Ik heb een geloofssysteem,
een verhaal waarnaar ik leef,
een lens waardoor ik de wereld waarneem.

Dat maakt me niet ongewoon
of op enigerlei wijze anders dan anderen
– want we hebben ze allemaal,
of we ons er nu van bewust zijn of niet.
Wat me misschien anders maakt dan jou,
is dat die van mij voornamelijk aan mij
worden uitgelegd via een boek
– of, preciezer gezegd,
een bibliotheek van zesenzestig boeken –
die we de Bijbel noemen.

Het verhaal waar ik naar leef,
dat ik in- en uitadem, is gebonden.
Het zit in een kaft, het beweegt zich door de pagina’s,
het ontvouwt zich volgens een inhoudsopgave
– het heeft genre, het heeft auteurs, het heeft leestekens.

En ik heb dit nooit echt vreemd gevonden.

Ik denk dat het komt doordat ik ben
wat Charles Taylor een ‘verhalend wezen’ zou noemen;
mijn standaard is om de wereld grotendeels
op een verbeeldingsvol niveau te begrijpen.
Soms voelt het alsof er woorden
door mijn aderen stromen.
En zo leent mijn persoonlijkheid
zich er spectaculair goed voor
om mijn leven te leiden
volgens een spirituele bibliotheek met 66 boeken.
Ik heb nooit echt hoeven worstelen
met de vreemdheid van zoiets,
ik heb mezelf nooit echt afgevraagd:
‘waarom een boek?’

Wat christenen door de tijd en plaats heen,
de Bijbel noemen, is een bloemlezing
van 66 boeken, geschreven door zo’n 40 auteurs,
in drie talen, over een periode van zo’n 1400 jaar.
Er zijn poëzie, verhalen, apocalyptische literatuur,
erotische literatuur, lijsten en figuren,
instructies en verklaringen in te vinden.
Het is – jaar in jaar uit –
het bestverkochte boek ter wereld,
met meer dan 100 miljoen
verkochte of geschonken exemplaren per jaar.
De New York Times Bestseller List
laat het zelfs weg uit de lijst,
omdat het anders altijd zo saai zou staan,
comfortabel bovenaan.
Geen enkel ander boek
komt er ooit in de buurt.
Woorden uit dit literaire hoogtepunt,
ze zijn gegraveerd in vloeren en muren,
ze zijn verweven in bijna elk werk van bijvoorbeeld Vondel,
ze zijn soms onhandig op billboards gespoten.

Waarom ben ik
– een ontwikkelde, ontgoochelde volwassene uit de 21e eeuw–
zo bereid geweest om deze dingen mijn innerlijk te laten vormen?
Waarom word ik er zo door geraakt?
Tot actie, tot tranen toe, tot woede.
Hoe kan ik iets lezen
dat duizenden jaren geleden is geschreven,
in een deel van de wereld
waar ik nog nooit ben geweest,
en op de een of andere manier
het gevoel hebben dat het een liefdesbrief is
die uitsluitend aan mijn eigen ziel is geschreven?

Ik denk dat dat de echte vragen zijn,
de vragen waarop ik zowel
duizend als nul antwoorden heb.

Geen antwoorden,
omdat ik fundamenteel denk dat het iets spiritueels is,
het iets is dat door God ontworpen is,
iets dat elke verklaring
die ik zou kunnen bedenken te boven gaat.
De God waarvan ik geloof dat Hij bestaat,
wil dat ik Hem leer kennen,
wil dat ik leer en studeer,
wil dat ik een glimp opvang van
hoe Hij denkt, hoe Hij werkt,
wat Hij van mij – en jou – voelt.
Dat is iets wilds en wonderbaarlijks.
Die realiteit doet me niet alleen versteld staan,
maar ook van het verlangen erachter, zoals Augustinus schreef:

‘De hele Bijbel vertelt niets anders dan over Gods liefde’.

En, zoals elk literair werk,
geeft het zijn betekenis niet zomaar prijs;
het vereist dat ik erbij zit,
het uitgraaf, erop knaag als een hond
met een bot.

Soms voelt het lezen ervan
als een balsem voor mijn hart,
andere keren
als een worsteling door de modder.

