Onlangs hoorde ik een opmerkelijk verhaal
over een kankerpatiënt, een gelovige man.
Hij had de diagnose ernstige kanker gekregen
en de diagnose was nogal somber.
Hij bereidde zichzelf voor op het einde
dat niet lang meer op zich zou laten wachten.
Zijn lichaam reageerde slecht op de chemotherapie
en de vooruitzichten zagen er niet goed uit.
Hij bleef echter proberen om de balans te vinden
tussen rust en werk,
ondanks de vermoeidheid,
en hij bad wanneer hij kon.

Kort geleden gebeurde er iets vreemds tijdens een routinebezoek
aan het ziekenhuis om de resultaten van een scan te horen
over hoe de kanker zich ontwikkelde.

De chirurg liet hem de scan zien die verband hield
met de oorspronkelijke diagnose.
Hij vroeg: ‘Kun je de tumor zien?’
En de patiënt antwoordde: ‘Ja, natuurlijk, hij zit daar,’
terwijl hij naar de zwarte massa wees.
Toen liet de chirurg hem een andere scan zien.

Hij vroeg opnieuw:
‘en dit is de meest recente scan
die we zojuist hebben gemaakt;
kun je hem op deze zien?’
de patiënt keek aandachtig naar de scan en zei:
‘Hmm. Ik weet niet zeker of ik dat kan.’
De chirurg antwoordde dat hij ook verbaasd was
dat de tumor tussen de twee scans door
op de een of andere manier verdwenen leek te zijn.

Hij voegde toe:
‘En eerlijk gezegd hebben we
in mijn wereld niet echt een verklaring voor dit soort dingen.
Maar ik vermoed dat jij dat in jouw wereld wel hebt.’

Naast dat ik blij ben voor de man,
heb ik sinds ik het verhaal hoorde,
ook nagedacht over wat het betekent.
Wonderen zijn natuurlijk zeldzaam
en we kunnen ze niet automatisch voorspellen.
Deze man zat in het soort kerk die
niet routinematig van God vraagt om wonderen,
maar gewoon zachtjes bleef bidden
dat God op de een of andere manier
bij deze man zou zijn in zijn strijd,
en durfde nauwelijks te hopen
dat de kanker daadwerkelijk zou verdwijnen.
(en ja, ik heb helaas ook andere resultaten
op zo’n gebed mee moeten maken)

Was het een wonder? Of was er een andere verklaring?
Het lijkt mij dat het antwoord dat je op die vraag geeft,
afhangt van het kader dat je eraan geeft.
Als je gelooft in een God die dit soort dingen van tijd tot tijd zou kunnen doen,
en je bedenkt dat zulke dingen af en toe kunnen gebeuren en ook gebeuren,
niet gereguleerd door de gebruikelijke gang van zaken van oorzaak en gevolg,
maar door een extra dimensie van de werkelijkheid
die voor ons onzichtbaar is en niet te meten is
door de methoden van de wetenschap,
zul je het waarschijnlijk gewoon accepteren
als een van die incidentele onderbrekingen van de normale gang van zaken.
En dank God dan en verheug u met deze man
over dit teken van Gods goedheid.

Natuurlijk roept het de vraag op waarom deze kankerpatiënt genezen is
en anderen niet, waarom wonderen gebeuren.
Zouden we liever een wereld hebben waarin zulke dingen nooit gebeurden,
en de kanker van deze man zijn gebruikelijke dodelijke beloop had gehad?
Of een wereld waarin af en toe iets heerlijks en onverwachts gebeurt,
zoals struikelen over een glorieus onverwacht uitzicht
en een dramatische zonsondergang
aan het einde van zomaar wandeling op een zomeravond?

Een eerlijke dokter zoals degene die deze man behandelt,
zou kunnen erkennen dat de methoden van de medische wetenschap,
ondanks al hun genialiteit,
waarde en wijsheid, waar we allemaal zo afhankelijk van zijn,
op dit punt hun schouders moeten ophalen,
zich realiserend dat ze niet de categorieën hebben
om het te verklaren, en terugvallend op een soort agnosticisme.

Een meer doorgedreven materialist zou zeggen:
‘Natuurlijk weten we dat er zoiets als wonderen niet bestaat,
dus dat is het enige waarvan we weten dat het niet bestaat.
Er moet een andere verklaring zijn,
en de wetenschap zal op een dag ontdekken
waarom zulke mysterieuze dingen gebeuren.’

Wat we geloven over zulke dingen wordt niet bepaald
door de vanzelfsprekende ‘feiten’,
het kale bewijs van wat voor ons ligt,
maar door onze vooropgezette mentale kaart van de wereld,
ons raamwerk van geloof,
wat we denken dat de wereld is, en wat,
of wie we denken dat God is, (als hij al bestaat).
Uiteindelijk zijn we allemaal gelovigen – het verschil is waar we in geloven.

