de sabbat brak aan
Lucas 23,54b

Stille Zaterdag.
Ik weet ik nooit zo goed wat ik van deze dag moet vinden.
Wat horen we op Stille Zaterdag wel te doen?
Wat is niet gepast op Stille Zaterdag?
Hoort het leven op de normale manier verder te gaan?
Moeten we treuren, in rouw verkeren,
omdat we eraan denken hoe onze Heer in het graf lag en dood was?
Het leven is van Jezus geweken. Hij heeft de geest gegeven.
Wat er overblijft, is een levenloos lichaam.
De zaak is voorbij. Over en uit.
Wat er overblijft is de herinnering aan Jezus:
wat Hij tijdens Zijn leven deed, Zijn tragische en wrede dood.
Het enige dat zijn volgelingen kunnen doen,
is ervoor zorgen dat Hij een waardige begrafenis krijgt.
Zodat het lichaam van Jezus niet verdwijnt in een anoniem massagraf.
Als dit de betekenis is van de graflegging van Jezus
zouden we inderdaad op deze dag
moeten treuren en terugdenken aan de dagen, dat Zijn lichaam in het graf lag.
Dan zou Stille Zaterdag een dag van verontwaardiging moeten zijn
vanwege het onrecht dat Hem is aangedaan door Hem te kruisigen.
Lukas geeft echter één signaal, waardoor we niet deze kant op moeten denken.
Eén signaal in zijn tekst,
waardoor Stille Zaterdag een heel andere betekenis krijgt:
Stille Zaterdag is namelijk een sabbat.
Lukas vertelt dat ook: de dag van de sabbat brak aan.
De sabbat werd ingesteld om Zijn volk te dat te laten weten.
Een dag in de week moest het werk rusten, om te beseffen dat het de Heere is die werkt.
Dat Zijn trouw van dag tot dag doorgaat.
Dat er geen moment komt, waarop Hij deze wereld loslaat.
Op de sabbat wordt er niet gewerkt om te weten dat God werkt.
Als Jezus in het graf gelegd wordt, breekt de sabbat aan.
Het werk van God is voltooid.
Nu is het geen, maar verlossing.
Nu wordt niet alleen de duisternis van het kwaad en van het lijden beteugeld,
maar ook de nacht en de duisternis van de zonde.
Stille Zaterdag, de dag waarop het lichaam van Jezus in het graf lag, wil zeggen:
elke dag en elke week die nu volgt,
volgt na wat Jezus heeft volbracht aan het kruis op Golgotha.
Heel de wereldgeschiedenis die volgde,
ons leven dat daarop volgde kan moet gezien worden
in het licht dat straalt van het kruis op Golgotha,
het licht van Gods genade.

Tussen de mannentaal
die zich verhardt,
tussen de stemmen
die langzaam verstenen

– de ene hand
wast de andere,
Pilatus in marmer;
het verraad
gaat van mond tot mond,
Judas in kalksteen –

het geluid
van een brekende kruik,
brekend hart,
balsem stroomt als een klaaglied,
doortrekt zijn kleed,
zijn huid, zijn haar,
heel het verstoorde huis

– Herodes wordt de geur gewaar,
de hogepriester,
zelfs de soldaten
die zijn kleed verdobbelen
snuiven de mirre –

dat ene gebaar,
meer dan tienduizend woorden

Jaap Zijlstra

Tijdens het eten stond Jezus op. Hij trok zijn kleren uit
en deed een doek om zijn middel, alsof hij een slaaf was.
Hij deed water in een bak, en begon de voeten van zijn leerlingen te wassen.
Hij droogde hun voeten af met de doek die hij omgedaan had.

