titel webpost Efeziërs 5,21

 

Vandaag – 7 december – de dag van de vrijwilliger
moest ik terugdenken aan een lezing
van de Koninklijke Nederlandse Redding Maatschappij (KNRM).
De historie van de KNRM gaat terug tot 1824.
Het redden van schipbreukelingen was in 1824
geen vanzelfsprekendheid.
Pas na een scheepsramp en een zeldzame reddingspoging,
waarbij zes redders verdronken,
ontstond een georganiseerd reddingswezen
met reddingstations langs de kust.

Volgens het CBS zette in 2024 ongeveer de helft van de Nederlanders
van 15 jaar en ouder zich minstens één keer in als vrijwilliger.
Dat is ongeveer 50% van de Nederlandse bevolking. In 2023 was dit 49%
De voordelen van vrijwilligerswerk zijn tegenwoordig goed gedocumenteerd.
De mentale en fysieke gezondheidsboost.
Een gevoel van zingeving.
De kans om nieuwe vaardigheden te leren.
Een manier om contacten te leggen met anderen.

De voorlichter van de KNRM vertelde dat het
om een vrijwilliger te worden
veel tijd en energie zal vergen
en dat je bepaalde vaardigheden moet opdoen.
En dit allemaal middels veel trainingsmodules
en tenslotte de bereidheid periodiek 24/7 beschikbaar te zijn.
En toch blijven vrijwilligers zich aanmelden.
Hij vergastte ons op verhalen van mensen,
die op oproepen reageren
terwijl hun bedden warm waren en de nacht onbekend was.
We hoorden veel opmerkelijke verhalen.
Bijvoorbeeld dat van een vrouw
die vertelde dat ze haar hoogtevrees had overwonnen
om langs de rand van een boot te klimmen;
een ander had een opmerkelijk verhaal
over een aanval van een dolfijn.
Maar elke keer kwam dezelfde vraag naar voren:
waarom doen ze het?

En het viel me op dat niemand een volledig zinnig antwoord gaf.
Ze konden er onderdelen van noemen:
zorg voor mensen, teamwork, liefde voor de zee.
Soms waren de redenen waarom ze begonnen
(‘Papa deed het’)
niet de reden waarom ze bleven
(‘Ik kon een tastbaar verschil maken’).
En er was niemand die niet van het water genoot.
Maar in elk geval leken de antwoorden
altijd een beetje tekort te schieten.
Spel en gevaar kunnen samengaan en – zo werd gezegd –
we moeten onderweg momenten
van vreugde ervaren als we het lang willen volhouden.
Om vervolgens ineens te reageren op een oproep van de kustwacht:
‘er is iemand in de problemen!’
De stemming slaat dan onmiddellijk om;
de actie wisselt van strijden naar samenwerken.
Ergens heeft iemand een heel slechte dag!
‘Daar bestaan we voor’ wordt dan gezegd.
Geen van de bemanningsleden van de reddingsboot,
leek zichzelf als iets anders dan gewoon te beschouwen.
Ze waren vol bewondering
voor de verhalen van hun medebemanningsleden,
maar zagen zichzelf als volkomen menselijk
en noemden alledaagse behoeften en vertrouwde gemakken.

‘De bereidheid van een moedig persoon
om afstand te doen van gemak, veiligheid,
het comfort van thuis, en zelfs om zijn leven en lijf te riskeren,
komt niet voort uit haat jegens een van die dingen’.

Dit is misschien wel het verschil
tussen vrijwilligerswerk en een hobby hebben
(ook prijzenswaardig vanwege de gezondheidsvoordelen,
het gevoel van zingeving en de mogelijkheden tot verbinding).
Op een gegeven moment kost vrijwilligerswerk je iets.
Dat offer dat nodig is, toont de mate van zorg aan;
anders is het gewoon weer een daad van zelfontplooiing
ten dienste van de vrijwilliger zelf.