Geloof in wonderen betekent niet dat je de wetenschap
en haar voordelen irrationeel verwerpt
ten gunste van een volledig willekeurige wereld.
Het betekent simpelweg dat je de grenzen van je redenering erkent,
openstaat voor de mogelijkheid van een extra dimensie van betovering
die zich af en toe laat zien,
en dat er een grotere wereld is
dan wij met onze kleine geesten en zielen kunnen bevatten.

G.K. Chesterton, de Britse letterkundige en verdediger van het christelijk geloof
zei het ooit zo:
‘Op de een of andere manier is er een buitengewoon idee ontstaan
dat de ongelovigen wonderen koud en eerlijk beschouwen,
terwijl gelovigen wonderen alleen accepteren
omdat hun geloof het ze voorschrijft.
Het is juist andersom.
De gelovigen in wonderen accepteren ze,
omdat ze er bewijs voor hebben.
De ongelovigen in wonderen ontkennen ze omdat ze er een leer tegen hebben.”

 

Het Zoutpad (The Salt Path) is een internationale bestseller en is zelfs verfilmd.
Maar hoe kan het dat de memoires van een echtpaar van middelbare leeftijd
dat het South West Coast Path bewandelt, toch zo’n impact hebben?

Nou, omdat we ons kunnen herkennen
in het verhaal. Het klinkt oprecht.
Het gaat over het leven zoals we dat kennen,
ook al hebben we de 1014 kilometer
van het pad niet van begin tot eind afgelegd;
Een reis die gelijkstaat aan het vier keer beklimmen
van de Mount Everest.

In de aanloop naar hun wandeling
krijgen Raynor (Ray) en Moth Winn
een reeks klappen te verduren.
Ze raken bankroet en dakloos,
en worstelen met een
verslechterende gezondheid.

En op het punt dat de deurwaarders
aan de deur kwamen
om beslag te leggen
op hun boerderij,
ziet Ray een oud boek liggen:
500 Hundred Mile Walkies van Mark Wallington,
en ze raakt geïnspireerd.

Zij zegt tegen Moth: ‘We zouden gewoon kunnen gaan lopen.’

En dat deden ze.

Maar welke waarheden over het leven en onze menselijke ervaring
onthult dit verhaal dan voor ons?

Ten eerste dat leven onzeker is.
Want er gebeuren nare dingen in ons leven.
Soms veroorzaken we het zelf,
als gevolg van verkeerde of ondoordachte beslissingen.
Een andere keer is het volkomen onverdiend.
Het leven keert zich tegen ons
en bijt ons hard in de kuiten.
We blijven achter met een verdoofd hoofd
en tollen rond met de aanhoudende
maar onbeantwoorde vraag: ‘Waarom ik?’

Voor Ray en Moth Winn is het mislukte een investering
in het bedrijf van een goede vriend.
De deal die de vriend smeedde,
maakte Ray en Moth verantwoordelijk
voor alle schulden van zijn bedrijf.
Het einde van een lange juridische strijd
en betekende dat ze alles verloren:
hun boerderij, hun huis, hun bedrijf
én de goede vriend.

Maar diezelfde week bevonden ze zich ook
in een ziekenhuis in Liverpool
waar ze de diagnose kregen
voor de chronische schouderpijn van Moth.
Het was niet een vermoedelijke zenuwschade,
maar eerder de fatale neurologische aandoening
corticobasale degeneratie: CBD.

En of het nu gaat om het South West Coast Path
of de bekende details van ons eigen leven,
we kunnen nooit volledig anticiperen op morgen.
We weten niet wat er achter de volgende landtong ligt
of welke onaangename verrassingen
het leven ons kan brengen.
Nee, we moeten in het nu leven.
Het heeft geen zin om ons zorgen te maken over morgen;
We kunnen alleen in vandaag leven.

Of zoals Ray tegen het einde van hun tocht memoreerde:

‘Deze seconde in de miljoenen seconden was de enige,
de enige waarin we konden leven.’

Want wie ben ik werkelijk?

Aan het begin van het boek herinnert Ray zich:
‘Ik heb ooit een lezing van Stephen Hawking bijgewoond,
waarin hij zei:
‘Het is het verleden dat ons vertelt wie we zijn.
Zonder het verleden verliezen we onze identiteit.’
Misschien probeerde ik mijn identiteit te verliezen,
zodat ik een nieuwe kon verzinnen.’

Wie zijn we als alles ons ontnomen wordt?
Wat definieert ons?
Dakloosheid en werkloosheid,
vragen over waar we vandaan komen
en wat we doen zijn niet alleen ongemakkelijk,
ze creëren ook een existentiële leegte.

