De Experts waren, op het eerste gezicht, de charismatische tegenpool van de Agitators. Zij waren bouwers. Na de Tweede Wereldoorlog profiteerden ze van de tegenreactie op de nachtmerrieachtige jaren van fascistische demagogen, ze omarmden het hoogtepunt van de autoriteit van traditionele instellingen in de westerse cultuur en politiek, en ze voedden het Amerikaanse geloof in de kracht van technologie en bureaucratie om grootschalige problemen op te lossen. Ze claimden de mantel van rede en procedure en deden hun best om de politieke of religieuze invloed van charisma te beperken tot het verre verleden of primitieve culturen.
Maar in feite zagen de drie decennia na de Tweede Wereldoorlog een explosie van religieuze opleving in Amerika; aangevoerd door christenen die in tongen spraken, christenen die uitkeken naar de eindtijd en zij die beweerden te genezen door de kracht van de Geest. Zelfs op het gebied van erkende en zogenaamd seculiere genezing werd de grens tussen geneeskunde en spiritualiteit vager. Deze jaren vormden het hoogtepunt van cultureel prestige voor deze mensen, maar de langdurige ambivalentie van de Amerikanen ten opzichte van intellectuele elites bleef bestaan. De meest succesvolle leiders profiteerden van die gemengde gevoelens. Ze koesterden de spanning tussen wetenschap en vrijheid in de Koude Oorlog en, aan de andere kant, het sluimerende gevoel dat technologische sprongen eeuwige waarheden verdoezelden en de organiserende kracht van een goed verhaal nodig hadden.
Echter, tegen het einde van de twintigste eeuw, toen Amerikanen hun vertrouwen verloren in de gevestigde media, kerken, de overheid en bijna elk ander bolwerk van de moderne samenleving, dook de destructieve invloed van charismatisch leiderschap weer op in de vorm van de Goeroes: predikers van zelfontplooiing met plannen om snel verlicht te worden. De ouderwetse pinksterbeweging bleef ook bestaan, maar de leiders worstelden om te voorkomen dat de cultuuroorlogen de Heilige Geest in hun greep kregen.
de Bijbel Rechters/Richteren 9 ‘de fabel van Jotam’
Op een dag wilden de bomen een koning hebben. Ze vroegen aan de olijfboom: ‘Wil jij onze koning worden?’ Maar de olijfboom antwoordde: ‘Waarom zou ik jullie koning willen worden? Dan zou ik geen olijven meer kunnen geven voor olijfolie, die gebruikt wordt om de goden en de mensen te eren!’ Toen vroegen de bomen aan de vijgenboom: ‘Wil jij onze koning worden?’ Maar de vijgenboom antwoordde: ‘Waarom zou ik jullie koning willen worden? Dan zou ik geen heerlijke, zoete vijgen meer kunnen geven!’ Toen vroegen de bomen aan de druivenplant: ‘Wil jij onze koning worden?’ Maar de druivenplant antwoordde: ‘Waarom zou ik jullie koning willen worden? Dan zou ik geen druiven meer kunnen geven voor wijn, waar de goden en de mensen vrolijk van worden!’ Toen vroegen de bomen aan de doornstruik: ‘Wil jij onze koning worden?’ En de doornstruik antwoordde: ‘Als jullie mij echt koning willen maken, dan mogen jullie in mijn schaduw komen zitten. Maar pas op! Als jullie me voor de gek houden, zal er vuur uit mijn takken komen. En dan zullen alle cederbomen van de Libanon-bergen verbranden!’
de titel van de post is gebaseerd op de titel van het nummer Imagine van John Lennon uit 1971
Er heerst al een tijdje een gevoel van crisis in Europa. Je voelt het. Europese landen herbewapenen zich, terwijl Amerika de financiële kraan dichtdraait. Ze worstelen om de migratiestromen te beheersen. En jongeren – maar zij niet alleen – verliezen hun vertrouwen in de democratie.
Toch is dit niet in de eerste plaats een economische crisis, of zelfs een politieke of een identiteit of etnische. Het is eerder een spirituele crisis. En als je er met deze bril op naar kijkt, zie je overal de tekenen ervan.
Zoals afgelopen zomer toen Mette Frederiksen, de premier van Denemarken, een nationale militaire opbouw aankondigde, met hogere defensie-uitgaven, herinvoering van de dienstplicht, et cetera. Deze maatregelen zijn allemaal aangewakkerd door de algemene Noord-Europese angst voor het expansionistische Rusland. Kort daarna sprak ze een groep studenten van de Universiteit van Aalborg toe waar ze iedereen verraste door te zeggen:
‘We zullen een vorm van herbewapening nodig hebben die net zo belangrijk is (als de militaire). Dat is de spirituele.’
Ze sprak over het onderscheidingsvermogen dat nodig is om waarheid van onwaarheid te onderscheiden in een wereld waar die twee moeilijk te onderscheiden zijn en ze impliceerde dat dit spirituele wijsheid vereist, niet meer technologie. Herinvoering van de dienstplicht is één ding, maar mensen overtuigen om te vechten en zelfs te sterven voor wat dan ook is iets anders. Deze problemen zijn niet uniek voor Denemarken. Waarom zou Generatie Z vechten voor een economisch systeem dat niet in hun voordeel lijkt te werken, hen geen uitzicht biedt op een eigen huis of een vaste baan, en weinig te bieden heeft om tot heldendom te inspireren? John Lennon stelde zich een wereld voor met ‘niets om voor te doden of te sterven’. Maar als er niets is waar je voor zou willen sterven, is er waarschijnlijk ook niet veel om voor te leven.
De oproep van Frederiksen is slechts één teken van de spirituele crisis in Europa. Een ander is de opkomst van wat soms ‘christelijk nationalisme’ wordt genoemd. Elites mogen dan neerkijken op de geuzenvlaggen die wapperen tijdens populistische marsen, maar dit zijn de zichtbare tekenen van grote groepen mensen die het gevoel hebben dat niemand naar hen luistert en die het verlies betreuren van het culturele en breed christelijke kader dat, in de herinnering van vorige generaties, eeuwenlang het besturingssysteem van het Nederlandse leven vormde. Het verdwijnen ervan sinds de jaren zestig en het gebrek aan iets om het te vervangen, vormen een probleem. Het ‘nieuwe atheïsme’ was een daad van cultureel vandalisme, gericht op het vernietigen van het geloof, maar zonder iets om het voor in de plaats te stellen.
Een andere is wat wel de ‘Stille Opwekking‘ wordt genoemd: tekenen van hernieuwd kerkbezoek onder (vooral) jonge mensen. Oplevingen van religie vinden meestal plaats wanneer een gemeenschap voelt dat haar identiteit en voortbestaan worden bedreigd. In zulke tijden keren mensen terug naar hun wortels, naar beschikbare bronnen van wijsheid en geruststelling. Dit is nog geen algehele wending naar ‘de Kerk’, maar het is veeleer een teken van een verlangen naar een spirituele betekenis, naar iets heiligs, iets dat niet voor geld te koop is en een waarde heeft die verder gaat dan wat wij eraan willen geven.
