In 1959 zong Pete Seeger het legendarische lied
Turn! Turn! Turn!
met de iconische zin uit de Bijbel
‘To every thing there is a season,
and a time to every purpose under the heaven.’
(Prediker 3)

Omdat komend weekend Nederland
de wisseling maakt van zomer- naar wintertijd
leek het mij toepasselijk om een webpost te wijden
aan de wisseling van zomer naar herfst.

Want het begin van de herfst kan twee verschillende emoties aanboren.
Je kunt je somber worden gaan voelen naarmate de nachten lengen
en het ’s ochtends killer begint te worden,
of je wordt juist vrolijk en wijst naar de kleurende bladeren
en de schoonheid van een vroege avondlucht bewonder.

Voor mij is er iets betoverends aan de herfst,
het voelt zelfs meer als een ‘nieuw jaar’ dan januari,
maar voor anderen is het slechts een teken
dat de winter nabij is
en de zomervakantie een verre droom.

We hebben allemaal onze voorkeuren,
maar voor sommigen kan het begin van een nieuw seizoen
ziekte veroorzaken,
zoals in het geval van een seizoensgebonden stemmingsstoornis,
die, hoewel meestal in de wintermaanden,
mensen juist ook in de zomermaanden kan treffen.

Uiteindelijk brengt elk seizoen
zijn eigen unieke vreugde en verdriet met zich mee,
waarvan sommigen genieten en anderen het maar doorstaan,
het belangrijkste is dat we deze verschillen accepteren
en een manier vinden
om door de veranderingen heen
verbinding te maken.

Het is iets wat we ook zien in de manier waarop de kerk door het jaar reist.
Soms ook wel het liturgische jaar genoemd,
waarbij de seizoenen veranderen
en de focus ligt op een ander deel
van het verhaal uit de Schrift.

De herfst is de tijd waarin de oogst wordt gevierd,
waarin we onze dankbaarheid uiten
voor de natuur
en hoe deze voorziet in alles wat leeft.

Of het nu meteorologisch of theologisch is,
het volgen van het ritme van de seizoenen
geeft ons de mogelijkheid om niet alleen samen te vieren,
maar ook om te leren hoe we goed kunnen lijden
en samen kunnen rouwen.

In het kerkelijk jaar worden de periodes van viering,
zoals Kerst en Pasen,
voorafgegaan door periodes van bezinning en rouw.
Advent wordt gekenmerkt
door het wachten van Gods volk
op het licht van de wereld d
at door de duisternis heen breekt,
terwijl de vastentijd de gelegenheid biedt
om vergeving te zoeken en te rouwen
om alles wat er mis is in de wereld en in onszelf.
Deze seizoenen volgen
het verhaal van Jezus’ leven, dood en opstanding ;
soms resonerend met onze eigen levensfasen
en soms pijnlijk contrasterend.

In de Bijbel staat een boek genaamd Prediker,
geschreven door een onbekende persoon
die Kohelet of ‘leraar’ wordt genoemd.
Hij spreekt over ‘een tijd voor alles onder de zon;
er een tijd is om geboren te worden
en een tijd om te sterven…
een tijd om te huilen
en een tijd om te lachen.’

Het herinnert ons eraan,
terwijl we de seizoenen volgen,
dat er in het menselijk leven en geloof
ruimte is voor al onze emoties.
We zien het in de verscheidenheid
aan emoties die niet alleen in
bijvoorbeeld de Psalmen tot uiting komen,
maar ook in Jezus’ eigen leven.

En het vermogen om samen te komen
en deze seizoenen voor God te markeren,
zelfs als ze verschillen
van wat we persoonlijk ervaren,
is iets wat ons samenbrengt.
Het herinnert ons eraan dat,
ondanks alle maalstroom
van emoties en veranderingen
die het leven met zich meebrengt,
er een soort cadans door elk seizoen klinkt:
we zijn geliefd door God
en vanuit diezelfde liefde
hebben we elkaar lief.