Johannes 13,4-5 (BGT)

Begrijpen jullie wat ik gedaan heb? vraagt Jezus.
Dat ik”namelijk jullie leven zie zoals het is.
Niet hoe jij denkt dat is het is.
Maar dat wat jij daadwerkelijk laat zien.
In je doen en laten, in hoe je kiest met je voeten.
Je dwaalwegen, je misstappen, de zijsporen.
De harde plekken, de kneuzingen, de wonden.
Wat in je leven je vervuld is, verwaarloosd, vergroeid.
Ik zie het, ik raak het in liefde aan.
Ik leg mijn leven af voor jou.
Wil jou dienen, jou wassen, jou vernieuwen.
Trek je nu niet terug, maar laat je aanraken.
Laat je veranderen door mijn liefde voor jou.
En toon jij dan op jouw beurt mijn liefde aan de ander.

Wat Jezus achterlaat voor zijn vrienden
zijn geen symbolen van waardigheid en gezag.
Het zijn de gebruiksvoorwerpen van een slaaf, een dienaar.
Je veegt er zweet mee weg, en stelpt het bloed uit iemands wond.
Je wast er iemands vuile voeten mee en droogt ze af.
Een teiltje water en een doek
Zo, als een dienaar, mogen we iets laten zien
van de diepe liefde van een wonderlijke God.
Die kwam, niet om te heersen maar om te dienen
en zijn leven af te leggen voor mensen zoals wij.

Tijdens het eten kwam er een vrouw bij Jezus. Ze had een flesje bij zich met heel dure olie. En ze goot die olie over Jezus’ hoofd.’ (Matteüs 26,7 BGT)

De vrouw doet het. Ze volgt haar hart, de liefde in haar hart.
En het is opvallend hoe alleen ze daarin staat.
Iemand zei: ‘Zo is zij de enige die Jezus van te voren geëerd heeft om zijn offerbereidheid’,
want daar gaat het bij zijn sterven om, niet om een noodlottig sterven,
waarbij Jezus slachtoffer wordt van mensen,
nee, ten diepste is het een offerbereidheid, sterft Hij voor ons.
Dat is het Evangelie. ‘Het goede nieuws’.
De blijde boodschap van het lijden en sterven van Jezus Christus.
Deze week, de Stille Week, mogen we daar weer bij stilstaan, en stil van worden.
We zijn op weg naar Goede Vrijdag en Pasen. Het is de kern van het Evangelie.
Nee, dat is geen verdrietige boodschap,
omdat alles met Jezus eindigt aan een kruis, in een donker graf.
Nee juist in dat sterven is het leven!
Juist in dat sterven is Zijn koninkrijk gefundeerd.
Nee, juist zo is Hij de Koning, die de zonde en dood overwint.
Juist dat is de geur van leven, van eeuwig leven.

En dat Evangelie, dat goede nieuws, wordt dus geïllustreerd met plaatjes, zou je kunnen zeggen.
De plaatjes van mensen die dat Evangelie geloofden, die er handen aan voeten aan gaven.
Zoals dat plaatje van die vrouw met haar uitgegoten fles.
Zij laat zien dat het Evangelie van Gods overvloedig uitgestorte liefde in Christus,
om wederliefde vraagt, om een gebroken hart, om een hart dat zich uitstort en geeft voor Hem.
Een prachtige illustratie.
En geloof me, het Evangelie kan nog genoeg van zulke illustraties gebruiken, via ons leven!
Tot eer van God, tot heil van onze naaste.

 

