Uncategorized


 

Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.
Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?
Johannes 6,66-67

De deur dichtslaan doen mensen die niet meer geloven, niet meer hopen.
Die gooien de deur dicht en gaan op z’n best naar het Museumplein of naar het Malieveld.
De vanzelfsprekende van het doorgeven van het geloof is,
zeker in een geseculariseerde maatschappij zoals de onze, verleden tijd.
Het geloof wordt, onder invloed van de verlichting,
tegenwoordig vooral gezien als een geheel van opvattingen
die sterk betwistbaar en bijzonder onwaarschijnlijk zijn,
in elk geval inferieur aan de wetenschap.
Tegelijk neemt de afkalving van religieuze praktijken
en van een hecht christelijk gemeenschapsleven dramatische proporties aan.
De moderne apologetiek
lijkt aan deze situatie niet echt iets te kunnen veranderen.
Integendeel, zij lijkt zelf onderdeel van de negatieve context en ontwikkeling.
Zij lijkt in elk geval, samen met het geloof, maatschappelijk irrelevant te worden.
Maar dat is paradoxaal genoeg ook het geval met het atheïsme,
dat eveneens in ongenade is gevallen.
We zijn collectief als het ware ‘voorbij geloof en ongeloof’:
ook al is vooral geloven helemaal not done.
Moeten gelovigen in deze situatie dan niet radicaal om gekeerde beweging maken
en terug (hun) geloof als vertrouwvolle manier van leven omarmen en verdiepen?
Eens startte de gemeente start klein. Werd zelfs vervolgd. Maar Jezus wint het tot in Rome.
Wat is dan de kracht?
Juist in deze tijd van Jezus’ schijnbare afwezigheid valt het op als iemand tot geloof komt.
Of op een andere manier wordt iemand onverwacht geraakt door Jezus.
Het gebeurt. Wat is dat een onvoorstelbare kracht. Dat komt echt uit het niets.
Efeze 1 vergelijkt het met de kracht van de opstanding van Jezus.
Je staat stomverbaasd te kijken. Jezus geeft het. God is er, Hij is betrouwbaar.

Wat dat betreft is deze tijd juist echt een heel hoopvolle tijd.
Je hebt in onze snelle cultuur een tegenbeweging van slow: bijvoorbeeld slowfood
In plaats van de snelle hap neem je de tijd voor je maaltijd.
Zo doet Jezus vandaag ook. Slow-believe;
dat leert Jezus ons.
Kijk in het detail van je leven. Merk jij dat Jezus er is?
In een situatie dat je zoveel ellende meemaakt,
merk je op: mensen staan echt om me heen. Ik word niet losgelaten.
Dan vergroot misschien ook de mogelijkheid van een eigentijdse reflectie.
Je wordt niet losgelaten

In de boeken van de profeten lijkt het heel normaal

dat ze de stem van God horen en vervolgens doen wat hun gezegd wordt.

Je kunt je afvragen:

sprak God alleen in die dagen tot mensen

en is dat op een gegeven moment opgehouden?

Of verkondigt een profeet zijn eigen visie en probeert hij die gezag te geven

door het een woord van God te noemen.

In de profetische boeken staat het duidelijk:

de profeet treedt op in naam van de Levende.

Ze zijn niet blij met die zending.

Voor alle profeten geldt dat ze met grote moeite en oprechte tegenzin het woord nemen.

Ze zijn niet uit op aanzien en erkenning, ze zijn niet voldaan over wat ze gezegd hebben,

ze gaan gebukt onder hun boodschap.

Ze worstelen met de grote vragen van het leven.

Vragen van lijden, pijn, onrecht en geweld.

Men roept het naar de Heer.

Waarom gebeurt dit Heer? Waarom handelt U zo, God?

Wat is hiervan de bedoeling?

Dit past toch niet bij U, die de Rechtvaardige en Liefdevolle bent?

Waar bent U, Heer? Het zijn grote vragen.

Geboren in verbijstering. Geboren in verdriet. Geboren in bewogenheid.

Bij mensen die getuige zijn van het kwaad.

Het maakt mensen boos. Soms bang. Of bezorgd.

Habakuk bijvoorbeeld roept het naar God.

En zegt dan: ‘Ik ga op mijn wachtpost staan.

Ik ga uitkijken naar het antwoord van de Heer.’