Maar ik denk dat dat juist
het mooie is aan een boek, toch?
Mijn wereldbeeld zit verscholen
in een stuk literatuur
dat versierd is met mijn krabbels,
vlekken van tranen en gemorste koffie.
Een boek dat me elke dag weer tegemoet komt,
klaar om mij te lezen
terwijl ik het lees,
en me evenveel vragen als antwoorden te geven.

 

Onlangs las ik: ik ben blij dat Thomas in de Bijbel voorkomt.
Hij stelt namelijk de vragen die mij ook telkens bezighouden.
Daarin staat de schrijver kennelijk niet alleen.
We komen de naam Thomas ook nogal eens tegen in gedichtenbundels.
Thomas met zijn pessimistische kijk op de dingen, met zijn twijfel,
altijd wat somber gestemd,
vertolkt kennelijk de gevoelens van vele gelovigen.
Hij lijkt wel de meest moderne van de discipelen, echt iemand van onze tijd.
Een van die mensen die te vaak ontgoocheld zijn in hun leven
en daardoor teleurgesteld zijn geraakt in mensen.
Ze zijn met mooie hoogdravende woorden verkeerd uitgekomen.
Ze hebben ook in de kerk hun teleurstellingen gehad, ambtsdragers vielen tegen:
vandaar dat pessimisme.
Maar aan de andere kant is daar in hun hart
ook vaak de hunkering naar het echte geloof.
Ze zijn bang dat hun hoop opnieuw beschaamd wordt met nieuwe pijn.
Daarom moet je reëel en nuchter zijn, vinden ze.
Dat zie je telkens in het optreden van Thomas.
Als de Here Jezus in verband met het sterven van Lazarus naar Judea wil gaan is zijn reactie:
‘Laten wij ook gaan om met Hem te sterven.’
Het zal daar in Jeruzalem wel op zijn dood uitlopen.
Er komt van Christus’ mooie idealen toch niets terecht.
Hij is een ervaring rijker, maar een illusie armer.
Het leek zo prachtig te worden maar het werd een groot debacle.
Al zijn verwachtingen ziet Thomas stukslaan op de harde werkelijkheid.
Er komt van de kerk van Christus niets terecht.
En hij had het zo graag gewild; daarom is zijn teleurstelling zo groot.
Het is opnieuw Thomas,
die in de zaal van het avondmaal met zijn opmerkingen de sfeer doorbreekt.
De Here Jezus spreekt over weggaan en wil zijn discipelen troosten.
En dan komen die nuchtere woorden:
‘Wij weten niet eens waar u naartoe gaat, Heer,
hoe zouden we dan de weg daarheen kunnen weten?’
Een erg kritische, bijna cynische opmerking.
De woorden van een man die het moeilijk had met
wat hij zag als de afloop van het werk van Jezus.
En dan op de paasdag is het nog erger. Hij heeft wel gelijk gehad.
Nu is het tijd om de werkelijkheid onder ogen te zien. De bittere werkelijkheid!
Figuren als Thomas lopen er zo veel rond. Zijn wij soms ook niet ontgoocheld?
Wat is er terechtgekomen van onze jeugdige en gelovige idealen?
Wat zien we soms in de kerk gebeuren?
We missen het elan, het loopt op niets uit.
Onze kinderen of kleinkinderen krijgen we niet mee op de weg;
we zijn teleurgesteld in mensen.
Vooral in kerkmensen.
Dat kan je bij tijden maken tot een mens als Thomas.
Je twijfelt aan het belang van veel zaken.
Je twijfelt aan de toekomst van de kerk.
Je wordt een beetje bitter.
Heb je daarvoor je krachten gegeven?
En ook de Here handelt wel eens anders dan je zo zielsgraag had gewild.
Dat maakt het weleens moeilijk om niet cynisch en kritisch te worden.
Wat ben je dankbaar dat je deze Thomas tegenkomt
die de vragen stelt en de opmerkingen maakt die ook op het puntje van jouw tong liggen.
En als je dan ziet dat de Here Jezus hem met alle geduld en liefde komt opzoeken,
dan weet je:
er is ook voor mij toekomst.
Ook met mij heeft de Here geduld.
Elke keer komt Hijzelf naar je toe, gehuld in gewaad van het Evangelie.
En we tasten het met onze handen: een gebroken lichaam.
We zien het met onze ogen: vergoten bloed.
We proeven zijn liefde.
Dan is er – ondanks alles wat misschien moeilijk te begrijpen is
toch maar één naam over:
‘Mijn Here en mijn God.’

