Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden betekende dat ook voor kerken dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort. Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid om elkaar online te ontmoeten. En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen – door veel mensen worden beluisterd en bekeken. Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten. Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen niet worden gehaald.
De groep mensen die nu wegblijft, heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen. Ik noem er een paar: ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen; ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven; ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit; ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben; ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is. Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven. Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online vanuit de luie stoel te volgen. Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat de terugloop van het aantal kerkgangers door de coronacrisis nog sneller zal gaan.
Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’ met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan. Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord); om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping); om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht); om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag); om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven); om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).
Zijn deze argumenten nog valide of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken? Ja, hoe moet dit nu verder? Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht voor de geloofsgemeenschap? Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’? Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken? Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd verder over na te denken en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen. Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!
Ten tijde van de coronacrisis wordt de kerk en de dominee als voorganger geconfronteerd met het feit dat veel kerken en predikanten jarenlang als de grote roze olifant in de kamer hebben proberen te vermijden. En dat is het feit dat er in de samenleving de laatste vijftig jaar een verschuiving heeft plaatsgevonden van woord- naar beeldcultuur. Juist doordat kerkdiensten noodgedwongen door de coronamaatregelen mensen in de oude zin van het woord niet bij elkaar konden komen werd deze verschuiving heel zichtbaar. Massaal werd er een begin gemaakt om ‘kerkdiensten’ in geluid én beeld uit te zenden via de media. Gevolg was dat voorgangers zich iets eigen moesten maken waarvoor ze eigenlijk nooit goed opgeleid zijn. Voorgangers moesten ineens rekening houden met een camera die hen het wereldwijde web opslingeren. Kon je in de voor-coronatijd nog proberen de kerk en de diensten in de kerk als een soort tegencultuur tegenover de heersende beeldcultuur neer te zetten, nu ben je zelf onderdeel geworden van die beeldcultuur. De cultuur van sound-bites en kort-en-bondigzijn is bijna een vereiste geworden voor de prediking. Niet meer ellenlang uitweiden of allerlei bij en omwegen bewandelen, maar binnen een korte tijd tot de kern komen is het devies. Nu ik dit schrijf lijkt het een open deur, maar veel voorgangers – waaronder ikzelf – maken ons aan bovenstaande zaken nogal eens schuldig. Wat ik merk is dat het voorbereiden van preken mij meer tijd kost: ‘tuurlijk weet ik waar de preek over moet gaan, maar de vraag waar ik meer aan tijd besteed is ‘hoe zeg ik het’. Drie dingen die ik meer toepas zijn: 1) ik heb het in de preek meer over mijzelf. Ik merk dat mensen op zoek naar herkenning. Gelukkig heb een goed voorbeeld namelijk de apostel Paulus: ‘Toen ik in uw stad rondliep’(Hnd 17,23) tot ‘Volg mij na’ (Fil. 3,17). 2) Nog meer dan ik al deed probeer ik een beeld te vinden uit het dagelijks leven, waarin men zich kan herkennen. 3) de ‘hoevraag’ wordt belangrijk. Ik deed dat sowieso tijdens mijn preken, maar ik merk dat dat de vraag ‘hoe krijgt deze boodschap handen en voeten in mijn leven?’. De bewuste beantwoording van deze vraag maakt dat de verkondiging eerder en beter bij mensen landt.
Overall zou je kunnen zeggen het de kunst is om te weten wat je wil zeggen en dat vervolgens met kracht en eenvoud te doen. Nogmaals moet ik opmerken dat dit open deuren lijken, maar dat deze vaardigheid de meeste voorgangers niet is aangeleerd en die zeker in de beeldcultuur waarin we ons nu moeten bewegen zich moeten aanleren.