Ray en Moth, die vaak voor zwervers worden aangezien,
merkten dat mensen hen anders behandelden:
Sommigen vertrokken stilletjes,
en met het oog op de ziekte van Moth
waren anderen nog directer: ‘Compleet onverantwoord!’
Maar het oordeel van anderen bepaalt niet wie we zijn.
Maar wie waren zij eigenlijk in deze nieuwe wereld van hen?

En dan is er nog de impact
van een verslechterende gezondheid.
Elke fase van achteruitgang
belooft te ondermijnen
wat er fysiek mogelijk is
en vereist een herdefiniëring
totdat er helemaal niets meer over is.

Maar identiteit gaat dieper dan dat.
Het vormt de kern van wie we zijn,
in ons diepste wezen.
Het is de som van onze ervaringen en keuzes,
onze successen en mislukkingen,
van wat we met plezier hebben omarmd
en wat het leven ons onverwachts
heeft toegeworpen.
We zijn unieke individuen met intrinsieke waarde,
waarde en waardigheid.
Mensen die liefhebben en bemind worden.

Aan het einde van het pad mijmert Ray:

‘De meeste mensen gaan hun hele leven
door zonder hun eigen vragen te beantwoorden:
Wat ben ik, wie heb ik in mij? De grote dingen.
Wat een verspilling.’

Misschien is dat
één van de aantrekkelijke kanten
van wandelen
het ruimte maken is:
ruimte om de afleidingen
en drukte van ons extreem compliceerde leven te vergeten,
zodat zelfontdekking kan intreden.

Maar hoe krijg je het voor elkaar
om 1000 kilometer te lopen?
Hoe kun je de eisen voldoen van het beklimmen
van onbekende heuvels en kliffen
en het navigeren door hun kloven en ravijnen?

En bovendien het beruchte Engelse weer trotseren?
En dat met weinig geld
en alleen een tent als rustpunt:
als het regent, word je nat
en blijf je nat,
en als het koud is,
ril je en trek je zoveel mogelijk lagen kleding aan.
Zélfs in augustus kan het een uitdaging zijn.

Wandelen, eten, slapen en dat maar blijven herhalen.
Soms is het enige wat je kunt doen,
de ene voet voor de andere zetten.

‘Elke stap had zijn eigen resonantie,
zijn moment van kracht of mislukking.
Die stap, en de volgende
en de volgende
en de volgende,
was de reden en de toekomst.
Elke dag overleefd
was een reden om de volgende te overleven.’

Ja, er is altijd keuzevrijheid.
Er is altijd de mogelijkheid
om vandaag te kiezen
welk pad je wilt bewandelen
en met welke houding.
Toegeven of doorgaan,
defaitistisch of hoopvol zijn,
klagen of gul zijn;
Die keuzes zijn er altijd,
zelfs als ze beperkt zijn.
Zelfs na oneerlijke beslissingen
en onverwachte tragedies
kiezen we vandaag
de weg die we nemen.
En soms is dat alles
wat we kunnen opbrengen.

Het verhaal van Ray en Moth
zit vol momenten van vriendelijkheid en warmte.
Van de verliefde serveerster
die hen de overgebleven pasteitjes
van de dag toestopt
tot de vrijgevigheid
van een hippiecommune:
er is een terugkerend thema
dat een onderliggende goedheid
in de aard van mensen weerspiegelt.
En vaak zijn het degenen
met het minste
die het meest vrijgevig
en attent blijken te zijn.

Meer dan eens delen Ray en Moth
zelf hun schamele voedselvoorraad
– met name hun kostbare fudgerepen –
met mensen die in een onzekerdere situatie
verkeren dan zijzelf.
Een andere keer
belanden ze in een gespannen
en potentieel gewelddadige situatie
met een jonge vrouw,
die het slachtoffer is van een gewelddadige relatie.
Ze bieden haar gezelschap aan en een uitweg
en betalen uiteindelijk haar busreis van £5
om naar haar familie te gaan.

Er is iets hartverwarmends aan vriendelijkheid,
iets verheffends.
Zowel de gever als de ontvanger
voelen zich bemoedigd,
lichter en gelukkiger.
Het gezegde ‘het is ‘beter te geven dan te ontvangen
blijkt de tand des tijds te hebben doorstaan.

Vriendelijkheid blijkt dieper in de aard der dingen te zitten,
dan we ons kunnen voorstellen.

The Salt Path gaat over de relatie tussen Ray en Moth:
Hoe ze onvoorstelbaar moeilijke omstandigheden trotseren
en er samen een weg doorheen vinden.
Dit is een diep hoopvol verhaal.
En daaruit kunnen wij ook hoop putten.