In de oorsprong van de term ‘vrijwilliger’
klinkt iets door van een geest van ‘offerande’.
Het Latijnse grondwoord ‘voluntares’
draagt namelijk een betekenis in zich van ‘geven uit vrije wil’.
Dit is misschien waar we de weg kwijt zijn geraakt met het hele idee.
Als er een gevoel van dwang is bij vrijwilligerswerk,
ontneemt het de vrijgevigheid zijn kracht.
Waar aan de ene kant verplichting
en aan de andere kant eigenbelang is,
kunnen we de middenweg vinden
die gekenmerkt wordt door toewijding,
doordat we ervoor gekozen hebben
om te dienen en daardoor de inzet hebben
om het vol te houden.
Dat is de belofte die vrijwilligerswerk ons kan bieden.

In een brief aan de zeevarende stad Efeze
in het oude Griekenland
moedigde de kerkleider Paulus mensen aan
om ‘zich aan elkaar te onderwerpen’ (Efeziërs 5,21),
wat een andere manier is om te zeggen elkaar opofferend te helpen.
Mensen worden aangemoedigd
om zich aan elkaar te onderwerpen,
maar dit is niet in een onderdrukkende zin.
Het betekent dat we, als leden van de gemeente,
elkaar respecteren
en het welzijn beogen van de ander.
Het is een teken van nederigheid en liefde.
Hoe dan ook, de beslissing is hetzelfde: er zijn.
De redenen waarom we het doen,
kloppen niet altijd.
Er zijn smaken van mededogen,
van de wens om nuttig te zijn,
om deel uit te maken van iets groters.
Maar er lijkt ook iets anders te zijn.
Een toewijding om in een behoefte te voorzien.
Met andere woorden,
we zouden het liefde kunnen noemen.

 

Oké, als rechtgeaarde protestant van het confessionele snit
besteed ik misschien wel heel veel aandacht aan de nieuwe paus,
maar dat heeft zeker zo een reden:
er is momenteel namelijk heel veel onrust
op het geopolitieke toneel.
Er zijn veel tegenovergestelde belangen
opgeblazen ego’s die hun plaats opeisen
ten koste van de ander en van andere landen.
En dan denk ik: misschien kan de nieuwe paus
in deze situatie van spanningen een bemiddelende rol spelen?
Hij heeft daar immers al een voorbeeld van gegeven,
met het faciliteren
van een tête-à-tête tussen Trump en Zelensky.

Zo gingen mijn gedachten weer terug
naar het eerste optreden van de pas geïnstalleerde paus:
Je zag de imposante gevel van de Sint-Pieter,
dat grote monument van Rooms-Katholieke autoriteit.
Op het plein ervoor was een menigte van 200.000 mensen verzameld
die zich uitstrekte zover het oog reikte.
De wereldmedia keken vanaf de balkons op die menigte neer.
En daartegenover stonden de rijkelijk versierde
rode fluwelen stoelen klaar
voor president als Zelensky, J.D. Vance, Trump,
en de staatshoofden van andere talloze landen
in Europa en ver daarbuiten.

En ik dacht aan de nieuw aan te treden paus, Robert Prevost;
hij stond op het punt door deze deuren te stappen.
Een man die in 2015 tot bisschop werd benoemd,
pas twee jaar geleden kardinaal werd
en nu in de aandacht stond van deze enorme menigte
en miljoenen anderen op tv,
als dé spirituele leider van 1,4 miljard katholieken,
die binnen een paar weken van relatieve onbekendheid
naar de beroemdste man ter wereld was gekatapulteerd.
Volgens mij moet je dan wel iemand zijn
met een opmerkelijke nederigheid;
om dit allemaal niet naar je hoofd te laten stijgen.

