Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)
Het einde van een dictator, kan – wanneer het komt – akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.
Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie, bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi. Toen hij werd ontdekt, onderwierp een menigte hem aan een aantal gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood – het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld. Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.
Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie. Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden na zijn standrechtelijke executie door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië. Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.
Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde, en dat verontrust hem duidelijk, maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten omdat het het bloedige einde was van alle communistische leiders in Oost-Europa.
Dictator zijn is een allesverslindende baan. Er worden onderweg te veel binnenlandse en buitenlandse vijanden gemaakt om de waakzaamheid te laten varen. En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen die het dichtst bij hen staan; deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten. Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken, maar geef het te veel macht en de generaals vormen een risico voor de dictator. Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt, wordt de controle over de bevolking moeilijker. Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde, loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen, maar de terreurregel betekent dat niemand de eerlijke waarheid spreekt en dus overal risico’s dreigen. Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn en zelf gekweld worden door de angst die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.
Deze en andere theorieën worden onderzocht door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek How Tyrants Fall. Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven dat deze goederen zullen blijven bestaan. Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld, zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator; Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten in de moord en executie van tegenstanders.
Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen. De meest directe is om ze uit te schakelen, maar dit is zelden eenvoudig. Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal; de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk. De tweede route is geduldig en pragmatisch, gericht op het verzwakken van de tiran, het versterken van alternatieve elites en het machtiger maken van de massa. Externe machten hebben vaak minimale invloed, tenzij, zoals de VS in Irak, het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet. Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken; de geografische nabijheid van een staat tot het land van de tiran kan nuttig zijn, omdat het een basis biedt van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.
Moderne technologie verandert het politieke handelen en maakt het voor grote groepen gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren, zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente. Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland. Op dit moment lijkt het erop dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.
Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne in februari 2022 zei een vriend tegen me dat hij bad voor Poetins dood of ondergang. Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon die Poetin zou vervangen beter zou zijn. Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen bestaat uit het versterken van verschillende elites en het machtiger maken van de massa, is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa. Dictators staan nooit toe dat de onderdelen van de burgermaatschappij zich vormen; democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen. En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers, uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan. Wanneer dictators vallen, leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld voordat een andere elite zich kan vestigen van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.
In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen, merkt Maria op hoe God ‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’. Het is een omkering van rollen die typerend is voor Lucas, de het lied van Maria heeft opgetekend. Het is een soort van eschatologie die velen vandaag de dag willen verwezenlijken, niet alleen in de toekomstige wereld. Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten, worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon. En als de troon vacant blijft of wordt betwist, voelt wat volgt vaak als de geest die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok en terugkeert met zeven andere geesten die nog erger zijn dan hijzelf, wat betekent dat ‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.
Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn, maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede, dat weinig sturend advies biedt voor Gods geopolitieke strategie, maar veel wijsheid en geduld van de ene Troon die standhoudt.
Onlangs hoorde ik een opmerkelijk verhaal over een kankerpatiënt, een gelovige man. Hij had de diagnose ernstige kanker gekregen en de diagnose was nogal somber. Hij bereidde zichzelf voor op het einde dat niet lang meer op zich zou laten wachten. Zijn lichaam reageerde slecht op de chemotherapie en de vooruitzichten zagen er niet goed uit. Hij bleef echter proberen om de balans te vinden tussen rust en werk, ondanks de vermoeidheid, en hij bad wanneer hij kon.
Kort geleden gebeurde er iets vreemds tijdens een routinebezoek aan het ziekenhuis om de resultaten van een scan te horen over hoe de kanker zich ontwikkelde.
De chirurg liet hem de scan zien die verband hield met de oorspronkelijke diagnose. Hij vroeg: ‘Kun je de tumor zien?’ En de patiënt antwoordde: ‘Ja, natuurlijk, hij zit daar,’ terwijl hij naar de zwarte massa wees. Toen liet de chirurg hem een andere scan zien.
Hij vroeg opnieuw: ‘en dit is de meest recente scan die we zojuist hebben gemaakt; kun je hem op deze zien?’ de patiënt keek aandachtig naar de scan en zei: ‘Hmm. Ik weet niet zeker of ik dat kan.’ De chirurg antwoordde dat hij ook verbaasd was dat de tumor tussen de twee scans door op de een of andere manier verdwenen leek te zijn.
Hij voegde toe: ‘En eerlijk gezegd hebben we in mijn wereld niet echt een verklaring voor dit soort dingen. Maar ik vermoed dat jij dat in jouw wereld wel hebt.’
Naast dat ik blij ben voor de man, heb ik sinds ik het verhaal hoorde, ook nagedacht over wat het betekent. Wonderen zijn natuurlijk zeldzaam en we kunnen ze niet automatisch voorspellen. Deze man zat in het soort kerk die niet routinematig van God vraagt om wonderen, maar gewoon zachtjes bleef bidden dat God op de een of andere manier bij deze man zou zijn in zijn strijd, en durfde nauwelijks te hopen dat de kanker daadwerkelijk zou verdwijnen. (en ja, ik heb helaas ook andere resultaten op zo’n gebed mee moeten maken)
Was het een wonder? Of was er een andere verklaring? Het lijkt mij dat het antwoord dat je op die vraag geeft, afhangt van het kader dat je eraan geeft. Als je gelooft in een God die dit soort dingen van tijd tot tijd zou kunnen doen, en je bedenkt dat zulke dingen af en toe kunnen gebeuren en ook gebeuren, niet gereguleerd door de gebruikelijke gang van zaken van oorzaak en gevolg, maar door een extra dimensie van de werkelijkheid die voor ons onzichtbaar is en niet te meten is door de methoden van de wetenschap, zul je het waarschijnlijk gewoon accepteren als een van die incidentele onderbrekingen van de normale gang van zaken. En dank God dan en verheug u met deze man over dit teken van Gods goedheid.