‘Sta op en schitter! Sta op en schitter!’
Als Nederlander zal je eerste reactie kunnen zijn:
‘Nou zeg: sta op en schitter! Mag het ook een onsje minder zijn?’
Dat zullen de mensen die deze woorden voor het eerst hoorden ook hebben gedacht.
Zij waren net terug uit ballingschap. Jeruzalem lag nog in puin.
De muren waren nog niet opgebouwd. En er stond ook nog geen nieuwe tempel.
En de mensen leken ook niet erg veranderd.
Hun harten waren nog net zo koud en hard als vroeger. Het valt allemaal behoorlijk tegen.
Zo schitterend is het allemaal niet. En toch klinkt juist dan en juist daar dit woord van God.
‘Sta op en schitter, jouw licht is gekomen. Over jou schijnt de luister van de Heer.’
Duisternis bedekt de aarde en donkerte de naties.
Maar over jou schijnt de Heer…. Nee, de duisternis wordt niet ontkend.
Het leven valt zeker niet altijd mee.
Het is inderdaad vaak een rommel, een bende, een puinhoop.
En van Gods nieuwe wereld zie je soms zo weinig.
En ook in je eigen hart, in je eigen leven kan het soms best donker zijn, en somber.
En kan er over je leven iets van een sluier liggen.
Van huis uit is het bij ons van binnen koud, kil, donker en valt er bijzonder weinig uit te stralen.
Soms kom je mensen tegen die het licht-van-buiten niet nodig hebben.
Ze zijn bewoond door een andere Aanwezigheid: Licht-van-binnenuit.
Door hun aanwezigheid laten ze anderen stralen en dat doet goed.
Je voelt dat je wordt gekend, bemoedigd, gezonden ook.
Het lichtpunt van Gods aanwezigheid
dat in Christus Jezus helderder is gaan stralen dan ooit tevoren.
Vandaar de oproep om op te staan en in dat licht te staan.
Om dat licht op te vangen en te weerkaatsen. Sta op en schitter. Dat is de actieve vorm.
Je kunt het ook passief vertalen: Sta op en wordt verlicht.
In een donkere tijd en een duistere wereld zoekt God mensen die op staan
en in dat licht van Christus gaan staan om dat licht op te vangen.
In dat licht te leven en dat licht ook uit te stralen.
Licht dat ons aanstoot in de morgen, de morgen van Pasen …

 

In de Lijdensweek, op weg naar Goede Vrijdag, beweeg ik me vaak tussen toewijding en afstand.
Er zijn momenten dat ik een stap naar voren doe.
Dan kniel ik in gedachten neer op Golgotha, aan de voet van het kruis.
Ik wil mijn hele leven, met hart en ziel, geven en wijden aan de Gekruisigde.
Die mij zo liefheeft, dat Hij zichzelf helemaal gaf voor mij. He died for me, I live for Him.

Maar als ik eerlijk ben, zijn er ook andere momenten.
In plaats van daar te knielen, zet ik soms stappen naar achteren, beweeg ik ervan weg.
Ik bedenk hoe weinig ik ervan bak. Van mijn toewijding, mijn navolging en dankbaarheid.
Dan durf ik er niet opnieuw aan te beginnen.
En blijf ik op afstand van het kruis en de Gekruisigde.

Het zijn twee uitersten, knielen in totale overgave of op afstand blijven uit schaamte.
En met deze twee uitersten in gedachten, denk ik een poosje na over woorden uit Galaten 2.
Met Christus ben ik gekruisigd. Ikzelf leef niet meer. Maar Christus leeft in mij.
Mijn leven hier op aarde leef ik in het geloof in de zoon van God,
die mij heeft liefgehad en zich voor mij heeft prijsgegeven.’ (Galaten 2,19b-20)

Ja, vaak hink ik op twee gedachten.
En keer op keer laat ik me overtuigen en overweldigen
door de Gekruisigde die mij liefheeft en zich voor mij heeft prijsgegeven.
En niet alleen voor mij, maar voor ons allen.
Godzijdank is de wereld al gered. Dat hoef ik dus niet meer te proberen.
Deze ontspanning nodigt ons iedere dag opnieuw uit
om ‘iets’ van Christus in ons vorm te laten krijgen, tot leven te laten komen.
Deze Galaten worden even verderop in deze brief als volgt aangesproken:
Mijn lieve kinderen, van wie ik opnieuw in barensnood ben, totdat Christus gestalte in u krijgt.

Dat ‘iets’ van Christus in ons zichtbaar wordt, gaat kennelijk niet vanzelf.
Het is en blijft een hele ‘bevalling’.

Maar toch!