De wisseling van de seizoenen
kan een veelheid aan herinneringen
en emoties oproepen,
maar als we het toelaten,
kan het ook dienen als een oproep
om samen te komen
en ons door liefde te laten leiden.
We kunnen leren doen
wat de apostel Paulus de vroege kerk in Rome opdroeg:
‘Wees blij met wie zich verblijdt,
heb verdriet met wie verdriet heeft.’
(Romeinen 12)

 

Vakantie…yes!! Het is weer zover!!
En tijdens die zomervakantie
gaan onze gedachten vanzelfsprekend uit
naar een ontsnapping aan ons gewone leventje
dat zich waarschijnlijk voornamelijk op het land afspeelt.
En voor velen van ons zal die ontsnapping
dan een verblijf aan zee kunnen betekenen.
Ja, het is waar, als landrotten zijn we graag aan zee.
Onze zielen lijken te lijden onder een jaarlijkse ervaring,
terwijl we richting de kust slenteren,
mompelen: ‘Ik moet weer naar de zee…’

We willen op vakantie aan zee;
zoals de markt voor tweede huizen aan de zee
of op een eiland zal bevestigen.
We willen ook permanent aan zee wonen,
of op zijn minst aan het water.
Sommige experts schatten dat woningen aan het water
gemiddeld zo’n 48 procent meer waard zijn.
Water verkoopt.
Misschien omdat de nabijheid ervan
een soort mentale ontsnapping biedt
aan de overweldigende rigiditeit
en lineariteit van onze overwegend stedelijke omgeving.

De Britse psychiater Ian MacGilchrist
stelt in zijn boek
The Divided Brain and the Search for Meaning
dat ons moderne leven lijdt
onder de triomf van de aandacht
van de linkerhersenhelft voor de wereld.
Dit is een gerichte aandacht
die draait om controleren en verkrijgen.
Het leidt tot de creatie
van een op zichzelf staande en geordende wereld
met weinig aandacht voor context.
En zo weinig aandacht voor de natuurlijke, complexe,
vloeiende realiteit van de schepping.
MacGilchrist brengt vervolgens
de toename van diverse psychische aandoeningen,
gekenmerkt door wat hij ‘tekorten in de rechterhersenhelft’ noemt,
in verband met industrialisatie
en de ontwikkeling van onze moderne cultuur.

In zijn boek Blue Mind
onderzoekt bioloog Wallace Nichols
het bewijs voor het positieve effect
van water op de hersenen.
Hij benadrukt hoe de nabijheid van water
kan helen, herstellen,
ons een gevoel van verbondenheid kan geven
en rust kan bevorderen.
Hij stelt dat water onze geest kan verschuiven
het is een soort mentale aandacht dat rust genereert.
Met, aan, of liever nog, in water zijn,
is ongetwijfeld goed voor ons.
Dus geen wonder
dat we ons ertoe aangetrokken voelen.

Maar tegelijkertijd is water,
en met name de zee,
een bron van angst geweest.
Een no-go area ‘waar draken zijn’, oké, kreeften zeker,
waarschijnlijk haaien en walvissen.
De zee blijft een van de laatste plekken van mysterie,
een ondoorgrondelijke, ondoorgrondelijke plek
met eindeloos donker water.
We weten meer over de verre uithoeken
van het universum
dan over de werkelijk diepe oceaan.
Mythische wezens van de diepte,
blijven de slinkende ruimte
van onze verwondering en angst
voor het onbekende bevolken.

In de christelijke traditie is de zee
een plek van diepe paradoxen.
De schepping begint met Gods Geest
die boven het water zweeft.
Maar de zee wordt ook vaak opgevoerd
als een plek
van Gods afwezigheid.
De zee is de plek van monsters, mysterie en dood.
Het is ook de plek van misschien wel
de beroemdste walvis uit de literatuur.
De walvis die de ongelukkige Jona opslokt.
Jona’s verhaal drukt de diepe paradox uit van de zee
als een plek van dood en tegelijkertijd
ook een plek van goddelijke ontmoeting.
Het is in de diepten van de zee,
en in het spijsverteringsstelsel van de walvis,
dat Jona’s openbaring plaatsvindt
en zijn reis opnieuw begint.

Verhalen van Jezus behandelen
ook deze paradox van wildheid
en ontmoeting in de chaos van de zee.
In het verhaal van het kalmeren van de storm
wordt de woeste dreiging van de zee niet voorgesteld
als iets dat simpelweg vermeden moet worden.
Jezus is geen fixer
die alle dagelijkse gevaren overbodig maakt.
Het verhaal vertelt eerder dat juist in zulke momenten
van wildheid, woede en angst
zijn krachtige aanwezigheid voelbaar is.
We verlangen naar de zee, en naar het water,
naar meer dan alleen
een balsem voor de geest.
De zee blijft die plek,
in onze gemechaniseerde, technologische wereld
met haar constante lokroep van controle,
waar een onderdompeling in een gevaarlijk mysterie
nog steeds kan worden ervaren.
Van de vaste wal in zee stappen
is de mogelijkheid van de dood en
(paradoxaal genoeg) de reële mogelijkheid
van een dieper leven binnengaan.
Meegevoerd worden door de zee
en naar de horizon kijken
is contact maken met onze eindigheid
in de context van de uitgestrektheid van de zeeën.
Het is ons verbinden
met onze volstrekte afhankelijkheid
van de schepping die we bewonen
en ons verbinden met de aanwezigheid
die die schepping bijeenhoudt.