 

Veel van onze evangelisatiebenaderingen gaan ervan uit

dat mensen vragen hebben over het christelijk geloof.

Maar hoe betrekken we mensen

die er in het geheel geen last van lijken te hebben?

Ik stel je voor aan Pim.

Hij is een van de moeilijkste mensen om een gesprek

over Jezus mee te beginnen.

Want Pim is niet anti, noch vijandig,

hij is gewoon volkomen ongeïnteresseerd in het geloof.

Pim was opgegroeid in een christelijk gezin,

maar was als tiener van zijn geloof afgestapt.

Nu wist hij niet wat hij geloofde, maar dat deerde hem niet.

Tijdens een gesprek, toen ik Jezus noemde, antwoordde Pim:

‘Kijk, God kan mij niets schelen’.

Ik deinsde een beetje achteruit

en hij vertelde verder:

‘Het leven is leuk! Ik heb de baan die ik wil, de auto die ik wil, de flat die ik wil,

de vrouw die ik wil. Waar komt God erbij, dan?”

Ik ken nog meer mensen zoals Pim en jij misschien ook.

Vrienden, collega’s, buren en zelfs familieleden,

die zich blijkbaar niets aantrekken van geestelijke zaken.

Als je met ze over geloof probeert te praten,

kan het voelen alsof je mist aan de muur probeert te spijkeren.

Uit een recent onderzoek bleek dat dit type persoon in aantal groeit.

Het lijkt erop dat steeds meer mensen het niets kunnen schelen:

nee, ze zijn geen atheïst, ze zijn ‘apatheïstisch‘.

Hoe bereiken we mensen zoals Pim?

Zoals ik al eerder aangaf:

veel van onze evangelisatiebenaderingen

gaan ervan uit dat mensen erom geven of vragen hebben.

Maar hoe betrekken we hen die er geen lijken te hebben?

Dit is waar een voorvraag enorm behulpzaam kan zijn.

Een vraag die zich afvraagt, is gebaseerd op,

het verschil tussen ergens naar kijken en ergens doorheen kijken.

In een essay van ruim honderd jaar geleden vraagt

schrijver F.W. Boreham ons een telescoop voor te stellen die bij een raam staat.

Nu kun je naar de telescoop kijken en de koperen fittingen bewonderen,

hoe goed hij is ontworpen, enzovoort.

Of je kunt naar de telescoop gaan, er doorheen kijken en aanschouwen!

Je zult verbazingwekkende dingen zien als je naar de nachtelijke hemel tuurt.

En dat verschil tussen kijken en dóórkijken

geldt ook voor veel van onze dagelijkse ervaringen.

Laat ik dit illustreren aan de hand van een gesprek dat enige tijd geleden plaatsvond

tussen de Canadese psycholoog Jordan Peterson (beroemd vaag over God)

en de Britse psycholoog en presentator Susan Blackmore.

Susan is atheïst, maar meer nog,

Susan zou zeggen dat ze letterlijk geen enkel nut in religieus geloof ziet.

Ze geeft gewoon niets om God.

Maar halverwege het gesprek merkte Susan op:

De afgelopen jaren heb ik de gewoonte gehad om ’s ochtends wakker te worden

(zelfs als het regent), naar buiten te kijken en

‘Wauw!’ te zeggen, als een gevoel van dankbaarheid.

Geen dankbaarheid tegenover God, of wie dan ook, of wat dan ook,

gewoon vrij zwevende dankbaarheid.’

Ze werkte het idee verder uit:

Vanochtend keek ik bijvoorbeeld naar buiten en het was zo groen,

we hebben vorst gehad en het was de afgelopen dagen wit,

maar vanochtend was het groen.

En [ik voelde] dankbaarheid jegens het universum, als je het een naam wil geven.

Het is niet echt ‘god’ omdat het geen schepper is,

maar het is ook niet iets waar ik voor kan bidden.’

Er is hier een voor de hand liggende vraag, en Jordan stelde die:

‘Dus waarom zou je daar dan dankbaarheid voor voelen?’

Waarop Susan reageerde met de onsterfelijke woorden: ‘Ik weet het niet.’

Ik denk dat Susan ermee worstelde dat als je denkt

dat we in een universum leven waar atomen de ultieme realiteit zijn,

waar de wetenschap alles kan verklaren

in termen van materiële processen, dankbaarheid niet past.