Natuurlijk roept het de vraag op waarom deze kankerpatiënt genezen is en anderen niet, waarom wonderen gebeuren. Zouden we liever een wereld hebben waarin zulke dingen nooit gebeurden, en de kanker van deze man zijn gebruikelijke dodelijke beloop had gehad? Of een wereld waarin af en toe iets heerlijks en onverwachts gebeurt, zoals struikelen over een glorieus onverwacht uitzicht en een dramatische zonsondergang aan het einde van zomaar wandeling op een zomeravond?
Een eerlijke dokter zoals degene die deze man behandelt, zou kunnen erkennen dat de methoden van de medische wetenschap, ondanks al hun genialiteit, waarde en wijsheid, waar we allemaal zo afhankelijk van zijn, op dit punt hun schouders moeten ophalen, zich realiserend dat ze niet de categorieën hebben om het te verklaren, en terugvallend op een soort agnosticisme.
Een meer doorgedreven materialist zou zeggen: ‘Natuurlijk weten we dat er zoiets als wonderen niet bestaat, dus dat is het enige waarvan we weten dat het niet bestaat. Er moet een andere verklaring zijn, en de wetenschap zal op een dag ontdekken waarom zulke mysterieuze dingen gebeuren.’
Wat we geloven over zulke dingen wordt niet bepaald door de vanzelfsprekende ‘feiten’, het kale bewijs van wat voor ons ligt, maar door onze vooropgezette mentale kaart van de wereld, ons raamwerk van geloof, wat we denken dat de wereld is, en wat, of wie we denken dat God is, (als hij al bestaat). Uiteindelijk zijn we allemaal gelovigen – het verschil is waar we in geloven.
Geloof in wonderen betekent niet dat je de wetenschap en haar voordelen irrationeel verwerpt ten gunste van een volledig willekeurige wereld. Het betekent simpelweg dat je de grenzen van je redenering erkent, openstaat voor de mogelijkheid van een extra dimensie van betovering die zich af en toe laat zien, en dat er een grotere wereld is dan wij met onze kleine geesten en zielen kunnen bevatten.
G.K. Chesterton, de Britse letterkundige en verdediger van het christelijk geloof zei het ooit zo: ‘Op de een of andere manier is er een buitengewoon idee ontstaan dat de ongelovigen wonderen koud en eerlijk beschouwen, terwijl gelovigen wonderen alleen accepteren omdat hun geloof het ze voorschrijft. Het is juist andersom. De gelovigen in wonderen accepteren ze, omdat ze er bewijs voor hebben. De ongelovigen in wonderen ontkennen ze omdat ze er een leer tegen hebben.”
Ja, wat zeggen we dat tegenwoordig vaak tegen elkaar: onze maatschappij is meer gepolariseerd dan ooit tevoren. Maar we hebben het mis. Misschien ervaart de VS nu een bijzonder scherpe tweedeling, maar ze hebben in het verleden hun eigen, veel heftigere problemen gehad. En ook in Europa weten we aardig wat over cultuuroorlogen die oorlogen waren.
Voor de Nederlanden hoeven we maar te denken aan de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) met de daarbij behorende Beeldenstorm (1566) waarin wij elkaar letterlijk vermoordden over religie en politiek. De Fransen deden iets soortgelijks en nog veel wreedaardiger, een paar eeuwen later. Dát is pas echte polarisatie. Hoe wrokkig de discussies op een X of andere sociale media ook mogen worden, ik denk niet dat Dick Schoof in zijn bed ligt te trillen met het idee dat ze hem binnenkort terecht zullen stellen voor verraad.
Dus misschien heeft onze geschiedenis ons iets te leren over hoe we omgaan met cultuuroorlogen.
Ooit werd er over onze tijd geschreven:
‘de wereld is dienovereenkomstig verdeeld tussen degenen die te veel geloven en degenen die te weinig geloven. Terwijl sommigen alle overtuiging missen, zijn anderen vol van gepassioneerde intensiteit.’
We denken vaak dat onze hedendaagse kloof tussen links en rechts, progressieven en conservatieven iets nieuws is. Maar we kunnen echo’s hiervan vinden in eerdere tijden.
Een voorbeeld hiervan was het midden van de 17e eeuw, de tijd van vele andere omwentelingen in Europa. Een deel van de koortsachtige sfeer van die tijd zag felle discussies tussen rationalisten en sceptici.
Er waren destijds twee brede stromingen in het denken over het mensdom Aan de ene kant waren er de ‘Dogmatici’ die er zeker van waren dat ze alles wisten door gebruik te maken van de rede of de toepassing van filosofische of wetenschappelijke methoden (zoals René Descartes). Aan de andere kant waren er de ‘Sceptici’ die dachten dat alles willekeurig was, of gewoonte, en dat er geen definitieve Waarheid te vinden was (zoals Michel de Montaigne, iemand uit de eeuw daarvoor).