Dus, terug naar verrassende oproep tot spirituele vernieuwing van Mette Frederiksen, in haar eigen land. Denemarken is een van de meest seculiere landen van Europa, Nee, Frederiksen staat niet bekend als een regelmatige kerkganger en haar sociaaldemocratische partij is de afgelopen decennia stond over het algemeen lauw tegenover religie. Toch was ze eerlijk genoeg om het probleem te erkennen. Als we onszelf decennialang hebben voorgehouden dat de waarheid niet bestaat, is het niet verwonderlijk dat we het moeilijk vinden om waarheid van onwaarheid te onderscheiden. Wanneer we vol vertrouwen hebben verkondigd dat de belangrijkste stem om naar te luisteren onze eigen verlangens zijn – ‘wees jezelf’ – is het niet verwonderlijk dat we geen idealen meer hebben om ergens voor te leven of te sterven. Jongeren gaan misschien de straat op vanwege klimaatverandering of Palestina, maar zijn ze bereid hun leven te geven voor iets moois, iets heiligs, dat dat alles te boven gaat, zelfs als het hun beschaving al generaties lang in stand houdt?
Waarschijnlijk niet. En er is geen reden om te denken dat Denemarken anders is dan welk ander Europees land dan ook. Hetzelfde geldt ongetwijfeld voor Nederland, ook al zijn onze politici niet zo scherpzinnig als Mette Frederiksen in het signaleren van het probleem.
Dus waar is het antwoord te vinden? Mette Frederiksen riep ‘de Kerk’ om een antwoord:
‘Ik geloof dat mensen steeds vaker de Kerk zullen opzoeken, omdat die een natuurlijke gemeenschap en een nationale basis biedt… Als ik de Kerk was, zou ik nu denken: hoe kunnen we zowel een spiritueel als een fysiek raamwerk zijn voor wat de Denen doormaken?’
Maar daarin schuilt nu juist het probleem. De Deense Kerk, één van de lutherse kerken in Noord-Europa, verkeert niet bepaald in een goede gezondheid: 70 procent van de bevolking is weliswaar geregistreerd lid van de kerk, maar slechts 2,4 procent van hen komt op zondag daadwerkelijk naar de kerk – wat neerkomt op gemiddeld 30 bezoekers in een lokale Deense lutherse kerk op zondag.
Filosoof John Gray is vernietigend over de gevangenschap van de westerse kerken in de tijdgeest. Hij beschouwt ze als ‘een weerspiegeling van de verwarring van de tijdgeest in plaats van een coherent alternatief te bieden… dit soort christendom is een symptoom van de ziekte, geen geneesmiddel.’
Dat is misschien wel het probleem, maar het is ook de kans. Het christendom is de standaard spirituele traditie van het Westen. Niets dringt zo diep door in de Europese ziel als dit. Anderen komen en gaan, maar dit geloof zit in onze aderen, in ons landschap, onze kunst en ons geheugen. Keer op keer, vanaf de eerste eeuwen, heeft het talloze mensen geïnspireerd tot een leven van onbaatzuchtige toewijding. Dat gebeurde toen het Byzantijnse rijk verrees uit de ruïnes van het Romeinse Rijk, toen een nieuwe middeleeuwse, gekerstende beschaving ontstond uit de ruïnes van de barbaarse veroveringen, of tijdens de hervormingsbewegingen van de zestiende en zeventiende eeuw, of tijdens de missionaire bewegingen van de negentiende eeuw. Keer op keer is het een katalysator gebleken voor wijsheid om de uitdagingen van de crisis het hoofd te bieden, voor individuele zelfopoffering, culturele vernieuwing en een doel dat verder gaat dan persoonlijke vervulling: iets om voor te leven en te sterven.
En dat is nog steeds zo. Je hoeft alleen maar terug te denken aan de 21 Libische martelaren – voornamelijk gewone Koptische christenen uit een eenvoudig dorp die in 2015 door ISIS werden gevangengenomen en die een gruwelijke dood verkozen in plaats van hun geloof in de liefde van Christus te verloochenen, om te laten zien hoe het christelijk geloof iets biedt niet om voor te doden, maar wel om voor te sterven.
Ik twijfel er niet aan dat het christendom dat opnieuw kan bieden. Niet als een terugkeer naar iets uit het verleden, maar in een nieuwe vorm die trouw blijft aan zijn wortels, maar op een manier die er nieuw uitziet; misschien nederiger, eenvoudiger, zuiverder.
Kunnen christenen, zoals John Gray het verwoordde, een coherent alternatief bieden voor de verwarring van de tijdgeest in plaats van er een flauwe afspiegeling van te zijn?
De toekomst, niet alleen van het Europese christendom, maar ook van Europa, hangt er mogelijk van af.
In 1959 zong Pete Seeger het legendarische lied Turn! Turn! Turn! met de iconische zin uit de Bijbel ‘To every thing there is a season, and a time to every purpose under the heaven.’ (Prediker 3)
Omdat komend weekend Nederland de wisseling maakt van zomer- naar wintertijd leek het mij toepasselijk om een webpost te wijden aan de wisseling van zomer naar herfst.
Want het begin van de herfst kan twee verschillende emoties aanboren. Je kunt je somber worden gaan voelen naarmate de nachten lengen en het ’s ochtends killer begint te worden, of je wordt juist vrolijk en wijst naar de kleurende bladeren en de schoonheid van een vroege avondlucht bewonder.
Voor mij is er iets betoverends aan de herfst, het voelt zelfs meer als een ‘nieuw jaar’ dan januari, maar voor anderen is het slechts een teken dat de winter nabij is en de zomervakantie een verre droom.
We hebben allemaal onze voorkeuren, maar voor sommigen kan het begin van een nieuw seizoen ziekte veroorzaken, zoals in het geval van een seizoensgebonden stemmingsstoornis, die, hoewel meestal in de wintermaanden, mensen juist ook in de zomermaanden kan treffen.
Uiteindelijk brengt elk seizoen zijn eigen unieke vreugde en verdriet met zich mee, waarvan sommigen genieten en anderen het maar doorstaan, het belangrijkste is dat we deze verschillen accepteren en een manier vinden om door de veranderingen heen verbinding te maken.
Het is iets wat we ook zien in de manier waarop de kerk door het jaar reist. Soms ook wel het liturgische jaar genoemd, waarbij de seizoenen veranderen en de focus ligt op een ander deel van het verhaal uit de Schrift.
De herfst is de tijd waarin de oogst wordt gevierd, waarin we onze dankbaarheid uiten voor de natuur en hoe deze voorziet in alles wat leeft.
Of het nu meteorologisch of theologisch is, het volgen van het ritme van de seizoenen geeft ons de mogelijkheid om niet alleen samen te vieren, maar ook om te leren hoe we goed kunnen lijden en samen kunnen rouwen.
In het kerkelijk jaar worden de periodes van viering, zoals Kerst en Pasen, voorafgegaan door periodes van bezinning en rouw. Advent wordt gekenmerkt door het wachten van Gods volk op het licht van de wereld d at door de duisternis heen breekt, terwijl de vastentijd de gelegenheid biedt om vergeving te zoeken en te rouwen om alles wat er mis is in de wereld en in onszelf. Deze seizoenen volgen het verhaal van Jezus’ leven, dood en opstanding ; soms resonerend met onze eigen levensfasen en soms pijnlijk contrasterend.
In de Bijbel staat een boek genaamd Prediker, geschreven door een onbekende persoon die Kohelet of ‘leraar’ wordt genoemd. Hij spreekt over ‘een tijd voor alles onder de zon; er een tijd is om geboren te worden en een tijd om te sterven… een tijd om te huilen en een tijd om te lachen.’