Maar als Susan haar slaapkamerraam opengooit, wil ze instinctief roepen:

‘Wauw! Bedankt!’

Misschien is het probleem dat Susan

naar de ervaring van dankbaarheid kijkt,

in plaats van er doorheen.

Waar zou dankbaarheid op kunnen wijzen als je er doorheen keek,

in plaats van alleen maar aan te nemen

dat het een paar synapsen waren die niet werkten?

Ik zou Susan graag willen vragen:

‘Heb je je ooit afgevraagd waarom dankbaarheid zoveel voor ons betekent?

Misschien ontbreekt het velen van ons niet aan dingen om dankbaar voor te zijn,

maar misschien ontbreekt het sommigen van ons

aan iemand om dankbaar voor te zijn?’

 

Een ander voorbeeld van een vraag komt van Michael,

die met een student aan het chatten was.

Toen die ontdekte dat Michael een christen was,

flapte de student eruit: ‘Ik houd niet van God!’

‘maar waar houd je dan wel van?’ vroeg Michael.

‘Liefde!’ antwoordde de leerling.

‘Dat is geweldig,’ antwoordde Michael.

‘Heb je je ooit afgevraagd wat liefde is?’

De student dacht even na voordat hij antwoordde:

‘Ik weet het niet zeker’.

‘Aangezien jij niet van God houdt,’ antwoordde Michael,

‘zullen we dan een biologische verklaring proberen.

Kunnen we zeggen dat liefde een chemische reactie is

die in onze hersenen is ontwikkeld,

om ons aangetrokken te voelen tot mensen

(meestal van het andere geslacht),

zodat we ons kunnen voortplanten

en het menselijk ras draaiende kunnen houden?’

‘Dat is een onzinverklaring!’

zei de studente.

Michael vroeg haar vervolgens of ze zich ooit had afgevraagd

waarom ze liefde zo belangrijk vond

en waarom, als ze echt een atheïst was,

een puur materialistisch antwoord niet genoeg was.

Bovendien, als we niet alleen naar liefde kijken

(‘Hoera, ik voel me liefdevol vandaag, mijn genen werken correct!’),

maar door de ervaring, zou het misschien zo kunnen zijn

dat liefde in de zin dat de meeste mensen

het woord gebruiken meer maakt zin

binnen een christelijke kijk op de wereld?

Met een verwonderende vraag is je doel:
· Zoek iets waar je vriend om geeft
· Wees geïnteresseerd en stel vragen
· Gebruik een verwonderende vraag om zachtjes het idee

te introduceren dat datgene waar je vriend om geeft

niet goed past in een goddeloze wereld
· Laat zien hoe Jezus dit het meest logisch maakt

 

Een ander voorbeeld:

Toen ik de Amnesty International-sticker

op de achterruit van de auto van Pim zag,

vonden we eindelijk een manier

om geestelijk gesprekken te voeren en vroeg ik:

‘Heb je je afgevraagd waarom je om gerechtigheid geeft?’

Daar heb je een opening…

En nee, hoewel ik er een nieuwe draai aan heb gegeven

dit is geen compleet nieuwe aanpak:

Paulus gebruikt het in Athene in Handelingen 17,16-34,

of zoals C.S. Lewis in eens zei:

‘Ik geloof in het christendom net zoals ik geloof in het opgaan van zon,

niet alleen omdat ik hem zie, maar omdat ik daardoor al het andere zie.’

 

Omdat het christendom licht werpt op al het andere,

is het stellen van geïnteresseerde vragen over datgene waar mensen om geven

een mooie, zachte en krachtige stap naar gesprekken over het evangelie.

 

In de vorige eeuw dachten veel mensen dat religie op zijn retour was.
Zoals politicoloog Francis Fukuyama het verwoordde,
werd er algemeen aangenomen dat
‘religie zou verdwijnen en alleen vervangen zou worden door seculier,
wetenschappelijk rationalisme.’
Maar weinig mensen geloven dit nog.
Ook Fukuyama zelf is van gedachten veranderd en zegt dat religie ‘niet zal verdwijnen.’

