Onder een seculiere Franse regering is € 700 miljoen uitgegeven aan de renovatie van de Notre Dame na de brand van 2019. Het geld is echter niet afkomstig van Franse belastingbetalers, maar van grote en kleine donaties van mensen in Frankrijk en van over de hele wereld. Wat is er toch met kathedralen? (en misschien in bredere zin: christelijke gebouwen) Want het aantal mensen dat kathedralen bezoekt om te bezoeken, om te bidden of anderen te ontmoeten, blijft stijgen, zelfs terwijl het kerkbezoek afneemt en religie uit de mode lijkt te raken. Dus wat is er aan de hand?
Het bouwen van een grote kerk is een lang en zeer kostbaar proces, en christelijke gemeenschappen konden een eeuw of langer nodig hebben om een kathedraal te bouwen of te upgraden naarmate er middelen beschikbaar komen. In landen waar het christelijk geloof werd omarmd door de machthebbers, hielpen overheden bij het bouwen van kathedralen. Het waren niet alleen centrale punten voor erediensten en het kerkelijk leven in hun gebied, maar waren ook grote overdekte ontmoetingsruimten die ook door de staat werden gebruikt voor synodes, kroningen, vergaderingen of diensten die het politieke leven ondersteunden en de sociale cohesie versterkten. Gemeenschappen en heersers wilden het beste en grootste gebouw dat ze konden hebben, tot eer van God (en ook die van de bouwers): en kathedralen waren een focus voor het beste dat te vinden was in architectuur en kunst, preken in steen en glas-in-lood, kleurrijke hoogbouwwonderen die de bewoners van een vaak lelijke en sombere laagbouwwereld inspireerden.
Wat verklaart dan de blijvende aantrekkingskracht van kathedralen en de emotionele banden tussen deze gebouwen en ons die de herbouw van Notre Dame heeft benadrukt?
Om te beginnen zijn deze gebouwen de dragers van verhalen en identiteiten. Wij mensen houden van een goed verhaal. We willen verhalen horen, zien en vertellen; een verhaal maken van ons eigen leven; deel uitmaken van een groter verhaal dat ons identiteit en betekenis geeft. In kathedralen kun je bezoekers en pelgrims ontmoeten die graag de geschiedenis wilden weten, met andere woorden het verhaal van zo’n geweldige plek en alles wat het bevat. Er zijn de bezoekers die hun eigen verhalen schrijven en op elke toeristische bestemming een foto maken van hun knuffel. En er zijn de mannen en vrouwen op een crisispunt, die in hun eigen verhaal die op zoek gaan naar vergeving of hoop of liefde, en die beginnen te vinden in het grote verhaal van God, van Jezus en het christelijk geloof waarvan een kathedraal getuigt.
Dat vasthouden aan identiteit is natuurlijk niet alleen individueel. De ramp van 2019 met de Notre Dame in Parijs werd over de hele wereld gevoeld, omdat deze kathedraal met haar glorieuze architectuur en haar schatten deel uitmaakt van het verhaal van de wereld waar miljoenen mensen door hun bezoeken en begrip bij betrokken zijn geraakt; een tragedie die natuurlijk het diepst wordt gevoeld in Frankrijk, waar de kathedraal verweven is met de Franse geschiedenis en identiteit. Elke kathedraal, ongeacht haar leeftijd of grootte, draagt het verhaal van haar gemeenschap en haar mensen, maakt deel uit van ons menselijke verhaal, van het jouwe en het mijne. Hun erfgoed is ook het onze. Het verhaal dat een kathedraal vertelt over identiteit, geloof en hoop kan verlevendigen en inspireren.
Aan de andere kant zijn kathedralen getuigen. Kathedralen zijn niet alleen gastheer van staatsgelegenheden: hun rol is om een plek te zijn voor mensen uit een breed geografisch en sociaal gebied om elkaar te ontmoeten en te vieren, te aanbidden, te rouwen, te luisteren en te leren. Het zijn plekken waar we zowel bevestigd als uitgedaagd worden. Of het nu gaat om een lokaal liefdadigheidsconcert om mensen in nood te helpen, een groot bedrijfsjubileum, een seminar of een protestlocatie voor mensen die zich zorgen maken over een actueel politiek, sociaal of religieus onderwerp, de rouwenden van een belangrijke publieke figuur of een dakloze die op zoek is naar waardigheid en onderdak; kathedralen getuigen van de waarde van het menselijk leven voor God. Voor een kathedraal zijn alle mensen geliefd door God en worden er verwelkomd. Terwijl kathedralen een verhaal en identiteit hebben, terugkijken en getuigen van en focussen op een lokale of nationale gemeenschap, kun je je ook een andere aantrekkingskracht voorstellen; die van vooruitkijken en omhoogkijken: ‘vlaggenschepen van de Geest’. Uit een enquête onder bezoekers die kathedralen binnenkwamen, bleek dat slechts 10 procent van hen van plan was om iets spiritueels te doen; maar toen ze naar buiten kwamen, had 40 procent van hen gebeden, een kaars aangestoken, met een geestelijke gesproken of had een dienst bijgewoond.
Kathedralen zijn, net als alle kerken, metaforische voetafdrukken van God in de wereld: spirituele ruimte die is gereserveerd om buiten onszelf en ons dagelijks leven te stappen, om te reflecteren, te bidden en te aanbidden, om een ontmoeting te hebben, de aanwezigheid van God te zoeken.
Bij het ervaren van een Godsontmoeting speelt niet alleen het verstand een rol. Niet voor niets stelt Rahner dat achter zakelijke argumenten tegen het christelijke geloof bijna altijd ervaring de vooronderstelling is – ervaring van de ongrijpbaarheid van God en van het bestaan. Als we stellen dat de moeite met God en met het bestaan niet tot het besluit hoeft te leiden om afscheid van God te nemen, dan volstaat het dus niet om aannemelijk te maken dat God zich bekend kan maken en dat God en mens elkaar ontmoeten kunnen. Dat hetgeen door het verstand begrepen werd als ‘tot de mogelijkheden behorend’ ook feitelijk gebeurt, dat kan het verstand niet aantonen, maar alleen de ervaring, overigens niet zonder de christelijke traditie.