De coronacrisis zet het leven van en in de kerk behoorlijk op z’n kop. Dat lijkt me het understatement van dit jaar. ‘Traditionele’ kerkdiensten waarin een ongelimiteerd aantal mensen samen konden komen, die lekker uit volle borst mee konden zingen en na de dienst heerlijk met elkaar onder het genot van iets te drinken na konden keuvelen zijn sinds eind maart voor langere tijd van de baan. In veel kerken zijn de online-diensten met beeld en geluid een zoektocht met allerlei experimenten begonnen. Het zijn eigenlijk stuk voor stuk missionaire (noem het ‘evangeliserende’) diensten geworden omdat de meeste diensten laagdrempelig voor een ieder te volgen zijn. Ook de voorgangers moeten zichzelf opnieuw uitvinden. Ze moeten zich vaardigheden aanleren die zij in de meeste gevallen nooit geleerd hebben. Daarover wil ik in een later stadium iets schrijven.
In de voor-corona-periode werd er al heel veel gepionierd (geëxperimenteerd) ook binnen ‘gewone’ gemeenten. Op allerlei manieren richtten kerken zich naar buiten. Er gebeurden daarbij veel mooie dingen. Een van de vragen die daarbij ook in beeld komt is of wij in deze tijd ook ‘zieltjes mogen winnen’? De laatste tijd – ook voor de corona – was er het idee ontstaan dat ‘zieltjes winnen’ hoort daar voor velen niet meer bij. Dat was volgens velen iets van voorbije tijden. Deze vraag komt ook naar boven bij de onlinediensten in de coronatijd.
Nu zijn er zeker goede redenen om op dit punt kritisch naar het verleden te kijken, maar zou dat laatste echt zo zijn? Of zou de meest wezenlijke missionaire dienst van de kerk misschien toch kunnen liggen in het in contact brengen van mensen met Jezus Christus? Zouden ‘zieltjes’ juist in verbondenheid met Hem niet kunnen uitgroeien tot florerende ‘zielen’?
Die vraag komt natuurlijk direct als een boemerang terug bij de gemeente en ook bij mijzelf: ben ik meer mens geworden door mijn geloof en mijn betrokkenheid bij de kerk? Dat kan een confronterende vraag zijn, maar het is goed als we deze in de gemeente elkaar toch durven te stellen. Want als de gemeente me (onverhoopt) eigenlijk niet helpt in mijn mens-zijn (menswording!), dan is er ook weinig reden anderen uit te nodigen te kiezen voor Jezus Christus. Want dan ‘bekeer’ je je tot meer van hetzelfde. Maar als daadwerkelijk blijkt dat die keuze tot ‘meer dan het gewone’ leidt, dan ontstaat er een basis om ook niet-gelovigen uit te dagen hun kaarten op Jezus Christus te zetten.
Het gaat hier om een heel belangrijke zaak. Wat is de plek van het christelijk geloof op de markt van welzijn en geluk? Is het een kraampje als willekeurig elk ander kraampje met ongeveer dezelfde spullen? Of kun je daar iets krijgen wat nergens anders wordt aangeboden? Laat ik een voorbeeld geven uit het nabije verleden. De campagne #doeslief die door SIRE werd geïnitieerd: je werd opgeroepen om in deze tijd van algemene verharding oog te hebben voor de behoeftes van de ander. Ook christenen worden vanuit de Bijbel opgeroepen om ‘lief te hebben’ en ‘goed te doen’? Is dat werkelijk anders dan de #doeslief-campagne? Ik denk dat wij vanuit onze christelijke gemeenschap werkelijke langdurige aandacht en steun kunnen bieden aan de ander. Dit maakt volgens mij het verschil maakte met andere soorten van liefdadigheid. Mensen moeten het kunnen ervaren, beleven. De liefdadigheid of christelijk gesproken ‘diakonia’ van de christelijke gemeente droeg al in het verleden werkelijk bij aan de verspreiding van het christendom. Ik kan me voorstellen dat niet iedereen gecharmeerd is van dit soort markttaal, maar hoe dan ook zullen we in de gemeente ons over deze vragen moeten buigen.