De Sint-Pieter is ontworpen om indruk te maken.
Het plein voor de kerk is omringd
door imposante beelden van apostelen,
heiligen, martelaren en kerkvaders,
die allemaal neerkijken
op de gebeurtenissen beneden.
Het was precies déze kerk
die onbedoeld de Reformatie in gang zette,
toen een fondsenwervingsactie
voor de bouw gepaard ging
met de verkoop van aflaten in onder andere Duitsland,
waar het Maarten Luthers woede opwekte.
De voorgevel, met zijn hoge pilaren, grote ramen,
weelderige balkons en rijke wandtapijten,
kan niet anders maken dan je klein te voelen.
Binnen is de ruimte énorm, met overal prachtige kunstwerken.
Dit was een uiting van het pausdom uit de Renaissance,
dat leidde naar de Contrareformatie,
de zelfverzekerde barokke geest
die de triomf van de Kerk over al haar vijanden aankondigde.

Een paus met een vleugje ijdelheid zou gevaarlijk zijn.
Alles wijst op de macht van deze positie,
de opvolger van Petrus,
de leider van de grootste christelijke gemeenschap ter wereld,
iemand die wereldwijd direct herkenbaar is,
naar wie wereldleiders
met de pet in de hand moeten komen.
Geen wonder dat sommige pausen
in het verleden politieke manipulators zijn geworden
en met keizers en koningen wedijveren
over wie de meeste macht heeft.

Maar tegenwoordig klinkt de Katholieke Kerk nederiger.
Paus Franciscus zette de kerk
op weg naar een lijn van ‘synodaliteit‘,
waarbij hij andere stemmen uitnodigde
in de discussies binnen de kerk
dan alleen mannelijke priesters.
Paus Leo lijkt die lijn te willen doortrekken.

Verwijzend naar zijn verkiezing zei hij:

‘Ik ben uitgekozen zonder enige verdienste van mijzelf,
en nu kom ik, met vrees en beven,
naar u toe als een broeder,
die de dienaar van uw geloof en uw vreugde wil zijn,
en met u wil wandelen op het pad van Gods liefde.’

De toon was er niet één van zelfverheerlijking,
van het benadrukken van de macht van de positie.
Er was geen strategie om de kerk en de wereld
fundamenteel te veranderen.
Er was geen groots plan
om de machtsmiddelen te gebruiken
om de maatschappij naar zijn visie vorm te geven.
In plaats daarvan ging het erom
een ongrijpbare en oncontroleerbare kracht te ontketenen:
de kracht van zelfopofferend mededogen.

Of zoals paus Leo het zelf verwoordde:

‘Het ambt van Petrus wordt juist gekenmerkt
door zelfopofferende liefde,
van de Kerk van Rome
die haar ware gezag vindt
in de naastenliefde van Christus.
Het gaat er nooit om anderen
te veroveren met geweld,
religieuze propaganda of macht.
In plaats daarvan
gaat het altijd
en alleen om liefhebben zoals Jezus deed.’

Dat is anders dan de manier
waarop pausen in het verleden soms spraken.
De Kerk heeft geen andere macht dan de macht van de liefde
– het soort zelfopoffering
die we zien in het leven van Christus.
De huidige paus vindt haar ware gezag in naastenliefde.
Een beetje anders
dan sommige andere presidenten
die ik me kan herinneren.

Toegegeven, we weten nog niet veel over hem,
maar Robert Prevost
komt op me over als een nederig man.
Iemand die een plek aan Harvard Law School
aan zich voorbij liet gaan
om in plaats daarvan
twintig jaar lang de armste gemeenschappen
in Peru te dienen,
slapend op de vloer van hutten,
reizend op ezels naar afgelegen dorpen,
onopgemerkt en onbekend.
Dat getuigt van een duidelijk gebrek
aan eigenbelang.
Je solliciteert niet naar het pausschap,
je kandidatuur aankondigend,
je opwerkend in de gelederen,
je verdiensten bepleitend tegenover de kiezers.
In plaats daarvan ga je gewoon door met wat je doet,
en als de roep komt, geef je er gehoor aan.

