titel webpost Efeziërs 5,21

 

Vandaag – 7 december – de dag van de vrijwilliger
moest ik terugdenken aan een lezing
van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM).
De historie van de KNRM gaat terug tot 1824.
Het redden van schipbreukelingen was in 1824
geen vanzelfsprekendheid.
Pas na een scheepsramp en een zeldzame reddingspoging,
waarbij zes redders verdronken,
ontstond een georganiseerd reddingswezen
met reddingstations langs de kust.

Volgens het CBS zette in 2024 ongeveer de helft van de Nederlanders
van 15 jaar en ouder zich minstens één keer in als vrijwilliger.
Dat is ongeveer 50% van de Nederlandse bevolking. In 2023 was dit 49%
De voordelen van vrijwilligerswerk zijn tegenwoordig goed gedocumenteerd.
De mentale en fysieke gezondheidsboost.
Een gevoel van zingeving.
De kans om nieuwe vaardigheden te leren.
Een manier om contacten te leggen met anderen.

De voorlichter van de KNRM vertelde dat het
om een vrijwilliger te worden
veel tijd en energie zal vergen
en dat je bepaalde vaardigheden moet opdoen.
En dit allemaal middels veel trainingsmodules
en tenslotte de bereidheid periodiek 24/7 beschikbaar te zijn.
En toch blijven vrijwilligers zich aanmelden.
Hij vergastte ons op verhalen van mensen,
die op oproepen reageren
terwijl hun bedden warm waren en de nacht onbekend was.
We hoorden veel opmerkelijke verhalen.
Bijvoorbeeld dat van een vrouw
die vertelde dat ze haar hoogtevrees had overwonnen
om langs de rand van een boot te klimmen;
een ander had een opmerkelijk verhaal
over een aanval van een dolfijn.
Maar elke keer kwam dezelfde vraag naar voren:
waarom doen ze het?

En het viel me op dat niemand een volledig zinnig antwoord gaf.
Ze konden er onderdelen van noemen:
zorg voor mensen, teamwork, liefde voor de zee.
Soms waren de redenen waarom ze begonnen
(‘Papa deed het’)
niet de reden waarom ze bleven
(‘Ik kon een tastbaar verschil maken’).
En er was niemand die niet van het water genoot.
Maar in elk geval leken de antwoorden
altijd een beetje tekort te schieten.
Spel en gevaar kunnen samengaan en – zo werd gezegd –
we moeten onderweg momenten
van vreugde ervaren als we het lang willen volhouden.
Om vervolgens ineens te reageren op een oproep van de kustwacht:
‘er is iemand in de problemen!’
De stemming slaat dan onmiddellijk om;
de actie wisselt van strijden naar samenwerken.
Ergens heeft iemand een heel slechte dag!
‘Daar bestaan we voor’ wordt dan gezegd.
Geen van de bemanningsleden van de reddingsboot,
leek zichzelf als iets anders dan gewoon te beschouwen.
Ze waren vol bewondering
voor de verhalen van hun medebemanningsleden,
maar zagen zichzelf als volkomen menselijk
en noemden alledaagse behoeften en vertrouwde gemakken.

‘De bereidheid van een moedig persoon
om afstand te doen van gemak, veiligheid,
het comfort van thuis, en zelfs om zijn leven en lijf te riskeren,
komt niet voort uit haat jegens een van die dingen’.

Dit is misschien wel het verschil
tussen vrijwilligerswerk en een hobby hebben
(ook prijzenswaardig vanwege de gezondheidsvoordelen,
het gevoel van zingeving en de mogelijkheden tot verbinding).
Op een gegeven moment kost vrijwilligerswerk je iets.
Dat offer dat nodig is, toont de mate van zorg aan;
anders is het gewoon weer een daad van zelfontplooiing
ten dienste van de vrijwilliger zelf.