Het herinnert ons eraan, terwijl we de seizoenen volgen, dat er in het menselijk leven en geloof ruimte is voor al onze emoties. We zien het in de verscheidenheid aan emoties die niet alleen in bijvoorbeeld de Psalmen tot uiting komen, maar ook in Jezus’ eigen leven.
En het vermogen om samen te komen en deze seizoenen voor God te markeren, zelfs als ze verschillen van wat we persoonlijk ervaren, is iets wat ons samenbrengt. Het herinnert ons eraan dat, ondanks alle maalstroom van emoties en veranderingen die het leven met zich meebrengt, er een soort cadans door elk seizoen klinkt: we zijn geliefd door God en vanuit diezelfde liefde hebben we elkaar lief.
De wisseling van de seizoenen kan een veelheid aan herinneringen en emoties oproepen, maar als we het toelaten, kan het ook dienen als een oproep om samen te komen en ons door liefde te laten leiden. We kunnen leren doen wat de apostel Paulus de vroege kerk in Rome opdroeg: ‘Wees blij met wie zich verblijdt, heb verdriet met wie verdriet heeft.’ (Romeinen 12)
De Agitators kregen aan het begin van de twintigste eeuw de overhand en protesteerden tegen de moderniteit als een rauwe deal en democratie als vermomde tirannie. De Veroveraars hadden de overheidsbevoegdheid over het leven van Amerikanen over het algemeen uitgebreid en een gouden idee van vooruitgang gepromoot. Nu sloeg de slinger weer om naar oproepen tot vernietiging. De Agitators vonden een markt om de staat aan te vallen en de zogenaamde vooruitgang als een leugen te bestempelen. Ze definieerden zichzelf als buitenstaanders, of ze dat nu waren of niet, en ontdekten dat het verkrijgen van materiële macht niet betekent dat men moet stoppen met het vertellen van een verhaal over ballingschap en ellende. Dit bleek een belangrijke les in een tijdperk van wereldoorlog en economische rampspoed: wereldwijde crises hebben de neiging een verstoten dissident te transformeren tot een geloofwaardige bedreiging voor de gevestigde orde. En ondertussen werden christenen steeds wilder in hun uitingen van nieuwtestamentische charismatici – omdat het, paradoxaal genoeg, makkelijker was om te gaan met wat Max Weber de “ijzeren kooi” van de moderniteit noemde, door steeds meer buitenissige tekenen van goddelijke macht te omarmen.
Daar valt toch niet echt tegenin te gaan? Het is een universeel erkende waarheid, die diepgeworteld is in onze culturele identiteit.
Maar ik ben me gaan afvragen of het wel zo duidelijk is, en of onze intuïtieve aannames wel standhouden.
Natuurlijk willen we allemaal ‘vrede op aarde’, een vreedzaam leven in vreedzame gemeenschappen en, in ieder geval soms, wat ‘rust en stilte’. Vrede is iets goeds. We verlangen ernaar, we omarmen het en we eren degenen die het mogelijk maken.
Maar ik weet niet meer zeker of we wel goed begrijpen waar het allemaal om draait. Of is het allemaal een beetje duister als je onder de oppervlakte graaft.
De aanhoudende stroom van gewelddadige conflicten vanuit Oekraïne, Gaza, Soedan en elders tot onze steeds meer gepolariseerde politieke debatten, het buitensluiten van mensen met wie we het oneens zijn in identiteitspolitiek en de venijnigheid van bredere cultuuroorlogen: het is allemaal erg heftig en veel. Veel mensen hebben dan ook besloten het nieuws niet meer te volgen. Deze trend lijkt in een recent rapport van het Reuters Institute naar desinteresse in het nieuws te worden gestaafd.
Ik verlang naar doorbraken op het gebied van vredesbemiddeling.
Toen werd mijn aandacht getrokken door een artikel op een nieuwsplatform. De kop luidde: ‘Trumps diepe obsessie: Het winnen van een Nobelprijs voor de Vrede’.
Ik had al een vage herinnering dat president Trump tijdens zijn eerste ambtstermijn een beetje verbolgen was over het feit dat Barack Obama de prijs had ontvangen, terwijl híj, de Donald, hem niet had gekregen. Maar het lijkt erop dat het meer is dan dat.
Verder wordt er geschreven dat hij al jaren ‘geobsedeerd’ is door het winnen van deze prijs en dat zijn huidige regering ‘hem agressief pusht voor een Nobelprijs’. Er wordt zelfs gesuggereerd dat dit ook de onderliggende boodschap was van de ruzie in het Witte Huis met de Oekraïense president Zelensky.
President Trump is sinds 2016 al talloze keren genomineerd voor de Nobelprijs, waarbij parlementsleden uit de VS, maar ook uit Scandinavië en Australië zijn naam daar inbrachten.
Sinds 1901 is de Nobelprijs 105 keer toegekend. Dr. Martin Luther King jr., Nelson Mandela en Moeder Teresa lijken misschien de belichaming van zo’n prijs, maar er zijn ook vaak controverses geweest.
Bijvoorbeeld de keren dat de prijs werd toegekend aan Michail Gorbatsjov, Yitzhak Rabin, Shimon Peres en Yasser Arafat; die waren bijzonder controversieel. Maar het was de keer dat de prijs aan Henry Kissinger in 1973 werd toegekend die de grootste ophef veroorzaakte, waardoor twee van de vijf leden van de selectiecommissie uit protest aftraden en de toekenning door de pers werd gehoond.
‘Gezegend zijn de vredestichters!’ Ja, wat wilde Jezus eigenlijk zeggen? Wat hoorde de menigte hem zeggen?
Een snelle blik terug op de Bergrede bevestigde dat ‘de zegeningen’ waarmee deze rede begint vooral bestemd zijn voor degenen die zich in een ogenschijnlijk achtergestelde positie bevinden: ‘de armen van geest … zij die treuren … de zachtmoedigen … de barmhartigen … de vervolgden’. Waarom benoemt Jezus dan ook de vredestichters die door iedereen geprezen zouden moeten worden? Zij zijn degenen die goede dingen doen met positieve voordelen. Zij zouden toch door iedereen geprezen moeten worden, waarom hebben zij een speciale zegen nodig?
Van het ‘vrede op aarde’ dat Jezus’ geboorte aankondigde, tot zijn laatste geschenk aan zijn vrienden: ‘Vrede laat ik jullie na; mijn vrede geef ik jullie’, vrede is de kern van Jezus’ boodschap. Vrede ontvangen, vrede geven, vrede maken, ‘vrede zij met u’, ‘ga in vrede’, ja, vrede is overal in de evangelieverhalen terug te vinden.
Natuurlijk is dit voor Jezus shalom, of, terug naar het Aramees van zijn moedertaal, shlama. Hoewel het een alledaagse begroeting is, is de gedachte die in het woord besloten ligt veel dieper en rijker: het gaat over heelheid, welzijn en harmonie. In plaats van alleen de afwezigheid van lawaai en conflict, heeft dit soort vrede inhoud en diepgang.
Misschien is dat wel de reden waarom het ‘gesticht’ moet worden.
Want het is interessant dat Jezus niet zegt ‘gezegend de vredelievende mensen’ zij die slechts het leven van vrede ervaren en consumeren. Evenmin legt hij de nadruk op ‘gezegend de vredestichters’: zij die de grenzen bewaken. Nee, het zijn ‘gezegend de vredestichters’, als degenen die hun mouwen opstropen en actief een omgeving van heelheid, welzijn en harmonie creëren.
