsfeed of een update op sociale media – of de schok van een elektrische stroom. Het is nu het moment dat we binnen gehoorsafstand van de zwakke audio van het Goddelijke komen.
Een ander fenomeen dat met deze huidige technologische ontwikkeling kan optreden is de ‘angst voor het algoritme’. Je kunt het omschrijven als ‘het besef dat we constant te maken hebben met geautomatiseerde technologische processen die buiten ons begrip en onze controle liggen, of het nu gaat om onze Facebook-feeds, Google Maps-routebeschrijvingen of Amazon-productpromoties.’
Want we begrijpen algoritmes totaal niet. Zelfs als we dat wel zouden weten, zouden we niet weten hoe ze daadwerkelijk op ons werken, omdat elk technologiebedrijf het geheim houdt, zodat concurrenten er niet van kunnen leren. Dit heeft ertoe geleid dat het algoritme de nieuwste boeman van deze tijd is geworden, een spook waar we in gesprekken naar kunnen verwijzen om ons technisch onderlegd en cultureel onderlegd te laten klinken, zelfs terwijl we in het duister blijven tasten. Dat we een ‘konijnenhol’ in worden getrokken waar we niet meer uit kunnen komen. Zo kan een algoritme gaan werken.
Een van de vreemdste uitkomsten van de opkomst van het algoritme zijn de schijnbaar enorme effecten op politiek en cultuur. In de politiek heeft het mensen gepolariseerd, ons in tegenovergestelde kampen verdeeld en er vervolgens voor gezorgd dat we alleen maar goede dingen horen over onze ‘kant’ en alleen maar krankzinnige dingen over de ‘tegengestelde’ kant. In plaats van rustig naar een andere mening te luisteren, slingeren we anderen beledigingen naar het hoofd.
Iets anders gebeurt met de cultuur. Hier maakt het algoritme cultuur homogener; Anders gezegd: het wordt meer ‘afgeplat’: het populaire ‘bijzondere’ wordt populairder en het ‘gewone’ nog minder zichtbaar. Het is een vreemde remix van Jezus voor het digitale tijdperk: ‘aan allen die hebben, zal meer worden gegeven… maar van hen die niets hebben, zal zelfs wat ze hebben worden afgenomen.’
Er wordt bijvoorbeeld gezegd dat het leven van een Instagram-bericht wordt bepaald in de eerste vijf minuten: Als mensen het ‘liken’, kan het zeker zijn van meer populariteit; als mensen geen interesse tonen, zal het zinken. Zichtbaarheid op sociale media is van vitaal belang voor veel mensen, omdat dit is waar alle publiciteit begint. Men probeert het systeem te omzeilen en proberen erachter te komen wat voor soort content het algoritme zal promoten. In het proces wordt hun creatieve expressie subtiel gecompromitteerd. Mensen beginnen te schrijven in een stijl die aandacht trekt, en wat aandacht krijgt, wordt bepaald door het algoritme. Degenen die tweeten, weten hoe het korte, uitgeklede medium hun leven begint te beïnvloeden als ze niet op X zijn. Veel cultuur heeft nu het holle, lege gevoel dat het door algoritmen is gemaakt. Het algoritmisch een synoniem is geworden voor alles wat te glad, te reducerend of te geoptimaliseerd aanvoelt om aandacht te trekken.
Er is een tegenargument tegen deze ontwikkeling. Vroeger werd wat we lazen, hoorden en zagen als culturele consumenten bepaald door een kleine groep experts die content voor ons filterden. Deze experts kwamen vaak uit een klein deel van de samenleving die onvermijdelijk hun eigen vooroordelen inbrachten. Hoewel dit waar kan zijn, is het nauwelijks een triomf voor het publiek om een gevoelloze gadget – zoals het algoritme – te laten beslissen wat het beste voor hen is, op basis van wat we eerder leuk vonden en wat de meeste mensen lijkt aan te spreken.
