Een begrip dat mij uit mijn vorige blog bleef bezighouden
is de term zelf-secularisatie.
De uitleg die er toen aan gegeven werd was:
jezelf zo aanpassen aan de normen en de waarden van de samenleving
dat je aanvaardbaar bent voor iedereen.
In mijn vorige blog legde Olivier Roy uit dat de kerk dit momenteel doet.
Laatste hoorde ik een meditatie over 1 Petrus 2.
Vers 11 van dat hoofdstuk begint met de constatering
dat christenen te vergelijken zijn met vreemdelingen die ver van huis zijn:
‘jullie zijn vreemdelingen geworden in de steden waar jullie wonen.
Jullie wonen tussen de ongelovigen.
Toch vraag ik jullie dringend om niet te leven zoals zij.
Want dan brengen jullie je nieuwe, christelijke leven in gevaar.’ (BGT)
Het lijkt mij dat de juist de Bijbel waarschuwt tegen
‘het verlangen (andere vertaling)’
om te leven zoals de samenleving waarin een christen leeft.
Christenen horen hoe dan ook niet meer bij deze samenleving.
Ze zijn vreemdelingen geworden.
‘Doe goede dingen, en laat de ongelovigen zien
dat jullie je goed gedragen.
Dan zullen de ongelovigen niet langer slecht over jullie spreken. Misschien veranderen ze zelfs hun eigen leven.
Dan zullen ook zij God eren als hij komt rechtspreken over de wereld.’ vervolgt het Bijbelgedeelte.
Als je dit Bijbelgedeelte als uitgangspunt neemt,
zou het dan niet goed zijn dat een christen een voorbeeldfunctie heeft
voor de mensen om zich heen,
of liever gezegd een christelijk leven te leiden.
Wat je doet, juist in crisissituaties toont iets van je diepste drijfveren.
Laat dat dan het goede zijn: de liefde.
Geef mensen geen reden om slecht van je te spreken.
Doe het goede in de hoop dat de vrucht van je leven
het verschil zal maken.
Wat lezen mensen in jouw leven,
in hoe je omgaat met het gezag van de overheid,
hoe je omgaat met andersdenkenden,
andersgelovigen of mensen uit andere culturen
en hoe reageert op praatjes over de kerk, geloof en God.
Op vooroordelen, pesterijen.
Die oproep van Petrus kan je misschien verlammen.
Ik ben immers Jezus niet.
Maar met Jezus in je en door de Geest,
wordt je in staat gesteld het goede te doen.
Dan is het geen gebod, maar een levenswijze.
De liefde van Christus stelt je in staat om werkelijk vrij te zijn.

Als christenen leven we momenteel in veertigdagentijd.
De veertigdagentijd (ook wel vastentijd of lijdenstijd)
is voor christenen een periode van vasten
en bezinnen op de feitelijke christelijke levenspraktijk
als voorbereiding op Pasen.
Momenteel vind ik het interessant om me eens te bezinnen op het kerkzijn, en dan vooral het kerkzijn na coronatijd.
De kerk vond zichzelf misschien zelfs tot voor kort nog redelijk belangrijk. Maar toen volgende de wereldwijde pandemie.
We moeten onszelf – denk ik – misschien als kerk
opnieuw gaan uitvinden.
Want het lijkt er op dat dat we na een jaar – en misschien langer –
niet meer op reguliere basis bij elkaar komen
en moeten we wellicht omgaan met een heel ander kerkelijk landschap
als het ‘nieuwe normaal’ zich weer aandient.
In de voorgaande blogberichten ben ik ingegaan
op de 5 fasen van rouw van Kübler-Ross
en ik heb dat proberen te verknopen aan de christelijke levensstijl.
Eerlijk gezegd denk ik dat de meesten van ons nog niet
in de laatste fase zijn aanbeland, namelijk het aanvaarden.
Naar aanleiding van een door mij gehouden preek werd ik stilgezet
bij het zesentwintigste vers uit 1 Korinthe 1:
Broeders en zusters, God heeft jullie uitgekozen.
Denk eens terug aan het moment dat jullie gingen geloven.
Jullie waren toen geen belangrijke mensen.
Jullie vielen niet op door jullie wijsheid,
en jullie waren ook niet machtig of rijk.

Van het weekend las ik een artikel
waarin de Franse wetenschapper Olivier Roy
het had over Europa waar volgens hem de kerken
‘zichzelf hebben geseculariseerd.’
Volgens Roy is de de vrijheid van meningsuiting
in de maatschappij onbegrensd, behalve die van godsdienst.
Je kunt als gelovig christen en kerk niet meer
tegen abortus en homohuwelijk zijn.
In de liberale staat geeft dat geen pas.
In deze liberale opvatting gingen de kerken en christenen ook zelf mee. Roy noemt dit dan ‘ethische’ zelf-secularisatie.
Politiek – in zijn mening – zijn kerken en officiële geloofsopvattingen allang onderhorig aan de overheid,
die strijd is in de zestiende eeuw beslecht.
Maar omdat staat, kerk en burgermaatschappij
tot en met de jaren vijftig
ongeveer dezelfde ethische opvattingen aanhingen,
merkte je daar niet zoveel van.
Maar de jaren zestig waren dé grote spelbreker.
Toen koos de maatschappij massaal en zeer snel
voor totale vrijheid en een libertair gedachtegoed.
De overheid paste zich aan
en nam met die maatschappij het liberalisme als norm.
Die werd ook de maatstaf voor anderen, inclusief de kerk.
En dus pasten de kerken zich massaal aan het heersende klimaat aan.
En nu verheft de kerk haar stem nog wel inzake bepaalde ontwikkelingen in de maatschappij maar de slagkracht van de kerk is
na zoveel aanpassing tragisch miniem geworden,
het maakte geen enkele indruk meer.
Na zoveel negativisme kwam ik dus met die tekst
uit de eerste Korinthebrief.
Ik leg het zo uit: beste mensen, weet wie je bent.
Je bent niet uitgekozen vanwege je belang of je wijsheid.
Ja, misschien zijn we als christenen
te veel bezig geweest met zelf-secularisatie
en hebben we ons te veel neergelegd bij de normen en waarden
van ‘de maatschappij’.
Weet dan wie je bent en waar voor je staat en volg Jezus Christus, misschien wel door de tekst uit Micha 6 echt in praktijk te brengen:
De Heer heeft jullie al verteld wat hij van jullie verlangt.
Hij heeft al bekendgemaakt wat goed is. Hij vraagt alleen dit:
Wees eerlijk, rechtvaardig en trouw.
En denk niet alleen aan jezelf, maar leef dicht bij God.