Geen probleem toch? Wie is er nou niet een voorstander van heelheid, welzijn en harmonie? Nou ja, niemand denken we waarschijnlijk, totdat we stuiten op wat Jezus later zegt:
Jullie hebben gehoord dat er gezegd is: ‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’ Maar Ik zeg jullie: heb je vijanden lief en bid voor hen die jullie vervolgen, opdat jullie kinderen mogen zijn van jullie Vader in de hemel.
Volgens Jezus draait vredesbemiddeling dus om heelheid, welzijn en harmonie, en de reikwijdte ervan reikt tot, en omvat, zelfs onze vijanden. En waarom, omdat God het zo doet:
‘Hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’
Dit is de maatstaf voor de vorm van vredeshandhaving waar Jezus het over heeft.
Je zou kunnen stellen dat vredesbemiddeling een generatieproces is. Dat het gaat om het vormgeven van hoe we samenleven; als individu, in buurten of zelfs internationaal, waar we dit soort principes belichamen en vormgeven. Dit bereik je niet van de ene op de andere dag.
We stichten vrede en bouwen gemeenschappen op waarin we in de loop der tijd floreren. Ik ben omdat we zijn. Het welzijn van ieder van ons is afhankelijk van het welzijn van ons allemaal. Dit is een manier van leven, geen kant-en-klare remedie.
Maar hoe zit het met vredesbemiddeling te midden van een conflict?
Dit is waar het vredesproces troebel wordt, vooral als je onder de oppervlakte graaft. Altruïsme van mensen, gemeenschappen en landen in conflict staat zelden centraal in wat ze te bieden hebben.
Om dus zelfs maar te kunnen denken aan een authentiek vredesproces, moeten beide partijen in een conflict het willen. Als dit niet het geval is, zal de vredestichter ofwel falen ofwel het risico lopen als marionet in de handen van kwaadwillenden te worden gemanipuleerd.
Om daadwerkelijk het punt te bereiken waarop een vredesproces kan worden gestart, moeten de betrokken partijen tot het besef zijn gekomen dat de kosten van het voortzetten van hun conflict de realistische voordelen die ze kunnen behalen, overstijgen.
Vredesvoering moet altijd beginnen met de bestaande situatie. Het gaat er niet om de situatie te herstellen zoals die was. Het gaat er ook niet om de toekomst te verwezenlijken waar men van droomt. Het gaat om een koude, harde confrontatie met hoe de situatie werkelijk is.
Daarom is het impopulair, vooral bij degenen die de rechtvaardigheid van hun zaak nastreven, hun doelen bereiken en de overwinning nastreven in plaats van vrede. De vredestichter is een actuele en ongewenste herinnering aan hun falen.
Wanneer de vredesbemiddeling vervolgens op gang komt, kan degene die in het midden staat, de vredestichter, geen partij kiezen. Toch zullen beide partijen hen onvermijdelijk als partijdig beschouwen, omdat hun aspiraties tijdens de onderhandelingen worden afgewogen. Vredestichters worden gemakkelijk afgedaan als verzoeners of zelfs als verraders van de rechtvaardigheid.
Vrede stichten draait altijd om compromissen sluiten. Het gaat erom de huidige situatie te accepteren en zorgen opzij te zetten om de best haalbare balans te bereiken. Wolfgang Münchau schreef onlangs over de vredesonderhandelingen over Oekraïne:
‘Het doel van vredesbesprekingen is om de gaten op te vullen. Beide partijen kunnen het ene stuk land tegen het andere ruilen. Met geld koop je dingen. Maar vredesakkoorden gaan nooit over wie gelijk heeft en wie ongelijk. Ze gaan niet over historische claims.’
Pragmatisch in plaats van principieel, een compromis wordt al snel afgeschilderd als een vies woord. Vredestichters lijken karakterloos, zwak en moreel gebrekkig en lopen het risico door alle partijen verkeerd begrepen en verkeerd voorgesteld te worden.
Volgens de Amerikaanse politicoloog R.J. Rummel, die zich specialiseerde in de studie van oorlog en collectief geweld met het oog op de oplossing daarvan, is het een vergissing te denken dat ‘vrede sluiten’ gelijkstaat aan een ontwerp-, constructie- en bouwproject. Hoewel hij zo’n visie verleidelijk aantrekkelijk vindt, is het misplaatst te geloven dat vrede centraal gepland en geconstrueerd kan worden.
Vrede ‘ontstaat’ eerder wanneer er een evenwicht ontstaat tussen wat de betrokken partijen oprecht geloven, daadwerkelijk willen en werkelijk kunnen bereiken. Deze wederzijdse zelfkennis kan niet door een externe derde partij in kaart worden gebracht en kan slechts gedeeltelijk door henzelf worden begrepen.
De kunst van de vredestichter is het mogelijk maken van een evoluerend proces van wederzijdse aanpassingen. Onderweg moeten ze ervoor zorgen dat hernieuwde evenwichtige relaties worden ondersteund door een ‘verwevenheid van wederzijdse belangen, capaciteiten en wilskracht’. Vredestichters zijn verre van centrale messiasfiguren; het gaat nooit om hen en hun ideeën of grootse plannen. Ze zijn eerder mensen die zorgen dat dingen soepel verlopen die moeten weten wanneer ze zich bescheiden moeten opstellen en uit de weg moeten gaan.
Rummel concludeert:
‘Vrede is een structuur van verwachtingen, een sociaal contract. Het zal alleen worden nageleefd als de partijen, om welke reden dan ook, het in al hun overlappende belangen, mogelijkheden en wil vinden om dit te doen.’
Een moeizaam verworven vrede kan buitengewoon fragiel blijven.
Ja, wie zou een vredestichter zijn? Wie zou zich vrijwillig openstellen voor manipulatie door kwaadwillenden? Wie zou zich onderwerpen aan de afwijzing van ongewenst, impopulair, verkeerd begrepen, verkeerd voorgesteld of afgeschilderd te worden als verraders van de rechtvaardigheid?
Bovendien moeten ze zichzelf wegcijferen en begrijpen dat hun beste inspanningen alleen maar tot precaire resultaten kunnen leiden, als er al enig resultaat is.
‘Gezegend zijn de vredestichters!’
Inmiddels zijn er 338 kandidaten genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede van 2025. Onder hen is wijlen paus Franciscus,
‘… voor zijn onstuitbare bijdrage aan het bevorderen van bindende en alomvattende vrede en broederschap tussen mensen, etnische groepen en staten.’
Overigens ging de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar naar de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado.
De Veroveraars kwamen aan het begin van de negentiende eeuw op; een tijdperk van mythologie, massamedia en grensverleggend enthousiasme in de Europese Amerikaanse verbeelding. Ze weken af van het tijdperk van de Profeten, die zoveel te zeggen hadden over hoe machteloos de mens is.
Sommige Veroveraars beschikten over militaire macht, maar allemaal streefden ze naar wat we metafysische verovering zouden kunnen noemen. Ze vochten om spirituele krachten te beheersen. Naarmate het Puritanisme van eerdere generaties zijn aantrekkingskracht verloor, stelden meer mensen een bijna fundamentalistisch geloof in de kracht van de vrije wil. Het was verleidelijk om spirituele krachten – misschien zelfs de Heilige Geest – te zien als een soort technologie, klaar voor manipulatie. De inzet van deze campagnes was groot in een tijd waarin nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen hun stempel drukten op het dagelijks leven. Immigratiegolven zorgden ervoor dat Amerika religieus en etnisch diverser werd. Amerikanen voelden zich vrijer en tegelijkertijd meer beperkt dan ooit tevoren.