De houding die daarvoor nodig is, is niet meer de bereidwillige inspanning van het verstand dat zoekt naar begrip en niet bang is om daar moeite voor te doen. Als men, nog zonder bevredigend resultaat, het einde van de verstandelijke mogelijkheden bereikt, ‘laten we het dan kort houden: dan kan alleen een sprong in het geheel andere aanbevolen worden’. Die sprong, dat andere, de nu aanbevolen houding is: capitulerend zich overgeven. ‘Men moet zich tegenover de onbegrijpelijkheid die een antwoord belet in deze onbegrijpelijkheid laten vallen, als was het de ware vervulling en zaligheid, en afzien van een antwoord’. Zo’n houding klinkt simpel, bijna naïef: geen vragen meer stellen, en zich overgeven aan God. Het is echter niet het simplisme van de absolute naïviteit. Het loslaten van vragen wordt pas aanbevolen na het stellen en beantwoorden ervan. Als dan blijkt dat Godsontmoeting aannemelijk gemaakt kan worden zonder bewezen te worden, en als dan blijkt dat reflectie de moeite van Godsontmoeting niet kan oplossen, pas dan wordt het tijd voor de eenvoud van ‘een soort nieuwe naïviteit’.
Maar al te vaak eist de wereld van ons dat we het een zijn, of het ander. In onze reacties, onze ideologieën, onze overtuigingen, wordt van ons verwacht dat we dit zijn, of dat zijn. Erin of eruit. Ja of nee. Rood of blauw. Zwart of wit. De wereld vindt het leuk als we onszelf labelen met een zekerheid die het makkelijker maakt om ons te marketen, vast te leggen in een strategisch plan of te bereiken in een algoritme.
Op sociaal niveau kunnen deze zelfcategoriserende definities – wat ik geloof, op wie ik stem, wat ik consumeer – een filtersysteem worden voor wie toegang tot ons krijgt en wie niet. In een combinatie van associatie en veronderstelling bepalen we wie ‘onze mensen’ zijn en wie niet. En het lijkt eenvoudig.
Dat is het totdat je je twee dingen realiseert: het grootste deel van het leven speelt zich niet af binnen de grenzen van zwarte of witte zekerheid, maar in het grijze, tussengebied. En niemand van ons is een-voudig.
We geloven misschien graag dat we duidelijke individuen zijn die gemakkelijk te definiëren, mooi georganiseerde ideeën en overtuigingen hebben, maar de werkelijkheid is veel rommeliger. Onze houdingen, opvattingen en gevoelens zijn lichtjes gebonden aan een spectrum en we bevinden ons bijna altijd ergens in het midden.
Denk er eens over na. Kunt u zich de laatste keer herinneren dat u zich onafgebroken, onvervalst gelukkig voelde, zonder dat er ergens in uw achterhoofd iets of iemand om u heen bleef hangen? Het omgekeerde is ook waar. Ik ken mensen die in de loopgraven van verdriet hardop lachen om hun favoriete Instagram-reels. Meestal is er niet veel voor nodig om ons weg te slepen van de hoogtepunten en dieptepunten van het leven. We zijn erop ingesteld om in de tussenruimtes te leven.
Deze aantrekkingskracht naar het midden die we voelen is niet verrassend. Eén van de leiders van de vroege kerk, Paulus, zei dat ‘als iemand in Christus is, de nieuwe schepping is gekomen.’ (2 Korintiërs 5) Wij zijn dus nieuwe scheppingswezens, omringd door nieuwe scheppingsideeën, in een oude scheppingswereld. Onze sociale constructies, systemen en levens zijn gebouwd op de vooronderstelling van ergens tussen het oude en het nieuwe, een grijs gebied van deels heden en deels toekomst.
Paula Gooder, een Britse nieuwtestamenticus, zegt over Paulus’ geschriften: ‘Met Jezus’ dood en opstanding ligt de nieuwe schepping bij de oude schepping. Van tijd tot tijd zul je momenten van perfectie zien, momenten van opstanding, en dat zijn de momenten die ons gaande houden in de moeilijke tijd (…) Hoewel je nieuwe schepping bovenop hebt liggen, heb je nog steeds oude schepping eronder liggen. Als je de vraag wilt stellen waarom de wereld zo verschrikkelijk is zoals hij is, komt dat doordat we in een oude schepping leven.’
Door het Koninkrijk van God te omarmen, zowel het alreeds als het nog niet, zetten we ons in voor een daad van verzet tegen ideeën over zwart-wit bestaan door te leven in een grijs gebied dat geschikt is om uit te barsten in heldere, hemelse kleuren.
Oppervlakkig gezien suggereert het verhaal dat onze oorsprong van bestaan vormgeeft, het scheppingsverhaal in Genesis, een God die werkt in binaire verhoudingen – nacht en dag, land en zee. Maar we weten dat er ook dat de minder gemakkelijk te definiëren schemering, schemering en dageraad, moeras en mist is. De schepping zelf geeft aan dat leven in dualiteit een onmogelijke opgave is. We zijn tenslotte niet gemaakt voor scheiding, maar voor eenheid en verzoening. Overal om ons heen getuigt de natuurlijke wereld van een God die de dingen daartussen heeft geschapen en, net als de ondergaande en opkomende zon, ze spectaculair en boeiend heeft gemaakt.
Richard Dawkins en de nieuwe atheïstische beweging proberen alles netjes in het midden te verdelen tussen dingen die je zonder enige twijfel kunt bewijzen, en blind geloof. Maar zij zien niet dat de meest interessante dingen zich op geen van beide plekken afspelen.