Natuurlijk heeft onze eigen tijd een behoorlijk aantal mensen met een overweldigend vertrouwen in de kracht van menselijke kennis, en met name de natuurwetenschappen, om de geheimen van het leven, het universum en alles te ontsluiten. Het ‘nieuwe atheïstische’ project van Richard Dawkins en vrienden had een enorm vertrouwen in de rede en haar vermogen om ons alles te vertellen wat we moeten weten, waardoor religie in de prullenbak van de geschiedenis belandde en in plaats daarvan een onwrikbaar geloof in de empirische methoden van de wetenschap werd geplaatst. Het had – en heeft – duidelijke overeenkomsten met dit beeld van menselijke kennis.
Maar aan de andere kant hebben we in het progressieve postmoderne project ook degenen die elke vorm van onderliggende rationaliteit of heilige orde, boven of onder ons, verwerpen. Voor hen is er geen onderliggende Waarheid te ontdekken en ze scheppen er genoegen in om de instabiliteit en illusoire aard van elke claim op waarheid te onthullen. Het klinkt heel erg als de cultuuroorlogen van onze tijd.
Blaise Pascal, een homo universalis uit de 17e eeuw bracht een uitweg uit dit dilemma in kaart. Toen hij naar de cultuuroorlog van zijn eeuw keek, dacht hij dat beide kanten een punt hadden. Dan is er, merkte hij op…
‘…open oorlog tussen mensen aan de gang waarin iedereen verplicht is partij te kiezen, hetzij voor de dogmatici, hetzij voor de sceptici, omdat iedereen die denkt neutraal te kunnen blijven, een scepticus bij uitstek is…. Wie zal zo’n kluwen ontwarren? Dit gaat zeker verder dan dogmatisme en scepticisme, verder dan alle menselijke filosofie. De mensheid overstijgt de mensheid. Laten we de sceptici dan toegeven wat ze zo vaak hebben verkondigd, dat de waarheid buiten ons bereik ligt en een onbereikbare prooi is, dat ze geen aardse bewoner is, maar thuis in de hemel, liggend in de schoot van God, om alleen te worden gekend voor zover het hem behaagt haar te openbaren.’
Tot zover, zegt hij, hebben de sceptici, zoals Montaigne, gelijk. De waarheid ligt buiten ons bereik, ze bevindt zich niet hier op aarde, openlijk en klaar om gevonden te worden. Als ze bestaat, dan bestaat ze in een wereld boven ons, buiten ons bereik. Hoe weten we überhaupt of we slapen of wakker zijn, aangezien we er bij dromen net zo van overtuigd zijn dat we wakker zijn als wanneer we echt wakker zijn?
En dus genieten moderne progressieven, die de veronderstelde resultaten van eerdere inzichten willen ontmantelen, vanwege het inherente koloniale, patriarchale of misbruikende verleden, ervan om te laten zien hoe willekeurig en willekeurig zoveel is van wat we als vanzelfsprekend beschouwen uit het verleden. En, zou Pascal toevoegen, ze hebben een punt. Veel van onze juridische, politieke en culturele aannames zijn puur cultureel en willekeurig, en dienen soms gewoon in het voordeel van de rijken en machtigen in plaats van de armen en gemarginaliseerden.
Maar aan de andere kant hebben de ‘dogmatici’, zoals Descartes, hun sterke punt, namelijk dat we natuurlijke principes niet in twijfel kunnen trekken. De zuren van deconstructie kunnen je maar tot op zekere hoogte brengen. De meest sceptische filosoof zet nog steeds de waterkoker aan in de veronderstelling dat het water kookt om een kop thee te zetten. Ze staat ’s ochtends op in de veronderstelling dat de zon aan het eind van de dag opkomt en weer ondergaat. Ondanks de ontwrichtende effecten van scepticisme, schreef Pascal:
“Ik beweer dat er nooit een volkomen oprechte scepticus heeft bestaan. De natuur ondersteunt de hulpeloze rede en voorkomt dat deze zo ongecontroleerd op het verkeerde pad raakt.”
Ondanks al onze twijfels leven we nog steeds in een wereld met orde en voorspelbaarheid. Scepticisme blijft botsen met de realiteit.
Moderne conservatieven wijzen dus op een diepere ‘gegevenheid’ van dingen, een orde binnen de natuurlijke wereld die we niet hebben gecreëerd, en toch, op mysterieuze wijze, lijkt te zijn geregeld voordat we hier kwamen. Wetenschappelijk onderzoek is zinvol. Er is een regelmaat in de natuur waar we op kunnen, en moeten, vertrouwen. We zijn niet helemaal vrij om de natuurlijke orde van dingen te negeren, er is een dieper ritme in de natuur en haar vermogen tot vernieuwing waar we alleen op eigen risico aan sleutelen, zoals klimaatverandering ons heeft geleerd. Als gevolg hiervan zal de eeuwenoude strijd tussen rationalisten en sceptici, progressieven en conservatieven, nooit worden opgelost, aangezien de discussies op en neer gaan.
Het christelijk geloof omvat zowel progressieve als conservatieve impulsen. Christenen zijn zich bewust van de gebrokenheid van de wereld en verlangen er daarom naar dat deze verandert. Het progressieve ongeduld met de manier waarop dingen zijn én het verlangen naar een betere wereld hebben hun wortels in het christelijk geloof.