Maar waarom weigert religie te verdwijnen?
We willen suggereren dat een van de belangrijkste redenen voor het voortbestaan van geloof
is dat er vragen zijn waar niemand volledig aan kan ontsnappen die leiden naar religie.
Religie, of geloof, richt zich op vragen waar niemand volledig aan kan ontsnappen:
waarom is er iets in plaats van niets?
Waar komt het allemaal vandaan?
Heeft dit leven zin?
En wat gebeurt er na de dood?
Geloofstradities zijn experts in zulke ultieme vragen
en het is heel moeilijk voor iemand om deze vragen volledig te vermijden.

Deze vragen die de meeste mensen op een bepaald moment in hun leven tegenkomen,
draaien om betekenis:
Wat is het nut van opgroeien, zou een tiener kunnen vragen?
Wat is het nut van mijn werk, vragen we ons later misschien af.

Vooral wanneer we te maken krijgen met frustraties, mislukkingen en uitdagingen,
dan vragen we ons misschien af wat voor verschil we maken voor de wereld.
Zou iemand me missen als ik er niet was, vragen we ons misschien af?
Zal iemand zich me herinneren als ik sterf?

Want uiteindelijk komt iedereen op een gegeven moment in aanraking met de dood.
Ook al worden we gespaard van de pijn van vrienden die jong sterven,
het is de natuurlijke oorzaak van de wereld dat onze grootouders en onze ouders
op een dag zullen sterven.
Wat doen we als we worden geconfronteerd met zo’n verlies?
Het is moeilijk om niet te vragen: ‘waar is mijn geliefde nu?’
En ‘is er hoop om onze geliefden ooit weer te zien?’

Dit zijn het soort vragen waar niemand in zijn leven volledig aan kan ontsnappen:
ze komen altijd weer op en dringen zich op aan ons bewustzijn.
Toch zijn deze vragen over het begin, de betekenis
en het einde de vragen waar religie zich mee bezighoudt.
En hier ligt een belangrijk antwoord, denken we,
op de vraag waarom geloof niet zomaar zal verdwijnen:
omdat wetenschappelijk rationalisme ze niet echt kan aanpakken.

Zeker, seculier wetenschappelijk rationalisme biedt wel wat antwoorden op de vraag
hoe het leven begint – we kennen de biologie ervan verbazingwekkend goed.
En toch is biologie niet alles,
en in feite zijn het niet de biologische aspecten ervan die ons raken.
Het wonder, de hoop, de liefde die we ervaren
wanneer we worden geconfronteerd met het begin van het leven,
is meer dan wat rationeel of wetenschappelijk kan worden verklaard.

Ook is wetenschappelijk rationalisme niet goed toegerust
om vragen over betekenis te beantwoorden.
Wetenschap is geweldig in het beantwoorden
van hoe iets werkt of hoe het zou moeten worden gedaan,
maar waarom-vragen vallen in een andere categorie.
Gevraagd naar de zin van het leven en rond het einde van het leven:
wetenschappelijk rationalisme kan en zal, op basis van zijn methoden en benaderingen,
niets (kunnen) zeggen over het hiernamaals.

De vragen over begin, betekenis en einde
kunnen dus niet door wetenschappelijk rationalisme worden beantwoord.
En toch komen die vragen in ieders leven voor.
Precies hier ligt een belangrijke reden waarom geloof niet is verdwenen.
Geloof houdt zich bezig met precies deze vragen.
Het is goed in het omgaan met deze vragen – ze vormen het kerndomein van geloof.

Geloof biedt antwoorden op vragen over begin, betekenis en einde,
maar net zo belangrijk is dat het een gemeenschap biedt
waarin dergelijke vragen kunnen worden aangepakt en besproken.
Het biedt een ruimte waarin mensen kunnen nadenken
over de ultieme vragen en andere mensen kunnen vinden
die dat met hen willen doen, misschien door hen manieren te laten zien
waarop men antwoorden kan vinden.
Verschillende geloven en verschillende uitingen van geloven doen dit heel anders:
georganiseerde religies doen het anders om de associatie van degenen
die ‘spiritueel maar niet religieus’ zijn, los te maken,
maar in alle gevallen is het geloof – in brede zin –
dat de vragen aanpakt en behandelt die opkomen en niet anders worden aangepakt.
Geloof zal niet verdwijnen, omdat de vragen van het geloof niet zullen verdwijnen.

Maar waarom moet dit gezegd worden?
Is het niet duidelijk dat religie gaat over ultieme vragen die iedereen aangaan?