Hoewel zekerheid zijn moment en zijn verdiensten heeft, denk ik niet dat het slecht is om in een grijs gebied te leven. Ik denk zelfs dat we er allemaal beter aan toe zouden zijn als we eraan zouden kunnen wennen. We zijn evoluerende wezens en als zodanig zal de materie die we vandaag in ons hoofd en hart hebben, morgen veranderen en groeien en mogelijk veranderen.
Ons leven is meer dan een optelsom van winst en verlies, komedie en tragedie, oud en nieuw, zwart en wit. Dus, nu we aan het begin van dit jaar staan, vraag ik u om ruimte te maken voor alles wat gebeurt binnen de grenzen van wat de wereld verwacht en accepteert. Om de puinhoop van het tussenliggende te omarmen. Om door te gaan in de grijze gebieden van het leven; alleen om het vol, levendig en glorieus te ontdekken in een nieuwe scheppingskleur.
Voor velen leidt juist die onbegrijpelijkheid van God, aldus Rahner , tot het afscheid nemen van God en het christelijke geloof. Want de wortel van twijfel aan God en de daaruit voortkomende diskwalificatie van het christendom is bijna altijd de moeite met God, eerder dan rationele en wetenschappelijke argumenten.
‘Het eigenlijke argument tegen het christendom is de ervaring van het leven, deze ervaring van de duisternis. en ik heb steeds gemerkt dat achter de vakargumenten tegen het christendom van de wetenschappers als laatste kracht en als a priori beslissing vooraf … steeds deze laatste ervaringen van het bestaan stonden, die de geest en het hart duister maken en moe en twijfelend.’
Soms gaat dat afscheid heel heftig, vaker ‘gewoon’ heel geleidelijk en stilletjes. Waarom geloven in iets dat ongrijpbaar blijft? Waarom geloven in iets dat, voorzover het wel te begrijpen en te benaderen is, kwelling betekent? Waarom niet, simpelweg, zich beperken tot het bestaan hier en nu? Waarom niet mijn levensvervulling vinden in de vele goede zaken op aarde?
‘en toch’: er is een andere weg mogelijk. ‘en toch’ is de weg van de geloofstraditie, waarin steeds weer geloofd is dat de verborgen God wel degelijk bestaat, en dat die verborgen God wel degelijk zich laat ontmoeten. Het is mogelijk, zo is de ervaring en de belijdenis van velen voor ons, om in God te blijven geloven en om Gods nabijheid te blijven ervaren. Niet het onbegrip en de kwelling hebben het laatste woord, maar Gods nabijheid. Dat deze traditie tot de mogelijkheden behoort, dat het zinvol is om je aan die traditie over te geven en toe te vertrouwen, en dat je te midden van de moeite simpelweg – voorzover dat simpel is – vol moet houden, dat kan je niet bewijzen. Het kan alleen toegelicht en aannemelijk gemaakt worden, en dan slechts in zoverre iemand welwillend en betrokken wil zijn. Want alleen met welwillendheid en betrokkenheid kunnen woorden verwijzen naar dat wat ermee bedoeld is, kan zo het verband met de eigen ervaring gezocht worden, en kan dus overtuiging groeien.
De wijzen uit het oosten of drie koningen zijn, binnen de christelijke traditie, de wijzen die Jezus van Nazareth na zijn geboorte kwamen vereren en geschenken van goud, wierook en mirre brachten.
De vermelding van de wijzen komt in het Nieuwe Testament alleen voor in Matteüs 2:1-12. Over hun herkomst wordt alleen gezegd dat ze uit het oosten kwamen. Ook hun aantal en hun namen worden niet vermeld.
De wijzen kwamen volgens de overlevering uit de drie verschillende werelddelen. Ze vertegenwoordigen de drie takken van het menselijk geslacht – een twintiger, een veertiger en een zestiger – volgens de Bijbel het nageslacht van de drie zonen van Noach: Sem, Cham en Jafet. De mannen vertegenwoordigen drie leeftijden van de mens.
Het verhaal in Matteüs werd in de loop van de eeuwen uitgebreid met allerlei elementen die niet worden genoemd in het Bijbelse verhaal. Mattheüs noemt het aantal niet, maar volgens de traditie in het westers christendom zijn er drie wijzen. Dit getal van drie werd wellicht vastgesteld aan de hand van het aantal geschenken dat ze meebrachten. In tradities in het oosters christendom zijn er niet drie maar twaalf wijzen.
Het bezoek van de wijzen uit het oosten aan Jezus wordt in het westers christendom oorspronkelijk gevierd op 6 januari, in de volksmond Driekoningen. De wijzen een lange geschiedenis van betrokkenheid bij de monarchie, waarbij ze paden volgens de overlevering kruisten met illustere koningen, waaronder Cyrus de Grote van Perzië, Alexander de Grote en de Romeinse keizer Nero.
De wijzen of erfelijke priesters waren oorspronkelijk lid van een stam van de Meden die 600 jaar voor de geboorte van Jezus in Noord-Iran leefden. De Griekse historicus Herodotus schreef rond 425 v.Chr. hoe deze wijzen in het hele oude Midden-Oosten bekend werden vanwege hun vermogen om dromen te interpreteren en hun kennis van de sterren. Ze waren aanhangers van de zoroastrische religie en waren verantwoordelijk voor de heilige vuren die centraal stonden in de zoroastrische eredienst.