Tegelijkertijd onderscheidt het christendom een Goddelijk geschapen orde in de wereld, een ritme in de natuurlijke wereld, dat niet kan worden verbroken en gerespecteerd moet worden. Daarom is een inherent conservatisme ook onderdeel van het christelijk geloof. Met andere woorden, het christelijke verhaal kan beide verklaren en een groter beeld bieden dan beide.
Voor Pascal biedt het christendom een diagnose voor dit mysterie van de mensheid, de complexe mix van grootsheid en ellende, oneindigheid en niets, scepticus en rationalist, in het eenvoudige, maar eindeloos generatieve idee dat wij mensen glorieus geschapen zijn, diep gevallen en toch verlossing aangeboden krijgen door Jezus Christus. Ons verdriet is heroïsch en tragisch. In Pascals suggestieve beeld is het ‘de ellende van een grote Heer, de ellende van een onteigende koning.’
‘We tonen onze grootsheid’, zegt Pascal, ‘niet door aan het ene uiterste te staan, maar door beide tegelijk aan te raken en alle ruimte ertussen in te nemen.’ Voor hem wijst het bestaan van zulke cultuuroorlogen op de waarheid van de christelijke diagnose van de menselijke conditie.
Pascal biedt ons een manier om te navigeren tussen de Scylla van het progressivisme en de Charybdis van het conservatisme, of misschien beter, om het beste van beide te omarmen. In cultuuroorlogen is het lastig te navigeren. Toch kunnen ze een oplossing vinden als we ze ons laten wijzen op een diepere realiteit, onze vreemde mix van grootsheid en verdriet. En zonder beide kanten van deze blijvende waarheid uit het oog te verliezen.
Het bekendere toneelstuk waarin Shakespeare ons de strijd tussen rechtvaardigheid en genade laat zien, is The Merchant of Venice (De Koopman van Venetië). Hier vinden we het verhaal van misschien wel het vreemdste contract dat sinds het begin van de handel is gesloten: als een koopman zijn lening niet nakomt, eist de geldschieter recht op ‘een pond vlees’. Is dit wederzijds overeengekomen contract onrechtvaardig, of gewoon genadeloos?
Ook in dit stuk viert de religieuze pret hoogtij. De geldschieter is een Jood en de koopman een christen. Maar de strikte roep van de Jood om commerciële nauwkeurigheid wordt getemperd door zijn buitensporige liefde voor zijn dochter, en de vermeende reputatie van de christen voor genade is in feite een excuus om vriendjespolitiek te bedrijven. Uiteindelijk krijgen we op het toneel zo’n verwarring van religieuze stereotypen dat iemand vraagt welk personage welk personage is. De arme koopman kan niet betalen, zoals we al wisten toen hij het dwaze contract sloot. En zo komt Portia, de verbeelding van de genade in dit stuk, – eveneens vermomd – uit het sprookjesland Belmont met een slimme truc om haar geliefde koopman te redden. Hoewel haar oplossing een zeer twijfelachtige interpretatie van de wet inhoudt, slaagt ze erin de heersende macht te overtuigen. Terwijl Portia haar zaak bepleit, houdt ze een van de meest expliciet theologische toespraken in alle werken van Shakespeare. De heersers van de aarde denken misschien dat ze het meest goddelijk zijn wanneer ze de wet met gezag uitvaardigen, zegt ze. Maar ‘genade staat boven deze scepter.’ Sterker nog, genade is ‘een eigenschap van God zelf.’ Ze concludeert, net als de hertog, dat ‘aardse macht dan het meest op die van God lijkt wanneer genade gerechtigheid kruidt.’
Shakespeare, laat in toneelstukken zoals deze zien één van zijn meest blijvende gaven aan ons: het vermogen om met het bekende te spelen en het vreemd en nieuw te maken. Hij geeft ons filosofische en religieuze figuren en thema’s, en net als we denken te weten wie en wat ze zijn, verrast hij ons door te laten zien wat voor gerecht je kunt maken als je de ingrediënten maar door elkaar roert.
Onze beste pogingen tot rechtvaardigheid, of ze nu persoonlijk of politiek van aard zijn, moeten gekruid zijn met barmhartigheid. Onze daden van barmhartigheid, zo niet uiteindelijk rechtvaardig, zullen genadeloos blijken te zijn.
Zouden we dit hebben opgemerkt als niemand het ons op het podium had laten gebeuren?
Na het bezoek van Wilders aan Zwolle om het debat over de komst van een azc te kapen in zijn eigen voordeel, vaak met slaan op de trommel van het verlies van óns Nederland; wil ik deze zaak eens verder uitdiepen.
Want… Moeten de grenzen voor vreemdelingen nou dicht? En vooral: wat moeten we met de vreemdelingen binnen onze grenzen doen? Kortom, immigratie, immigranten hoe gaan we daarmee om Het zijn dus vragen die – geïnstigeerd door vooral populistische bewegingen – het debat voorafgaand aan de verkiezingen in Nederland op welke manier dan ook, gijzelen.
Wat mij interesseert, is de rol die het christendom speelt in dit debat, zoals het aan beide kanten van het debat wordt aangehaald.