Er was niets religieus aan wat ze deden
of zoals in het boek klinkt:
‘Het is toch geen pelgrimstocht?’

Aan de ene kant is het puur een reactie op wanhoop.
Maar te midden van dit alles hebben ze elkaar.
Tweeëndertig jaar samen, begonnen ze hun relatie
toen Ray 18 was,
en ze zijn nog steeds diep verliefd.
Ze belichamen de waarden
die in de huwelijksgeloften zijn vastgelegd:

‘… om te hebben en te houden vanaf deze dag, in voor- en tegenspoed,
in rijkdom en armoede, in ziekte en gezondheid,
om te beminnen en te koesteren,
tot de dood ons scheidt…’

Nee dat is geen slap sentimenteel gewauwel,
maar eerder liefde
die zichzelf bewijst
in het licht van de aanval
van ‘het ergere… het armere…’
van ‘de ziekte… de dood’.

Het einde van hun reis bracht Ray tot het besef:
‘Ik was thuis, er was niets meer te zoeken, zij was mijn thuis.’

of zoals een oude Bijbelse dichter ooit eens schreef:

‘Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een vuurgloed van de HEER.
Zeeën kunnen haar niet doven,
rivieren spoelen haar niet weg.
Zou een man met al zijn rijkdom
liefde willen kopen,
dan werd hij smadelijk veracht.’
(Hooglied 8)

Het boek wekt herkenning op
omdat ze ons het leven dat we kennen,
omdat het de levens die we leiden,
weerspiegelt.
Ja, onze levens zijn
als het ware aanwezig
in de keuzes die Ray en Moth maken,
maar dat verheldert de zaken voor ons.
De meesten van ons zullen zich
nooit in dezelfde situatie bevinden als zij,
maar we kunnen ons inleven.
De meesten van ons zouden
nooit overwegen om te doen wat zij deden,
zelfs als we dat wél waren.
Maar ondanks alles
zien we het,
begrijpen we het
en lijkt het logisch.

Voor mij speelt het meest aangrijpende
en veelzeggende moment van het verhaal
zich af als Moth zegt:

‘Als het zover is, het einde, wil ik dat je me laat cremeren.
Bewaar me dan ergens in een doos,
en als je doodgaat, kunnen de mensen ook jou erin stoppen,
ons dan door elkaar schudden en ons samen op pad sturen.
Zo kunnen ze ons naar de kust laten gaan,
in de wind,
en samen vinden we de horizon.’

NASCHRIFT
Recentelijk zijn er twijfels gerezen over de
de waarachtigheid van delen van dit verhaal.
Ja, als deze kritiek waar is
doet het zeker iets af van het verhaal.
Toch denk ik dat de onderliggende ervaringen
of ze nu fictief of niet-fictief zijn
blijvende universele zeggingskracht mogen hebben
die mensen kan bemoedigen.
Daarover in mijn volgende webpost.

 

De Veertigdagentijd of Lijdenstijd in aanloop naar Pasen
is voor christenen de periode die in het teken staat van
soberheid, inkeer en bezinning op je eigen christenzijn.
Christenen geloven dat ieder mens geschapen is
naar Gods beeld en leven in alle volheid verdient.
Tragisch genoeg leven we in een wereld van
gebroken relaties waar onrecht, ongelijkheid, corruptie
en rampen miljoenen mensen van hun toekomst beroven.
Een christen wordt opgeroepen
om de onvoorwaardelijke liefde van Christus weerspiegelen
door hun leven, hun daden en woorden.
Het geven van hoop, herstel en vernieuwing voor de wereld
zijn daar een onderdeel van.
Ontwikkelingshulp in allerlei vorm is daar ook uiting van.
Hieraan moest ik denken toen hoorde over het onderstaande.

Want in veel landen worden de gelden voor ontwikkelingshulp drastisch verlaagd.
Niet alleen in Nederland, maar bijvoorbeeld ook in het Verenigd Koninkrijk
en wie weet niet van de aankondiging in de Verenigde Staten
om het budget van USAID
– dat internationaal veel hulp overeind houdt –
zeer drastisch te verlagen.
In het Verenigd Koninkrijk heeft de afkondiging
tot verlaging van het budget op ontwikkelingshulp
zelfs geleid tot het aftreden van de minister
voor Internationale Ontwikkeling Anneliese Dodds.
Ze schreef in haar ontslagbrief:

Uiteindelijk zullen deze bezuinigingen voedsel en gezondheidszorg wegnemen
van kwetsbare mensen.

De forse vermindering van ons internationale hulpbudget
brengt inderdaad levens in gevaar over de hele wereld.
De stap ondermijnt echter ook de eigen nationale veiligheid.
Een sterke aanwezigheid op het wereldtoneel
komt niet primair tot stand door militaire kracht,
maar juist door diplomatie en gerichte ontwikkelingsfinanciering.