Het probleem is dat het moderne westerse leven vol zit met mogelijkheden
om ons af te leiden van deze vragen.
We zijn rijk, comfortabel, worden overspoeld met entertainment
en zijn vaak ook nog eens druk met carrières en kinderen.
Al deze dingen helpen ons om de diepere vragen
over de oorsprong en het doel van ons bestaan te onderdrukken.

Veel mensen behandelen de vraag naar de zin van het leven
als een vraag die ze eindeloos over kunnen uitstellen:
‘Op een dag wil ik erachter komen, waar het allemaal voor is en waar het allemaal naartoe gaat: maar vandaag wil ik nog een aflevering op Netflix kijken, op Instagram browsen
of naar een sportwedstrijd gaan.’
De entertainmentindustrie vestigt onze aandacht op vluchtige genoegens
zoals geld, seks, roem en succes.
Rijkdom is vooral nuttig omdat het ons helpt te krijgen wat we willen, wanneer we het willen,
en voorkomt dat we de hardere realiteit van het leven onder ogen zien.
Het is gemakkelijk om onszelf bezig te houden
en we kunnen onszelf geen tijd gunnen voor diepe reflectie op de grotere vragen.
Dit alles draagt bij aan wat we de ‘verdovende middelen van het dagelijks leven’
zouden kunnen noemen, de manieren waarop het dagelijks leven en de maatschappij
als een drug fungeren om onze visie te vertroebelen,
ons denken te verwarren en ons ervan te weerhouden de dingen in het leven
die er het meest toe doen, duidelijk onder ogen te zien.

Maar het probleem is dat zelfs het gewone dagelijkse leven wordt geleefd
volgens (althans voorlopige) antwoorden op die grote vragen.
Elke dagelijkse beslissing die we nemen, toont onze waarden, wat wij denken dat ertoe doet.
Als we chocolade kopen die niet eerlijk is verhandeld,
kiezen we actief voor ons eigen plezier als belangrijker
dan rechtvaardigheid en gelijkheid in de armste plekken ter wereld.
Als we tot laat doorwerken in plaats van naar huis te komen om met de kinderen te spelen,
als we vliegen voor een vakantie, of rundvlees kopen,
waardoor we onze CO2-voetafdruk enorm vergroten en bijdragen aan klimaatverandering,
dan laten we zien dat we meer om onze genoegens geven dan om de vernietiging van de planeet.
Al onze keuzes zijn gebaseerd op waarden die onze overtuigingen onthullen
over wat het leven de moeite waard maakt en wat we uit het leven willen halen.
Je kunt geen agnost zijn. Je leven toont geloof in het een of het ander.
Denk aan een duidelijk voorbeeld:
Een zwangere vrouw kan gewoon niet lang agnostisch zijn over abortus.
Ze heeft maar twee opties: abortus of bevallen.
De keuze die ze maakt, zal een praktisch gevolg zijn
van haar overtuigingen en waardeoordelen.
Er is geen agnosticisme, geen ‘niet te beantwoorden’ van de vraag.

Zoals elke religieuze traditie roept het christendom ons op
om een leven te leiden dat geworteld is in dingen van ultieme en blijvende waarde,
in plaats van oppervlakkige of egocentrische zorgen.
Het daagt ons uit om te vechten tegen de verdovende middelen van het dagelijks leven
door onze aandacht voortdurend terug te trekken
naar de dingen die er het meest toe doen.
Door middel van aanbidding,
Bijbellezen en gebed vraagt het ons onophoudelijk:
Gaat het echt allemaal om het verdienen van bakken met geld?
Gaat het om promotie maken?
Wat zijn je ultieme waarden en hoe laat je die zien in je leven?
De echte kracht van secularisme is niet dat het alternatieve antwoorden biedt
op deze vragen, maar dat het afleidt van de vraag.
Het enige wat we hoeven te doen, is ons los te maken.

Nu is het christendom niet alleen een reeks gemakkelijke antwoorden op deze vragen.
Het is een weg, een reis naar de waarheid.
Christen zijn betekent dat je tot een gemeenschap behoort
die vertrouwt op wat Jezus heeft onthuld
over de oorsprong, betekenis en het einde van ons leven.
In die gemeenschap zijn er enkele impliciete antwoorden om ons op weg te helpen.
We leven in de overtuiging dat het leven zinvol is,
dat egoïsme en persoonlijk plezier niet het belangrijkste zijn.
Er is genoeg ruimte voor debat en discussie,
maar laten we in ieder geval beginnen met praten over de dingen die ertoe doen.