Het is nu twee jaar geleden dat Hamas een meedogenloze aanval uitvoerde op Israëlische burgers tijdens het Nova-muziekfestival. Twee jaar later ligt een groot deel van Gaza in puin, zijn er bijna 70.000 mensen omgekomen en zet Israël zijn campagne voort om zich voor eens en altijd te ontdoen van Hamas, een vijandige buur. Het spook van het antisemitisme steekt opnieuw de kop op in de straten van Nederlandse steden. Ondertussen wacht de wereld af of het vredesplan van Trump een kans van slagen heeft.
De wereld is ook diep verdeeld over de vraag wie hier de schuld draagt. Is het, zoals de Israëli’s zeggen, de schuld van Hamas, het resultaat van een fanatieke islamistische groep, gesponsord door Iran, die vastbesloten is om de militante moslimcontrole over het Midden-Oosten in het algemeen en Israël in het bijzonder uit te breiden? Of, zoals de pro-Palestijnse menigte scandeert, zijn we getuige van een genocide die het onvermijdelijke gevolg is van de voortdurende Israëlische bezetting van de Westelijke Jordaanoever en Gaza? Iedereen wordt onder druk gezet om een beslissing te nemen. Aan welke kant staan we?
Maar wat als we dit conflict eens in een ander licht zouden bekijken; niet zozeer in termen van schuld, maar van pijn?
Natuurlijk is dit niet de eerste keer dat er oorlog is tussen het volk Israël en hun vijanden aan de kust van Gaza.
Het boek Richtere in de Bijbel beschrijft een reeks confrontaties van ongeveer 3400 jaar geleden tussen de Israëlieten en de Filistijnen, die de Hebreeuwse stammen lastigvielen en uitdaagden in hun strijd om zich in het land Kanaän te vestigen. (NB: de Filistijnen zijn niet de etnische voorouders van de moderne Palestijnen, ondanks de naamsgelijkenis. De Romeinen, deels om de Joden te sarren, besloten simpelweg de naam van de regio te veranderen van Judea naar Palestina.)
Een van die oude verhalen vertelt over Simson, een immens sterke Israëlitische strijder, die talloze Filistijnen doodt in een jarenlange golf van geweld. (Richteren 13-16) Simson trouwt uiteindelijk met een Filistijnse vrouw, Delila, die hem verraadt en aan zijn vijanden overlevert. Hij wordt gevangengenomen en zijn ogen worden uitgestoken. In een laatste gewelddaad laat hij het dak van de Filistijnse tempel instorten tijdens het hoogtepunt van een religieus feest, waarbij hij zowel zichzelf als meer vijanden doodt dan hij in zijn leven heeft gedood.
Maar naast een tragedie is dit ook een trauma. De wortels van het trauma liggen diep verborgen in de geschiedenis tussen Israël en de verschillende stammen die hen omringen. Simson is een van de velen die worden meegesleurd in een geschiedenis van oog-om-oog geweld die eindigt in deze scène van dood en verwoesting. In het Bijbelverhaal raakt hij verstrikt in een lange geschiedenis van menselijk onrecht – als slachtoffer én dader – die teruggaat tot Adam en Eva in het paradijs. Het resultaat is dat Simson en zijn vijanden allemaal dood liggen in het puin van een ingestort gebouw in het hart van Gaza.
Dit conflict is zowel een tragedie als een trauma. Dat klinkt somber. Toch kan dit perspectief, ondanks de schijnbare somberheid, een sprankje hoop bieden.
Tragedie en trauma vermijden de schuldvraag niet, maar ze beginnen daar niet. Ze beginnen met een houding van empathie. Tragedie zorgt ervoor dat we even stilstaan voordat we morele oordelen vellen en in plaats daarvan simpelweg het verdriet, de rouw ervan, opmerken en ons erin verdiepen. Wanneer we het verhaal van Simson, bekijken, worden we simpelweg in stilte gelaten. We overhaasten ons oordeel niet, maar erkennen simpelweg het hartverscheurende verdriet dat de gewone mensen ervaren die hierin verstrikt raken. Tragedie staat naast het verdriet en de duisternis en grijpt niet meteen naar de schuld, omdat we beseffen dat het echte leven meestal complexer is en de oorzaken van conflicten ondoorzichtiger.
Tegelijkertijd dwingt het begrijpen hiervan als trauma ons om de pijn die aan het conflict ten grondslag ligt, te doorgronden. Simson wordt geboren in traumatische tijden, waarin zijn volk wordt aangevallen, en uiteindelijk leeft hij het trauma dat hij heeft ervaren door brute wraak op zijn vijanden. Op dezelfde manier vinden we vandaag de dag in dit ene kleine stukje land twee volkeren die het trauma van wat hen in het verleden is overkomen, beleven. En zonder een nieuwe aanpak zal het resultaat hetzelfde zijn: vernietiging en verwoesting.
Het Joodse volk van vandaag, met name in Israël, blijft diep getraumatiseerd door de geschiedenis van antisemitisme, die culmineerde in de Holocaust van de jaren 30 en 40. Een vastberaden poging van een verfijnde, moderne Europese natie om systematisch ieder lid van het Joodse ras uit te roeien, is niet alleen een historische gebeurtenis, maar een waarvan de rimpelingen, of misschien beter gezegd, stormachtige golven, ons vandaag de dag bereiken. Daarnaast is er de verdrijving van Joden in de 20e eeuw uit moslimlanden zoals Syrië, Irak, Jemen, Algerije, Tunesië en Libië. Voor degenen onder ons die niet Joods zijn, is de impact van zo’n realiteit moeilijk voor te stellen, niet alleen als een historisch feit, maar ook als een reëel gevaar in de toekomst. Immers, als het één keer gebeurt, kan het opnieuw gebeuren. Het verklaart waarom Israël altijd weinig aandacht heeft besteed aan de internationale opinie en de resoluties van de VN voor een staakt-het-vuren, zoals die waartoe onlangs werd opgeroepen.
De oorsprong van de staat Israël is niet religie of nationalisme, maar de ervaring van onderdrukking en moord, de angst voor totale vernietiging en de bittere conclusie dat er niet op de wereldopinie kon worden vertrouwd om de Joden te beschermen. Dus wanneer Israël wordt aangespoord om de wereldopinie te respecteren en zijn vertrouwen te stellen in de internationale gemeenschap, wordt het punt gemist. Het idee van Israël zelf is een verwerping van deze optie. Israël bestaat alleen omdat Joden zich niet veilig voelen als beschermelingen van de wereldopinie. Zionisme, dat woord dat zo misbruikt en verguisd wordt, is gebaseerd op de vastberadenheid dat de Joden uiteindelijk op de een of andere manier zichzelf en hun mede-Joden zullen verdedigen tegen vernietiging. Als de wereldopinie voldoende was, zou er geen Israël zijn.
