De verwaarloosde betekenis van Advent

Ondanks de uitdaging om de oorsprong van Advent te achterhalen,
zijn twee dingen historisch gezien duidelijk over de viering zelf.
Ten eerste waren de weken voorafgaand aan Kerst,
in tegenstelling tot de vastentijd;
– een sobere periode van vasten,
bezinning over het lijden van Christus –
vol vreugde en feestelijkheid.
Tijdens Advent keek de kerk terug
om de incarnatie te vieren
als de vervulling van Gods belofte
om zijn volk te verlossen van zonde en de dood (Genesis 3:15).
De kerk verheugde zich met de apostel Johannes:
Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1).
De diensten met Advent werden vaak afgesloten
met de doop en benadrukten nieuw leven
en de vereniging met de vleesgeworden Christus.

Wat echter vaak wordt verwaarloosd,
is dat diensten tijdens Advent
ook naar de toekomst keken.
De term ‘advent’ (Latijn: adventus)
is de vertaling van het Griekse woord parousia,
een woord dat in het Nieuwe Testament
altijd verwijst naar de wederkomst van de Messias.
Advent ziet uit naar de uiteindelijke vervulling
van alles wat Jezus’ incarnatie met Kerst in gang heeft gezet.
Daarom concentreerden adventspreken zich,
in plaats van op de geboorteverhalen in de evangeliën,
vaak op eschatologische passages
(zoals Lucas 21:25-36 en Matteüs 24:37-44)
of op de triomfantelijke intocht (Matteüs 21:1-9)
als een vreugdevolle verwachting
van Jezus’ zegevierende wederkomst.
Paus Leo I (400-461) herinnerde zijn gemeente eraan
dat Kerst zowel terug als vooruit keek:

‘Omdat we dus geboren zijn voor het heden
en herboren voor de toekomst,
laten we ons niet overgeven aan tijdelijke goederen,
maar aan eeuwige.
En om onze hoop beter te kunnen aanschouwen,
laten we nadenken over wat
de Goddelijke Genade onze natuur heeft geschonken,
juist op de dag dat we het mysterie
van de geboortedag van de Heer vieren.
Laten we luisteren naar de apostel,
die zegt: “Want u bent gestorven en uw leven
is met Christus verborgen in God.
Maar wanneer Christus, die uw leven is,
verschijnt, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid”,
die leeft en heerst met de Vader en de Heilige Geest,
voor eeuwig en altijd.’

Liederen van de Wederkomst

Deze toekomstgerichtheid kwam
niet alleen tot uiting in preken,
maar ook in liederen.
Misschien verwaarlozen we dan
wellicht de toekomstgerichtheid van Advent
in onze hedendaagse viering,
waar thema’s als hoop, vreugde, vrede en liefde,
de boventoon voeren.
Maar het thema van Jezus’ wederkomst is, verbazingwekkend genoeg,
diepgeworteld in onze favoriete kerstliederen.
De geschiedenis belicht de rijkdom
van de viering en verwachting van Advent.
En een praktische manier om de diepe vreugde
van deze toekomstgerichte tijd te hervinden,
zou gewoon kunnen zijn te geloven wat we zingen.

Kijk bijvoorbeeld hoe Isaac Watts’ (1674–1748)Joy to the World
Jezus’ glorieuze wederkomst
en zijn toekomstige koninkrijk viert
waar zonde en verdriet niet meer bestaan (Openbaring 21:4):

Jubel het uit.
De Heer is hier;
ontvang het koningskind!
Als redder van de aarde
geeft Hij het leven waarde.
Dus hemel en aarde, zingt!

Jubel het uit.
De Heer regeert;
wees blij, verhef je stem!
Zing als de schepping juicht,
aanbiddend voor Hem buigt
een vreugdelied voor Hem!

Zijn koningschap
zal eeuwig zijn,
rechtvaardig en vol kracht!
Laat ieder volk op aarde
zijn heerlijkheid ervaren;
de liefde die Hij bracht!
(Opwekking 525)

En in de zesde eeuw ontstond een reeks van zeven adventsliederen,
één voor elke dag van de week in de aanloop naar Kerst.
Deze zogenaamde Grote Antifonen (of de “O”-antifonen)
drukken elk het verlangen uit naar de wederkomst van de Messias:

Ontsluit, gij die de sleutel zijt,
die opendoet en niemand sluit,
het huis van dood en duisternis
waarin uw volk gekluisterd is!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!