En hij kreeg antwoord. Een Godswoord.

‘Onrecht gaat te gronde, maar de rechtvaardige zal leven door zijn geloof.’

Is het een antwoord op onze vragen? Ja toch wel! Geloof betekent leven!

Dat is Gods reactie. Op bidders, smekers, klagers en huilers.

Daarmee worden de emoties niet gedempt.

Maar klinkt er tegelijk een ander geluid. Een andere stem. Een Godswoord.

Dat licht geeft in het donker.

De weg wijst in de verwarring.

Rust brengt in de worsteling.

Nee, nog steeds weten we niet waarom er zoveel onrecht en lijden is.

Nog steeds begrijpen we niet

waarom er zoveel pijn en spanning moet zijn.

Maar wel weten we: Gods recht zal zegevieren.

Jezus Christus nam het op zich. Hij bracht vrede, het herstel van Gods recht.

En ieder die gelooft, zal leven. LEVEN!

Van dit Godswoord staat de definitieve vervulling nog open.

Zeker als het gaat over de verwijdering van het kwaad.

Maar dit woord over later is een woord voor nu en hier.

Voor al Gods kinderen, die willen weten waar de Heer is.

Hoe God tegen de wereld aankijkt. Wat Hij gaat doen.

God opent de toekomst. In Jezus Christus.

In Hem ontvangen mensen het eeuwig leven.

Door zijn dood heeft Hij de vrede gebracht.

Die door de Geest over ons wordt afgekondigd:

Geloof betekent leven!

 

Iets bij die laatste Koningsdagviering schetste mij verbazing:

Na het gospelkoor dat God dankte en Happy Birthday zong,

wenste de burgemeester van Rotterdam

koning Willem-Alexander – ‘symbool van onze eenheid’ – en zijn familie een mooie, zonnige dag.

‘Want u bent onze majesteit, maar vandaag zijn we allemaal Kings & Queens’.

Dat laatste was precies het thema van koningsdag 2023 in Rotterdam.

Kinderkoor Zangexpress zong de koning toe:

‘Ja we vieren feest! Zing mee met ons lied. Wij zijn royalty. Wij zijn Kings & Queens.’

Hier staan we dus als samenleving:

‘Je bent een baas. Van je eigen koninkrijk. Doe je gouden kroon maar op.’

Neem het kinderen dan niet kwalijk als ze later aanwijzingen van een politieagent

niet meer verdragen, een verkeersregelaar uitschelden

of het betoog van een hoogleraar wegwuiven

omdat ze ‘een andere mening’ zijn toegedaan.

We zijn goden geworden, nadat we we God gedood hebben.

Friedrich Nietzsche schreef het in zijn De vrolijke wetenschap (1882):

Hebben jullie nog niet van die dolle mens gehoord, die op klaarlichte dag een lantaarn aanstak, de markt op liep en onophoudelijk riep: ‘Ik zoek God! Ik zoek God!’ Doordat er vele mensen samen stonden die niet in God geloofden, wekte dit groot gelach. ‘Is hij soms verloren gelopen gegaan?’ zei de ene. ‘Is hij verdwaald als een kind?’ vroeg de andere. ‘Of heeft hij zich verstopt? Is hij bang voor ons? Misschien is hij wel geëmigreerd?’ Zo schreeuwden ze door elkaar en vermaakten zich. De dolle man sprong midden tussen hen in en doorboorde hen met zijn blikken. ‘Waar God heen is?’ riep hij, ‘Ik zal het jullie eens zeggen! Wij hebben God vermoord, jullie en ik! Wij zijn allemaal zijn moordenaars!‘ […] Dwalen we niet als door een oneindig niets? Gaapt de holle ruimte ons niet aan? Is het niet kouder geworden? Komt de nacht niet voortdurend sneller en sneller? Moeten er ’s morgens geen lantaarns aangestoken worden? Horen we nog niets van het lawaai van de doodgravers, die God begraven? Ruiken we het goddelijk ontbindingsproces nog niet? Goden ontbinden ook! God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood!

Esther van Fenema schreef hier kortgeleden over in haar boek Het verlaten individu (2022):

‘Wij hebben onszelf tot God gemaakt, maar zijn niet bestand tegen die zelf ontworpen status’.

Ze richt haar pijlen dus op een maatschappij waarin het individu zich tot God heeft verklaard.