 

Voor ons, mensen die leven in een tijd
waarin iedereen mag begeren wat hij wil en van alles mag opeisen, is vragen moeilijk.
Het roept diepe spanningen in ons wakker.
We ervaren vragen als vernederend, vragen maakt ons kwetsbaar,
omdat we weten dat het nooit zonder risico is.
Maar steeds klinkt tot ons de bevrijdende roep: ‘Vraag en er zal je gegeven worden’.
Vragen is de ander toelaten om op jouw spoor te komen. Vragen is je bekend maken.
Het is verbondenheid zoeken en in verbinding willen staan.
Vragen is belangrijk in deze wereld van groeiende polarisatie.
Vragen oftewel bidden daar gaat het om.
In de Bijbel begint het niet met óns verlangen naar God, óns bidden, óns zoeken, óns kloppen.
God is de eerste.
Hij verlangt naar u en jou, om je als verloren zoon en dochter in Zijn Vaderarmen te sluiten.
Het begint met Zijn verlangen dat het weer goed zal zijn tussen Hem en ons.
En daarom zoekt Hij ons op, klopt Hij op de deur van ons hart.

De hele Bergrede tekent voor ons hoe geweldig mooi het leven met God is.
Dat is werkelijk een eeuwig gelukkig leven.
Dat we ernaar zijn gaan verlangen om zo te mogen leven!
In navolging van Jezus, met God door het leven.
Maar dat we vooral hebben gemerkt dat dat allemaal te hoog gegrepen is voor ons,
als God ons daarbij niet helpt, ja, als Hijzelf niet bij ons is.

En daarom: Vraag, zoek, klop. Bid tot God, zoek God, klop aan bij God.
En je zult van Hem krijgen wat nodig is om Jezus te kunnen volgen.
Dat is in feite wat Jezus belooft. Het gebed werkt gegarandeerd.
Niet dat je alles zomaar krijgt wat je bidt,
maar je krijgt in ieder geval God zelf en wat nodig is om Hem te dienen.

Keer op keer heeft Jezus het in de Bergrede over de ‘Vader die in de hemel is’.
Hier legt Hij ons uit, waarom Hij God zo noemt:
Om te leren vertrouwen dat God ons zal verhoren.
Hij leert ons dat elk kind een vader nodig heeft, om niet van honger om te komen.
En dat je als kind mag vertrouwen dat een vader ook voor je zorgt.
Zo gaat het precies tussen u en God: U heeft God nodig, of u het weet of niet.
En God wil er dan ook als Vader voor u zijn.

Wat ga je vervolgens doen met die ‘goede gaven van de hemelse Vader’? Houd je dat voor jezelf?

‘Alles dan wat u wilt dat mensen u doen, doet u hun ook zo, want dat is de Wet en de Profeten.’
Wet en Profeten, daarmee bedoelt Jezus het Oude Testament.
Die is niet voor op de boekenplank om als schat bewaard te worden.
Die is ook niet alleen om in gelezen te worden. Al begint het daarmee wel.
Je moet ermee aan de slag.
Zoals de Hemelse Vader ons zijn gaven geeft en niet wacht tot wij Hem komen zoeken,
maar zélf de eerste is.
Zo wil Jezus ook, dat wíj de eerste zullen zijn om er te zijn voor onze naaste.
We mogen niet blijven hangen in de theorie als het om het geloof in God gaat.
We mogen niet stil blijven staan. We worden erop uit gestuurd.

Als je bidt om vrede in de wereld, zul je zelf een vredestichter moeten zijn.
Als je zoekt en verlangt naar het Koninkrijk van God, zul je zelf leven als een Koningskind.
Als je aanklopt bij God en Hij heeft opengedaan,
zul je zelf ook openstaan voor wie er ook bij je aanklopt.

‘Wat betekent dan wat er geschreven staat:
“De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden?”
Iedereen die over die steen struikelt zal gebroken worden,
en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.’
Lucas 20: 17

Als je een huis gaat bouwen kies je met zorg de stenen uit die twee muren
– die haaks op elkaar staan – met elkaar verbinden.
Hoekstenen noemen we die.
Het verrassende is nu dat God een door de bouwers afgekeurde steen gebruikt
als hoeksteen van het gebouw van zijn liefde. Die steen is Jezus.
De bouwers zijn de geestelijke leiders van het volk van Israël.
Zij hebben Jezus afgekeurd. Zij hebben Jezus verworpen.
In de tijd van Jezus was er een spreekwoord:
‘Valt de steen op de lemen pot, wee de pot;
valt de lemen pot op de steen, wee de pot.’
De tegenstanders van Jezus, zij die Hem zullen verwerpen,
zullen als een lemen pot die op een steen valt gebroken worden.
En als steen op de lemen pot valt zal deze verpletterd worden.