Met zo’n trauma achter de rug is het dan ook niet verwonderlijk dat wanneer een moslim Joden doodt, wanneer raketten neerregenen op Israëlische steden, of wanneer Hamas-terroristen door kibboetsen razen en mensen neerschieten alleen maar omdat ze Joods zijn, dit precies de herinnering oproept aan het trauma dat zij als volk hebben doorgemaakt. Wat Palestijnen beschouwen als verzet tegen de bezetting van hun land, wordt door Israëliërs ervaren als een echo van de wens om het hele Joodse volk uit te roeien, op een manier die rillingen over de rug doet lopen bij iedereen die dit verhaal heeft meegemaakt.
Toch heeft het Palestijnse volk ook een eigen trauma. In 1948, ten tijde van de oprichting van de staat Israël, werden honderdduizenden Palestijnen dakloos en staatloos gemaakt, van hun huizen en land beroofd, vaak onder bedreiging met een geweer, en velen werden gedood door zionistische strijders. De Arabische landen deden weinig om te helpen, ze waren alleen geïnteresseerd in hun eigen belangen. De Europese landen keken toe. Amerika bleef Israël financieren, waardoor hun leger elk ander leger in de regio ruimschoots overtreft, en zeker genoeg om de stenen, messen en bommen van verschillende intifada’s te vermorzelen. Hun diepe gevoel van onrecht laat ook een litteken achter, een litteken dat door groepen zoals Hamas nog steeds voor hun eigen doeleinden kan worden gebruikt.
En dus, wanneer de inwoners van Gaza vandaag de dag hun steden tot stof zien vergaan, wanneer Palestijnen in de rij moeten staan bij controleposten om van de ene naar de andere plaats te reizen, wanneer land wordt afgenomen door de bouw van een veiligheidsmuur, en Israëlische nederzettingen vergunningen blijven krijgen om te bouwen op Arabisch grondgebied, terwijl het voor Palestijnen veel moeilijker is om een bouwvergunning te krijgen voor de bouw van een nieuw huis, roept dit alles de herinnering op aan wat Palestijnen de Nakhba of de ramp noemen. Wat Israëliërs zien als legitieme zelfverdediging, veiligheidsmaatregelen om terroristen op afstand te houden en hun bevolking te beschermen, ervaren Palestijnen als een echo van hun eigen trauma van onteigening uit het verleden.
Het resultaat is dat beide partijen opnieuw gevangen zitten in een cyclus van geweld, net als Simson en zijn vijanden. Oog om oog leidt ertoe dat beide partijen oogloos eindigen in Gaza.
Natuurlijk kunnen we discussiëren over welk trauma het zwaarst weegt. We kunnen debatteren over de zwaarte van elk moreel geval, of over waar de werkelijke schuld ligt. Maar trauma werkt niet zo. Trauma huist in de geest en het lichaam en verspreidt zich, waardoor elk vermogen om normaal te handelen en met gevoel voor verhoudingen en evenwicht te reageren, wordt overschaduwd. De effecten van trauma zijn niet opzettelijk of logisch, maar onvrijwillig. Reacties op trauma zijn notoir complex en verschillen per individu. Trauma blijft jarenlang bij individuen en generaties lang bij gemeenschappen.
Het begrijpen van dit conflict niet zozeer door de lens van schuld, maar door die van pijn, kan ons helpen dit conflict anders te begrijpen. Natuurlijk ontwijkt het de schuldvraag niet, want hier zijn vreselijke dingen gebeurd. Het ontkent ook niet het recht van Israël om zich met legitiem geweld te verdedigen tegen de aanval van Hamas. De meesten van ons neigen naar de ene of de andere kant van het conflict. Toch legt deze benadering misschien de verantwoordelijkheid op ons, die toekijken, om te proberen de pijn van de andere kant te ervaren. En wanneer het stof van de strijd neerdaalt, belooft dat misschien een betere manier om de cyclus van geweld in de toekomst te doorbreken.
Door dit conflict te begrijpen als zowel tragedie als trauma, kunnen we het in een nieuw licht zien. En misschien geeft het ons een sprankje hoop op een uitweg. De herinnering verdwijnt nooit, maar traumaslachtoffers kunnen manieren vinden om de herinnering aan wat hen is overkomen op verschillende manieren te benaderen.
Het verhaal van Simson eindigt met vernietiging en zijn begrafenis in het familiegraf. Het eindigt met de dood. Binnen het lange verhaal van de Bijbel wordt de chaotische periode van de Richteren echter vervangen door de monarchie – de koningen van Israël, van wie koning David de beste is – een heerser met gebreken, maar beschreven als ‘een man naar Gods hart’. Daarnaast wijst het verhaal van David op een latere heerser, eveneens geboren in Bethlehem, wiens heerschappij niet inhield dat hij zijn vijanden haatte en doodde, maar dat hij hen liefhad tot het punt dat hij voor hen stierf, en zo uiteindelijk vrede bracht.
Het is dat soort Jezus-achtige, zelfopofferende, radicale leiderschap voor beide kanten dat een uitweg kan bieden uit de cyclus van geweld en haat die er was in de tijd van Simson, en die er vandaag de dag nog steeds is.
Alleen leiders die er niet op uit zijn om alles te doen wat nodig is om aan de macht te blijven, noch bereid zijn anderen op te offeren voor hun eigen doeleinden, die zich niets aantrekken van hun persoonlijke reputatie, maar bereid zijn om de riskante weg van verzoening te bewandelen, alleen dit soort leiderschap kan ons voorbij de tragedie en het trauma van het verleden naar een hoopvollere toekomst leiden.
Het laatste woord komt misschien van Audeh Rantisi, een Palestijn die in 1948 uit zijn huis in Lydda werd gezet. Hij werd later Anglicaans priester en activist voor verzoening tussen Joden en Arabieren voor de noodzaak voor beiden om de littekens en de menselijkheid van de ander te erkennen. Hij zei:
Ik draag nog steeds de emotionele littekens van de zionistische invasie. Toch zie ik als volwassene wat ik toen niet helemaal begreep: dat de Joden ook mensen zijn, zelf gedreven door angst, slachtoffer van de ergste gruweldaden uit de geschiedenis, fanatiek, soms bijna gedachteloos op zoek naar veiligheid. Vier jaar na onze vlucht uit Lydda wijdde ik mijn leven aan de dienst van Jezus Christus. Net als ik en mijn medevluchtelingen had Jezus in barre omstandigheden geleefd, vaak met slechts een steen als kussen. Net als zijn mede-Joden tweeduizend jaar geleden en de Palestijnen vandaag de dag, beheerste een externe macht zijn thuisland – mijn thuisland. Ze martelden en vermoordden hem in Jeruzalem, op slechts vijftien kilometer van Ramallah, mijn nieuwe thuis. Hij was het slachtoffer van vreselijke vernederingen. Niettemin bad Jezus voor degenen die zijn dood bewerkstelligden: “Vader, vergeef hun…”
In de afgelopen vier eeuwen zijn er dus vijf typen charismatische leiders dominant geworden, elk met een variatie op de grote paradox: de wijze waarop volgelingen de controle overdragen terwijl ze zich bevrijd voelen. Worthen gebruikt deze categorieën om zowel om leiders en hun bewegingen te classificeren als om historische verandering in kaart te brengen: elk type reageert op het type dat eraan voorafging en reageert op de druk en angsten van het eigen tijdperk. Zoals alle typologieën sluit deze niet perfect aan bij echte mensen. Bijna niemand is een ‘zuiver’ voorbeeld één van deze categorieën, en sommige leiders zijn juist interessant omdat ze zich verzetten tegen het dominante type van hun tijd. Máár deze categorieën hebben zelfs leiders die zich onttrokken aan gemakkelijke etiketten – en dat zijn de meesten – ertoe aangezet om te reageren op de opkomende charismatische stijl van hun tijd.