Rechts gaat het argument als volgt: Nederland is (of was) een christelijk land. Het dreigt nu overspoeld te worden door mensen die dat geloof niet delen, of de waarden die in het christendom geworteld zijn. Daarom moeten we snel een einde maken aan de excessieve immigratie, met name migranten uit conservatieve islamitische landen. Als we dat niet doen, zullen we Nederland ingrijpend zien veranderen en zijn uitgesproken christelijke identiteit verliezen.
“De ‘Joods-christelijke waarden’ die de basis vormen van ‘alles’ in Nederland. Deze waarden waren: ‘het gezin is belangrijk, de gemeenschap is belangrijk, de samenwerking is belangrijk, het land is belangrijk.
‘Het christendom heeft het karakter van Nederland door de eeuwen heen gevormd. En er heerst ongetwijfeld op veel plaatsen, vooral in de meer achtergestelde gebieden, een gevoel dat gemeenschappen zijn veranderd en onherkenbaar worden ten opzichte van wat ze waren.’” Dat is het mantra.
Toch is het moeilijk om dit alles als uitgesproken christelijk te bestempelen. Veel moslims zouden vrijwel hetzelfde beweren, en het zou moeilijk zijn om zijn lijst te beschrijven als een adequate samenvatting van de boodschap van Jezus. ‘Joods-christelijke waarden’ worden rechts vaak gelijkgesteld aan ‘Nederlandse waarden’, die worden gedefinieerd als ‘democratie, de rechtsstaat, individuele vrijheid en wederzijds respect en tolerantie voor mensen met een ander geloof en andere overtuigingen’. Het is moeilijk voor te stellen dat iemand gekruisigd zou worden omdat hij dat predikte.
Toch wordt het christendom ook links gebruikt. Regelmatig klinken woorden als: ‘Jezus zou oproepen om migranten te verwelkomen. De vluchtelingencrisis is een morele test. Jezus leerde ons vluchtelingen te respecteren. Hijzelf zei: ‘Verwelkom de vreemdeling…’ En de Bijbel zegt: ‘De vreemdeling die onder u verblijft, moet behandeld worden als een autochtoon’.
Het is zeker een betere weergave van de leer van Jezus dan die rechts bezigt. Maar links maakt het verwelkomen van de vluchteling vaak deel uit van een bredere en diepere waarde van ‘diversiteit’ als een op zichzelf staand goed. Multiculturalisme, de caleidoscoop van culturen die je in veel winkelstraten vindt met Indiase, Thaise, Italiaanse en Marokkaanse restaurants, of het beeld van kinderen uit verschillende landen en religies die vrolijk rondrennen op een schoolplein, is een geliefd cliché van seculiere progressieve mensen.
Het probleem is dat het voor velen in delen van de samenleving niet zo voelt. Sommige mensen kunnen multiculturalisme omarmen omdat het hun manier van leven niet fundamenteel bedreigt. van het leven. Vreemden omarmen is makkelijker als je een vaste plek hebt om ze te verwelkomen. Een thuis waar het gezin goed met elkaar overweg kan, waar de ouders eensgezind zijn en de kinderen tevreden, zal veel eerder in staat zijn om onbekende gasten te verwelkomen met de nodige nieuwsgierigheid om van hen te leren.
Maar een gezin vol spanning en gekibbel zal de vreemdeling waarschijnlijk helemaal niet verwelkomen, omdat de nieuwkomer de bestaande spanningen nog verder zal aanwakkeren.
Maar een samenleving die een gevoel van gedeelde, brede en sterke identiteit verliest, is niet in staat een vreemdeling te verwelkomen. Wat ons anders maakt, is alleen verrijkend zolang we ons er allemaal van bewust zijn dat we iets hebben dat ons verenigt. Bij gebrek aan een verbindende band blijkt verschil bedreigend te zijn.
De visie van links; van diversiteit als een doel op zich, alleen bijeengehouden door een vaag idee van tolerantie of seculariteit waar niemand het leven voor waard vindt – dreigt de banden die ons binden te ondermijnen, omdat het geen duidelijke kern biedt die ons bij elkaar kan houden.
Het christendom biedt geen immigratiebeleid. Zowel links als rechts kunnen aanspraak maken op enige legitimiteit in het christelijke verhaal. Wat het christendom echter wél biedt, is een gemeenschap die een morele scholing biedt die draait om Jezus, als degene die ons de ware vorm van het menselijk leven laat zien, de noodzaak van zelfopoffering, niet van zelfgenoegzaamheid als sleutel tot een functionerend gemeenschapsleven, en de heilige waarde van ieder mens; overtuigingen die op hun beurt de vreemdeling kunnen verwelkomen in een veilig en zelfverzekerd thuis.
Deze zaken zijn door de eeuwen heen vanuit hun intense kern in de christelijke kerk naar de bredere samenleving doorgedrongen. Ironisch genoeg worden ze vandaag de dag meer uitgehold door het secularisme dan door de islam.
Het werkelijke probleem van onze tijd is niet de massale immigratie (zoals rechts het wil) of het onvermogen om de grenzen volledig open te stellen (voor links). Het is de wijdverbreide uitholling van het christelijk geloof.
De verdwijning van het christendom wordt bijna zonder slag of stoot geaccepteerd. Het wegebben van het geloof wordt als vaststaande feit begroet. Dit is misschien grotendeels de schuld van de kerk zelf, een gebrek aan moed om haar eigen boodschap te uiten en zich te presenteren als een zoveelste maatschappelijke lobbygroep voor diverse doelen in plaats van een gemeenschap die draait om Jezus. Maar het is ook te wijten aan de grote groepen hoogopgeleide mensen uit de middenklasse die graag de naam van Jezus claimen wanneer het hen uitkomt, en die teren op het culturele erfgoed van het christendom zonder te investeren in de toekomst ervan door ook maar in de buurt van een kerk te komen.