In de oorsprong van de term ‘vrijwilliger’
klinkt iets door van een geest van ‘offerande’.
Het Latijnse grondwoord ‘voluntares’
draagt namelijk een betekenis in zich van ‘geven uit vrije wil’.
Dit is misschien waar we de weg kwijt zijn geraakt met het hele idee.
Als er een gevoel van dwang is bij vrijwilligerswerk,
ontneemt het de vrijgevigheid zijn kracht.
Waar aan de ene kant verplichting
en aan de andere kant eigenbelang is,
kunnen we de middenweg vinden
die gekenmerkt wordt door toewijding,
doordat we ervoor gekozen hebben
om te dienen en daardoor de inzet hebben
om het vol te houden.
Dat is de belofte die vrijwilligerswerk ons kan bieden.

In een brief aan de zeevarende stad Efeze
in het oude Griekenland
moedigde de kerkleider Paulus mensen aan
om ‘zich aan elkaar te onderwerpen’ (Efeziërs 5,21),
wat een andere manier is om te zeggen elkaar opofferend te helpen.
Mensen worden aangemoedigd
om zich aan elkaar te onderwerpen,
maar dit is niet in een onderdrukkende zin.
Het betekent dat we, als leden van de gemeente,
elkaar respecteren
en het welzijn beogen van de ander.
Het is een teken van nederigheid en liefde.
Hoe dan ook, de beslissing is hetzelfde: er zijn.
De redenen waarom we het doen,
kloppen niet altijd.
Er zijn smaken van mededogen,
van de wens om nuttig te zijn,
om deel uit te maken van iets groters.
Maar er lijkt ook iets anders te zijn.
Een toewijding om in een behoefte te voorzien.
Met andere woorden,
we zouden het liefde kunnen noemen.

 

De engel Gabriël verwoordt de missie van Johannes de Doper.
Daarin ontdekken we opnieuw een aantal trekken van ‘mensen rondom Jezus’.
Het leven van Johannes heeft maar één doel: Jezus aanwijzen als de Christus.
Zijn grootheid bestaat in zijn kleinheid.
Want hij wil niet méér zijn dan een wegbereider.
‘Zie het Lam Gods!’ (Johannes. 2:29-31)

De engel Gabriël verwoordt de missie van Johannes de Doper.
Daarin ontdekken we opnieuw een aantal trekken van ‘mensen rondom Jezus’.
Het leven van Johannes heeft maar één doel: Jezus aanwijzen als de Christus.
Zijn grootheid bestaat in zijn kleinheid.
Want hij wil niet méér zijn dan een wegbereider.
‘Zie het Lam Gods!’ (Johannes. 2:29-31)
‘Hij moet groter worden en ik kleiner.’ (Johannes 3:30)
‘Hij zal vervuld worden van de Heilige Geest
terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is,’ (Lucas 1: 15b)
Van bijna alle ‘mensen rondom Jezus’ in Lucas 1 en 2 wordt gezegd
dat ze vervuld worden met de Geest, en ze aanbidden God met enthousiasme.
‘Bedrink u niet, maar laat de Geest u vervullen’ (Efeziërs. 5:18).
Johannes is een met de Geest gezalfde profeet.
Al in de baarmoeder belijdt hij de naam van zijn Heer! Over Hem is hij Geestdriftig.
en hij zal velen uit het volk van Israël zal hij bekeren tot de Here, hun God. (Lucas 1 :16)
Bekering heeft te maken met:
genadig aan je zonden ontdekt worden om je vervolgens om te keren naar Christus.
De taal die Johannes gebruikt is daarbij scherp: ‘Adderengebroed’ (Lucas 3:7)
Gedoopt zijn is niet genoeg.
Johannes verkondigt een heel praktische bekering:
deel je kleren en je eten, vorder niet te veel, plunder niet en pers niets af (Lucas 3:10-14).
Hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia. Johannes is Elia de Tweede.

Net als die profeet is hij aangewezen,
niet op zichzelf, maar op de Geest en de Kracht van God.
Johannes’ prediking was vol van Geest en Kracht, want vol van Christus.
‘Zo zal hij voor de Heer een volk gereedmaken.’ (Lucas 1: 17b)
Wanneer ben je er ‘klaar’ voor om Jezus te ontvangen?
Want dat is het doel van Johannes’ prediking.
Je bent er ‘klaar’ voor als je alles loslaat en als je met lege handen staat.
Toewijding is: niets meer vast willen houden dan Jezus alleen.