Het individu meet zich een vrijheid aan waaraan het zelf te gronde lijkt te gaan.

‘Onze menselijkheid is verkocht aan de hoogste bieder

en we zijn slechts nummers om het Beest te behagen.’ zijn haar woorden.

De problemen in onze samenleving stapelen zich op:

overprikkeling, verslavingen aan van alles en nog wat, depressies,

de graai- en bonuscultuur, grensoverschrijdend gedrag,

de affaires rond toeslagen en aardbevingsschade.

‘We voelen allemaal diep vanbinnen dat onze leefstijl niet strookt met de orde der dingen.

Het is het knagende schuldgevoel dat we ‘afgoden’ aanbidden in plaats van ‘God’,

zegt Van Fenema dan.

Maar wie die afgoden dan zijn? Wijzelf? De maatschappij?

‘Wie laat uiteindelijk wie in de steek?

Laat het individu de samenleving in de steek of is het juist andersom?’

Ze geeft er zelf geen direct antwoord op, maar het lijkt te wijzen op het individu.

Tenminste, als wij bestuurders en politici ook individuen mogen noemen.

Ze lijken soms de samenleving of het collectief te vertegenwoordigen,

maar ze krijgen er net zo van langs als de consumerende burger.

De ruimte – waar Nietzsche het al over had –

die de dood van God achterliet moet worden gevuld.

‘Want als de leegte waarin alleen God past, niet door God zelf gevuld

wordt, stroomt ze vol met rommel’, betoogde psychiater Jung al.

‘Vacuüm of leegte is de ultieme hoofdzonde van onze tijd omdat we de groep hebben losgelaten

en onszelf als middelpunt van het universum zijn gaan zien.

Het kreeg kreeg alle kansen om ons te ondermijnen omdat we kwetsbaar blijken als niemand ons beschermt.

We hebben opnieuw van de appel gegeten en riepen massaal dat goed en kwaad niet meer bestond

omdat we het als God immers zelf wilden bepalen. …

Vacuüm als onafwendbare eindtoestand wanneer verbinding
en betekenis vervliegt.

Wanneer verhoudingen en structuren verbleken.

Het rokende eindstadium als chaos en vernietiging hun werk hebben gedaan.
God creëerde de wereld vanuit de leegte en wij blijken het vermogen te hebben haar weer af te breken.

Gaan we als God ten onder of kunnen we nog samen een Ark bouwen

om de zondvloed te overleven?’ stelt Van Fenema dan.

Zo lijken de psychiaters dus de nieuwe profeten geworden.

Hun boodschap is niet altijd prettig,

maar worden alleen ten nadele van onszelf genegeerd.

 

Wij kunnen de tijd van de lege, stille kerken opvatten

als slechts een korte, voorbijgaande periode

die we alweer snel vergeten zijn.

Maar we kunnen die tijd ook als als een gelegenheid

‘de diepte in te gaan’,

en te zoeken naar een nieuwe identiteit voor het christendom

in een wereld die voor onze ogen radicaal verandert.

Onze god is een god van verrassingen.

Ja, misschien zullen sommige oppervlakkige christenen weg gaan.

Maar anderen zullen komen!

Mensen worden altijd geconfronteerd met zeer belangrijke vragen;

met lijden, met pijn, met de dood. En zitten met vragen.

Als christen zijn we bedoeld om ambassadeur te zijn van Gods koninkrijk.

Mensen die met de ogen van Jezus naar mensen leren kijken.

Zien wat Hij ziet en geraakt worden door wat Hem raakt:

de vermoeidheid, het opgejaagd zijn, de onvrede, de leegte,

de pijn, de angst van een leven zonder Herder.

En die het hart hebben, de moed, de vrijmoedigheid,

de kracht om in zulke situaties voor de ander iets van een herder te zijn.

Om in Jezus naam de macht van de boze te breken

en de vrede van God over de ander uit te spreken.

En zo in woorden en daden voor de ander een persoon,

een huis van vrede te zijn.

Als christenen zijn we niet op aarde om toerist te zijn

om maar wat rond te hangen, onze dingetjes te doen

waarin het vooral draait om wat goed voelt en fijn is.

Christenen zijn ook niet op aarde om kerkganger te zijn

onze dagelijkse godsdienstige dingetje te doen,

daar een goed gevoel aan over te houden

en te denken dat dat het is.