Want de stap om in deze tijd christen te worden, lijkt steeds groter te worden. Dat heeft te maken met de vaak grote afstand van mensen tot de wereld van het christelijk geloof en helaas ook met het negatieve beeld dat velen van kerk en geloof hebben. We leven immers in een tijd van beleving, van willen ervaren. Willen mensen iets gaan zien in het christelijk geloof, dan moeten ze de waarde daarvan kunnen proeven, kunnen beleven. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bekeringen vaak via relaties verlopen. Iemand proeft iets van het geloof van de ander, wordt nieuwsgierig, gaat op onderzoek uit en besluit christen te worden. Een jonge vrouw die door haar contact met christenen tot geloof was gekomen vertelde: ‘Ik moest tot mijn eigen verwondering erachter komen dat ik een godsgeloof heb ontwikkeld. Daar heb ik lang mee geworsteld. Ik heb er eindelijk maar aan toegegeven. Ik heb mijn hele leven herzien. Dat is heel helend geweest. Mijn leven is behoorlijk op z’n kop gekomen. Ik doe niet meer zo moeilijk over dat je grootse dingen wilt bereiken.’ Ook zij moest ‘wennen’ aan het idee dat er in haar leven echt een knop was omgegaan. Nog steeds ontdekken in ons land mensen de kracht en de schoonheid van het christelijk geloof. ‘Zieltjes winnen’, het gebeurd nog steeds. Door relaties, door ‘goed doen’ door zoveel andere zaken. Laten we elkaar niet aanpraten dat de tijd van ‘zieltjes winnen’ achter ons ligt. Nee, het is niet de zeepkist die daarvoor moet worden bestegen, maar eerder de aloude manier van werkelijk aandacht en hulp geven aan je naasten. Zou het kunnen zijn dat we – vertrouwd als we vaak zijn met de kerk en de christelijke traditie – dat helemaal niet meer zo scherp zien? Gelukkig de gemeente die ‘bekeerlingen’ in haar midden heeft.
In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum. Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste
We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten? Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.
In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden. Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.
In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is.
Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.
Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.
De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade. De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.
De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen. Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.
De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.
Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld. Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”
(Na twintig afleveringen van ‘meditaties in tijden van corona’ heb ik besloten dat dit de voorlopig laatste meditatie is in deze reeks. Niet dat ik ophoud met bloggen, maar er zijn ook nog andere vormen en onderwerpen die aandacht verdienen. Ik hoop van harte dat veel mensen iets gehad hebben aan de meditaties en dat onze Here God mag werken via deze woorden.)
Verwondering, verrassing dat God die zo verheven is, tegelijk zo nabij kan zijn, zo betrokken op ons, op mij. Zo nabij dat ik voor hem een woning kan zijn. Deze psalm gaat over Gods grootheid én nabijheid. Over een God die ver is én tegelijk nabij. Maar liefst zeventien keer staat in dit lied het Hebreeuwse woordje kol: heel, al, alles. Vers na vers benadrukt dit lied dat God goed is voor alles en voor allen. Voor heel zijn schepping en al zijn schepselen. Voor alle geslachten en in alles wat hij doet.
En deze God die het geheel overziet en draagt is tegelijk betrokken op de enkeling, die ene mens. Die gevallen is, die gebukt gaat, die honger heeft, die hem aanroept. Ja onder miljoenen, heeft hij ook mij op het oog. En andersom: de ogen van allen wachten op U (vers 15a) Want voor velen was het geen makkelijke tijd. Een aantal weken geen kinderen of kleinkinderen zien. Zorgen over het werk. De angst om ziek te worden. Degenen die ziek geworden zijn en daar nog lang niet van zijn hersteld. De vraag hoe lang we nog in deze situatie zitten en wanneer het weer normaal wordt. Ogen die wachten. Dat zeggen we niet zo snel. Het gaat om het wachten op de Heer. Daar