De geestelijke leiders van het volk van Israël weten precies wat Jezus bedoelt.
Zij zijn het die de Zoon en de Steen verwerpen.
Het liefst willen ze Jezus gevangen laten nemen
en Hem laten veroordelen voor Godslastering.
Maar wat zijn ze bang voor de reactie van het ‘gewone’ volk.
Jezus is hier dé Struikelsteen van God.
Iedereen die Hem verwerpt zal als een lemen pot gebroken worden.
Het alternatief: Je laten verpletteren door zijn liefde.
Een liefde die gaat tot het uiterste.
Tot in de dood aan het kruis!

‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis,
maar heeft het Licht dat Leven geeft.’
Of met andere woorden: ‘Zoals God in de woestijn het Licht was voor het volk van Israël,
zo ben Ik nu het Licht dat Leven geeft aan iedereen.’
Dat was vele generaties terug. De mensen in de tijd van Jezus denken:
‘Onze tempel, dat is de plaats waar God nú woont.
Hier moeten de mensen naar toe komen om God – het Licht – te ontmoeten.
Onze tempel … dat is het Licht voor de wereld!’
Begrijp je hoe woedend de geestelijke leiders van Israël op die rabbi uit Nazareth zijn?
Juist op déze plek, de plek waar de kandelaars en de vuren zijn aangestoken, zegt Jezus:
‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis,
maar heeft het Licht dat Leven geeft.’
‘Wie denkt Hij wel Wie Hij is?’
De Farizeeën en de andere geestelijke leiders kunnen die rabbi uit Nazareth niet uitstaan.
Al hun heilige huisjes gooit Hij omver. Hun haat wordt met de dag groter.
Uiteindelijk zullen ze Hem monddood maken. Ze zullen zijn Licht voorgoed doven!
‘Weg met Hem!’
Het is best wel opvallend hoe vaak Johannes het in zijn evangelie over ‘de wereld’ heeft.
Voor Johannes was de aanduiding ‘de wereld’ gelijk is aan het ‘rijk van de duisternis’.
Het is de wereld waarin mensen leven zonder God. De wereld waarin het donker en duister is.
Waar de zonde het voor het zeggen heeft.
In díe wereld, die God-vijandige en donkere wereld, is Jezus gekomen.
Hij is de strijd aangegaan met de heerser van deze wereld
en Hij heeft uiteindelijk het rijk van de duisternis verslagen.
Dat wordt ook duidelijk als op Goede Vrijdag
na een drie uur durende angstaanjagende duisternis God zijn Licht weer op aarde laat schijnen.
Wie een volgeling van Jezus wil zijn kan deze wereld niet ontlopen.
Wie echter in Jezus gelooft, wie in Jezus God de Vader heeft leren kennen,
wandelt niet langer meer in het donker, in de woestijn van het leven.
Jezus, het Licht wijst je de weg naar het land van Gods beloften.
Het land waar het Licht … Leven is!

Om je te keren naar Pasen
moet je je omkeren …
Zoveel oud vuil, zoveel oud zeer
moet eerst aangekeken worden
wil je ook werkelijk vrij
de weg naar Pasen gaan.
Denk niet: dat doe ik wel even …
Omkeren is een levenshouding
want zodra je je gekeerd hebt,
zul je iedere keer weer tegenkomen
hoe vastgeroest gewoonten kunnen zijn.

Keer om en om en om …
Houd het hoofd koel en het hart warm
omdat je dan goed kunt onderscheiden

waar het in het leven-met-God om draait.

Hij wil zijn nabijheid aan ons kwijt

en staat steeds gekeerd naar ons, op de uitkijk.