De Profeten nemen ons mee van het einde van de Middeleeuwen naar iets dat begint te lijken op onze eigen wereld. Ze maakten gebruik van oude patronen van contact met het goddelijke om autoriteiten uit te dagen en volgelingen te boeien met de angst en extase van Gods aanwezigheid. Ze hielden zich nauw aan de traditie en opereerden in een tijd waarin de beperkingen van de Oude Wereld het leven in de Nieuwe Wereld nog steeds sterk beperkten. Maar sommigen gebruikten die tradities om heersende instellingen te ondermijnen, hetzij door gewelddadige rebellie, hetzij door illegale bijeenkomsten en riepen zo een tegenreactie op. Als de Profeten vrijheid opvatten in termen van goddelijke verlossing, gebruikten ze vaak mystieke kracht voor aardse doeleinden. Meestal betekende dit het ontmantelen van elke structuur die God in de weg stond. De Profeten waren in wezen dus vernietigers. In hun kielzog maakten ze de weg vrij voor een tijdperk van de opbouwers, de Veroveraars.
We kennen zo langzamerhand allemaal wel het christelijk nationalisme uit de Verenigde Staten van Amerika: De beelden van een knielende Donald Trump die vlak na zijn inauguratie gezegend werd door een behoorlijk aantal voorgangers. Voorgangers en christenen die ‘hun’ Trump te vuur en te zwaard verdedigden en zijn radicale plannen ondersteunen, al was het alleen maar om hun eigen agenda doorgevoerd te krijgen. We deden het vaak af als een typisch Amerikaans iets.
Maar wat schetste mijn verbazing toen ik laatst bij de Malieveldrellen in Den Haag een houten kruis tussen de prinsenvlaggen en fakkels ontwaarde. Onderzoekers hadden echter al eerder gewaarschuwd: ook in Nederland wordt de christelijke symboliek door radicaal- en extreemrechtse bewegingen vaker ingezet om de ‘strijd’ tussen ‘goed’ en ‘kwaad’ een diepere lading te geven.
Vanaf het podium op het Malieveld klonk tijdens de gewelddadige demonstratie een Bijbeltekst. Els Noort, beter bekend als ‘Els Rechts’, zwaait met een vlag waarop de vermoorde Pim Fortuyn en Charlie Kirk zijn afgebeeld. Ondertussen leest ze voor uit Psalm 4: ‘In vrede zal ik gaan liggen en weldra slapen, want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.’ De 26-jarige Noort noemt het ‘een tekst die troost geeft in deze donkere tijd’.
Wat is de link tussen uiterst rechts gedachtegoed en het christelijke geloof? En is christelijk nationalisme dat geweld niet schuwt een gevaar voor Nederland?
De Zoetermeerse Noort maakt er op sociale media geen geheim van dat ze christen is. Ze is gedoopt, ging naar een reformatorische school en deed drie jaar geleden belijdenis van haar geloof. ‘Ik kies volledig voor Hem en wil Hem dienen in mijn leven.’ Ze dankt God op X niet alleen dat Hij haar zonden heeft vergeven, maar ook: dat ze ‘geen linkse mening’ heeft. ‘God is goed, Geert wordt groot.’ stond er op een kruis te lezen.
Het kruis met ‘God is goed, Geert is groot.’ – beeld: YouTube
Noort gebruikt haar geloof ook om anderen aan te vallen. Over oud-minister Hugo de Jonge zegt ze dat ze hoopt dat hij zich straks kan verantwoorden tegenover God. Oud-ChristenUnie-leider Gert Jan Segers noemt ze een ‘nepchristen’. Mensen waar ze het niet mee eens is, noemt ze regelmatig ‘demonen’.
In London liepen eerder nog enkele anti-migratiedemonstranten met kruizen en vlaggen door de straten. Sommigen kwamen in een kruisvaarderskostuum. Volgens de AIVD speelt daarbij het christendom en fluïde rol: het kan gebruikt worden om anderen het label van ‘het kwaad’ op te plakken, om een witte, christelijke beschaving te claimen, en soms om bruggen te bouwen naar conservatieve christenen.
Kort na deze demonstratie namen 36 Britse kerkleiders uit conservatieve en progressieve stromingen in een verklaring afstand van het gebruik van die christelijke symbolen. ‘Jezus roept ons op om onze vijand en onze naaste lief te hebben. Het is onacceptabel dat het christelijk geloof wordt misbruikt om anderen buiten te sluiten’, schrijven zij.
Zo’n verklaring zou in Nederland ook een goed idee zijn, zegt onderzoeker Marietta van der Tol van de Cambridge University. ‘In landen waar kerken zich duidelijk hebben uitgesproken tegen misbruik van het geloof door radicaal-rechtse groepen, zoals in Noorwegen en Duitsland, zwakken radicaal-rechtse groepen hun claim op het christendom af.’
maar Van der Tol wijst wel op de Amerikaanse invloed op Nederlandse christenen, bijvoorbeeld in de muziek, de liturgie, of geestelijke literatuur. ‘De Amerikaanse samenleving is aan het radicaliseren en dat zie je steeds meer in kerken en in de theologie terug. Het zou goed zijn als gelovigen en kerken hier nadenken over de vraag hoe welkom die tendensen van radicalisering zouden zijn in Nederland, en of dat bij ons past.’
Het probleem zit ook bij het begrip ‘christelijk nationalisme’. Voor de één betekent het iets anders dan voor de ander. Christelijk nationalisme kan worden gedefinieerd als ‘liefde voor je natie, identificatie ermee en speciale zorg voor haar welzijn’ Zo gelezen is er vanuit christelijk oogpunt niets verkeerds aan. Maar de term wordt tegenwoordig ook anders ingevuld.. Dan duidt het eerder op een ideologie die politieke macht nastreeft om de christelijke identiteit te verenigen met de nationale identiteit. Met andere woorden, het zou betekenen dat christenen christelijke waarden willen opleggen aan álle burgers van een natie door middel van de wet.
Maar voor veel christenen zit juist hier een addertje onder het gras. ‘Christelijke waarden’ omvatten namelijk niet het dwingen van mensen die zich niet als christen identificeren om een christelijke levensstijl te leiden. Christelijke waarden zijn gebaseerd op de leer en het voorbeeld van Jezus, en Hij was nooit dwingend. Hij richtte zich op de harten van mensen en streefde naar vrijwillige, in plaats van afgedwongen gehoorzaamheid. Zijn doel was dat mensen Hem zouden volgen en naar Zijn leer zouden leven omdat ze dat meer dan wat ook ter wereld wilden, niet omdat ze anders gevangen zouden worden gezet of benadeeld zouden worden als ze dat niet deden. Het evangelie is een uitnodiging tot het meest lonende en vervullende leven dat je je kunt voorstellen, geen bevel dat uit angst moet worden opgevolgd.
Jezus leerde expliciet dat christelijke politiek anders zou moeten zijn dan alles wat de wereld ooit heeft gezien:
‘Jullie weten’ zei Hij ‘dat de volken onderdrukt worden door hun eigen heersers en dat hun leiders hun macht misbruiken. Zo mag het bij jullie niet gaan. Wie van jullie de belangrijkste wil zijn, moet dienaar van de anderen zijn.’ (Marcus 10,42-43)
Met deze woorden zette Jezus een politieke agenda voor zijn volgelingen neer die radicaal verschilde van elke andere beweging, religie, instelling of natie.