Een goed immigratiebeleid vereist de compassie die de kwetsbare vreemdeling verwelkomt. Maar het vereist ook een sterke, verenigde gemeenschap met gedeelde waarden om hen te verwelkomen.
Een vernieuwd christendom zou de redding kunnen betekenen voor zowel rechts als links, of op zijn minst een dieper en rijker verhaal kunnen bieden dan elk van beide afzonderlijk kan bieden. Een verhaal dat een sterke kern biedt die een samenleving bij elkaar houdt, maar dat tegelijkertijd de vreemdeling verwelkomt als een geschenk en niet als een bedreiging.
De eerste, Measure for Measure (Maat voor Maat), ontleent zijn titel aan een regel uit Jezus’ Bergrede. De zin ‘oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt’ uit Matteüs 7:1-2 staat centraal in de betekenis van het stuk. Dit vers, samen met Marcus 4:24, benadrukt het idee dat strengheid in het oordeel met gelijke munt zal worden betaald. Het stuk gebruikt dit Bijbelse concept om de hypocrisie van Angelo te onderzoeken, die Claudio’s daden met een hard oordeel veroordeelt maar tegelijkertijd Isabella ter verantwoording roept. Dit is een kenmerkende zet van Shakespeare: een religieus geladen zin, doctrine of zelfs persoon nemen en er theater van maken. Hoewel sommigen beweren dat dit alles was wat hij met religie of theologie deed, denk ik dat hij meer doet. Hij graaft namelijk in de diepten van de geloofstaal om te zien of hij pareltjes kan vinden die we misschien over het hoofd zien als we alleen maar letten op de identiteitspolitiek van het Engeland van de Reformatie. ‘Genade is genade ondanks alle controverse’, zegt een personage in dit stuk. Dat zou de slogan kunnen zijn voor Shakespeares theologische interventies.
We zien Shakespeare in Measure for Measure zijn typische plezier beleven aan religie. De hertog van Wenen geeft zijn macht weg om, zoals hij beweert, naar het buitenland te gaan voor een stukje internationale politiek. Sterker nog, hij sluipt meteen terug de stad in, nu vermomd als een monnik (een lid van de Franciscaner religieuze orde). Hij vertelt de monnik die hem de gewaden leent dat hij dit doet omdat hij er een onverantwoordelijke gewoonte van heeft gemaakt om de ‘strenge wetten en bijtende standbeelden’ van de stad te laten glippen. Hij is, met andere woorden, meer een barmhartige vader geweest dan een rechtvaardige heerser. Hij wil deze ‘vastgebonden gerechtigheid’ zelf niet losmaken, omdat hij vreest dat zijn volk daardoor zijn integriteit in twijfel zou trekken. (‘Maar je bent altijd zo barmhartig geweest!’) Dus bedenkt hij een plan om een van de edelen, Lord Angelo, aan te stellen als hamer der gerechtigheid in zijn plaats. Hij hint ook dat er andere redenen zijn voor zijn vermomming. Ik kom later nog terug op dat stukje vooruitwijzing.
Angelo merkt meteen dat een episode zijn vaste hand nodig heeft. Een heer genaamd Claudio heeft zijn vriendin Julietta zwanger gemaakt. Er zijn inderdaad omstandigheden die het overwegen waard lijken: de twee zijn verloofd en wachten alleen nog tot ze haar bruidsschat ontvangt; geregeld voordat ze naar de kerk gaan. Maar Angelo wil niets van clementie weten. Hij is streng, wordt opgemerkt. Zo hoort het ook, antwoordt een wijze oude heer. ‘Genade is niet de genade die er vaak zo uitziet,’ zegt hij, misschien met een knipoog naar een kritiek op de werkwijze van de hertog.
Op dit punt in het stuk hebben we onze twee vijandige kwaliteiten in nette, aparte containers. Eén container, genaamd De Hertog, is enkel barmhartig. Maar deze container moet uit de staat worden verwijderd zodat de andere, genaamd Angelo, zijn inhoud van genadeloze gerechtigheid kan tonen.
Maar, zoals Shakespeare het noemt, beginnen de zaken al snel chaotisch te worden. Angelo blijkt geheimen te verbergen. De oude heer, die heeft gesuggereerd dat de hertog overdreven barmhartig is, suggereert nu dat Angelo een beetje te streng is voor Claudio. Hij suggereert voorzichtig dat Angelo, als de tijd en plaats de gelegenheid hadden gehad, zelf wel eens de wet had kunnen verbreken. Angelo’s antwoord zegt misschien meer dan hij bedoelt:
‘Wat openligt voor de gerechtigheid,/ Dat grijpt de gerechtigheid aan.’
Met andere woorden, gerechtigheid houdt zich alleen bezig met wat ze kan zien: een juweel dat alleen opvalt als het licht vangt; als het begraven is of bezoedeld dan lopen we er langs of vertrappen we het zelfs.
Dit is onze eerste hint naar Shakespeares omverwerping van de gepolariseerde containers. Luisterend naar Antonio’s toespraak, beginnen we ons af te vragen of rechtvaardigheid, zonder ook maar een spoortje genade, er niet een beetje oneerlijk uitziet.