De zee in stappen is daarom zelfs een stap van geloof.
Een stap in de richting van onze eigen kwetsbaarheid.
Een moedige stap weg van de wereld
waarin onze technologie, onze algoritmes,
onze machines en onze wolkenkrabbers
ons misleiden tot een geloof
in onze eigen controle, onze eigen suprematie.
Een stap in de diepte.
‘De roep van vloed naar vloed’, zegt de psalmist,
‘al uw golven slaan zwaar over mij heen.’
Als velen van ons deze zomer de zee in stappen,
kan dat zeker een stap zijn
naar een herstelde geestesgesteldheid,
maar het kan ook een stap zijn naar een herstelde ziel.

 

Deze Bijbeltekst volgt op een gedeelte in Prediker 3,
dat ons leven al aardig goed weergeeft.
Daar staat namelijk:

Voor alles is er een vastgestelde tijd:
er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.
Een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven;
een tijd om te doden en een tijd om te genezen,
een tijd om af te breken en een tijd om op te bouwen;
een tijd om te huilen en een tijd om te lachen;
een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken;
een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten,
een tijd van oorlog en een tijd van vrede.

Als je dat zo leest, dan komen er allerlei gevoelens bij je langs.
Wat is er toch veel: al dat gezwoeg van ons mensen;
bijvoorbeeld in de wereld om ons heen,
waar een economie draaiend wordt gehouden.
Maar ook in een gezin of je omzien naar familie of vrienden.
De vraag van de Prediker is:
Wat levert ons zwoegen uiteindelijk op?
En daarbij roept hij ons ook op om van het leven te genieten en rust te vinden.
En dat te midden van het onrecht in deze wereld en bij alle angst en onrust.
Te midden daarvan staat onze tekst.
Een hand vol rust is beter dan beide vuisten vol zwoegen en najagen van wind.

Zijn er dingen waar je slecht van slaapt?
Waardoor je de slaap niet kunt vatten?
Hoe harder je probeert, hoe verder de slaap weg lijkt.
Hoe krampachtig gaan wij met dingen om
met de gedachte dat wij het zelf moeten doen,
dat wíj de problemen moeten oplossen.

In de Bergrede zegt Jezus:
Maak je geen zorgen voor de dag van morgen.
Die heeft genoeg aan zijn eigen last.
Dus: Je voegt door al je zorgen niets toe.
Jouw wakker liggen is nergens goed voor.
Het lijkt voor ons alsof je bestaan er van af hangt,
maar er staat ook: God geeft het zijn beminden in de slaap.
Of, zoals je ook kunt vertalen: God geeft zijn beminden dé slaap.
Op dat niveau moet je wakker-liggen ook zien.
God is het die je rust gunt. Ontspanning.
Dat je gerust kunt slapen. En uitgerust wakker worden.
En om goed te kunnen slapen
moet je in ieder geval beseffen dat God zorgt.
Vandaag.
In de nacht.
En morgen weer.
Daarmee is je slapeloosheid misschien niet meteen opgelost.
Daar kunnen ook andere zaken oorzaak van zijn.
Maar het kan wel helpen om ook als je wakker ligt, ontspannen te blijven.
En het jezelf voor te houden:
Ook als ik moe opsta zal God zorgen.
Dat bevrijdt je van krampachtig op zoek zijn naar rust.

God gunt je rust. Dat is eigenlijk het thema van deze tekst.
Gunnen, dat is hetzelfde woord als genade.

Je ziet datzelfde in dat Bijbelverhaal over de worsteling van Jakob.
Als hij met God in gevecht is, een nacht lang
en het uiteindelijk voor Jakob duidelijk wordt
dat hij niet kan winnen,
want God is sterker, dan smeekt hij om genade:
ik laat U niet gaan, tenzij U me zegent.
Dat is hetzelfde. Genade. Zegen.
God die goede dingen over je zegt.
Die je leven en liefde belooft.
Als jij weerloos bent en je verloren voelt.
Juist dan krijgt God de ruimte.