Voor de Grieken waren de zoroastriërs en de magiërs – want zo worden de wijzen ook wel genoemd – exotische objecten van fascinatie. Veel latere Griekse filosofische werken beweerden dat ze ontsproten waren uit de verbeelding van Zoroaster (of Zarathustra) . Maar honderd jaar voor Herodotus vinden we de eerste vermelding van magiërs in de Bijbel, in het boek Daniël. Dit was de periode van de Joodse ballingschap en gevangenschap in Babylon. Jojakim, koning van Judea en afstammeling van de koningen David en Salomo, werd verslagen in de strijd en gedood door Nebukadnezar II van Babylon. Jeruzalem en de tempel werden verwoest en veel Judese edelen werden gevangengenomen. Daniël was een van deze gijzelaars en wordt meegenomen naar het Babylonische hof, waar God hem de mogelijkheid geeft om de dromen van de koning te interpreteren. Onder de indruk van zijn capaciteiten, geeft Nebukadnezar Daniël de leiding over al zijn wijze mannen. Het is onduidelijk welke relatie deze Babylonische ‘magiërs’ hadden met de Meden, maar de sterke Medische invloed op het Babylonische hof suggereert dat de Babylonische wijze mannen heel goed Zoroastrische magiërs kunnen zijn geweest.
Daniël bleef aan het Babylonische hof, totdat de Babyloniërs werden binnengevallen door Cyrus de Grote, die de Joden toestond terug te keren uit ballingschap en te beginnen met het herstellen van Jeruzalem.
Het Perzische rijk van Cyrus duurde tweehonderd jaar, totdat het in 331 v.Chr. werd binnengevallen door Alexander de Grote en zijn leger. Alexander zocht het advies van magiërs, maar liet velen van hen op gewelddadige wijze doden en hun heilige vuren doven toen hij de Perzische hoofdstad Persepolis met de grond gelijk maakte als wraak voor de Perzische vernietiging van de Akropolis door Xerxes 150 jaar eerder. De Griekse opvolgers van Alexander werden gekenmerkt door bloedige rivaliteit en onderlinge strijd en werden later onderworpen door het Parthische rijk, dat de meest geduchte rivaal van Rome in het oosten zou worden. De magi consolideerden hun reputatie als koningsmakers tijdens de Parthische periode, met een raad van magi (de Megistanen) die verantwoordelijk was voor het kiezen van Parthische koningen.
In de tijd van Jezus waren er overal in het Midden-Oosten ‘magiërs’ en in deze context beschrijft de Romeinse historicus Plinius de Oudere de reis van Armeense magiërs om keizer Nero te bezoeken in 66 na Christus. Tegen die tijd waren Parthië en Rome al een eeuw in hun langdurige strijd en hadden ze net een vijf jaar durende oorlog gevoerd over de Armeense opvolging. Ondanks een vernederende nederlaag, redde Rome wat gezicht door een zeer eenzijdig verdrag waarbij Parthië de volgende Armeense koning koos, maar waarbij de Romeinse keizer de kroon op zijn hoofd mocht zetten! Nero draaide dit in zijn voordeel door de nieuwe koning Tridates I naar Rome te laten komen om zijn kroon in ontvangst te nemen. Tridates, die zowel een zoroastrische priester als een koning was, kwam met een enorm gevolg, waaronder andere magiërs en duizenden ruiters, om zijn kroon in ontvangst te nemen. De enorme processie kwam tot een hoogtepunt toen de magi-koning boog voor de keizer en hem erkende als zijn heer.
Het bezoek van de Armeense magiërs heeft duidelijke overeenkomsten met het bekende verhaal van magiërs die het kindje Jezus bezoeken in het evangelie van Matteüs. Gezien de vele verfraaiingen die door de eeuwen heen aan het magiërsverhaal zijn toegevoegd, is het nauwelijks verrassend dat sommigen hebben gesuggereerd dat het magiërsverhaal een verzinsel was en een geremixte versie van het bezoek van koning Tridates aan keizer Nero. Maar als magiërs standaardpersonages waren in het oude Nabije Oosten en ook echt geïnteresseerd waren in monarchen (die vaak ook als ‘goden’ werden behandeld), dan zou het niet zo verrassend zijn dat er meer dan één bezoek van koninklijke magiërs zou zijn met emotioneel geladen religieuze ondertonen. Wat een verzonnen magiërsverhaal minder waarschijnlijk maakt, is wat het Joodse publiek van de evangelieschrijver Matteüs van de magiërs zou hebben gedacht. Hoewel de Grieken en Romeinen enthousiast waren over buitenlandse ‘goden’ en exotische wijsheid, waren de Joden uit de eerste eeuw dat absoluut niet. Voor hen en voor de vroege christenen zouden de magiërs charlatans en volgelingen van een valse buitenlandse ‘god’ zijn geweest. Een bezoek van een paar buitenlandse astrologen zou eerder gênant zijn geweest dan het soort verhaal dat je zou verzinnen.
Dus, wie waren de magiërs in het evangelie van Matteüs? De twee dominante theorieën waren dat ze ofwel Perzisch waren of dat ze later fictie waren. Meer fantasierijke theorieën omvatten oorsprongen in India, China en zelfs Mongolië. Een andere, misschien realistischer mogelijkheid, is dat de magiërs afkomstig waren uit het Arabische koninkrijk Nabatea. De Nabateeërs stonden bekend om het gebruik van irrigatie om de woestijn te bewerken en om de handelsroutes door de Arabische woestijn te controleren. Twee handelsgewassen waarin Nabatea de handel domineerde, waren wierook en mirre. De rijkdom die werd gegenereerd door deze lucratieve handel werd gebruikt om Petra te bouwen, de wereldberoemde valleistad van rotsmonumenten. De Nabateeërs hadden nauwe banden met Israël en waren mogelijk bekend met de profetieën van Daniël en Jesaja. Ze zouden ook geïnteresseerd zijn geweest in de Judese monarchie en zouden natuurlijke bezoekers zijn geweest van de paranoïde koning Herodes. Herodes’ moeder was een Nabateese prinses en de Nabateese koning Aretas IV moest de gunst van Herodes versterken, zodat de Nabateeërs geïnteresseerd zouden zijn in een nieuwe koning der Joden.