Koning der volken, heers alom
en, eerste van de aarde, kom!
Gij hoeksteen, maak ons samen één,
verzamel allen om u heen!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!
(gezang 125)

 

Maria speelt een heel bijzondere rol in de heilsgeschiedenis.
In de Apostolische Geloofsbelijdenis
wordt haar naam dan ook met ere genoemd:
‘geboren uit de maagd Maria’.
Op cruciale momenten in het leven van Jezus
zijn het steeds vrouwen die Hem erkennen:
Maria de zus van Lazarus; de vrouwen op de opstandingsmorgen.
Deze Maria is de ‘moeder Gods’.
In de Bijbel vinden we meer roepingsverhalen:
Abram, Mozes, Jeremia.
God roept nu door Gabriël een jong meisje in een achteraf-stadje.
Er klinkt een bijzondere groet: de hemel feliciteert Maria
met haar aanstaande zwangerschap.
God gaat grote dingen doen in een klein plaatsje,
bijzondere dingen in een gewoon meisjesleven.
De engel eert Maria als Gods begenadigde en wenst haar vreugde toe.
Zij mag zich omringd weten door Gods Tegenwoordigheid.
Maria schrikt ervan en ze vraagt zich verward af wat deze begroeting betekent.
Ze overweegt de woorden, want Maria heeft wat met woorden (Lucas 1:29; 2:19; 2:51).
Zo wordt Maria geroepen:
God vraagt iets van haar waardoor haar leven totaal op z’n kop komt te staan.
Hoe zou jij reageren?
‘Maria vraagt hoe dat wel kan, want Jozef is nog niet haar man.’
Ze heeft dus wel haar vragen, maar als ze het antwoord heeft gehoord
(‘Het Koningskind dat jij verwacht, het is een wonder van Gods kracht’)
geeft ze zich helemaal over.
Heel anders dan eeuwen geleden Sara.
Zij lacht als ze hoort dat ze moeder zal worden,
want ze vindt het een bespottelijke gedachte.
‘Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?’ ‘Ja’, zegt Sara.
Maria lacht niet. Zij lijkt op haar Heer die nog geboren moet worden:
zo Zoon, zo moeder.
‘De Heer wil ik dienen!’
Zo leefde ook Jezus:
‘De Mensenzoon is gekomen om te dienen’ (Marcus 10:45).
Dienen is je overgeven aan de wil van God.
‘Wie Mij dient zal door de Vader geëerd worden.’ (Johannes 12:26).
Nee, dienen zit ons vaak niet in het bloed.
Graag houden we ons leven zelf in de hand.
Maar wie zich overgeeft aan God, laat zich leiden door de vraag:
‘Here, wat wilt U met mijn leven doen?’

 

In de kersttijd gonst het van religieuze activiteiten.

Voor zover er sprake is van een hoger adres

komt veelal ‘de lieve Heer’ in beeld.

God als Allemansvriend.

Maar Kerst is in werkelijkheid een schokkend gebeuren,

te waar om mooi te zijn.

In het boek Spreuken staat een mooie zin:

‘Een vriend heeft te allen tijde lief,

maar een broeder is voor de nood geboren’ (17:17).

Een spreuk heeft vaak iets oubolligs.

Zo belegen dat de schimmel erop staat.

Maar de Bijbelse Spreuken zijn anders.

Er is alom sprake van leven, eerbiedig leven,

met een uitstraling naar alles en allen.

Het hart klopt in de geheimzinnige woorden:

de vreze des Heren.

Dat wil zeggen, zorgvuldig cirkelend om dit geheim:

de eerbiedig omgang met de Hoog-Heilige.

Al doende wordt wijsheid ontvangen en geboren:

wegwijs in de wirwar van dit ondermaanse.

Het boek Spreuken weet van vrienden die te goeder trouw zijn.

Hier gaat het echter over een vriend, die een soort schaduwfiguur is.

Je ziet hem alleen maar als de zon schijnt.

Wanneer hij in geval van nood niet de benen neemt,

heeft hij ‘te allen tijde’ wel aan passend woordje bij de hand.

Hij raakt nooit van slag, nimmer in verlegenheid.

Voor alle situaties weet hij wel iets te zeggen,

dat je zelf overigens ook kunt bedenken:

Moed verloren, al verloren!

Laat je niet kisten, maar zet ‘m op!

Na regen komt zonneschijn!

Anders gezegd, met een godsdienstig sausje:

Vraag niet waarom, maar waartoe!

De mens wikt, maar God beschikt!

Wie deze voorspelbare reacties, hoe goed ook bedoeld,

op zich in laat werken, herkent de verzuchting

van een student in de theologie in Engeland.

Hij hoorde z’n hoogleraar oreren, alsof alles klopte als een bus.

Die aankomende predikant

zag zichzelf al zitten aan het sterfbed van een moeder

met drie jonge kinderen, of gaan in de slums,

de achterbuurten van Londen.

Daarom vroeg hij aan de hooggeleerde:

‘It may be true, but is it real?’

Het is misschien wel waar,

maar is het ook levensecht, werkt het ook?

Een broeder is voor de nood geboren.

Hij is een vriend, die ook en vooral in de diepte,

in het donker niet verstek laat gaan.

Een vriend is iemand die je kiest.

De band van vriendschap kan verbroken worden.

Een broeder daarentegen is iemand die je geschonken wordt.

Die band kan nooit meer stuk, wat er ook gebeurt.