Christen bereiken hun bestemming ook niet

door noeste ijverige harde werkers te zijn thuis,

op het werk en in de kerk

en te denken dat we daarvoor gemaakt zijn,

voor verantwoordelijkheidsgevoel en plichtsbesef.

Jezus ziet de nood, de pijn, de moeite, het zoeken

van zoveel mensen die zonder herder leven.

Daar zijn uw buren bij, uw vrienden, uw klanten,

uw familie en de vraag galmt door de hemelse gewesten:

Wie zal ik zenden? Is de tijd gekomen dat u, dat jij opstaat en zegt:

zie hier ben ik Heer, zend mij! Heer, ik ben klaar met een leven als toerist.

En kerkganger zijn of noeste werker is niet genoeg.

Heer zend ook mij als uw ambassadeur.

Uitdeler te zijn van de oogst van genade en vrede,

heling en hoop voor wie u op mijn pad gaat brengen.

Zegen mij met nieuwe vrijmoedigheid met compassie,

met lef, met moed en met Geestkracht.

Om voor de ander een persoon van vrede, een herder te zijn.

Een ambassadeur te zijn van uw koninkrijk.

Het Pinksterfeest is het feest waarop Jezus de Geest van God uitgiet over al zijn leerlingen.
God had al lang geleden beloofd zijn volk de heilige Geest te geven.
Gelovigen zagen uit naar de komst van Gods Geest.
Nu, op de Pinksterdag, is het eindelijk zover.
God wil ons leven vernieuwen. Door Jezus. Door de Heilige Geest.
Wij mogen elke keer opnieuw beginnen.
Hier proef je weer Gods goede begin.
Daar zal gauw genoeg van allerlei kanten de klad in komen.
Het blijven mensen.
Mensen die neigen naar alles wat tegen God en tegen het mens zijn ingaat.
Maar toch:
Jezus zal ervoor zorgen dat er altijd en overal leerlingen van Hem zullen zijn die anders zijn.
Die wel weer laten zien hoe God de mens bedoeld heeft.
Die niet leven ten koste van zichzelf, hun medemens en Gods schepping.
Bij wie het leven juist ruimte krijgt en opbloeit.
Het leven voor de aarde en voor de mensen die daar op wonen.
Maar is dat geen toekomstmuziek?
Het is waar: de hemel op aarde is er nu nog niet.
Dat komt nog. Als Jezus terugkomt.
Maar in alles wat gebroken is wil God nu al iets daarvan laten zien.
De oude klanken van het paradijs waar alles goed was.
De nieuwe klanken van de nieuwe aarde.
Dat nieuwe leven wil God laten zien door jou en mij.
Als je naar Jezus gaat en je vraagt Hem om de Geest van God, dan gaat Hij je dat leren.
Dat is een prachtige taak.
God wil mensen gebruiken in zijn goede beheer van zijn schepping.
In zijn liefde voor de aarde en de mensen die daarop wonen.
Kom daarvoor elke dag bij God.
Laat Jezus Heer zijn over jouw leven.
Ontvang van Hem de Geest van God.
En als je die ontvangen hebt, laat Hem dan steeds jouw leven vullen.

‘Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren,
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee,
maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze Hem niet herkenden.’

Lucas 24,15-16

‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’
Dat zei Friedrich Nietzsche. Filosoof in de 19e eeuw en domineeszoon.
Want het evangelie is goed nieuws, tintelt van hoop.
Maar in hoeverre is dat ook te merken aan wie ik ben, de taal van mijn lichaam.
De sfeer die ik om me heen heb hangen.
Zien anderen die met mij leven en optrekken
in mijn leven van iedere dag iets van een blij en verlost mens?
Zou Nietzsche niet een punt hebben met deze uitspraak?
‘Als christenen leven vanuit de blijde boodschap,
dan zouden ze er wel eens wat verloster uit mogen zien.’

De twee wandelaars op de Emmausweg zien er in elk geval niet erg blij en verlost uit.
Je krijgt de indruk dat zij geestelijk gezien nu juist wel te pletter zijn geslagen
nu zij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Overspannen verwachtingen stukgelopen op de weerbarstige realiteit.