De maatschappij leert ons om vechtend in het leven te staan.
Je best te doen om te overleven. Jezelf redden.
Dat is een heel gevecht.
En zeker, velen redden zich best.
Maar overgave is voor mensen een moeilijk begrip.
Soms helpen omstandigheden.
Als alles je uit handen geslagen wordt.
Dan moet je wel.
Dan leer je het door schade en schande.
Maar uit de Bijbel leer ik dat je bij God tot rust mag komen.
Je hoeft je niet groot te houden.
Je geloviger, stoerder, steviger voor te doen dan je bent.

Loslaten is lastig.
Daarom is het een prachtig beeld dat Prediker in deze tekst oproept.
Een hand vol rust is beter dan beide vuisten die gesloten zijn.
Gebald soms, niets willen loslaten.
Dus rust heeft blijkbaar te maken met loslaten.
Je opent je handen, geen vuist meer, niet meer gebald en het wordt je gegund.

In de kerk belijden we dat ons leven in handen van de Here ligt.
Dat Hij zorgt.
Dat bij Hem de toekomst zeker is.
Neem een voorbeeld aan dat kleine kind dat gedoopt wordt.
Het kind wordt gedragen. Kan nog helemaal niets.
Maar Jezus kan alles.
Hij zal Zijn ruimte nemen in het leven van dat kleine kind.
Daar mogen we op vertrouwen. Ook voor onszelf.
Wij hebben onze toekomst niet in handen.
Niet hard in je vuisten knijpen. Maar loslaten en schuilen bij God.
Bij Hem ben je veilig. Bij Hem alleen.

Loslaten betekent ook het niet te verwachten van anderen.
Wat die van mij vinden.
Dan worden we dikwijls teleurgesteld.
De Here Jezus stelt in de Bergrede dat we de dingen niet moeten doen
om bij mensen in een goed blaadje te komen.
Hij weet hoe verleidelijk dat is. Bij God is dat niet nodig.
Hij kent je sores en verdriet.
Hij weet van je zonden en je gevecht om overeind te blijven.
Maar dat is niet bepalend voor zijn beeld van jou.
Beeldbepalend is zijn Zoon.
Door Hem houdt God meer van je dan wie ook in deze wereld.
Dus niet jaloers zijn.
Op wat mensen kunnen of hebben. God ziet jou vol liefde.
Dan leer je Hem vertrouwen door naar Jezus te kijken.
En ben je vervolgens ook tevreden met wat Hij je geeft.

Het doet me denken aan het beeld van dat zomerse wielerspektakel
de Tour de France.
Daar is het principe: De Tour wacht nooit.
Hoe hard je ook valt. Hoeveel pech je ook hebt.
Dat is het beeld van het leven om ons heen.
Dus: moet je overeind blijven. Doorgaan. Volhouden.
Beide vuisten klem je om je stuur.
Beide vuisten vol gezwoeg en najagen van wind.
De Tour wacht op niemand. Het leven gaat door.
En voor je het weet, sta je buitenspel.

Maar bij God niet. Hij draait de boel om. Hij wil rust in je leven.
Hij houdt je overeind of, als je valt, dan helpt Hij je overeind.
God gunt je die rust. Vanuit die rust mag je je werk doen.
Jouw werk redt je niet. Je positie niet. Je geld niet. God redt.

We weten het wel.
Maar wat we belijden, beleven we dat ook? Laten we dat zien?
Een hand vol rust. Dat is wat God geeft.
Dicht bij Hem mag je elke dag die rust vinden.

En dan kun je ook gerust op vakantie. Niet omdat je het verdiend hebt.
Maar omdat God het gunt.
Hij wil zijn zegen verbinden aan wie zo rust vindt bij Hem.

Dan re-creëer je echt. En geeft God je nieuwe krachten.

 

In deze periode van ‘IJsheiligen’ (11-14 [15] mei 2025) een – vind ik – toepasselijke blogpost.

Eerst maar eens de weerkundige feiten:
IJsheiligen valt ieder jaar op dezelfde data in mei,
namelijk op 11, 12, 13, 14 en soms ook 15 mei.
Het zijn de naamdagen van een aantal katholieke heiligen,
namelijk Mamertus (11 mei), Pancratius (12 mei),
Servatius (13 mei), Bonifatius (14 mei)
[en dus soms ook Sophia van Rome (15 mei)].