Dodds:

In de rest van de wereld is het teleurstellend dat we waarschijnlijk
het internationale ontwikkelingsbudget gaan plunderen,
omdat de invloed van het Verenigd Koninkrijk in de wereld
vaak voortkomt uit een combinatie van onze harde macht en onze zachte macht,
onze diplomatie en onze ontwikkelingsfondsen.

Zo zien we ook in Nederland dat minister Klever
van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
projecten stopt op het gebied van vrouwenrechten, gendergelijkheid,
beroepsonderwijs en hoger onderwijs, sport en cultuur.
En ook op hulp op het gebied van klimaat, maatschappelijk middenveld
en multilaterale samenwerking wordt flink bezuinigd.
Onder dat laatste valt bijvoorbeeld Unicef;
de VN-kinderrechtenorganisatie wordt door Klever met 50 procent gekort.

Internationale hulp is bewezen
een van de meest effectieve manieren
om welvaart en vrede te creëren.
Het is een strategische investering
in nationale en internationale veiligheid,
en is ook aantoonbaar
nuttiger en kosteneffectiever
dan militaire defensie-uitgaven.

Het verlagen van hulpbudgetten kan op korte termijn geld vrijmaken,
maar in werkelijkheid verzwakt het de invloed van de donorlanden,
ondermijnt het de wereldwijde stabiliteit
en vergroot het de veiligheidsrisico’s.
Het is niet alleen een valse zuinigheid,
maar ook een potentieel gevaarlijke
en contraproductieve beleidswijziging.

Hier zijn tien redenen waarom internationale hulp
zo’n cruciale investering in veiligheid is:

1. Het aanpakken van de grondoorzaken vermindert terrorisme.

Buitenlandse hulp helpt vrede te bevorderen,
armoede te verminderen en ontwikkeling te ondersteunen
in de meest kwetsbare regio’s.
Wanneer landen stabiel zijn,
is de kans kleiner dat ze in chaos vervallen
of broedplaatsen worden voor terrorisme en extremisme.
Door Nederland gefinancierde onderwijsinitiatieven
hebben meer dan 1,5 miljoen gemarginaliseerde meisjes onderwijs geboden,
waardoor de kwetsbaarheid van jongeren
voor extremistische rekrutering is verminderd.
Door de aantrekkingskracht van radicalisering te verminderen,
heeft deze investering bijgedragen
aan het verlagen van de langetermijndreiging van terrorisme
tegen Nederlandse burgers in binnen- en buitenland.

2. Investeren in wereldwijde gezondheid vermindert pandemierisico’s.

Virussen houden zich niet aan grenzen.
Financiering voor de ebola-respons
heeft geholpen wereldwijde uitbraken te voorkomen,
waardoor het risico op dodelijke ziekten
die zich naar Nederland verspreiden, is verminderd.
Op dezelfde manier is door te investeren in vaccinaties
tegen nieuwe stammen van Covid over de hele wereld,
is de eigen pandemieparaatheid versterkt
en de volksgezondheid in eigen land beschermd.

3. Sterkere relaties tussen landen verminderen conflicten.

Steun aan en hulp bij het trainen van politie en overheidsfunctionarissen,
versterkte de diplomatieke banden op de lange termijn
en voorkwam een terugkeer naar instabiliteit
die zich mogelijk over het hele continent had verspreid.
Dit heeft ook geholpen Nederland te positioneren
als een vertrouwde diplomatieke partner,
wat heeft geleid tot handelsovereenkomsten
en politieke allianties die de wereldwijde belangen
van Nederland ten goede komen.

4. Ondersteuning van stabiliteit vermindert gedwongen migratie.

Het wordt nu erkend dat het bouwen van ankers, en niet muren,
de beste strategie is om migratie in te dammen.
Het ontwikkelingshulpprogramma
heeft economische en sociale steun geboden
in landen als Syrië, Libanon en Afghanistan,
waardoor gedwongen ontheemding werd verminderd
en de druk op de Nederlandse grensbeveiliging werd verlaagd.
Door regio’s te stabiliseren die door conflicten zijn getroffen,
is ook Nederland in staat geweest
illegale migratie en de bijbehorende kosten
van grenshandhaving, asielverwerking en noodhuisvesting
te verminderen.

5. Het bevorderen van duurzaamheid
vermindert de schaarste aan hulpbronnen
als gevolg van klimaatverandering.

Ondersteuning van duurzame landbouw- en schone energieprojecten
in Afrika en Azië, waardoor de concurrentie
om afnemende hulpbronnen wordt verminderd
en klimaatgerelateerde conflicten worden voorkomen
die hebben bijgedragen aan het turbulenter maken van de wereld.
Dit heeft niet alleen de wereldwijde stabiliteit verbeterd,
maar ook kansen gecreëerd voor Nederlandse bedrijven
in de sectoren groene energie en duurzame ontwikkeling.