En dan is daar die derde in het gesprek.
Het is de opgestane Heer zelf die zich incognito bij deze wandelaars voegt.
Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Er zit iets genadigs, iets pastoraals in dit meegaan.
Jezus had hun gesprek ook abrupt kunnen afbreken.
Hij had hun wandeling tot stilstand kunnen brengen.
Maar dat is niet wat hij doet.
Terwijl zij zo met elkaar in gesprek waren
kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.
Hij loopt met hen mee de hele Emmausweg uit. Zo lang als dat nodig is.

Hij voegt zich naar het proces dat in hen gaande is.
Hij luistert, stelt af en toe een vraag en luistert opnieuw.
Nee, het klinkt bij hen allemaal niet zo blij, niet zo verlost.
Maar het weerhoudt de Heer er niet van bij hen te zijn.
Al luisterend en vragend brengt Jezus deze twee bij hun verdriet, hun verwondheid.
En ook ons als wij van God niets anders ervaren dan zijn doordringende afwezigheid.
Toen kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee.

Ja, Nietzsche heeft volkomen gelijk.
‘Als christenen zo echt léven vanuit de blijde boodschap,
zouden we er samen een stuk verloster uit zien.’
Niet als mensen met een Messiascomplex
die zichzelf en elkaar voortdurend overroepen en overvragen.
Maar als imperfecte mensen die weten dat we aanvaard zijn.
Aanvaard inclusief onze schaduwkanten, ons tekortschieten, onze schuld en onze schaamte.
Dat hij vertrouwd is met al mijn wegen, zelfs met verkeerde afslagen,
dwaalwegen, zijsporen en doodlopende stukken.
Dat lang voordat ik hem zien, herken en lief heb, Hij mij ziet, kent en liefheeft.

Terwijl Hij hen zegende ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.

Lucas 24 vers 51

Die hemel is niet hoger dan de blauwe luchten, maar dichterbij dan we ooit hadden vermoed.
De hemel is niet een wereld op zichzelf die niets met de aardse werkelijkheid te maken zou hebben.

Op tal van momenten blijkt de hemel juist sterk betrokken te zijn op wat er op aarde gebeurt.

Iemand noemde de hemel eens de achterkant van onze werkelijkheid.
Er zitten zogezegd niet meer dan enkele schuifdeuren tussen.
In de achterkant van onze werkelijkheid is de Heer dus zeer nabij, voelt hij ons hart kloppen.
Hoort hij ons zuchten van verdriet of van opluchting.
Bij ons leven betrokken, bij dat van ons allen heel persoonlijk.
En bij dat van zijn gemeente als zijn lichaam.
En dat van de hele aardse werkelijkheid..
Vandaar uit doet hij niets liever dan zegenen….

Dat betekent:
Tot bloei brengen, laten uitgroeien, tot zijn recht laten komen, tot haar bestemming brengen.
Daar is Hij is onafgebroken mee bezig.
Ons te vormen en te kneden, te schuren en te polijsten, ieder van ons afzonderlijk.
Als mensen waar Hij voor is gestorven.
En ons samen als zijn gemeente, Zijn lichaam op aarde.
Lukas had met deze woorden zijn evangelie wel kunnen besluiten.

Terwijl Hij hen zegende, ging hij van hen heen en werd opgenomen in de hemel.
Maar hier stopt het verhaal niet. Hiermee is het verhaal niet af.
Het verhaal gaat verder.
Over leerlingen die Jezus hulde brengen.
Hem gehoorzamen en terugkeren naar de stad en daarin grote vreugde vinden.
En dan zijn de allerlaatste woorden die Lukas noteert:
Zij loofden en zegenden God.
En zo zet het verhaal van Jezus zich eigenlijk voort.
In en door de mensen die hem zijn toegewijd.
Hem loven en prijzen, eren en dienen en zijn zegen verspreiden.
En overal waar zij zo leven raakt de hemel even de aarde.

Toen zeiden ze:
‘Laten we een stad gaan bouwen met een toren die tot in de hemel komt.
Dan worden we heel beroemd.
En als we in die stad blijven, raken we niet over de hele aarde verspreid.’

