mei 2023


 

Wij kunnen de tijd van de lege, stille kerken opvatten

als slechts een korte, voorbijgaande periode

die we alweer snel vergeten zijn.

Maar we kunnen die tijd ook als als een gelegenheid

‘de diepte in te gaan’,

en te zoeken naar een nieuwe identiteit voor het christendom

in een wereld die voor onze ogen radicaal verandert.

Onze god is een god van verrassingen.

Ja, misschien zullen sommige oppervlakkige christenen weg gaan.

Maar anderen zullen komen!

Mensen worden altijd geconfronteerd met zeer belangrijke vragen;

met lijden, met pijn, met de dood. En zitten met vragen.

Als christen zijn we bedoeld om ambassadeur te zijn van Gods koninkrijk.

Mensen die met de ogen van Jezus naar mensen leren kijken.

Zien wat Hij ziet en geraakt worden door wat Hem raakt:

de vermoeidheid, het opgejaagd zijn, de onvrede, de leegte,

de pijn, de angst van een leven zonder Herder.

En die het hart hebben, de moed, de vrijmoedigheid,

de kracht om in zulke situaties voor de ander iets van een herder te zijn.

Om in Jezus naam de macht van de boze te breken

en de vrede van God over de ander uit te spreken.

En zo in woorden en daden voor de ander een persoon,

een huis van vrede te zijn.

Als christenen zijn we niet op aarde om toerist te zijn

om maar wat rond te hangen, onze dingetjes te doen

waarin het vooral draait om wat goed voelt en fijn is.

Christenen zijn ook niet op aarde om kerkganger te zijn

onze dagelijkse godsdienstige dingetje te doen,

daar een goed gevoel aan over te houden

en te denken dat dat het is.

Christen bereiken hun bestemming ook niet

door noeste ijverige harde werkers te zijn thuis,

op het werk en in de kerk

en te denken dat we daarvoor gemaakt zijn,

voor verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef.

Jezus ziet de nood, de pijn, de moeite, het zoeken

van zoveel mensen die zonder herder leven.

Daar zijn uw buren bij, uw vrienden, uw klanten,

uw familie en de vraag galmt door de hemelse gewesten:

Wie zal ik zenden? Is de tijd gekomen dat u, dat jij opstaat en zegt:

zie hier ben ik Heer, zend mij! Heer, ik ben klaar met een leven als toerist.

En kerkganger zijn of noeste werker is niet genoeg.

Heer zend ook mij als uw ambassadeur.

Uitdeler te zijn van de oogst van genade en vrede,

heling en hoop voor wie u op mijn pad gaat brengen.

Zegen mij met nieuwe vrijmoedigheid met compassie,

met lef, met moed en met Geestkracht.

Om voor de ander een persoon van vrede, een herder te zijn.

Een ambassadeur te zijn van uw koninkrijk.

Het Pinksterfeest is het feest waarop Jezus de Geest van God uitgiet over al zijn leerlingen.
God had al lang geleden beloofd zijn volk de heilige Geest te geven.
Gelovigen zagen uit naar de komst van Gods Geest.
Nu, op de Pinksterdag, is het eindelijk zover.
God wil ons leven vernieuwen. Door Jezus. Door de Heilige Geest.
Wij mogen elke keer opnieuw beginnen.
Hier proef je weer Gods goede begin.
Daar zal gauw genoeg van allerlei kanten de klad in komen.
Het blijven mensen.
Mensen die neigen naar alles wat tegen God en tegen het mens zijn ingaat.
Maar toch:
Jezus zal ervoor zorgen dat er altijd en overal leerlingen van Hem zullen zijn die anders zijn.
Die wel weer laten zien hoe God de mens bedoeld heeft.
Die niet leven ten koste van zichzelf, hun medemens en Gods schepping.
Bij wie het leven juist ruimte krijgt en opbloeit.
Het leven voor de aarde en voor de mensen die daar op wonen.
Maar is dat geen toekomstmuziek?
Het is waar: de hemel op aarde is er nu nog niet.
Dat komt nog. Als Jezus terugkomt.
Maar in alles wat gebroken is wil God nu al iets daarvan laten zien.
De oude klanken van het paradijs waar alles goed was.
De nieuwe klanken van de nieuwe aarde.
Dat nieuwe leven wil God laten zien door jou en mij.
Als je naar Jezus gaat en je vraagt Hem om de Geest van God, dan gaat Hij je dat leren.
Dat is een prachtige taak.
God wil mensen gebruiken in zijn goede beheer van zijn schepping.
In zijn liefde voor de aarde en de mensen die daarop wonen.
Kom daarvoor elke dag bij God.
Laat Jezus Heer zijn over jouw leven.
Ontvang van Hem de Geest van God.
En als je die ontvangen hebt, laat Hem dan steeds jouw leven vullen.

‘Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren,
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee,
maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden.’