Waarschijnlijk zullen we nooit zeker weten wie de wijzen uit het oosten waren. Maar voor mij is er iets diep fascinerends aan deze mysterieuze bezoekers van het kindje Jezus. Deels lijken ze hogere dingen te vertegenwoordigen – met hun wijsheid en rijkdom in goddelijke dienst. Het kan lijken alsof hun uitstekende kennis en astronomische vaardigheden een soort van kosmische puzzel hebben opgelost, waarbij de magiërs de ster volgen en een despoot ontwijken om de baby aan het einde van de schattenjacht te vinden. Dit klopt niet, de kennis van de magiërs is niet het object van verwondering. De kennis die ze hebben is kapot, het is een rommelige mix van gekke occultisme, astronomie, wiskunde aangevuld met een ongezonde obsessie met royalty.
De kennis die wij hebben is ook kapot. Maar God gebruikt de dwaze dingen om de wijzen te verwarren, en in de gekke puinhoop van horoscopen en waarzeggerij laat God de magiërs een uitnodiging achter. De uitnodiging accepteren is een risico nemen: de lange reis riskeren, de toorn van Herodes en zelfs het risico lopen het mis te hebben. Maar als ze deze uitnodiging accepteren, realiseren ze zich dat het een uitnodiging is om God Zelf te ontmoeten.
Wij geloven in één God, de almachtige Vader, Maker van hemel en aarde, van alle zichtbare en onzichtbare dingen. En in één Heer Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, uit de Vader geboren voor alle eeuwen, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet gemaakt, één van wezen met de Vader: door wie alle dingen geworden zijn; die om ons mensen en om ons behoud is neergedaald uit de hemelen, en is vleesgeworden uit de Heilige Geest en de maagd Maria, en is mens geworden; die voor ons ook is gekruisigd onder Pontius Pilatus, geleden heeft en begraven is en op de derde dag is opgestaan naar de Schriften; is opgevaren naar de hemelen en zit aan de rechterhand van de Vader, en die zal wederkomen in heerlijkheid, om te oordelen levenden en doden; en zijn rijk zal geen einde hebben. En in de Heilige Geest, die Heer is en levend maakt, die voortkomt uit de Vader [en de Zoon], die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt, die gesproken heeft door de profeten; in één, heilige, katholieke en apostolische kerk; wij belijden één doop tot vergeving van zonden; wij verwachten de opstanding der doden en het leven in de wereld die komt.
Als christenen hebben we dit jaar iets extra’s te vieren, namelijk de verjaardag van de de Geloofsbelijdenis van Nicea. In 2025 is het 1700 jaar geleden dat het Concilie van Nicea werd bijeengeroepen door keizer Constantijn, en dat de eerste versie van de geloofsbelijdenis opstelde. Er zijn immers niet veel 1700 jaar oude documenten die elke week hardop worden voorgelezen en uit het hoofd worden geleerd door miljoenen mensen over de hele wereld. Toch zullen er veel mensen zullen verbijsterd zijn, zelfs hier onverschillig of afwijzend tegenover staan. Want veel mensen kennen deze geloofsbelijdenis helemaal niet, of als ze dat wel doen, zien ze het als dogmatisch, uitsluitend en verwoord in de obscure taal van de klassieke filosofie uit de vierde eeuw, die weinig relevant lijkt te zijn voor de wereld waarin we vandaag leven.
maar is het echt de moeite waard om te vieren? Laat me een paar redenen noemen waarom ik denk dat het dat is.
Allereerst markeerde 325 een periode van enorme verandering voor het christelijk geloof. De voorgaande 300 jaar sinds de tijd van Jezus had het christendom zich verrassend snel verspreid, maar over het algemeen zonder steun van de rijken of machtigen, en regelmatig vervolgd. Maar aan het begin van de vierde eeuw verklaarde keizer Constantijn zichzelf tot ‘christen’. Er is veel discussie over wat hij daarmee bedoelde; het weerhield hem er bijvoorbeeld niet van om het grootste deel van zijn familie te vermoorden. Maar Constantijn schreef zijn zegevierende keizerlijke campagne toe aan de bescherming van de christelijke God, en begon veiligheid en privileges te bieden aan christenen en hun leiders. Het was Constantijn die het Concilie van Nicea bijeenriep, omdat hij zijn eigen autoriteit wilde laten gelden, maar ook wilde dat deze ontluikende ‘institutionele’ kerk grip kreeg en zich achter hem zou verenigen. Plotseling kregen christenen de kans om de wereld vorm te geven, om de cultuur vorm te geven, van bovenaf en van onderaf. Of dit nu goed of slecht is, en wat het deed en doet met het karakter van het christelijk geloof in de 1700 jaar sinds Nicea is ongetwijfeld iets dat 2025 zal moeten onderzoeken.
Ten tweede bood het Concilie van Nicea een model van besluitvorming dat sindsdien van groot belang is geweest in het christelijk leven. Nicea werd bewust gekozen als de plaats om dit concilie te houden omdat het ongeveer op de scheidslijn lag tussen het oostelijke deel van het Romeinse Rijk, waar Grieks de gemeenschappelijke taal was, en het westelijke deel, waar Latijn de taal van het publieke debat was. Constantijn probeerde zichzelf als enige keizer over beide delen te vestigen en hij riep christelijke leiders uit het hele rijk bijeen in Nicea. We hebben een goed idee van wie er aanwezig waren vanwege de ondertekenaars van de resoluties van het Concilie.