Genesis 11,4

De mensen in Babel bouwen voor zichzelf een toren bouwen.
Ze willen voor zichzelf een naam maken.
Ze willen het allemaal zelf voor het zeggen hebben, ze dulden niemand boven zich.
Zien we het vandaag niet om ons heen?
Dat mensen, wijzelf, God naar de kroon willen steken.
Wanen onszelf God. We denken Hem niet nodig te hebben.
Wetenschappelijk aantonen dat God niet bestaat.
Zekerheden voor onszelf bouwen?

Zo willen mensen – in Babel en ook nu – zich een naam verwerven. Dat ze niet vergeten worden.
Ze willen zichzelf verheffen. Opklimmen naar boven. Kapitaal, carrière.
Misschien zelfs wel op godsdienstig terrein door ernstig en vroom te leven.

Ze willen zelf bepalen wat ze willen worden.
Zo bouwen ze aan hun eigen torentje.
Ik als middelpunt van de aarde.

Toen de geleerde Blaise Pascal was overleden
werd ergens in de voering van zijn jas een stukje perkament gevonden.
Daarop stonden een paar losse woorden,
halve zinnen waarmee Pascal kennelijk een ervaring wilde beschrijven en vastleggen.
De meest intieme ervaring die hem was overkomen, een ontmoeting met God.
Op het papiertje stond met grote letters: VUUR!
En daaronder: God van Abraham, God van Izaäk, God van Jakob.
Niet van filosofen niet van geleerden.
Zekerheid, zekerheid, gevoel, vreugde,
vrede van God en Jezus Christus, Uw God zal mijn God zijn.

Zekerheid, zekerheid, dat schreef Pascal op dat kleine stukje perkament.
Hij had kunnen kiezen voor het woordje:
securité, wij kennen dat van het Engelse woordje security.
Het is een soort van zekerheid zonder enig risico de zekerheid die volledige controle wil hebben.

Dat is de soort zekerheid van de polis van veiligheidsdiensten en verzekeringsmaatschappijen.
Van de hoogste gebouwen van onze steden zeg maar.

Maar als Pascal schrijft: zekerheid, zekerheid,
dan gebruikt hij heel bewust een ander woordje:
certitudo. We kennen het van het Engelse certain.
Dat is een ander soort van zekerheid, een zekerheid die durft te leven met onzekerheid.
Een zekerheid die uit uithoudt te midden van vragen.
En dat is wat Pascal vond in God.
Niet een alles dekkende verzekering zonder eigen risico.
Wel de zekerheid dat Hij er is en was en altijd zal zijn.

De God die afdaalt en mij en jou wegroept uit onze zelfgebouwde schijnzekerheden.
Een God die afdaalt en mij en jou roept.
Om in plaats van altijd maar te klimmen, ook zelf te leren af te dalen.
Een God van onderweg die mij en jou uitnodigt om niet te verzanden,
te blijven steken in vrome idealen en goede voornemens.
Maar echt stappen te zetten on de richting van het goede leven.
Leven met God is één groot avontuur.
Als je Jezus volgt geef je het heft uit handen.
Leven met God is één avontuur, soms hachelijk, soms spannend,
maar altijd uitdagend.
Want waar Hij je ook brengt, Hij is er altijd bij.

Met deze God heeft Pascal het gewaagd.
Met deze God is ook Abram onderweg gebleven.
Met deze God komen ook jij en ik nooit beschaamd uit.

 

Hij moet groter worden, en ik kleiner.