Maar de waarheid is dat we door ons noodzakelijkerwijs over te geven aan het algoritme (want welk alternatief is er online?) enorme hoeveelheden cultuur missen die ons misschien wel zouden aanspreken. Het is ongeveer net zo effectief als beslissen welk zeeleven we leuk vinden op basis van wat er aan de oppervlakte van het water opduikt.
De beste kunst is niet altijd de meest populaire en er is een risico dat de Goddelijke vonk van uitvinding die de God de Schepper in ieder van ons heeft gelegd – het onbeperkte potentieel om naar het evenbeeld van God te worden geschapen – niet zo vaak zal worden aangewakkerd als zou kunnen. Het najagen van likes is geen vervanging voor geduldige inspiratie. Het is vaak aan de randen dat doorbraken ontstaan; kunst die ons deze wereld in een nieuw en Goddelijk licht laat zien.
‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’, zegt Hij die op de troon zit in Openbaring. Maar dat algoritmes alle dingen gelijkvormig maken, is de realiteit waarmee we leren leven. We worden verleid om niet onszelf te zijn.
De VERleiding is sterk. Wie is jouw leider? Of om in de terminologie te blijven: door welk A/algoritme laat jij je leiden?
Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie. Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor dat een christen X rigoureus moet afwijzen omdat er veel misselijks gebeurt zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij. Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven. Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium. En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven. Ik blijf op X, zolang deze zich houdt aan de Europese regelgeving voor social media.
Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht, en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee. Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd over de moderne technologie. Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt, en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit die we al sinds de steentijd doen. Moderne technologie heeft een technologische samenleving en de leden van die samenleving gevormd, zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren) positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen. Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd, of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen, om op een bepaalde manier te leven. Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie, is om alles in de wereld primair te zien als een verzameling gereedschappen en bronnen.
Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is, wat kunnen we er dan aan doen? Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde? Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?
Voordat we echter bij die vraag komen, moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen. Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie, dan zitten we misschien vast in een manier van denken die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.
Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.
Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem dat ons denken heeft gevormd: hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat? Als het technologische systeem zo totaliserend is en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd als Heidegger suggereert, lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem heen te denken en er dus uit te breken.
Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken om het probleem van technologisch denken op te lossen. Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste: binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen om een reeks technieken of methoden te bedenken die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden van het technologische tijdperk, maar omdat het technieken zijn, zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken. Of om het anders te zeggen, we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig die niet leidt tot zomaar een andere methode. Een methode of techniek is simpelweg een technologie van zelftransformatie, jezelf veranderen, en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie. Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld. Want het probleem van technologie ligt in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.
Een voorgestelde oplossing van Heideggers is om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen zich aan hun behoeften aan te passen. Ten tweede, en op dezelfde manier, om de wereld om zich heen uit te nodigen zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon. Heideggers oplossing voor het probleem is om leden van een technologische samenleving uit te nodigen om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen. De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit. De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose, die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden voor dit probleem is het ‘omkaderen’, je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft. Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.
Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend. Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie als ‘zijn’. Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister naar de verhalen van de mensen om mij heen, zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden voor onze behoeften en genoegens.
Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in waarom we er tot nu toe niet in slagen om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen, ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen. Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden. Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik. De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen: olie is er niet om voor zichzelf te zijn, maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.
Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven, zie ik Heideggers analyse aan het werk in de houding van mensen ten opzichte van elkaar. Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden, afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet. De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content. We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn. Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken in de content die het verkoopt, wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is. En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden, beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.
Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:
Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap. In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan, onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind. In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo: ‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’ Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’, ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt. Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan, de stem van buiten het systeem. In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft, niets buiten het systeem.
Maar Paulus wijst ons daarentegen op God. Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan, maar die desondanks, door een daad van genade, ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld. Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd, die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.
Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn. Voor veel christenen is de ervaring van gebed dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.
Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid om onze weg te vinden uit de technologische mindset. Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren, zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken? Ik hoop het niet. Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten in een techniek om God te laten geven wat je wilt, is dat niet wat ik hier suggereer. Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef toen haar ooit in een interview werd gevraagd: ‘Wat zeg je als je bidt?’ Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’ De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’ Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’
Al enige tijd worden we gewaarschuwd voor de gevaar van het teveel. Teveel drinken, teveel eten is niet goed voor de mensen. Alcoholisme en obesitas liggen op de loer en kunnen mensen en relaties tussen mensen verwoesten. Beide verslavingen kunnen, zoals elke verslaving, leiden tot een sociaal isolement en uitsluiting. Mensen kunnen vereenzamen. En wat leek het mooi toen het internet zijn intrede deed in het leven van veel mensen dat er allerlei mogelijkheden ontstonden om vanuit je luie stoel thuis of via de smartphone overal contact te houden met mensen die je kent en contacten te leggen met mensen die je nog nooit hebt gezien. Je hebt de hele wereld onder de knop van je computer, telefoon, of wat dan maar ook. Prachtig!!
Maar zoals alles kunnen ook de nieuwe sociale media, wanneer ze teveel worden gebruikt, leiden tot een verslaving met alle kwalijke gevolgen van dien. In het geval van een overmatig gebruik van social(e) media spreek je dan van ‘Socialbesitas’. De kenmerken van socialbesitas zijn dezelfde van elke verslaving dan ook: onder andere dan je je eigen wereld creëert je en dat die wereld is het belangrijkste voor je is. In het NRC en het actualiteitenprogramma Een Vandaag werd hier van de week voorbeelden van geschetst. Mensen die het hebben van vrienden op Facebook belangrijker vonden dan vrienden in de normale leven (irl) ‘Sommige jongeren vinden hun Facebook-vrienden belangrijker dan hun echte vrienden. Want wat echte vrienden zeggen, weet alleen jij. Maar wat Facebookvrienden zeggen, weet iedereen’ schreef het NRC; mensen die het belangrijk vinden dat hun berichtjes door zoveel mogelijk mensen worden gezien; de toenemende druk om sociaal te willen zijn, iedereen te willen volgen en niks te missen. ‘Het sturen, lezen en voortdurend checken van de sociale media geeft jongeren een kick, een “instantbevrediging” vergelijkbaar met die van eten, alcohol, drugs en seks’, zegt Herm Kisjes, een van de onderzoekers naar dit fenomeen in de krant.
Een van de effecten van overmatig gebruik van social media is psychische vermoeidheid. Laatst hoorde ik van een iemand van in de twintig die naast haar baan ook nog heel actief was op social media en vond dat ze aan alle events moest blijven meedoen en dat ook via de sociale media moest blijven uitventen. Uiteindelijk kreeg ze een stevige burn-out omdat ze een (te) druk sociaal leven, haar opgedrongen door de social media, niet meer kon combineren met haar baan.
laat je niet leiden door social media
Bij dit alles moest ik denken aan een heel oud geschrift (450 jaar om precies te zijn) van het protestantisme, de Heidelbergse Catechismus. In veel kerken ligt het geschrift al onder vele lagen stof weg te zinken in de vergetelheid, maar de actualiteit van het belijdenisgeschrift is nauwelijks te overschatten. In 52 delen die ‘zondagen’ worden genoemd wordt de kern van christelijk geloof samengevat door mannen die luisterden naar de namen Caspar Olevianus en Zacharias Ursinus (Beer). Neem nu ‘vraag en antwoord’ 1 (want zo heet dat in de Heidelbergse Catechismus): wat is uw enige troost in leven en sterven? Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven en in sterven, niet mijzelf toebehoor, maar aan mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus. Juist als mensen vastlopen omdat ze steeds maar moet scoren, steeds maar gezien moeten worden, hogerop moeten komen, geliefd moeten zijn, kunnen die woorden zoveel ruimte bieden. De catechismus troost met de blijde boodschap dat we niet van onszelf hoeven te zijn. We mogen van Christus zijn, We zijn niet afhankelijk van allerlei zaken die ons leven willen beheersen, maar van Jezus Christus. Bevrijd van onszelf en de ziekte van Ikke, ikke, ikke.