Goede Vrijdag

Ik neem je mee naar Golgotha. Het is vrijdagmiddag tegen drie uur.
Het is dus nog volop dag en toch is het hier.
Al sinds het middaguur vreemd donker.
Alsof er een sluier van duisternis ligt over alles.
Alle geluid en kabaal is inmiddels door deze deken gesmoord.
De ophitsende hogepriesters en oudsten.
De menigte die als uit één mond kruisigt hem riep.
De lallende Romeinse soldaten met hun wrede grappen.
De venijnige spot van omstanders en voorbijgangers.
Er valt over dit alles een diepe vreemde stilte.
Ook de natuur hult zich in stilzwijgen.
Je hoort geen vogel meer fluiten.

Kom, dan lopen wat dicht naar het kruis toe.
Die ene Man daar aan dat middelste kruis.
Hij wordt gemeden als de pest.
Op pakweg anderhalve meter links en anderhalve meter rechts van hem
hangen nog twee mannen aan een kruis.
De een spuwt zijn laatste venijn, de ander wendt zich naar Jezus toe.
Zelf hangt hij op laten we zeggen anderhalve meter boven de aarde, van de mensheid.
Weggehoond, verguisd, bespot, uitgekotst.
Met pek en veren de stad uitgedragen.
Geen intensive care maar intense haat.
Geen beademing maar bespotting.
Niet omringd door helden uit de zorg maar verlaten, zelfs door zijn beste vrienden.

Volgens Mattheüs is Jezus zelf ook stil.
Daar hangend aan het kruis, heeft Jezus al die tijd
geen kik gegeven, geen woord gezegd.
Maar nu, aan het einde van drie uren duisternis
verbreekt hij de stilte met een schreeuw:
‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’

Wat hier gebeurt is een groot mysterie.
Laten we er stilletjes naar kijken.
Er om heen lopen, er wat over na denken.
Kijk alles wat er gebeurde met Jezus, de vernederingen, de martelingen,
Het venijn, de spot, de spijkers en het kruis.
Het was wreed en verschrikkelijk.
Maar in deze schreeuw proeven we dat zich hier
nog een ander, dieper lijden afspeelt

Jezus hangt daar niet voor zichzelf.
Hij hangt daar voor ons allen.
Hij is het hoofd van alle dingen.
Van alle mensen en de hele schepping.
En Jezus zegt niet: ik ben alleen.
Hij zegt: u hebt mij verlaten.
En God verlaat hier dus niet alleen Jezus.
Maar in hem verlaat God hier alles en iedereen.
En het hele gewicht daarvan, dat voelt alleen deze ene man.
En als God gaat, dan gaat het licht uit.
En wat overblijft is een godverlaten, godvergeten wereld.
Je kunt zeggen: dit is de hel.

Jezus ervaart hier iets wat niemand zo ervaren heeft.
Het is wat hij al aanvoelde in de hof van Getsemane.
Waar het hem zo aanvloog dat hij als een worm over de grond kroop en bloed zweette.
Als God verdwijnt is er in plaats van zegen vloek.
Dan verdwijnt alle zin en samenhang.
In plaats van heelheid, eenheid, shalom is er vloek, verval, verrotting, verwelking.
Zoiets als een doolhof zonder uitgang, waanzin zonder overkant.
Zonder zin en uitzicht wordt alles krankzinnig, absurd, idioot.
Dat klinkt door in deze schreeuw: tot wat? God van mij, tot wat?
Het is teveel, ondragelijk, je zou je ervoor willen afsluiten.

Deze schreeuw van Jezus aan het kruis.
Het is ook de schreeuw van de schepping.
Jezus schreeuwt hier niet alleen voor en namens de mensen.
Hij schreeuwt namens de hele schepping.
Waar nu alle licht is gedoofd, en geen vogel meer zingt.
Deze Godverlaten wereld waar de machten van de duisternis.
De woestheid en ledigheid van voor het begin weer vrij spel heeft.
Die schepping die zo deelt in de gevolgen van de zonde.
Die is hier begrepen in deze schreeuw.
Alles schreeuwt hier mee.