Leiders kwamen uit enkele van de meest rijke en ontwikkelde delen van het Romeinse Rijk, zoals Alexandrië, met zijn beroemde school en bibliotheek. Maar ze kwamen ook uit de eenvoudigste streken, waar het boerenleven de norm was voor zowel de bisschop als de congregaties. Spiridion, nu de patroonheilige van Corfu, was een van de ondertekenaars; hij hield zijn harde leven als herder vol terwijl hij zijn menselijke kudde leidde; Sint Nicolaas van Myra, ja, die we nu kennen als Sinterklaas, was er ook; in totaal waren er waarschijnlijk 200 tot 300 bisschoppen aanwezig, wat de buitengewone verspreiding van het christelijk geloof in het Romeinse Rijk benadrukt. Daarom wordt het Concilie van Nicea het Eerste Oecumenische of wereldwijde Concilie genoemd. Dit was de eerste gelegenheid voor de Kerk om de balans op te maken en haar diversiteit op te merken en ervan te leren.
Dit model van ‘conciliaire’ discussie en bijeenkomsten is de sleutel gebleven tot de manier waarop christenen proberen conflicten op te lossen en beslissingen te nemen, door elkaar te ontmoeten, te discussiëren, te bidden en te luisteren naar stemmen en ervaringen, dit heet consultatie, die de hele diversiteit van de mensheid vertegenwoordigen. Maar niemand kan beweren dat het Concilie van Nicea precies zo’n proces was – er waren bijvoorbeeld geen vrouwen bij het concilie – maar de intentie was significant. In onze eigen tijd van diepe onenigheid tussen christenen zou een toewijding aan de Niceaanse methode van consultatieve besluitvorming een goed uitgangspunt zijn voor het onderzoeken van 1700 jaar van proberen naar elkaar te luisteren, zelfs als we vaak falen.
Ten derde, en het allerbelangrijkste, heeft het Concilie van Nicea natuurlijk de geloofsbelijdenis van Nicea voortgebracht, een beknopte verklaring van wat christenen geloven over God en de wereld en hoe dit het leven veranderd door duidelijk te spreken over de betekenis van dood, opstanding en hemelvaart van Jezus. Maar dee korte, duidelijke uitspraken in de geloofsbelijdenis werden hard bevochten en niet door iedereen geaccepteerd, toen of nu. Ze werden noodzakelijk toen mensen verschillende beschrijvingen probeerden op te stellen van wie Jezus is in relatie tot God, wat steeds duidelijker naar voren bracht hoe fundamenteel deze vraag is voor ons begrip van God, en dus ons begrip van ons eigen doel en bestemming. Sommigen suggereerden dat Jezus gewoon een uitzonderlijk begaafd mens was, begunstigd door God. Maar zo stelden anderen, de wereld is vol met grote profeten, van wie de meesten op zijn best lippendienst ontvangen, maar geen werkelijk verschil maken. Dus stelden andere mensen dat Jezus God was, gekleed in een vermomming maar niet echt, werkelijk, menselijk was Dat suggereert dat God zich niet echt kan verbinden aan de geschapen orde. De meest populaire suggestie in de vierde eeuw, naar voren gebracht door een geleerde leraar genaamd Arius, was dat Jezus iets ertussenin is, niet de eeuwige God, maar ook niet zomaar een mens. Maar dat is het ergste van alle werelden: we kunnen niet vertrouwen op wat Jezus ons laat zien over God of over mensen.
Zo probeerden al deze ‘oplossingen’ Gods transcendentie en anders-zijn te beschermen: God staat boven en buiten het geschapen bestaan en goddelijkheid kan of wil zichzelf niet bezoedelen met de aardse, historische levens die mensen leiden.
De radicale suggestie van de Geloofsbelijdenis van Nicea verwoordt het anders: zij probeert trouw te blijven aan het getuigenis van de Bijbel, dat Jezus werkelijk God is, die onder ons leeft, maar ook werkelijk een mens is, geboren in een bepaalde tijd en plaats in de geschiedenis en een echte, historische dood sterft. Jezus Christus als Zoon van God is absoluut gelijkwaardig aan en moet als even goddelijk geacht worden als de Vader. Aanduidingen als ‘het geloof van Nicea’ of ‘de belijdenis van de 318 vaderen’ werden in de praktijk gebruikt voor iedere formulering die erkende dat Jezus Christus ‘één van wezen met de Vader’ was.
Maar het leven blijft echter altijd sterker dan de leer. In het Westen heeft men de tekst nog op twee punten aangevuld. In de eerste plaats hebben de woorden ‘God uit God’ vanuit de oorspronkelijke formulering van Nicea 325 ook in de nieuwe tekst (die dus eigenlijk van Constantinopel 381 is) weer een plaats gekregen. Zo horen we dus in het Latijnse Credo: deum de deo, lumen de lumine, deo uerum de deo uero (God uit God, licht uit licht, ware God uit de ware God),
Deze aanvulling is eigenlijk puur stilistisch van aard, en herstelt de oorspronkelijke drieslag. In de de meest gebruikte Nederlandse tekst is deze aanvulling weer ongedaan gemaakt.
Een tweede aanvulling is ingrijpender: het ‘uitgaan’ van de Geest is op zeker moment in de vroege middeleeuwen niet alleen als ‘van de Vader’ maar ook als ‘van de Zoon’ opgevat. Het gaat hier om een uitbreiding van slechts één woord in het Latijn (filioque), maar deze aanvulling is officieel door de oosters-orthodoxe kerken afgekeurd en door de Rooms-Katholieke Kerk bekrachtigd. Niet alleen verschil van onderliggende theologische inzichten maar meer nog het eigenmachtig wijzigen van een bindende tekst houden sinds die tijd op dit punt de kerken van het Oosten en het Westen gescheiden.
En dat moet betekenen dat de Almachtige God niet denkt dat het Gods macht en majesteit in gevaar brengt om te komen en ons leven te delen. Maar het betekent ook dat de volledige leven gevende kracht van God niet alleen ‘buiten’ maar ‘binnen’ de wereld is.