En dan zien we Angelo zijn theorie in praktijk brengen. Claudio’s zus komt naar hem toe om te smeken om het leven van haar broer. Angelo raakt al snel betoverd door haar schoonheid en biedt haar al snel een deal aan. Als ze hem wil ontmoeten voor seks in de tuin; in het geheim natuurlijk, zodat de misdaad niet ‘onrechtvaardig’ kan zijn; dan zal hij Claudio vrijlaten.
Dit aanbod toont duidelijk de verrotting van zijn rechtvaardigheidstheorie aan, aangezien hij een contract, een rechtvaardige band sluit rond chantage en verkrachting. Maar het ondermijnt ook de genade, aangezien zijn voorgestelde gratieverlening aan Claudio helemaal niet barmhartig is, maar slechts de verzoening van een ‘rechtvaardige’ overeenkomst.
En zie daar de verpakking rondom de containers is bijna verdwenen: ‘Genade is geen genade die er vaak zo uitziet’, maar gerechtigheid is geen gerechtigheid die er alleen maar zo uitziet. Rechtvaardigheid zo meedogenloos als die van Angelo blijkt onrechtvaardig te zijn, net zoals genade zonder gerechtigheid verstoken blijkt te zijn van genade. Daarom vertrok de hertog, en daarom faalt Angelo als zijn plaatsvervanger.
Maar de hertog is teruggekeerd, en nu beginnen we te zien wat zijn geheime bedoelingen zijn. Hij gaat Claudio bezoeken voor biecht en raad, en gaat ook naar Claudio’s zus voor troost en advies. Dit is een van de heerlijke plekken waar Shakespeare speelt met religieuze stereotypen. De ‘controverse’ over genade die ik eerder noemde, is voor Shakespeares publiek een al te bekende, namelijk of God ons redt door onze daden, en dus door een contractuele gerechtigheid, of door genade, dat wil zeggen door een daad van onverdiende genade. De katholieke kerk werd over het algemeen (hoewel niet vaak terecht) geassocieerd met de eerste, de protestanten met de laatste. Maar het is hier een katholieke monnik (of in ieder geval een vermomde!) die binnenkomt als de gepersonifieerde genade.
De hertog/broeder bedenkt een plan, en het loopt bijna net zo mis als het plan van de beroemde monnik in Romeo en Julia. Dat wil zeggen dat onze komedie bijna een tragedie wordt. Ik zal het einde niet verklappen, mocht u het vergeten zijn of het nooit hebben gelezen of gezien. Maar ik geef een hint: de hertog is bij zijn terugkeer niet langer de belichaming van onrechtvaardige genade zoals voorheen. Nu ziet hij duidelijk in dat ware genade rechtvaardig is, en ware gerechtigheid genade. De twee moeten elkaar kussen, zoals psalm 85 het stelt. Zijn slimme oplossingsvoorstel draait om het laten kussen van genade en gerechtigheid.
Vakantie…yes!! Het is weer zover!! En tijdens die zomervakantie gaan onze gedachten vanzelfsprekend uit naar een ontsnapping aan ons gewone leventje dat zich waarschijnlijk voornamelijk op het land afspeelt. En voor velen van ons zal die ontsnapping dan een verblijf aan zee kunnen betekenen. Ja, het is waar, als landrotten zijn we graag aan zee. Onze zielen lijken te lijden onder een jaarlijkse ervaring, terwijl we richting de kust slenteren, mompelen: ‘Ik moet weer naar de zee…’
We willen op vakantie aan zee; zoals de markt voor tweede huizen aan de zee of op een eiland zal bevestigen. We willen ook permanent aan zee wonen, of op zijn minst aan het water. Sommige experts schatten dat woningen aan het water gemiddeld zo’n 48 procent meer waard zijn. Water verkoopt. Misschien omdat de nabijheid ervan een soort mentale ontsnapping biedt aan de overweldigende rigiditeit en lineariteit van onze overwegend stedelijke omgeving.
De Britse psychiater Ian MacGilchrist stelt in zijn boek The Divided Brain and the Search for Meaning dat ons moderne leven lijdt onder de triomf van de aandacht van de linkerhersenhelft voor de wereld. Dit is een gerichte aandacht die draait om controleren en verkrijgen. Het leidt tot de creatie van een op zichzelf staande en geordende wereld met weinig aandacht voor context. En zo weinig aandacht voor de natuurlijke, complexe, vloeiende realiteit van de schepping. MacGilchrist brengt vervolgens de toename van diverse psychische aandoeningen, gekenmerkt door wat hij ‘tekorten in de rechterhersenhelft’ noemt, in verband met industrialisatie en de ontwikkeling van onze moderne cultuur.
In zijn boek Blue Mind onderzoekt bioloog Wallace Nichols het bewijs voor het positieve effect van water op de hersenen. Hij benadrukt hoe de nabijheid van water kan helen, herstellen, ons een gevoel van verbondenheid kan geven en rust kan bevorderen. Hij stelt dat water onze geest kan verschuiven het is een soort mentale aandacht dat rust genereert. Met, aan, of liever nog, in water zijn, is ongetwijfeld goed voor ons. Dus geen wonder dat we ons ertoe aangetrokken voelen.