Johannes 3,30

Ik ken in de hele Bijbel bijna geen boeiender figuur dan Johannes de Doper.
U weet, hij gaat voor Jezus uit, om in zijn tijd
om de mensen voor te bereiden op de komst van Jezus.
En hij doet dat met een ongekende impact.
Met zijn radicale levensstijl en krachtige prediking beroert hij het hart van vele duizenden.
Zelfs de politieke en geestelijke leiders zijn onder de indruk.
En ook Jezus zegt dat hij niemand kent die groter is dan juist deze Johannes de Doper.
Johannes is een sterk leiderstype met veel charisma en zeggingskracht.
Hij zorgt hij voor een enorme volksbeweging, een revival.
En zo’n succes zou bij menigeen naar het hoofd stijgen.
Maar niet bij Johannes de Doper.
Hij verliest hij zijn rol, zijn roeping nooit uit het oog.
Hij blijft met beide benen op de grond blijft staan en is opvallend nederig, bescheiden.
Hij noemt zichzelf een stem die roept in de woestijn.
Als hij over Jezus spreekt zegt hij consequent: die groter is dan ik.
En, zegt hij erbij: wie ik niet waard ben zijn sandalen los te maken.
Johannes is nooit voor zichzelf begonnen.
Hij heeft altijd beseft dat het in het leven niet om hemzelf draaide.
Hij wist zich altijd deel van een groter geheel
en speelde in het bedrijf van het koninkrijk van God.
Met hart en ziel die ene rol die hem was toebedeeld.
Tot het moment dat de hoofdakte begint en de hoofdrolspeler, de echte ster het toneel betreedt.
En Johannes weet dat hij een stapje terug mag toen.
Die hele beweging van minder van mij en meer van Hem
heeft Johannes keer op keer zichtbaar gemaakt in het dopen.
De een na de ander dompelt hij compleet onder
om hem of haar daarna uit het water te laten verrijzen.
Zo mag ik oude denkbeelden en levenspatronen loslaten
en een nieuwe levensstijl inoefenen en aantrekken.
Een nieuw bestaan waarin het minder draait om mijn grote ik
en ik steeds meer toekom aan datgene waar ik voor ben bestemd:
God in het middelpunt van mijn leven plaatsen en de ander uitnemender te achten dan mijzelf.

 

In en artikeltje in een krant met als titel ‘Wat geloven de Oranjes precies?’

waar het gaat over het geloof van de huidige koninklijke familie

doet historicus Bouwman een – vind ik – opmerkelijke uitspraak:

Hij stelt dat het voor het koningshuis vooral ‘van het grootste belang is’

dat er nu geen gedoe ontstaat over het geloof.

‘Vergeet niet, het protestantisme is bezig een kleine minderheid te worden in Nederland.

Het is van belang dat men zich daar niet te sterk mee associeert;

met geen enkele minderheid en zeker niet met een religieuze.

Dat blijft gevoelig liggen.’

 

Waarom ik dit opmerkelijk vind:

Toen in de zestiende eeuw het calvinisme opkwam in Nederland,

bleek stadhouder Willem van Oranje (1533 – 1584) al snel een beschermer van het protestantisme.

In zijn jeugd had Willem, die later als stadhouder de bijnaam Willem de Zwijger kreeg,

een protestantse opvoeding gekregen.

Opvallend, want het protestantisme was toen nog gloednieuw en een minderheid.

Slechts een paar procent van de bevolking (3 – 5%) was een aanhanger van een deze nieuwe religie.

Veel van Willem van Oranjes gedragingen en uitingen na 1573

duiden erop dat Willem van Oranje zich niet als een rasechte lidmaat

van de ‘calvinistische’ kerk heeft gedragen.

Sterker nog, dankzij Willem van Oranje zou ‘de calvinistische kerk’ geen staatskerk worden.

Kerk en staat waren in die dagen niet te scheiden,

maar toch is het Willem van Oranje gelukt om de Staat niet te laten samenvallen

met een honderd procent Gereformeerde (calvinistische) religie.

Dat werd Willem van Oranje al bij zijn leven kwalijk genomen.

Van Willem van Oranje is bekend dat hij zich verre hield van theologische disputen.

Waar het Willem van Oranje om ging, was een tolerante maatschappij zonder geloofsbeperkingen.

Net zoals een protestant (Lutheraan, calvinist),

moest ook een katholiek in alle vrijheid kunnen leven.

Het leverde Willem van Oranje heel wat conflicten op,

eerst met de Katholieke Plakkaten gericht tegen de ‘Nieuwe Religie(s)’,

later met vooral de calvinisten die zich ook weer weinig tolerant zouden opstellen tegenover de Katholieken.

Kortom, kun je dan zeggen Willem van Oranje een calvinist was. Dat ligt wat genuanceerd:

Van Oranje was er vooral van overtuigd dat de heerschappij van het katholicisme,

zoals geëist door Filips II, niet wenselijk was

en dat religieuze minderheden ook een (vol-)waardige plaats moesten krijgen.

Dus dat Bouwman stelt dat de huidige koninklijke familie

zich niet moeten committeren aan één minderheid

lijkt in lijn te liggen met hoe de voorvader Willem van Oranje zich in het verleden opstelde.

Willem van Oranje was een meester in het tussen de klippen doorvaren,

en dat vooral op godsdienstig gebied!

« Vorige paginaVolgende pagina »