Dus waarom is deze belijdenis nog steeds belangrijk? Vier simpele redenen:
1) Omdat het in principe om identiteit ging, en de vraag naar Christus’ identiteit is nog steeds belangrijk.
2) Omdat we nog steeds mensen zien die Jezus Christus als bovenmenselijk beschouwen – niet echt een van ons, of halfgoddelijk – niet God in dezelfde zin als God de Vader. Want als we werkelijk interkerkelijk willen zijn, over verschillende denominaties heen, maar ook door de tijd heen, moeten we bevestigen dat Gods Zoon en Geest echt van de ene God zijn. Al in de tweede eeuw karakteriseerde de eerste grote christelijke theoloog, Irenaeus, het Woord en de Geest als Gods twee handen; we kunnen ons voorstellen dat de Drie-eenheid zich eerst uitstrekt om ons te scheppen en ons vervolgens te omarmen met Gods verlossende liefde.
3) Omdat het betekent dat we naar Jezus kunnen kijken en daar een glimp kunnen opvangen van Gods eigen liefdevolle gezicht; niet alleen een vaag beeld, maar de realiteit zelf.
4) En omdat alleen God ons naar Gods eigen beeld kon herscheppen en ons tot nieuw leven kon verwekken.
Hoe kijken we terug op 2024 wat betreft het christendom, de christelijke kerk? Werden we verder in een hoek gedreven of was zoals sommigen zeggen ‘de verrassende wedergeboorte van het geloof in God?’
Want in de afgelopen jaren en in 2024 hebben we een stroom publieke figuren gezien die verschillende gradaties van interesse in het christendom aangaven, of zelfs voluit geloofden. Sommigen… zijn belijdende gelovigen (Francis Spufford, Nick Cave), sommigen hebben een beetje in de kerkportiek rondgehangen (Tom Holland, Philip Goff), anderen zitten nog steeds op een bankje in het voorportaal (Alain de Botton). En dan is er Ayaan Hirsi Ali (die meezingt vanaf de kerkbanken), Jordan Peterson (soms op de preekstoel, soms in het koor) en zelfs Richard Dawkins (die glimlacht bij de uitvoering van Stille Nacht door het koor terwijl hij voorbijloopt).
In de Verenigde Staten gebeurd iets vergelijkbaars. Maar dan ingewikkelder. De alliantie van het evangelicalen met Donald Trump is op zijn zachtst gezegd problematisch. (zie hiervoor het boek van Kristin Kobes Du Mez Jesus and John Wayne. How White Evangelicals Corrupted a Faith and Fractured a Nation).
J.D. Vance, aankomend vice-president, is een serieuze christen, die de reis heeft gemaakt van een evangelische kerkelijke opvoeding, via studentenatheïsme naar een conservatief rooms-katholicisme. Eerst noemde J.D. Vance zich een ‘never-Trumper’ en vond Trump ‘idioot’ en ‘schadelijk’. Vance ging zelfs zover dat hij zich afvroeg of Trump niet ‘de Hitler van Amerika’ zou zijn. Geleidelijk aan veranderden zijn opvattingen over Trump. J.D. Vance koesterde politieke ambities en moest een kamp kiezen. Uiteindelijk veranderde hij van een uitgesproken tegenstander in één van Trumps felste verdedigers in de Senaat.
J.D. Vance belichaamt waar een groot deel van de huidige generatie Republikeinen in gelooft. Hij komt uit de ‘vergeten’ blanke onderklasse, maar werkte zich omhoog op een manier die past in het klassieke verhaal van de American Dream.
Op lokaal niveau zijn er eveneens veel verhalen over mensen die kerken binnenstappen, op zoek naar een soort betekenis in het leven en zich opnieuw of voor het eerst bezighouden met het geloof. Soms is het de krachtige emotie van charismatische of pinksteraanbidding, soms de majesteit van de gebouwen, het mysterie van katholieke liturgie (Stephan Sanders, Willem Jan Otten, Kristien Hemmerechts) of de oosters orthodoxe liturgie die jongeren trekt.
Mijn mening hierover, voor zover het iets waard is, is dat de westerse cultuur tijdelijk of definitief geen kracht meer heeft. In de twintigste eeuw kwamen zowel het fascisme als het communisme op en gingen ten onder. Francis Fukuyama verklaarde het ‘einde van de geschiedenis’ in de triomf van het seculiere, liberale, consumentenkapitalisme. Maar ook die lijkt opgedroogd, en wordt steeds meer als spiritueel hol en politiek verdacht ervaren. De ‘wokecultuur’ was een poging om een reeks morele waarden te herstellen om de onaangename en onrechtvaardige effecten van de ongebreidelde markt in te dammen, maar de strijdbaarheid en agressiviteit ervan, de poging om aspecten van de natuurlijke orde te weerstaan, om nog maar te zwijgen van de aanname van een destructieve fixatie op een reductionistische identiteitspolitiek, heeft een eigen terugslag gegenereerd.
Nick Cave verwoordde het goed in een recent interview: ‘mensen hebben behoefte aan betekenis, en de seculiere wereld heeft die niet bedacht.’ De eeuwige menselijke zoektocht naar doel en betekenis is niet verdwenen, en er is niet veel te bieden in de seculiere cultuur. Dus staan mensen plotseling open voor het verkennen van meer oude voorraden wijsheid.
Misschien is de grootste ironie van alles dat juist op het moment dat we misschien de opkomst van een openheid voor het spirituele, het ‘numineuze’ (het goddelijke) en het religieuze zien, de kerk niet in staat lijkt te zijn om daarvan te profiteren.
