de titel van deze webpost is ontleend aan de titel van de roman ‘For Whom the Bell Tolls’ van Ernest Hemingway 

 

Eerder schreef ik al eens over de ‘stille opwekking’ die gaande is.
Volgens onderzoek zou het zo zijn dat jongeren
meer belangstelling hebben voor het christendom.
Veel van hen lijken meer open te staan
voor geloof in het bovennatuurlijke
dan ooit tevoren in de afgelopen decennia.

En gelovig zijn is dan helemaal in de mode met Kerst.
Het is te vinden in bijna elk kerstliedje,
prijkt op winkelruiten en is verwerkt in feestelijke truien.

‘Geloof je?’ wordt aan kinderen gevraagd,
vaak met een vleugje magie.
In de film The Polar Express bijvoorbeeld
draait het hele verhaal om geloof.
Geloven de kinderen nog in de Kerstman?
In iets wat niet te zien is?
En de fluit wordt alleen gehoord
door degenen die geloven;
de anderen weten niet wat ze missen.

In zulke verhalen worden volwassenen
vaak afgeschilderd als mensen die verloren zijn
en ten prooi zijn gevallen aan cynisme, rationalisme en frustratie.
De boodschap is duidelijk:
zelden zijn volwassenen geneigd om dieper na te denken over geloof.

Maar deze openheid voor geloof is complex.
Het onderzoek suggereert dat
het aantal bekeringen tot het christendom
onder jongeren voortkomt uit een bredere interesse in spiritualiteit.
Anderen hebben opgemerkt dat jonge mannen beïnvloed worden
door een vermeende verschuiving
naar waarden die lijken op een soort van patriarchaat.
Toch suggereren sommigen
dat het christendom
waartoe jongeren massaal toestromen
geen ‘echt christendom’ is,
maar een verwrongen beeld van de Jezus
waarover in het Nieuwe Testament wordt gelezen.

De vraag is niet of mensen geloven,
maar wat ze geloven
en hoe dat geloof, soms achteloos,
wordt ver- of gevormd door ideologie of verlangen.

In een maatschappij die gekenmerkt wordt
door polarisatie
en de constante behoefte aan boegbeelden
om die op het schild te hijsen of af te kraken,
is het misschien tijd dat wij volwassenen
de kunst van het geloven herontdekken.

Deze gedachte begon bij mij deze adventsperiode:
Het was een kalme, vredige zondagochtend in de kerk.
De kaarsen brandden en we zongen bekende adventsliederen.
De kerststal was al opgesteld. Prachtig.

Terwijl we weer een lied zongen,
kwam er een figuur door het middenpad.
Het was een vrouw
die goed bekend was in het kerkcafé.
In eerste instantie dacht ik nieuwsgierigheid te zien
en was ontroerd door haar bereidheid
om naar voren te komen.

Totdat ze met één hand het kindje Jezus uit de kribbe greep,
hem in haar zak stopte en snel door de zijdeur verdween.

Het was even aanstootgevend, onmiskenbaar grappig
en vreemd genoeg ook onthullend.

Want hoe gemakkelijk was het voor Jezus
om weggehaald te worden,
uit het middelpunt te worden verwijderd,
en zomaar ergens anders neergezet te worden?
Ondanks tweeduizend jaar aan afbeeldingen van Jezus
als het hulpeloos kind van Kerst,
leerde deze ontvoering uit de kerststal
me de verantwoordelijkheid van goed geloven;
met integriteit, respect en zorg.

Als een christen immers zijn geloof niet onderzoekt,
loopt hij het risico het karakter van Jezus
te herinterpreteren naar zijn eigen ideologieën en verlangens.
Of het weg te geven aan iemand anders;
waardoor de integriteit ervan verloren gaat.
Geloof kan dan worden behandeld
als iets draagbaars,
waarbij overtuiging wordt vervangen
door voorkeur en Jezus wordt overgeleverd
aan de zaak die het hardst schreeuwt.

In de huidige culturele context zien we
een toe-eigening van geloof in de politiek.
Steeds meer publieke figuren beroepen zich
op de naam van Jezus
om hun agenda te ondersteunen,
en Jezus wordt voor eigen gebruik ingezet
naar gelang als liberaal, mannelijk, progressief of nationalistisch,
zonder veel respect te tonen voor zijn ware karakter.

Geloof is minder gericht op de ontmoeting
met de Jezus die we in de Bijbel lezen
– een man uit het Midden-Oosten
zonder vaste woonplaats
die als baby de vervolging ontvluchtte
en zich als volwassene aansloot
bij mensen aan de rand van de samenleving –
en meer op het inpassen van Hem
in ieders unieke categorie
van de strijd in de 21e eeuw.

Onze cultuur accepteert over het algemeen
dat Jezus heeft bestaan
– en staat positief tegenover het idee dat hij bestaat –
maar wat we geloven over de betekenis hiervan,
en waarom we erom geven,
is een meer controversiële kwestie.