Maar tegelijkertijd is water, en met name de zee, een bron van angst geweest. Een no-go area ‘waar draken zijn’, oké, kreeften zeker, waarschijnlijk haaien en walvissen. De zee blijft een van de laatste plekken van mysterie, een ondoorgrondelijke, ondoorgrondelijke plek met eindeloos donker water. We weten meer over de verre uithoeken van het universum dan over de werkelijk diepe oceaan. Mythische wezens van de diepte, blijven de slinkende ruimte van onze verwondering en angst voor het onbekende bevolken.
In de christelijke traditie is de zee een plek van diepe paradoxen. De schepping begint met Gods Geest die boven het water zweeft. Maar de zee wordt ook vaak opgevoerd als een plek van Gods afwezigheid. De zee is de plek van monsters, mysterie en dood. Het is ook de plek van misschien wel de beroemdste walvis uit de literatuur. De walvis die de ongelukkige Jona opslokt. Jona’s verhaal drukt de diepe paradox uit van de zee als een plek van dood en tegelijkertijd ook een plek van goddelijke ontmoeting. Het is in de diepten van de zee, en in het spijsverteringsstelsel van de walvis, dat Jona’s openbaring plaatsvindt en zijn reis opnieuw begint.
Verhalen van Jezus behandelen ook deze paradox van wildheid en ontmoeting in de chaos van de zee. In het verhaal van het kalmeren van de storm wordt de woeste dreiging van de zee niet voorgesteld als iets dat simpelweg vermeden moet worden. Jezus is geen fixer die alle dagelijkse gevaren overbodig maakt. Het verhaal vertelt eerder dat juist in zulke momenten van wildheid, woede en angst zijn krachtige aanwezigheid voelbaar is. We verlangen naar de zee, en naar het water, naar meer dan alleen een balsem voor de geest. De zee blijft die plek, in onze gemechaniseerde, technologische wereld met haar constante lokroep van controle, waar een onderdompeling in een gevaarlijk mysterie nog steeds kan worden ervaren. Van de vaste wal in zee stappen is de mogelijkheid van de dood en (paradoxaal genoeg) de reële mogelijkheid van een dieper leven binnengaan. Meegevoerd worden door de zee en naar de horizon kijken is contact maken met onze eindigheid in de context van de uitgestrektheid van de zeeën. Het is ons verbinden met onze volstrekte afhankelijkheid van de schepping die we bewonen en ons verbinden met de aanwezigheid die die schepping bijeenhoudt.
De zee in stappen is daarom zelfs een stap van geloof. Een stap in de richting van onze eigen kwetsbaarheid. Een moedige stap weg van de wereld waarin onze technologie, onze algoritmes, onze machines en onze wolkenkrabbers ons misleiden tot een geloof in onze eigen controle, onze eigen suprematie. Een stap in de diepte. ‘De roep van vloed naar vloed’, zegt de psalmist, ‘al uw golven slaan zwaar over mij heen.’ Als velen van ons deze zomer de zee in stappen, kan dat zeker een stap zijn naar een herstelde geestesgesteldheid, maar het kan ook een stap zijn naar een herstelde ziel.
Het is al jaren een vaststaand zomers uitje voor ons: een opvoering bijwonen van een stuk van William Shakespeare in het Shakespearetheater in Diever. Gezeten in de buitenlucht wordt je vergast op een prachtig mooie interpretatie van één van de stukken van Shakespeare. Maar niet alleen de ambiance in Diever maakt dat wij jaarlijks terugkomen, ook de vaak ethische en religieuze (onder)toon van de stukken spreekt mij aan. Laat ik Ik geef een aantal voorbeelden:
Moet ik, om barmhartig jegens iemand te zijn, afstand doen van mijn rechtvaardigheidsgevoel? En als ik besluit rechtvaardig te handelen, besluit ik dan om barmhartigheid achter me te laten? Dit zijn vragen van filosofen en theologen. Ze leveren ook enkele van de meest diepgaande filosofische en theologische overpeinzingen van William Shakespeare op.
Zeker, een doordachte beschouwing van barmhartigheid en rechtvaardigheid vindt natuurlijk niet zijn oorsprong bij deze Elizabethaanse toneelschrijver. Zolang mensen zich al hebben afgevraagd hoe ze hun openbare ruimte moeten inrichten, hebben ze zich het hoofd gebroken hoe ze dat moeten doen en ieders belang kunnen respecteren. Rond 500 voor Christus zou rabbijn Jehoeda hebben gezegd dat God drie uur per dag op een troon van gerechtigheid doorbrengt voordat hij opstaat en overgaat naar een troon van barmhartigheid, waar hij elke dag even lang doorbrengt. 200 jaar later, toen Plato zijn beroemdste dialoog wijdde aan de kwestie van rechtvaardigheid, knikte hij slechts lichtjes naar barmhartigheid, erkennend dat de rechtvaardige heerser een reputatie van vrijgevigheid nodig zou hebben.
Hoewel veel Shakespeares toneelstukken de interactie, of juist het gebrek daaraan, tussen deze twee kwaliteiten benadrukken (bijvoorbeeld The Tempest en bijna alle historische toneelstukken), schreef hij er twee met, naar mijn mening, het expliciete doel om deze twee oude vijanden op het toneel te laten vechten.
Ik zal me in een volgende webpost op één van deze concentreren en daarna in andere webpost kort op de andere terugkomen.