Als paus Leo zal hij die nederigheid nodig hebben
wanneer hij deze rol
de rest van zijn leven op zich neemt.
Hij zal die nodig hebben
om de subtiele verleiding
van de eerbied die anderen
hem betonen te weerstaan,
de bewondering die hij zal ontvangen
waar hij ook gaat,
de gebouwen waarin hij woont,
de pracht van de pausen die hem voorgingen,
de manier waarop mensen
aan zijn lippen zullen hangen.
De verleiding om te denken dat Robert Prevost
toch een enorme vis is,
iemand wiens talenten
hem tot dit punt hebben gebracht,
zal groot zijn.

Maar als hij onverhoeds toch aan die verleiding toegeeft,
zal hij terugvallen
in de alledaagse gang van zaken in de wereld,
en heersen over degenen die hij onder zijn hoede heeft.
Maar hij lijkt zich terdege bewust
van de gevaarlijke aard van zo’n positie.
‘Wie er ook geroepen is
om de opvolger van Petrus te zijn’,
zei hij,
‘moest toezicht uitoefenen
zonder ooit toe te geven
aan de verleiding om een autocraat te zijn,
heersend over degenen
die aan hem zijn toevertrouwd.
Integendeel, hij is geroepen
om het geloof van zijn broeders en zusters
te dienen en naast hen te staan.’

Het was toch Jezus die zei:

‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden
door hun eigen heersers
en dat hun leiders hun macht misbruiken.
Zo mag het bij jullie niet gaan.
Wie van jullie de belangrijkste wil zijn,
moet dienaar van de anderen zijn’ (Lucas 10,42-43)

Andere presidenten, premiers en patriarchen
zouden daar een voorbeeld aan kunnen nemen.

 

Vandaag is dan het het conclaaf begonnen.
Onder het zingen van ‘Veni Creator Spiritus
zullen de kardinalen zich afzonderen
om – geleid door de Heilige Geest – 
een nieuwe paus uit hun midden te kiezen.

En het houdt van links tot rechts de gemoederen enorm bezig.
Want er is iets aan de manier waarop pausen
worden gekozen dat tot de verbeelding spreekt.
Degene die het idee van zwarte rook voor ‘geen besluit’
en witte rook voor ‘habemus papam
‘we hebben een nieuwe paus’
bedacht, was een marketinggenie.
Zoveel beter dan een persbericht of een tweet van het Vatican X-account.

Natuurlijk sprak heet conclaaf zo levendig tot onze verbeelding
door recente gelijknamige film met Ralph Fiennes.
Naar het boek van Robert Harris.
Ja, we zijn dol op het idee van geheime debatten en intriges,
mensen die van de wereld worden afgesloten
totdat ze een besluit nemen
met geheimzinnige, oude rituelen en een onzekere uitkomst.
Was er ooit een film waarvan de release beter getimed was?

En dan zijn er nog de enorme aantallen.
Er zijn vandaag de dag ongeveer 1,4 miljard katholieken in de wereld;
ongeveer evenveel als de bevolking van India en China,
de meest bevolkte landen ter wereld.
Toch is de identiteit van de nieuwe paus ook voor ons van belang.
De leider van China of India is vooral interessant
voor mensen die in China of India wonen,
maar misschien minder voor degenen
onder ons die daar niet wonen.
Maar de nieuwe paus is het hoofd van de kerk
misschien om de hoek van waar je woont,
of van mensen met wie je samenwerkt,
of, als je zelf katholiek bent, je eigen spirituele leider.
Deze benoeming is dus enorm belangrijk.

Maar het gaat niet alleen om de uiterlijke schijn,
het drama, de aantallen.
En het geldt ook niet alleen voor katholieken.