De realiteit is dat geloven vaak rommelig is.

Toen ik dit jaar een kerstboom uitkoos,
zag ik gezinnen de selectie
met bijna forensische precisie inspecteren:
perfecte puntige toppen, gelijkmatig verdeelde takken,
geen zwierige twijgen.

Maar dé perfecte kerstboom bestaat alleen in plastic.
Levende bomen zijn onvoorspelbaar.
Hun schoonheid schuilt in de geur van dennen,
de tijd die je besteedt aan het bewonderen
van hun vorm
en hoe hun karakter zich ontvouwt
naarmate de feestdagen vorderen.

Het valt me op dat geloof hierop lijkt.
We verlangen naar iets dat perfect gepolijst is,
vacuüm verpakt en immuun voor twijfel.
Maar echt geloof is complexer:
het hoort levend te zijn, te groeien en geworteld in veerkracht.
Het kost tijd en vereist regelmatige aandacht.

Als we perfectie eisen,
kunnen we uiteindelijk een geloof overhouden
dat er misschien enorm indrukwekkend uitziet,
maar oppervlakkig en gemakkelijk te wankelen is.

Voor volwassenen is Advent en Kerst
een tijd om geloof te koesteren
dat niet met de versieringen wordt meegesleept.
Laten we, net als de kinderen in The Polar Express
die wachten op de fluit,
erop vertrouwen dat er nog meer te ontdekken valt,
dat er nog meer wonderen te zien zijn.

 

Van Henri Nouwen heb ik geleerd dat bidden eigenlijk niet iets is wat je erbij doet.
Hij zegt: Bidden is niet een deel van je leven.
Bidden ís je leven, als christen.
Bidden kan zozeer deel worden van jezelf dat het wordt als ademhalen.
Ja, dat is het!
Bidden is het ademhalen van je ziel.
Nouwen zegt het ergens heel mooi:

‘Volgens mij is bidden niet aan God denken
in plaats van aan andere zaken
of tijd doorbrengen met God in plaats van met anderen.
Bidden is eerder: denken en leven ín Gods aanwezigheid.’

Bidden is nog iets anders dan een gesprek voeren met jezelf.
Zeker, tot jezelf komen, jezelf onderzoeken.
Dan hoort er zeker ook bij.
Maar bidden is een voortdurende gerichtheid van jezelf af op God.
Een voortdurende liefdevolle conversatie met God.
Zoals dat zo mooi is verwoord in dat ene vers uit Genesis.
En Henoch wandelde met God.
Alles wat hij iedere dag meemaakte nam hij door
en besprak hij met zijn hemelse vriend.
In volstrekte openheid en eerlijkheid.

Bidden zonder ophouden, dat is niet iets wat je zomaar komt aanwaaien.
We hebben als mensen van nature de neiging
om juist hele stukken van ons leven af te schermen voor God.
Daar zijn we dan voor onszelf begonnen
en zoeken we het graag allemaal zelf wel uit.
En naast onze eigen natuur
is ook onze cultuur niet per se een gebedscultuur.
We zijn vaak zo in beslag genomen
en onder de indruk van de waarneembare wereld
dat de werkelijkheid van de levende God
naar de achtergrond wordt gedrongen.
We hebben zo onze momentjes van gebed
maar gedurende hele stukken van de dag en de week
is er dan op geen enkele manier sprake van
een blijvende verbinding met God.
Ongemerkt leven we te vaak en te lang naar onze eigen inzichten
en putten we uit onze eigen kracht.

Bidden is nooit vanzelfsprekend.
Vandaag de dag niet en ook niet in de tijd van de Thessalonicenzen.
En tot zulke mensen, zoals wij zijn, van huis uit geen geboren bidders,
klinkt deze aansporing: bid zonder ophouden.
Het gebed is Gods geschenk,
juist aan mensen die vaak aan alle kanten langs Hem heen leven.

Gebed is de manier waarop God óns verandert.
Vaak denken wij dat we door bidden
Gods aandacht op ons kunnen richten.
Maar bidden is Gods handreiking om ons te helpen
om onze aandacht op Hém te richten.
Het doel van bidden is niet in de eerste plaats dat God verandert.
Het doel van bidden is eerst en vooral dat wij zelf veranderen.
Tot mensen die zich leren richten op Hem
en leven van zijn genade.
En ja, dan kan God ook in ons leven
en door ons heen op het gebed grote dingen doen.

Er zit in ons allen vaak iets van een zwoeger.
Een doe-het-zelver, die bij zo’n tekst als bid zonder ophouden
al snel kan denken:
oké, geef eens wat tips, dan ga ik er mee aan de slag.
Dat is niet wat deze woorden willen bewerken.
Bidden zonder ophouden is niet iets
dat je even op je eigen houtje kunt fixen.
Je kunt je niet opwerken tot zo’n biddende levensstijl.