Hoewel we in Nederland geen grote festiviteiten
kennen rondom IJsheiligen,
betekent het niet dat deze dagen nergens gevierd worden.
In sommige delen van Europa
(zoals Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland)
worden door traditionele gemeenschappen
feestelijke bijeenkomsten gehouden tijdens IJsheiligen,
zoals processies en speciale kerkdiensten.
Die lokale tradities en rituelen zijn vaak
kleurrijk en levendig,
met lokale kostuums, muziek en dans.
Volgens de volksweerkunde zijn deze dagen in mei
de laatste dagen in het voorjaar
waarop er soms nog nachtvorst is.
IJsheiligen wordt gezien als de overgang
naar dagen met een zomers karakter.
Het is niet uitgesloten dat er na half mei nog nachtvorst optreedt,
maar die kans is zeer klein.

Vanouds vormt de heiligenverering een belangrijk punt van verschil
tussen de de Rooms-katholieke kerk en de protestantse kerken.
In de Rooms-katholieke geloofsbeleving zijn heiligen niet weg te denken,
van de naam van parochies en kerken
tot schietgebedjes aan sint Antonius als er iets kwijt is.
Protestanten hebben juist weinig met heiligen.
Dat is te verklaren vanuit de tijd dat deze kerken ontstonden.
In die tijd, aan het einde van de middeleeuwen,
namen heiligen soms in de praktijk de plek in van God.
Nu doet zich de laatste tijd het volgende opmerkelijke fenomeen voor:
in de Rooms-katholieke kerk werden de heiligen veel minder belangrijk,
heel wat beelden zijn sinds de jaren zestig
zelfs letterlijk uit de kerken verwijderd.
Heiligen worden, als ik het goed zie,
ook meer gepresenteerd als voorbeelden
dan als tussenpersonen richting de hemel.

Maar bij protestanten groeit de laatste tijd echter juist het besef
dat voorbeelden en verhalen over geleefd geloof belangrijk zijn.
Geloof is geen theorie, het stempelt als het goed is heel het leven.
Dat dat kán, en hoe dat eruit ziet,
zie je in de levens van sommige gelovigen heel goed.
Daarom is het goed over hen te horen
en hun herinnering levend te houden.
Niet om ze te vereren, maar om ervan te leren!
Daarom hierbij een verhaal van een ‘protestantse (ijs)heilige’,
iemand die iets laat zien van wat gelovig leven is:
het verhaal van Dirk Willemsz.
Hij leefde in het begin van de Tachtigjarige Oorlog,
een tijd van religieuze en burgerlijke onrust.
Deze Dirk zat aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog
gevangen vanwege zijn geloof in het kasteel van Asperen.
Het zag er naar uit dat hij op de brandstapel zou belanden,
want dat was destijds de gebruikelijke straf voor ketters.
Gelukkig had een bezoeker hem een vijl kunnen toespelen.
Daarmee ging Dirk ‘s nachts de tralies te lijf
en na een tijd had hij ze doorgevijld.
Met behulp van een touw van oude lappen
liet hij zich op een vroege morgen naar buiten zakken.
Het was winter en er lag ijs op de slotgracht.
Niet erg dik, maar Dirk was flink vermagerd
door het verblijf in de kerker en hij kon er op staan.
Over het ijs ging hij er snel vandoor.
Zijn weg naar de vrijheid lag open!
Helaas had de bewaker van het slot hem gezien.
Hij riep versterking en zette zelf de achtervolging in.
Echter, deze man woog een stuk meer,
en na een tijd zakte hij door het ijs.
Hij kon niet zwemmen en riep doodsbang om hulp.
Dirk zag en hoorde het, en wat deed hij?
Hij keerde zich om, en hielp de man om veilig aan de kant te komen.
De intussen gearriveerde versterking
greep Dirk en nam hem weer gevangen,
ondanks protesten van de geredde bewaker.
Twee weken later werd hij zonder pardon levend verbrand.
In Asperen is zijn cel nog te bezichtigen

Wat moet je hier nu van denken?
Was die Dirk niet helemaal goed wijs?
Hij had zich kunnen redden maar deed het niet!
Of…. toont hij dat er iets bestaat dat hoger is dan zelfbehoud?
Of…. iets dat te maken heeft met Jezus en wat Hij zei en voordeed?