Waar anderen altijd macht hebben gebruikt om te domineren, te controleren en gehoorzaamheid af te dwingen, moeten christenen macht gebruiken om degenen die onder hen staan te dienen en hun bloei na te streven. Met zijn eigen leven liet Jezus zien hoe dit eruitziet. Veel mensen verwachtten dat de Messias een groot militair leider zou zijn die een leger onder zijn banier zou verzamelen, dat hij de Romeinse onderdrukking zou afschudden, Israël als natie zou vestigen en het met absolute macht en gezag zou regeren. In plaats daarvan, in plaats van geweld te plegen, onderwierp hij zich aan de dood door toedoen van de Romeinse onderdrukkers.
Nee, Jezus bedoelde niet dat zijn volgelingen geen macht en invloed in de wereld zouden moeten nastreven, of dat ze zich zouden moeten neerleggen en zich als een voetveeg zouden moeten laten vertrappen. Het ‘christelijke verschil’ is niet dat het apolitiek is, zich terugtrekkend van alle betrokkenheid bij wereldse zaken, alsof God zich niet bekommert om wat er in de wereld gebeurt.
Het christelijke verschil is tweeledig:
(1) nooit de macht grijpen of behouden door middel van geweld, dwang, leugens, manipulatie of welke middelen dan ook die zogenaamd het doel rechtvaardigen,
en (2) macht gebruiken (wanneer die ons vrijwillig wordt gegeven) in dienst van iedereen, ongeacht hun geloof of levensstijl, en vooral van de machtelozen.
Nee. christenen hebben zeker niet altijd op deze manier politiek bedreven. In de eeuwen sinds Jezus op aarde rondwandelde, zijn ze vaak bezweken voor de verleiding om politiek te bedrijven zoals de rest van de wereld: grepen ze naar autoriteit om er zich vervolgens met alle mogelijke middelen aan vast te houden, het gebruiken om jezelf en de eigen agenda te bevoordelen op manieren die anderen te schaden en te onderdrukken. De behandeling van Joden in de late middeleeuwen is een ontnuchterend en afgrijselijk voorbeeld: Joden werden gedwongen in getto’s te leven en kegelvormige hoeden te dragen. Het was hun verboden openbare ambten te bekleden, synagogen te bouwen die hoger waren dan welke kerk dan ook, of op zondag over straat te lopen. Uiteindelijk werden ze met geweld uit verschillende Europese landen verdreven om geen belemmering meer te laten voor de vorming van een waarlijk ‘christelijke natie’, oftewel een natie met alléén christenen.
Tegenwoordig zetten veel christenen in westerse landen zich in om zich te verzetten tegen wereldbeelden waarvan zij vinden dat ze hen binnendringen zoals secularisme, islam en liberalisme. Ze willen het christendom opnieuw als de dominante culturele kracht bevestigen. Het lijkt mij dat deze inspanningen grotendeels worden ingegeven door angst, veroorzaakt door de afnemende christelijke invloed. Er is een sterke drang tot zelfbehoud wanneer iemand zich steeds meer gemarginaliseerd voelt. Men heeft het gevoel dat als men de macht niet terugkrijgt, alle waarden en de levensstijl die men koesterde, zullen worden weggevaagd. Je moet je dan zelf beschermen en proberen de christelijke waarden met alle mogelijke middelen te behouden. Je dient de controle terug te nemen en financieel, politiek en cultureel kapitaal in te zetten om het bestuur te herwinnen en de christelijke wetten in ‘ons land’ te herstellen.
Toch is angst nimmer een goede drijfveer geweest voor wijs, rechtvaardig en rechtschapen handelen. Angst leidt onze aandacht af van de armen en behoeftigen en richt zich op onze eigen benarde situatie. Angst zorgt ervoor dat we terugslaan met een instinctieve zelfbescherming. Wanneer we bang zijn, voelen we ons gerechtvaardigd om onze eigen behoeften en prioriteiten voorop te stellen. Gewelddadig gedrag wordt bestempeld als ‘zelfverdediging’, het korten op hulpbudgetten wordt bestempeld als voorzichtigheid, en het weigeren van toegang aan vluchtelingen die alles verloren hebben en op de vlucht zijn voor vervolging, wordt gezien als de enige verstandige handelwijze in een wereld met eindige middelen. Angst drijft ons ertoe ons eigen voordeel te zoeken, iets wat Jezus zelf nooit deed. Misschien wist Jezus dat angst de grootste kracht kan zijn die ons ervan weerhoudt een christelijk leven van dienstbaarheid te leiden. Misschien is het geen toeval dat “wees niet bang” de meest voorkomende zin in de Bijbel is.
Voor christenen, zoals ik, zijn er betere drijfveren voor politieke actie: dingen zoals wijsheid, rechtvaardigheid en vrede. (Durf ik te zeggen: liefde Of is dat te controversieel?) Maar de allerbeste motivatie is de wens om Jezus’ leer en voorbeeld te volgen, niet alleen als we eenmaal macht hebben verworven, maar ook in de manier waarop we die zoeken en vasthouden.
Er is op zich niets mis met het idee van een ‘christelijke’ natie, als dat in ieder geval een natie betekent die zich gedraagt tegenover mensen – zowel burgers als niet-burgers – zoals Jezus deed (en ervan uitgaande dat de natie in de eerste plaats niet door geweld is gevormd – maar dat is een ander verhaal). Een werkelijk ‘christelijke’ natie zou nooit proberen christelijk gedrag van wie dan ook af te dwingen. Het zou de vrijheid van mensen respecteren om te leven en te geloven wat ze willen, en zou gelijke kansen, gelijke voordelen en gelijke rechten bieden aan christenen, moslims, atheïsten en joden. Het zou zijn macht gebruiken om alle mensen te dienen, met name de meest kwetsbaren en de minsten die voor zichzelf kunnen zorgen. Het zou elke buitenlander verwelkomen en beschermen die daarheen vluchtte om zijn leven of vrijheid te redden, nadat hij thuis alles verloren had.
Zo’n natie zou niet gekenmerkt worden door angst om haar macht te verliezen. Het zou er niet naar streven haar invloed te behouden door niet-christenen het burgerschap of posities in de regering te ontzeggen. Als het tij zich tegen haar zou keren, zou ze nederig afstand doen van de macht in plaats van dwang te gebruiken om die te behouden, net zoals Jezus nederig naar het kruis ging in plaats van geweld te gebruiken tegen zijn onderdrukkers.
Dat brengt me bij het primaire probleem dat volgens mij het christelijk nationalisme vormt. Ik heb geprobeerd de sociale en historische realiteit ervan te verbinden met de huidige politieke macht. Maar de grootste fout lijkt mij de opmars naar suprematie. Jezus’ afwijzing van politieke macht in de woestijn en zijn verzet tegen politieke macht door het kruis gaan verloren in de opkomende vloedgolf van christelijk nationalisme. Christenen hebben geen natuurlijke of goddelijke aanspraak op gezag over anderen op basis van hun geloof. De kerk heeft altijd een ‘ja’ en een ‘nee’ tegen de staat gezegd. We moeten meer nadenken over wat het ‘ja’ en ‘nee’ van de kerk zou moeten zijn.