Lucas 24,15-16

‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’
Dat zei Friedrich Nietzsche. Filosoof in de 19e eeuw en domineeszoon.
Want het evangelie is goed nieuws, tintelt van hoop.
Maar in hoeverre is dat ook te merken aan wie ik ben, de taal van mijn lichaam.
De sfeer die ik om me heen heb hangen.
Zien anderen die met mij leven en optrekken
in mijn leven van iedere dag iets van een blij en verlost mens?
Zou Nietzsche niet een punt hebben met deze uitspraak?
‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’

De twee wandelaars op de Emmausweg zien er in elk geval niet erg blij en verlost uit.
Je krijgt de indruk dat zij geestelijk gezien nu juist wel te pletter zijn geslagen
nu zij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Overspannen verwachtingen stukgelopen op de weerbarstige realiteit.

En dan is daar die derde in het gesprek.
Het is de opgestane Heer zelf die zich incognito bij deze wandelaars voegt.
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Er zit iets genadigs, iets pastoraals in dit meegaan.
Jezus had hun gesprek ook abrupt kunnen afbreken.
Hij had hun wandeling tot stilstand kunnen brengen.
Maar dat is niet wat hij doet.
Terwijl zij zo met elkaar in gesprek waren
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Hij loopt met hen mee de hele Emmausweg uit. Zo lang als dat nodig is.

Hij voegt zich naar het proces dat in hen gaande is.
Hij luistert, stelt af en toe een vraag en luistert opnieuw.
Nee, het klinkt bij hen allemaal niet zo blij, niet zo verlost.
Maar het weerhoudt de Heer er niet van bij hen te zijn.
Al luisterend en vragend brengt Jezus deze twee bij hun verdriet, hun verwondheid.
En ook ons als wij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Toen kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.

Ja, Nietzsche heeft volkomen gelijk.
‘Als christenen zo echt léven vanuit de blijde boodschap,
zouden we er samen een stuk verloster uit zien.’
Niet als mensen met een Messiascomplex
die zichzelf en elkaar voortdurend overroepen en overvragen.
Maar als imperfecte mensen die weten dat we aanvaard zijn.
Aanvaard inclusief onze schaduwkanten, ons tekortschieten, onze schuld en onze schaamte.
Dat hij vertrouwd is met al mijn wegen, zelfs met verkeerde afslagen,
dwaalwegen, zijsporen en doodlopende stukken.
Dat lang voordat ik hem zien, herken en lief heb, Hij mij ziet, kent en liefheeft.

Terwijl Hij hen zegende ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.

Lucas 24 vers 51

Die hemel is niet hoger dan de blauwe luchten, maar dichterbij dan we ooit hadden vermoed.
De hemel is niet een wereld op zichzelf die niets met de aardse werkelijkheid te maken zou hebben.

Op tal van momenten blijkt de hemel juist sterk betrokken te zijn op wat er op aarde gebeurt.

Iemand noemde de hemel eens de achterkant van onze werkelijkheid.
Er zitten zogezegd niet meer dan enkele schuifdeuren tussen.
In de achterkant van onze werkelijkheid is de Heer dus zeer nabij, voelt hij ons hart kloppen.
Hoort hij ons zuchten van verdriet of van opluchting.
Bij ons leven betrokken, bij dat van ons allen heel persoonlijk.
En bij dat van zijn gemeente als zijn lichaam.
En dat van de hele aardse werkelijkheid..
Vandaar uit doet hij niets liever dan zegenen….

Dat betekent:
Tot bloei brengen, laten uitgroeien, tot zijn recht laten komen, tot haar bestemming brengen.
Daar is Hij is onafgebroken mee bezig.
Ons te vormen en te kneden, te schuren en te polijsten, ieder van ons afzonderlijk.
Als mensen waar Hij voor is gestorven.
En ons samen als zijn gemeente, Zijn lichaam op aarde.
Lukas had met deze woorden zijn evangelie wel kunnen besluiten.

Terwijl Hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.
Maar hier stopt het verhaal niet. Hiermee is het verhaal niet af.
Het verhaal gaat verder.
Over leerlingen die Jezus hulde brengen.
Hem gehoorzamen en terugkeren naar de stad en daarin grote vreugde vinden.
En dan zijn de allerlaatste woorden die Lukas noteert:
Zij loofden en zegenden God.
En zo zet het verhaal van Jezus zich eigenlijk voort.
In en door de mensen die hem zijn toegewijd.
Hem loven en prijzen, eren en dienen en zijn zegen verspreiden.
En overal waar zij zo leven raakt de hemel even de aarde.

Toen zeiden ze:
‘Laten we een stad gaan bouwen met een toren die tot in de hemel komt.
Dan worden we heel beroemd.
En als we in die stad blijven, raken we niet over de hele aarde verspreid.’

Genesis 11,4

De mensen in Babel bouwen voor zichzelf een toren bouwen.
Ze willen voor zichzelf een naam maken.
Ze willen het allemaal zelf voor het zeggen hebben, ze dulden niemand boven zich.
Zien we het vandaag niet om ons heen?
Dat mensen, wijzelf, God naar de kroon willen steken.
Wanen onszelf God. We denken Hem niet nodig te hebben.
Wetenschappelijk aantonen dat God niet bestaat.
Zekerheden voor onszelf bouwen?