Officieel wordt een paus aangeduid
als de opvolger van Petrus, één van Jezus’ vrienden.
Je zou dus kunnen zeggen dat zijn ambt als het ware
een levende link vormt
met de oorsprong van de christelijke beweging,
de eerste tekenen van de revolutie.

Natuurlijk is er een aantal behoorlijk
vreselijke pauselijke zetelbezitters geweest,
wier persoonlijke levens nauwelijks
enige kennis van of relatie met Jezus vertoonden.
Denk bijvoorbeeld
aan de zestiende-eeuwse Roderigo Borgia (paus Alexander VI),
die ondanks de regel van het geestelijk celibaat,
meerdere kinderen kreeg van diverse maîtresses,
en het pausschap verwierf
door kardinalen om te kopen
en zijn favoriete zoon op achttienjarige leeftijd
tot bisschop van verschillende lucratieve zetels maakte,
en op negentienjarige leeftijd tot kardinaal.
Er is dus niets vanzelfsprekends aan
– en daarom ontkenden de protestantse hervormers
het idee van een algeheel automatisch pauselijk gezag.

Maar wanneer een persoon van evidente heiligheid
wordt gecombineerd met dit besef
van het gewicht van het ambt,
wordt het pausschap een geschenk aan ons allen,
dat ons verbindt met de eerste volgelingen van Jezus
– zelfs met Jezus zelf.

Het pausschap is een van die unieke dingen
in het moderne leven
– een navelstreng met het verleden.
Monarchieën doen iets soortgelijks:
ze verbinden ons met het verleden
via de lange rij koningen en koninginnen.
Maar vaker wel dan niet
onthullen de gebeurtenissen
waarnaar ze ons terugvoeren,
het proces waarmee die families de macht grepen,
duistere politiek, omkoping en bloedige gevechten.

Dit is een lijn in de geschiedenis
die ons verbindt met de gebeurtenis die,
als we Tom Hollands boek Heerschappij
mogen geloven,
meer impact heeft gehad
op de vorming van de westerse cultuur
dan welke andere ook:
het opmerkelijke leven,
de dood en de wederopstanding van Jezus
– een radicaal leven vol liefde,
zelfopoffering en transformerende kracht
– voor zowel individuen als hele beschavingen.
En daarvoor zouden we,
of we nu katholiek, protestant, orthodox
of misschien zelfs ongelovig zijn,
een gebed – of een glas –
van dankzegging kunnen heffen.

 

Ergens in een kloostertuin in het Atlasgebergte in Algerije
liggen zeven eenvoudige grafstenen naast elkaar.
Ze horen bij evenzovele vermoorde monniken.
Onder hen de abt: frère Christian de Chergé.
Het verhaal achter deze grafstenen wordt gevangen
in de film ‘Des hommes et des dieux’ uit 2010.
Frère Christian en zijn zes medebroeders
bewonen een klooster in Algerije.
Christian was aanvankelijk Frans officier.
Hij werd vrienden met de Algerijnse politieagent Mohammed.
Mohammed was moslim, Christian christen.
Het stond hun vriendschap niet in de weg.
Maar anderen rond Mohammed hadden hier grote moeite mee.
Christian was voor hen een vijand: Fransman, militair en christen.
Op een dag werd Christian ingesloten door moslimfundamentalisten.
Hij vreesde voor zijn leven.
Maar Mohammed sprong er tussen en redde zo Christians leven.

Een paar dagen later werd Mohammed gevonden
bij de put achter z’n huis: gewurgd.
Zijn vriendschap met Christian en zijn reddingdaad kostten hem zijn leven.
Dit bepaalde Christians verdere leven:
iemand had létterlijk zijn leven voor hem overgehad.
Dat deed hem zoveel dat hij besloot in te treden in het klooster,
om zich te wijden aan God en de mensen.
In zijn denken en geloven werd een bepaald begrip belangrijk:
het martelaarschap van de liefde.
Dat had hij van zijn vriend Mohammed geleerd:
de liefde is bereid om te lijden omwille van de ander.
Zelfs voor de vijand.