Dus, wat zijn de vooruitzichten voor 2025? Aan het einde van zijn monumentale en steeds invloedrijker wordende werk The Master and his Emissary, maakt neurowetenschapper Iain McGilchrist (zelf geen christen) een veelzeggend punt: ‘De westerse kerk is naar mijn mening actief bezig geweest zichzelf te ondermijnen. Ze heeft niet langer het vertrouwen om vast te houden aan haar waarden, maar sluit zich in plaats daarvan aan bij het koor van stemmen dat materiële antwoorden toeschrijft aan spirituele problemen. God is het interessante aan religie, en mensen hongeren naar God. We kijken naar de kerk om ons een ervaring van God, mysterie, heiligheid en gebed te geven die, hoewel het misschien niet de tegenstellingen van de natuurlijke wereld oplost, ons in contact zal brengen met de bovennatuurlijke wereld die een eeuwig leven zal brengen. Alleen de terugkeer van sterke religie, een religie die eisen stelt, dwingende verklaringen biedt voor de problemen van dood en lijden, en gelovigen een gevoel van verbondenheid met de levende God geeft, heeft enige hoop om te concurreren op de postchristelijke markt.’
Nee, in 2024 is religie in het algemeen en het christendom in het bijzonder nooit ver van de voorpagina’s geweest, ten goede noch ten kwade.
God is niet weggegaan. En de Kerk zal, als ze het beste wil halen uit een periode waarin mensen in de problemen weer naar haar kijken, daar misschien aandacht aan moeten besteden.
De komst van Jezus maakt alle verschil! Want de drie-enige God is bezig onze verlangens naar verlossing te vervullen. Niet alleen straks, maar ook nu al. De God die zijn Zoon zalft met zijn Geest (Jesaja 61:1a) doet verrassende, grote en mooie dingen in het leven van gewone mensen. Dat is goed nieuws! Dat is evangelie! Het evangelie is niet maar een informatieve mededeling, maar een levensveranderende boodschap. Sommige berichten zetten ons leven totaal op de kop. Vaak zijn dat slechte berichten: over een ziekte, een sterfgeval, een tegenslag. Als God ons leven binnenkomt voert Hij geen slechtnieuwsgesprek met ons, maar een goednieuwsgesprek. Hij komt met prachtig nieuws dat transformerende kracht heeft in ons leven. Het is wel nieuws waar je op moet zitten te wachten. Als je denkt dat je je leven helemaal op orde hebt, alles in de hand hebt en de problemen die er nog zijn ook zelf wel aan kunt, dan zal dit goede nieuws niet landen. Het is goed nieuws voor ootmoedigen, verbrokenen van hart, gevangenen, gebondenen en treurenden (Matteüs. 5:3-6). Het is dus voor mensen die weten en ervaren dat we door de zonde Gods doel met ons leven missen en dat we daarom vergeving, genezing en bevrijding nodig hebben. Want: ‘Want iedereen heeft gezondigd en ontbeert de nabijheid van God’ (Romeinen 3:24). Alleen als je werkelijk weet dat je het met jezelf ‘niet goed getroffen hebt’, zul je het goede nieuws kunnen ontvangen.
We ontvangen in Gods Christus zelfs een nieuwe identiteit: ‘Terebinten van gerechtigheid’ (Jes. 61:3b)! We zijn niet langer ‘Treurwilgen van ongerechtigheid’ maar mogen tot eer van God en zijn heerlijke naam er helemaal zijn. Jezus kwam en Jezus is er om ons mooi te maken voor zijn Vader (Psalm 1:3 en 92 :13-14). We mogen bomen zijn, geplant door God, tot eer van God!
Maria speelt een heel bijzondere rol in de heilsgeschiedenis. In de Apostolische Geloofsbelijdenis wordt haar naam dan ook met ere genoemd: ‘geboren uit de maagd Maria’. Op cruciale momenten in het leven van Jezus zijn het steeds vrouwen die Hem erkennen: Maria de zus van Lazarus; de vrouwen op de opstandingsmorgen. Deze Maria is de ‘moeder Gods’. In de Bijbel vinden we meer roepingsverhalen: Abram, Mozes, Jeremia. God roept nu door Gabriël een jong meisje in een achteraf-stadje. Er klinkt een bijzondere groet: de hemel feliciteert Maria met haar aanstaande zwangerschap. God gaat grote dingen doen in een klein plaatsje, bijzondere dingen in een gewoon meisjesleven. De engel eert Maria als Gods begenadigde en wenst haar vreugde toe. Zij mag zich omringd weten door Gods Tegenwoordigheid. Maria schrikt ervan en ze vraagt zich verward af wat deze begroeting betekent. Ze overweegt de woorden, want Maria heeft wat met woorden (Lucas 1:29; 2:19; 2:51). Zo wordt Maria geroepen: God vraagt iets van haar waardoor haar leven totaal op z’n kop komt te staan. Hoe zou jij reageren? ‘Maria vraagt hoe dat wel kan, want Jozef is nog niet haar man.’ Ze heeft dus wel haar vragen, maar als ze het antwoord heeft gehoord (‘Het Koningskind dat jij verwacht, het is een wonder van Gods kracht’) geeft ze zich helemaal over. Heel anders dan eeuwen geleden Sara. Zij lacht als ze hoort dat ze moeder zal worden, want ze vindt het een bespottelijke gedachte. ‘Zou voor de Here iets te wonderlijk zijn?’ ‘Ja’, zegt Sara. Maria lacht niet. Zij lijkt op haar Heer die nog geboren moet worden: zo Zoon, zo moeder. ‘De Heer wil ik dienen!’ Zo leefde ook Jezus: ‘De Mensenzoon is gekomen om te dienen’ (Marcus 10:45). Dienen is je overgeven aan de wil van God. ‘Wie Mij dient zal door de Vader geëerd worden.’ (Johannes 12:26). Nee, dienen zit ons vaak niet in het bloed. Graag houden we ons leven zelf in de hand. Maar wie zich overgeeft aan God, laat zich leiden door de vraag: ‘Here, wat wilt U met mijn leven doen?’