De Here God wordt soms aangeduid als Vriend,

maar Hij is nog veel meer een Broeder,

voor de nood geboren.

Daarom heeft Hij ons bestaan gedeeld:

‘Het Woord is vlees geworden’.

‘Vlees’ tekent ons krakkemikkige bestaan,

dat sterfelijk, stoffelijk en schuldig is.

Met de woorden van dr. Oepke Noordmans:

‘Zo is Jezus op aarde gekomen; temidden van een evacuerende menigte.

De nood van het volk is de poort geweest, waardoor Hij binnenkwam.

Hij heeft ons vlees aangenomen met die nood erbij’.

Hij is ‘vlees geworden’.

Die Bijbelse zegswijze

‘drukt niet uit wat Hij is, maar wat Hij geworden is:

zijn zwakheid, zijn zonde, zijn nood, zijn dood’.

Deze Ene, voor allen gekomen,

‘ligt niet in de kribbe als een toonbeeld van menselijkheid,

maar Hij ligt daar als een metgezel van allen,

wier menselijkheid problematisch is geworden’.

Dat Evangelie mogen we aannemen,

‘niet met enkele daarvoor uitgezochte nette en humane eigenschappen,

maar met de stukken rauwe werkelijkheid,

die zich aan alle kanten aan ons vasthechten.

Met ons vlees’.

Daarvan wordt ook uitbundig gezongen (Gezang 117:3 (LvdK) ):

Ver van de troon der tronen

en ’s hemels zonneschijn

wilt Ge onder mensen wonen

der mensen broeder zijn.

Het is één van de grootste problemen die veel mensen ervaren
tijdens deze coronacrisis: hoe houd ik afstand?
Want dat is het dringende advies:
Houd anderhalve meter afstand!
We ervaren steeds meer afstand van veel dierbare medemensen,
en de mens van oorsprong een sociaal wezen is
dat behoefte heeft aan nabijheid.
Die afstand kunnen mensen ook ervaren ten opzichte van God.
Zeker in deze tijd.
Hij is ver en hoog in de hemel. Afstand, verbijstering, verwijt.
Waarom laat Hij dit alles toe!
Het is een vaak gedeelde ervaring in de gemeente van nu.
Afstand ervaren, ja tot elkaar
en misschien daardoor ook tot God, minder beleving.
‘Ik beleef veel minder aan de dienst’.
Maar je kunt ook los van de pandemie
kun je geconfronteerd worden met je eigen moeheid om te geloven.
Probeer die impasse voor je te zien.
Iemand die merkt dat het niet meer werkt, die zichzelf ziet verharden.
Dat is misschien een enkeling maar die heeft dan een signaalfunctie. Iemand die van zichzelf durft te zeggen:
het is alsof er niets gebeurd is en alles is kwijt.
Ik bid nog en ik hoor mezelf en tegelijk denk ik dat het niet helpt.
Vroeger wel maar nu niet.
Ik wen eraan, ik geniet nog van de kinderen in de kerk
maar innerlijk word ik onbewogen, minder ontvankelijk.
Die eenling toont misschien wat meer christenen vandaag ervaren.
Waarom houdt God die als de Almachtige volop bezig is
zich als de Genadige zo ver van mij, nu.
Dat is spannend en het kan een valkuil zijn:
opgaan in zelfbeklag, je hart toesluiten.
Maar juist met Kerst komt deze God in Jezus naast ons staan.
Hij bevrijdt van zonden, die geen fouten zijn
maar een impasse waar je jezelf niet uit gelooft.
Hij komt daarom zelf in een lichaam dat het onze is.
Jezus is echt iets nieuws,
iets onmogelijks (maagdelijke geboorte) voor mensen
die met geen mogelijkheid nog bij God uitkomen. Dit is God. Immanuel.
Het lichaam van Jezus is belangrijk.
Hij brengt je op een lichamelijke manier bij de Vader.
Zo mag dat iets los te maken,
het verlangen naar een eerlijk leven aanwakkeren,
een biecht die niet alleen oplucht maar die ons meer aan Christus verbindt. Zijn ogen op de mijne, zijn hart tegen het mijne aan.
Zulke woorden mag je gebruiken
omdat je ook met je lichaam Jezus Christus toebehoort?
Jezus is de Bevrijder van zonden door zijn lichaam en bloed
maar ook door de Geest die Hem geboren deed worden.
Bevrijd zijn van zonden is vergeving hebben
maar ook vrij zijn om nu, in dit heden, het goede te doen.
Om een Jozef te zijn, die in een complexe realiteit doet wat zijn roeping is. Niet gemakkelijk, voor hem betekent het dat hij moet vertrekken,
reizen, vluchten en een tijd in onthouding leven.
Dat is gehoorzaamheid misschien ook voor ons nu.
Dat je opgeroepen wordt het uit te houden met jezelf
voor het aangezicht van God.
Daarin blijven we adventsmensen.
Mensen op weg, levend van verwachting!