Toen een tijd later een stel moslimfundamentalisten
de omgeving onveilig maakte, kwamen ze ook bij het klooster.
Hun leider eiste drie dingen:
de dokter van het klooster, medicijnen en geld.
Christian weigerde.
Hij schreef later:
‘Niet alleen omdat ik mijn broeders hoeder ben,
maar ook omdat ik deze broer moest hoeden,
die voor me stond,
die het nodig had om iets te ontdekken in hemzelf,
dat anders was dan wie hij geworden was (…)
ik wil niet sterven met haat, ik geloof in God, die onze Vader is.
Ik geloof in genade, voor jou en mij.’
Zo wilde Christian getuige zijn.

Maar de spanningen lopen op.
Het wordt steeds gevaarlijker en angstiger.
Op een dag zijn de kloosterlingen bijeen in de kapel om te bidden.
Ineens horen ze het geluid van een naderende gevechtshelikopter.
De helikopter richt z’n boordmitrailleur op de kapel.
Christian begint te zingen,
de broeders slaan de armen om elkaars schouder.
En tegen die herrie boven hen, tegen het dreigend geweld in, zingen ze.

Ik vind het een prachtig beeld voor ons als kerk, als gelovige.
Om tegen alles in, tegen de dreiging, de terreur, de haat,
de onverschilligheid, de lauwheid, de crisis,
de oorlog, de verdeeldheid.
Om tegen dat alles te zingen.
En moed te houden. Te blijven hopen.
Vanwege Hem, die is en die was.
Die gekomen is en komen zal.

 

Vandaag is het Valentijnsdag:
hét grote westerse feest van de ‘romantiek’, de ‘liefde’ de ‘geliefden’.

Maar wiens dag is dit nu?

Valentijn, of Valentinus, was een martelaar uit de derde eeuw.
Sommige legendes beweren dat zijn geloof
op de proef werd gesteld door een plaatselijke rechter,
die zijn blinde dochter voor Valentijn bracht
en eiste dat hij haar zou genezen.
Dat deed hij.
De rechter en zijn hele huishouden
namen afstand van hun heidense afgoden en werden gedoopt.
Dit – in sommige ogen – schandalige incident, en verdere hinderlijke evangelisatie,
leidde ertoe dat keizer Claudius beval dat Valentijn werd geëxecuteerd.
Een andere legende beweert dat hij een Romeinse priester was
die keizerlijke bevelen trotseerde
en in het geheim met Romeinse soldaten trouwde
volgens een christelijke ritueel,
waardoor de soldaten aan verdere dienstplicht konden ontkomen.

Ik neem aan dat deze laatste legende ertoe heeft geleid
dat Valentijn werd aangenomen als beschermheilige
van hartvormige chocolaatjes – dat en het middeleeuwse idee
dat de vogels midden februari zouden paren.

Hoe dan ook, ik ben niet geïnteresseerd in de legendes over Valentijn,
hoe vermakelijk ze ook zijn.
Het maakt me niet uit of hij in het geheim koppels trouwde,
of blinden genas, of een vroege dating-app voor vogels pitchte.

Hij was een martelaar.

Martelaarschap is een concept
waar we tegenwoordig niet meer zo bekend mee zijn.
Oké , het is nog steeds een woord in de volksmond:
We noemen mensen een ‘echte martelaar’
als ze zichzelf straffen door werk te doen
dat niemand van hen verwacht of wil.
We noemen iemand een ‘martelaar voor de zaak’
als ze zichzelf vastlijmen op een snelweg,
of worden gearresteerd voor het vernielen
van een schilderij met soep.
Dit is géén martelaarschap.

Het ware martelaarschap is een daad van romantisch verlangen.
Het ware martelaarschap is een daad van liefde!