Jezus schreeuw neemt alle schreeuwen in zich op.
Voor alle machteloosheid, alle onrecht,
al het verdriet dat ons mensen kan overkomen.
Door andere mensen aangedaan,
of je overkomen door deze kapotte wereld.
Ziekte, depressie, gebrokenheid in je relatie,
of in de relatie met je kinderen, met je ouders, met vrienden.
Een ongeluk, of verdriet omdat niet lukt wat je wilt bereiken,
werkeloosheid en lichamelijk ongemak.

Soms praten wij mensen niet meer met God.
En als we niets meer weten te zeggen, zeggen we soms nog:
mijn God! O my God!
Begrijpen er soms helemaal niks meer van.
Maar Jezus daalt in die diepste, donkerste momenten af.
Begrijpt ons hierin beter dan wij onszelf begrijpen
en neemt ons zwijgen en ons schreeuwen
en alles er tussen in op in deze ene hartverscheurende schreeuw.
En is zo echt Immanuel, God mét ons!!

Deze schreeuw is een klacht.
Waarom? Tot wat?
En Jezus sterft te midden van zijn vragen.
Binnen zijn aardse leven is hij niet verhoord.
Er is een nare, wrede, niets ontziende dood.
Er is geen uitkomst, geen verhoring.
Daarmee deelt Jezus in al die pijn van onverhoorde gebeden,
van lijden zonder zin.

Het diepere geheim van deze schreeuw is dit.
God verlaat niet alleen zijn zoon.
Hij verlaat niet alleen de mensen en de schepping.
Hij verlaat hier ook zichzelf.
God neemt deze scheur op in zichzelf.
Hij ondergaat dit, gaat er in onder.
God gaat tot het uiterste in zijn liefde.
De drie-ene God kraakt in zijn eenheid in zijn toewending naar ons.
God gaat hier zelf stuk, kapot.

Nou, stuk, kapot. Toch niet helemaal.
Want Jezus schreeuwt wel intens.
Maar hij blijft daar wel hangen.
En zijn schreeuw tot wat, zijn waarom gaat door merg en been.
Maar hij blijft ook schreeuwen:
God van mij, God van mij.
Wie U zegt of jij, is ondanks alles toch nooit echt alleen.
En in Jezus die daar aan het kruis blijft hangen tot het einde
zien we God zelf die wel kraakt in al zijn voegen.
Maar in Jezus ons en deze wereld toch niet loslaat,
trouw blijft en standhoudt.
En daarvoor de hoogste, zwaarste prijs voor wil betalen.
Wil afdalen tot in de hel. Wil sterven voor de wereld.

Als het langzaam weer licht wordt daar op Golgotha
zien we daar een paar mensen staan, onderaan het kruis.
Een Romeinse officier plus wat Joodse vrouwen.
Dit is zeg maar het begin van de kerk.
Mensen die deze laatste schreeuw niet meer, nooit meer kunnen vergeten.
Een schreeuw die we elke dag opnieuw horen.
Om ons heen en in onszelf.
En waar we deze schreeuw horen weten we:
die wordt gedragen en meegenomen
in de laatste schreeuw van deze man aan het kruis.

Dan is er die tweede schreeuw en sterft Jezus daar aan het kruis.
Je zou misschien verwachten dat het dan nog donkerder wordt.
Maar nee, als Jezus sterft, wordt het juist weer licht.
Jezus neemt in zijn dood alles mee en alles weg.
Dood, duisternis, vloek, oordeel, kloof, breuk.
Matteus schrijft: Nog eens schreeuwde Jezus het uit.
Toen gaf hij de Geest. Dat doet hij echt actief, als een eigen keuze.
De Geest geven.

Bij een afgematte, uitgeputte, stervende man
verwacht je als laatste hooguit nog een zucht, een kreun.
Maar Jezus schreeuwt het nog eens krachtig uit.
In deze schreeuw klinkt er naast al het andere ook iets mee van overwinning.
Want juist als Jezus met deze laatste schreeuw sterft
begint het weer licht te worden.
En zijn er de eerste tekenen van een nieuw begin.
De schepping begint aan een eerste vreugdedans.
De aarde beeft, graven barsten open, doden komen tot leven.
En in de tempel scheurt het voorhangsel van boven naar beneden.
Er gaat er bij God en in God een deur open.
Voor jou, voor mij en voor alle mensen.