6. Veerkracht opbouwen vermindert internationale criminaliteit en instabiliteit.

Financiering is bijvoorbeeld instrumenteel geweest
bij het stabiliseren van landen,
door hun bestuur te verbeteren,
wetshandhaving op te leiden en criminaliteit en piraterij te verminderen
die niet alleen de internationale scheepvaart
maar ook het toerisme bedreigen.
Als gevolg hiervan hebben Nederlandse rederijen en toeristen
die in de regio reizen minder veiligheidsrisico’s ondervonden,
wat het vertrouwen in door het Nederland
geleide handel en reizen heeft vergroot.

7. Hongersnood en ondervoeding voorkomen vermindert politieke instabiliteit.

Financiering van projecten heeft geholpen
voedselcrises in Oost-Afrika te voorkomen,
waardoor de kans op massale migratie
en conflicten over hulpbronnen is verminderd.
Zonder die investering zou ook Nederland
waarschijnlijk veel meer hebben uitgegeven
aan humanitaire noodhulp en crisismanagement,
wat de kosteneffectiviteit van preventieve hulp aantoont.

8. Sterkere economieën in het buitenland opbouwen creëert kansen.

Handelsgerichte hulp heeft Afrikaanse landen geholpen
stabiele economieën te ontwikkelen,
waardoor handelsmogelijkheden voor Nederland zijn gecreëerd
en de afhankelijkheid van fragiele staten is verminderd.
Sterkere economieën in partnerlanden
betekenen een grotere vraag naar Nederlandse export,
wat ook ten goede komt aan Nederlandse bedrijven en werkgelegenheid.

9. Humanitaire hulp versterkt de wereldwijde invloed van een land.

Het ondersteunen van humanitaire hulp
is belangrijk om de positie van Nederland
als wereldwijde humanitaire leider te versterken
en heeft geleid tot een soft power-voordeel op het wereldtoneel.
Deze goodwill heeft geleid tot sterkere diplomatieke relaties
met belangrijke bondgenoten,
wat de Nederlandse belangen op het gebied
van handel, veiligheid en regionale stabiliteit ondersteunt.

10. Rampenbestrijding bouwt goodwill en strategische partnerschappen op.

Na de aardbeving in Haïti in 2010 heeft Nederland noodhulp verstrekt,
wat de banden met Caribische landen heeft versterkt
en het wereldwijde leiderschap van Nederland
op het gebied van crisisbestrijding heeft laten zien.
Deze inspanningen hebben de rol van Nederland
als betrouwbare partner in tijden van crisis versterkt,
wat heeft geleid tot nauwere
economische en diplomatieke relaties
met landen in het Caribisch gebied.

Kortom:
Als het Westen de hulpfinanciering opzegt,
ontstaat er een zeer significant vacuüm
waarin andere landen zullen stappen.
Rusland heeft bijvoorbeeld al Wagner-huurlingen gestuurd
om te patrouilleren
in de Centraal-Afrikaanse Republiek en Mali.
Dit is niet alleen slecht voor de burgers van die gebieden,
maar ook vanuit het perspectief
van de nationale veiligheid van Nederland.
Het zou buitengewoon zorgwekkend zijn
als Rusland in staat zou zijn
om een brede basis van invloed
en soft power op te bouwen in het mondiale Zuiden.

Met een steeds kwetsbaardere wereld
is dit het instrument dat op dit moment het meest nuttig is
voor de nationale veiligheid internationale hulp.
De toename van conflicten, migratie,
terrorisme en andere vooroorlogse omstandigheden
is direct te wijten aan de impact van armoede
– die nu 44 procent van de wereldbevolking treft, concentratie van rijkdom –
die de kans op financiële crises vergroot, verzwakte handelsroutes
– bijvoorbeeld vanwege de oorlog in Oekraïne en het Midden-Oosten,
en nieuwe handelspolitiek in de VS, en klimaatverandering –
die al die spanningen verergert.
Als Nederland in deze turbulente tijden
een effectieve verdedigingsstrategie wil,
moeten we heroverwegen om onze internationale hulpverplichtingen te verdubbelen,
en ze niet op te geven.