Een van de vroegste verslagen van christelijk martelaarschap
komt van Ignatius, de bisschop van Antiochië.
Ergens halverwege de tweede eeuw werd hij ter dood veroordeeld
en onder bewaking naar Rome vervoerd.
Tijdens zijn reis schreef hij brieven
aan verschillende christelijke gemeenschappen,
waaronder een aan de kerk in Rome.
Het verslag van het martelaarschap in deze brief
is zowel verbazingwekkend mooi
als de sleutel tot het begrijpen van het martelaarschap.
Hij schrijft deels om de christenen van Rome te smeken
hem niet te redden van zijn lot,
noch door geweld noch door omkoping.

Hij wenst zijn martelaarschap en legt uit
waarom. Hij schrijft dat hij in dit lijden
‘…een discipel begint te worden.’
Hij vergelijkt zijn ongelukkige situatie
met de ‘weeën’ die hem nu overkomen
en doet dan een opmerkelijke bewering:
hij staat niet op het punt te sterven,
maar staat op het punt echt te leven!

‘Geef mij dit, broeders:
weerhoud mij niet van het leven; wens niet dat ik sterf…
Laat mij het zuivere licht ontvangen;
als ik daar ben aangekomen, zal ik een mens zijn.’

Sommigen die alleen de vreselijke, pijnlijke, grijpende aard
van het martelaarschap kunnen zien –
en het is een zegen dat we leven in een tijdperk
en een land waar we elkaar niet doden vanwege ons geloof –
hebben gesuggereerd dat Ignatius
óf een showman óf een gek was.
Ik ben het daar niet mee eens.
Ignatius wil niet gemarteld worden
omdat hij een naam voor zichzelf wil maken,
maar omdat hij begrijpt dat hij in het martelaarschap
één wordt met de enige ware martelaar:
Jezus Christus.

Misschien was hij gek… hij was smoorverliefd op Christus!
Hij verlangde ernaar verenigd te worden met Christus,
hij verlangde ernaar zo dicht mogelijk bij Jezus Christus te zijn:
‘Ik verlang naar het brood van God,
dat is het vlees van Jezus Christus…
en als drank verlang ik naar zijn bloed,
dat is onvergankelijke liefde.’
Hij verlangde naar Jezus boven alles,
zelfs boven zijn eigen leven.

Martelaarschap, op deze manier gezien,
is een waarlijk ‘romantische’ daad –
een daad van iemand die zo verlangend is naar,
zo waarlijk, krankzinnig, diep verliefd op Jezus,
dat ze alles zullen geven voor Jezus’ wil.
Martelaren laten ons het echte patroon van liefde zien:
het offer van onszelf voor het welzijn van een ander.
Dit is de les die Jezus zijn discipelen leerde:
‘Niemand heeft grotere liefde dan deze,
dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden.’
In het leven en de dood van de martelaar zien we
deze echte liefde gemanifesteerd,
en het is niet onbeantwoord maar volledig beantwoord.
Jezus verlangt naar ons en sterft voor ons,
en de martelaar verlangt naar Jezus en sterft voor hem.
Zoals Ignatius aan de Romeinen schrijft:
‘Verlang ernaar, opdat ook u begeerd mag worden.’

Dit is de les die elk stel, naarmate ze groeien
in hun leven en hun liefde samen, langzaam leert.
Als we romantiek en liefde zoeken,
proberen we niet te veranderen,
of te controleren, of plezier te halen uit de ander als object;
we proberen onszelf vrij en volledig aan hen te geven,
in de vreugde van dienstbaarheid en opoffering.
Op onze kleine manier,
wanneer we ons wagen aan het grote mysterie van de ‘romantiek’,
proberen we zelf martelaren te zijn –
martelaren voor degene van wie we houden.

Valentijn was een man van oprechte liefde,
want hij was een martelaar.
Er is geen grotere reden
om een beschermheer te zijn van de passie,
van zaken van het hart,
van romantische liefde.