Zo willen mensen – in Babel en ook nu – zich een naam verwerven. Dat ze niet vergeten worden.
Ze willen zichzelf verheffen. Opklimmen naar boven. Kapitaal, carrière.
Misschien zelfs wel op godsdienstig terrein door ernstig en vroom te leven.

Ze willen zelf bepalen wat ze willen worden.
Zo bouwen ze aan hun eigen torentje.
Ik als middelpunt van de aarde.

Toen de geleerde Blaise Pascal was overleden
werd ergens in de voering van zijn jas een stukje perkament gevonden.
Daarop stonden een paar losse woorden,
halve zinnen waarmee Pascal kennelijk een ervaring wilde beschrijven en vastleggen.
De meest intieme ervaring die hem was overkomen, een ontmoeting met God.
Op het papiertje stond met grote letters: VUUR!
En daaronder: God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob.
Niet van filosofen niet van geleerden.
Zekerheid, zekerheid, gevoel, vreugde,
vrede van God en Jezus Christus, Uw God zal mijn God zijn.

Zekerheid, zekerheid, dat schreef Pascal op dat kleine stukje perkament.
Hij had kunnen kiezen voor het woordje:
securité, wij kennen dat van het Engelse woordje security.
Het is een soort van zekerheid zonder enig risico de zekerheid die volledige controle wil hebben.

Dat is de soort zekerheid van de polis van veiligheidsdiensten en verzekeringsmaatschappijen.
Van de hoogste gebouwen van onze steden zeg maar.

Maar als Pascal schrijft: zekerheid, zekerheid,
dan gebruikt hij heel bewust een ander woordje:
certitudo. We kennen het van het Engelse certain.
Dat is een ander soort van zekerheid, een zekerheid die durft te leven met onzekerheid.
Een zekerheid die uit uithoudt te midden van vragen.
En dat is wat Pascal vond in God.
Niet een alles dekkende verzekering zonder eigen risico.
Wel de zekerheid dat Hij er is en was en altijd zal zijn.

De God die afdaalt en mij en jou wegroept uit onze zelfgebouwde schijnzekerheden.
Een God die afdaalt en mij en jou roept.
Om in plaats van altijd maar te klimmen, ook zelf te leren af te dalen.
Een God van onderweg die mij en jou uitnodigt om niet te verzanden,
te blijven steken in vrome idealen en goede voornemens.
Maar echt stappen te zetten on de richting van het goede leven.
Leven met God is één groot avontuur.
Als je Jezus volgt geef je het heft uit handen.
Leven met God is één avontuur, soms hachelijk, soms spannend,
maar altijd uitdagend.
Want waar Hij je ook brengt, Hij is er altijd bij.

Met deze God heeft Pascal het gewaagd.
Met deze God is ook Abram onderweg gebleven.
Met deze God komen ook jij en ik nooit beschaamd uit.

 

Hij moet groter worden, en ik kleiner.

Johannes 3,30

Ik ken in de hele Bijbel bijna geen boeiender figuur dan Johannes de Doper.
U weet, hij gaat voor Jezus uit, om in zijn tijd
om de mensen voor te bereiden op de komst van Jezus.
En hij doet dat met een ongekende impact.
Met zijn radicale levensstijl en krachtige prediking beroert hij het hart van vele duizenden.
Zelfs de politieke en geestelijke leiders zijn onder de indruk.
En ook Jezus zegt dat hij niemand kent die groter is dan juist deze Johannes de Doper.
Johannes is een sterk leiderstype met veel charisma en zeggingskracht.
Hij zorgt hij voor een enorme volksbeweging, een revival.
En zo’n succes zou bij menigeen naar het hoofd stijgen.
Maar niet bij Johannes de Doper.
Hij verliest hij zijn rol, zijn roeping nooit uit het oog.
Hij blijft met beide benen op de grond blijft staan en is opvallend nederig, bescheiden.
Hij noemt zichzelf een stem die roept in de woestijn.
Als hij over Jezus spreekt zegt hij consequent: die groter is dan ik.
En, zegt hij erbij: wie ik niet waard ben zijn sandalen los te maken.
Johannes is nooit voor zichzelf begonnen.
Hij heeft altijd beseft dat het in het leven niet om hemzelf draaide.
Hij wist zich altijd deel van een groter geheel
en speelde in het bedrijf van het koninkrijk van God.
Met hart en ziel die ene rol die hem was toebedeeld.
Tot het moment dat de hoofdakte begint en de hoofdrolspeler, de echte ster het toneel betreedt.
En Johannes weet dat hij een stapje terug mag toen.
Die hele beweging van minder van mij en meer van Hem
heeft Johannes keer op keer zichtbaar gemaakt in het dopen.
De een na de ander dompelt hij compleet onder
om hem of haar daarna uit het water te laten verrijzen.
Zo mag ik oude denkbeelden en levenspatronen loslaten
en een nieuwe levensstijl inoefenen en aantrekken.
Een nieuw bestaan waarin het minder draait om mijn grote ik
en ik steeds meer toekom aan datgene waar ik voor ben bestemd:
God in het middelpunt van mijn leven plaatsen en de ander uitnemender te achten dan mijzelf.