
‘Eens – zo begon Hij – ging een zaaier uit om te zaaien.’
Mattheüs 13,3
Wie is de zaaier en waarom deze opmerkelijke voorstelling van zaken?
In Psalm 126 is de zaaier ieder mens en verbeeldt het zaaien en oogsten
de gang van een mensenleven.
‘Zij die in tranen zaaien, zullen oogsten met gejuich.
Wie in tranen op weg gaat, dragend de buidel met zaad, zal thuiskomen met gejuich,
dragen de volle schoven.’
Voor deze gelijkenis lijkt iets soortgelijks te gelden, hij brengt ons menselijk leven in beeld.
Zij houdt ons een spiegel voor en laat ons zien hoe wijzelf vaak in ons leven reageren. Kleine tegenvallers maken vaak grote indruk op ons.
Zij nemen onze aandacht in beslag en bederven onze levensvreugde.
Maar ze horen er eigenlijk gewoon bij, zonder lichte tegenslagen kom je niet door het leven.
In zeker zin zijn het niet meer dan bijverschijnselen, maar zo ervaar je het niet.
En terwijl je je druk maakt over de kleine tegenvallers,
heb je nauwelijks oog voor de zaken die goed lopen
en voor de overvloed die het leven ondanks die geringe tegenspoed biedt.