Je kent misschien het verhaal van die Russische pelgrim:
Hij gaat op een dag een kerk binnen
en wordt daar diep getroffen
door juist dit vers uit 1 Thessalonicenzen 5: ‘Bid zonder ophouden’.
Er groeit in zijn hart een sterk verlangen
om te gaan doen wat deze woorden van hem vragen.
Om te gaan bidden zonder op te houden.
Maar hoe doe je dat?
Hij zoekt in boeken en vraagt priesters ernaar
maar niemand kan het hem uitleggen.

Tot hij op een dag een eenvoudige monnik ontmoet
die het niet alleen weet maar ook zelf doet.
Hij leert van die eenvoudige monnik
om eenvoudigweg het Jezusgebed te bidden.
Het is een gebed van één zin
en dat begint hij te bidden:

Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar.

Eerst bidt de pelgrim dit Jezusgebed hardop, later in het hart.
En langzaam wordt het iets van een tweede natuur.
Hij draagt dat ene korte Jezusgebed
als het ware op zijn adem mee.
Op den duur komt dat ene gebed steeds opnieuw
als vanzelf in zijn binnenste tot klinken.
Zo leert hij wat het is om te bidden zonder ophouden.

Laat je je voor het eerst of weer opnieuw
inschrijven op de school van gebed.
En je toeleggen op bidden zonder ophouden.
Je hoeft niets anders mee te brengen dan verlangen.
Verlangen naar God.
Augustinus zag het hartstochtelijk verlangen
als het onophoudelijke gebed bij uitstek.
Hij zegt:

Wij zijn niet in staat om voortdurend bewust tot God te spreken
of onze handen op te heffen of neer te knielen.
Maar het hartstochtelijke verlangen kan wel altijd in ons zijn.
Wanneer je het bidden niet wil onderbreken,
onderbreek dan het verlangen niet

 

Soms is het goed, wanneer de mens even moet wachten.
Want wij mensen leven vaak veel te gehaast.
Wij hebben geen tijd meer om te ‘wachten’,
om even tot bezinning te komen,
het even laten bezinken, tot inkeer komen
en alles opnieuw op een rijtje te zetten.
Zeker de grote dingen en beslissingen in je leven
hebben een tijd van wachten, verwachten, nodig.
Voorbereiding, bezinning, wikken en wegen.
Zo wachtte Johannes de Doper in de woestijn
en Jezus deed dat ook, veertig dagen lang.
En Israël moest 40 jaar wachten,
voordat zij het Beloofde Land mocht binnentreden.
En Paulus moest na zijn bekering 6 jaar wachten in de Arabische woestijn.
De woestijn is dus een wachtplaats,
waar mensen zich zelf leren vinden
en hun roeping en bovenal God Zelf!
Het is goed voor een mens om even in de woestijn te moeten verkeren,
letterlijk en figuurlijk.
In het Koninkrijk van God zijn tijden en gelegenheden,
maar ook wachttijden.
Laten we daar maar eens op letten!

Maar ‘wachten’ hoeft niet te betekenen, dat je dan niets doet.
Het is niet wachten op de trein of de bus.
Met de handen over elkaar!
Nee, je kunt in die tijd al vast vooruit lopen
op wat er gaat gebeuren.
Dat zie je hier bij de discipelen.
Zij werden actief:
‘Zij gingen naar de bovenzaal, en daar bleven zij eendrachtig bijeen.
(…) vurig en eensgezind wijdden ze zich aan het gebed.’
ten eerste springt het woord ‘eendrachtig’ er uit.
Allemaal zijn zij verdrietig, allemaal hebben zij troost nodig,
allemaal hielden zij zoveel van de Heer.
En dat verbindt hen, maakt hen eendrachtig.
Zij denken niet meer aan zichzelf,
maar aan de Meester
en hadden daarin ook oog voor elkaar, voor elkaars verdriet.
Eén gevoel leeft er in ieders hart, éénzelfde gemis houdt hen samen,
éénzelfde hoop houdt hen staande:
de vervulling van de belofte van de Vader.
Zij denken aan het afscheidswoord van de Heer:
‘Ik zal u niet als wezen achterlaten, zie, Ik kom tot u!’
Zo voelen zij zich ook, als wezen,
Daarom – ten tweede – volharden zij zo in het gebed:
zij bleven bidden dat de Heiland maar weer tot hen mag komen!
En zo wordt ook het verlangen in hen gewekt,
het verlangen naar de Geest,
die Jezus beloofd had. De Trooster,
Die hen in alle waarheid zou gaan leiden.
Wat hadden zij Die nodig!
Want, eerlijk gezegd, zij begrepen er niet veel van.
Er zou ook aan de discipelen nog heel wat uit te leggen zijn.
Ook daar hadden zij de Heilige Geest voor nodig.
Net als wij.
Die Geest moet ons de woorden van de Heiland indachtig maken
en ook Zijn daden en wat er met Hem is gebeurd.
Daar moeten ook wij om bidden.
Eendrachtig, ja, alle kerken en gelovigen met elkaar!

klok

We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.

‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.

Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan:                                                         ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’