De Veertigdagentijd.
Als christen staat deze periode in het teken
van bezinning op je eigen christenzijn.
Ze staat in het teken van mededogen,
liefde en barmhartigheid delen
en bereid zijn om samen te werken
om het leven van mensen te veranderen.
Hulp aan een medemens is,
die ook geschapen is naar Gods beeld.
Wederkerigheid in ontwikkelingshulp
vindt zijn basis in de ontvankelijkheid
die wij leren van de liefde.
Concreet betekent dit dat wij, gevers,
allereerst zelf leren,
namelijk leren te ontvangen in het geven.
Alleen dan is er werkelijk sprake van wederkerigheid.
Een les in deze Veertigdagentijd.

naar aanleiding van psalm 30

In Psalm 30 ontmoet je David die gewend is aan de situatie waarin hij zich bevindt.
‘Ik zei in mijn zorgeloze rust: ik zal voor eeuwig niet wankelen.’
We voelen aan wat voor type mens dit is.
Het is iemand die het goed getroffen heeft in deze wereld.
De dingen gaan hem voor de wind – privé en zakelijk.
Het gaat hier ook over iemand die dat allemaal wel èrg goed weet.
Zijn zelfvertrouwen loopt over in zelfoverschatting.
Hij noemt weliswaar de naam van God,
maar beseft niet écht meer van wie hij alles ontvangen heeft. Hooghartig
‘In mijn overvloed dacht ik: nooit zal ik wankelen.’
Mij kan niets gebeuren.
Maar toen… toen ging het mis. David werd ziek, heel ziek.
Hij lag op het randje van de dood. Zomaar opeens.
Zijn hele wereld stortte in. En wat had hij nu aan zijn macht?
Ineens was hij heel klein en kwetsbaar. David riep tot God, hij smeekte om hulp, om genezing.
Hij beseft dat hij van Gods hulp afhankelijk was. Weg zorgeloze rust.
Is die geschiedenis van David niet heel herkenbaar?
Hoe makkelijk denk je niet dat al het goede vanzelf spreekt. Je leeft in zorgeloze rust.
Alles gaat goed, en niets wijst er voorlopig op dat dat zal veranderen.
Prachtig natuurlijk, als het zo gaat in je leven!
Maar van wie krijg je het? Heb je dat zelf allemaal voor elkaar gebokst?
Misschien heb je er hard voor gewerkt… Maar nogmaals, wie geeft je al dit goede?
Het had ook zo anders kunnen zijn, ondanks je inspanningen!
Wat gebeurd er als Hij even laat voelen dat het ook anders kan.
Als Hij, zogezegd, zich even achter een wolk terugtrekt.
‘Toen u uw aangezicht verborg’ zegt de psalm, ‘werd ik door schrik overmand’.
Dan merk je pas hoe weinig je het zelf in de hand hebt allemaal.
Je wordt wreed wakker geschud, ineens!
Doet God dan zulke dingen? Wil Hij mensen pootje haken?
Laten we voorzichtig zijn in wat we zeggen.
De psalmdichter heeft er echter geen moeite mee, om Gods hand achter allebei de dingen te zien: zijn voorspoed én zijn ziekte!
Die ervaring van ziekte vormt voor hem een keerpunt. Een wake-up call.
Wanneer zijn leven in elkaar valt als een kaartenhuis dan ziet hij het opeens weer:
als God zich verbergt dan trekt alle kleur uit mijn leven weg.
Als Hij er niet is, is alles donker om mij heen.
Want alles heb ik aan Hem te danken, niet aan mezelf.
Is God dan wispelturig? Zegent hij nu eens, terwijl Hij een andere keer ellende stuurt?
Moet je het maar afwachten hoe Hij het jou laat vergaan?
Nee, Hij ís liefdevol. Dat is hoe Hij ten diepste is: genadig, goed, en liefdevol.
Ook als Hij zich soms even terugtrekt.
De psalm zegt het zo mooi ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.’
Blijf vasthouden aan het feit dat God góed is. Ook al ervaar je dat op een bepaald moment niet.
Ook al heeft Hij zijn aangezicht verborgen. Dat je blijft roepen tot Hem, net als David deed.
Tóch blijven vertrouwen dat Hij betrouwbaar is.
Ja, als alles goed gaat, is dat niet moeilijk – hoewel…
dan val je al snel in die zorgeloze rust die Hem vergeet.
Maar als Hij ver weg lijkt, dan toch zeggen en blijven zeggen
‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.
‘s Avonds overnacht het geween… maar ’s morgens is er gejuich!’
Soms ga je slapen vol met zorgen. Maar na de avond komt de morgen.
David mocht het ervaren in zijn eigen leven. Maar ook nú is het waar!
Al verbergt de Here zich misschien een tijdje – wie Hem verwacht zal merken dat Hij niet ver is.
Als dat ergens zichtbaar wordt, dan in Jezus Christus.
Toen Hij aan het kruis hing, verborg God Zijn aangezicht ook.
Dat is donkerste nacht die je je voor kunt stellen. Dat is de hel.
Maar Christus is er doorheen gekomen. Hij is opgestaan!
Psalm 30 is een lied over het leven dat sterker is dan dood.
Over licht in de donkerste duisternis.
‘Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich!’
In Christus is dat waar
Hij was sterker dan de dood!
Hij leeft! Hij is opgestaan!
En Hij belooft ons nooit alleen te laten.
In onze zwartste nacht is Hij nabij.
Ook als we niet genezen – Hij is er.
We ontvangen alles van de hemelse Vader.
Die door Jezus Christus ook onze Vader is.

HEER, mijn God, u wil ik eeuwig loven!

De hype van de zomer gaat nog even door: het Mexicaanse griepvirus. Tijdens de zomer buitelden de actualiteitenrubrieken al over elkaar heen met allerlei onheils- en doemscenario’s: een groot deel van Nederland zou uitgeschakeld in bed komen te liggen, we moesten vrezen voor het verlies van een goede dienstverlening, het openbaar vervoer zou plat kunnen komen te liggen, winkels zouden niet meer worden bevoorraad et cetera. Als ware griepprofeten  orakelden de virologen Roel Countinho en Ab Osterhaus met zijn eeuwige giletjes-combinatie er lustig op los: panedemielevels werden opgeschaald, risico’s werden geanalyseerd en geïnterpreteerd. Nee, de zomer zou relatief gunstig verlopen, het griepvirus zou pas zijn kop opsteken in de herfst, het najaar. GriepVeel mensen vonden dat de nationale overheid te weinig deed om de mensen voor te lichten over de griep. Op tv verschenen onsmakelijke filmpjes van de Britse overheid die de bevolking van het Verenigd Koninkrijk moest waarschuwen voor de Mexicaanse griep. Groot-Brittannië is het Europese land waar de griep tot op dit moment de meeste slachtoffers maakte.

Maar gelukkig, de Nederlandse overheid is nu ook begonnen met haar voorlichting over de Mexicaanse griep en hoe de mensen zich het best kunnen wapenen tegen besmetting. Met de actie ‘grip op griep’ wordt gans Nederland ingelicht. Om voor mij nog wat dichter bij huis te blijven: ook de Protestantse Kerk in Nederland heeft voorlichting gegeven over de griep en hoe haar leden er het beste mee om moeten gaan. De wijn bij het Avondmaal, zo wordt aanbevolen, kan beter in afzonderlijke kleine bekertjes worden geconsumeerd. Als aanstaand predikant heb ik helaas nog geen adviezen gelezen over bijvoorbeeld het handenschudden bij de uitgang. Moeten we nu na elke geschudde hand gezamenlijk de handen reinigen met desinfecterende gel? Dat zal dan ook weer een sociaal evenement worden. En de pastorale gesprekken… met mondkapjes? Misschien is het oplossing om de biechtstoel uit mijn eerdere blog in te voeren: een mooi stuk kunststof tussen de mensen, waardoor we elkaar nog wel zien maar geen problemen ondervinden met allerlei besmettingsmogelijkheden. Misschien een idee om stilzwijgend de biecht weer in te voeren in het protestantisme?

Maar niet alleen het sociale aspect tijdens de zondagse kerkgang zou kunnen lijden onder de Mexicaanse griep. Ook de dagelijkse werkvloer zou er een tik van mee kunnen krijgen: ik las laatst dat het onbedacht aannemen van een kopje koffie van een behulpzame collega zelfs al een risicofactor kan zijn. Het vriendelijke kopje koffie kan zo een besmettingshaard van jewelste blijken te zijn.  Want o wee, heef de collega misschien nagelaten zijn handen te wassen, heeft hij per ongeluk geniest over de kop koffie. En wie weet, was degene die de automaat vulde besmet met het griepvirus?

Toch maar weer even terug naar mijn eigen beroepsgroep: predikanten en voorgangers in diensten. Uit de media begrijp ik dat vooral de medeklinkers b, c, d, p, t en s leveren besmettingsgevaar op. Ik denk dat in de komende periode maar zover mogelijk bij de mensen weg moet gaan staan. Alleen een grove telling van de bewuste letters in votum en groet leverden al zorgwekkende aantallen op van de bewuste letters. Het wordt een hele kunst om een preek te schrijven en de bewuste letters zo veel mogelijk te mijden. Maar het is natuurlijk ook een uitdaging!!

Het laatste nieuws over de Mexicaanse griep is dat de griep momenteel een betrekkelijke milde griep lijkt te worden, een algehele inenting van de Nederlandse bevolking is misschien van de baan en de grote doses Tamiflu kunnen misschien worden afbesteld.

Maar gelukkig: we hebben de Q-koorts nog…