gaat vers 16 verder op in: Gij doet uw hand open en verzadigt al wat leeft naar uw welbehagen God opent zijn handen door mensen die hun handen openen. In een Joods midrasj – uitleg – wordt dit vers 16 daarom als volgt vertaalt: Hij verzadigt al wat leeft met wil. Hij verzadigt al wat leeft met wil…. En de uitleg van de rabbijnen hierbij is dan: aan ieder mens die voor God openstaat geeft God het verlangen om de dingen te willen die bij God horen. En zo kan God hen dan ook gaan geven wat ze willen. Zo lezen zij ook vers 19 waar in onze vertaling staat: Hij vervult het verlangen van wie hem eren. De Joodse uitleg van dit vers is: de wil van die hem vrezen vormt hij. In deze psalm wordt bezongen hoe de schepselen beseffen dat zij het voedsel uit Gods hand ontvangen. Zoals een jonge vogel wacht op het eten dat vader of moeder vogel komt brengen. Zo kijkt de gelovige uit naar de Vaderlijke zorg van onze Schepper. Jezus Christus zegt in Johannes 15: wat je de vader in mijn naam vraagt zal hij je geven. Het is kennelijk mogelijk om zo te groeien in je omgang met God, zo gekneed en gevormd te worden en met Hem één van geest te zijn, dat je steeds beter aanvoelt hoe God de dingen ziet en waar Hij aan het werk is of aan het werk wil gaan. En dat je eigen denken en doen en met name ook je gebedsleven steeds meer in lijn komt met de wil van de Vader. Wachtende ogen: Ogen die vol verlangen uitkijken. Ogen die willen zien wat God doet. Die daar niet aan voorbij willen kijken, maar willen zien dat die zorg er inderdaad is. Wachten is in de Bijbel nooit afwachten. Maar wel het besef dat alles wat we hebben van de Heer komt. Gegeven wordt door God. En dat Hij zal geven wat we nodig hebben. De ogen van allen wachten op de Heer, totdat Hij geeft. Niet uit onzekerheid, maar uit geloof dat God zal geven. Als mens zijn we altijd in alles van de Heere afhankelijk. Nu in deze tijd beseffen we des te meer dat we van Hem afhankelijk zijn. We kunnen niet anders dan ons leven in Zijn hand leggen. We kunnen niet anders dan met onze ogen ‘wachten’. Dat betekent niet niets doen. Dat betekent actief zijn. In het zoeken van de Heer. In het zien hoe God ook in een moeilijke tijd doorhelpt. In het ervaren dat God kracht geeft om bezig te zijn. Wijsheid geeft om beslissingen te nemen. Dat kunnen wij niet uit onszelf. De Heer geeft dat. Daarom wachten we op Hem.
Ja, we moeten het horen. We moeten het tot ons door laten dringen. We moeten het laten weerklinken in ons leven. Jezus wil dat. Hij roept het uit. Voor God was dat niet nodig. God hoort ook de stille schreeuw van ons hart. Hij leest de pijn in onze ogen. Niemand hoeft voor God te roepen: mijn God, waarom? Ook Jezus hoefde dat voor God niet. Hij deed het voor ons. Wij moeten horen. Wij moeten iets leren beseffen. Jezus schreeuwt een vraag uit: Waarom mij? En het is zo’n ‘waarom’ vol verbijstering. Zo’n ‘waarom’ dat het heeft opgegeven nog te willen begrijpen, maar dat eindeloos diepe pijn stem geeft. Jezus hangt daar niet voor zichzelf. Hij hangt daar voor ons allen. Hij is het hoofd van alle dingen. Van alle mensen en de hele schepping. En Jezus zegt niet: ik ben alleen. Hij zegt: u hebt mij verlaten. En God verlaat hier dus niet alleen Jezus. Maar in hem verlaat God hier alles en iedereen. En het hele gewicht daarvan, dat voelt alleen deze ene man. En als God gaat, dan gaat het licht uit. En wat overblijft is een godverlaten, godvergeten wereld. Je kunt zeggen: dit is de hel. Jezus ervaart hier iets wat niemand zo ervaren heeft. Deze schreeuw van Jezus aan het kruis. Het is ook de schreeuw van de schepping. Jezus schreeuwt hier niet alleen voor en namens de mensen. Hij schreeuwt namens de hele schepping. Waar nu alle licht is gedoofd, en geen vogel meer zingt. Deze Godverlaten wereld waar de machten van de duisternis. De woestheid en ledigheid van voor het begin weer vrij spel heeft. Die schepping die zo deelt in de gevolgen van de zonde. Die is hier begrepen in deze schreeuw. Alles schreeuwt hier mee. Jezus schreeuw neemt alle schreeuwen in zich op. Voor alle machteloosheid, alle onrecht, al het verdriet dat ons mensen kan overkomen. Door andere mensen aangedaan, of je overkomen door deze kapotte wereld. Ziekte, depressie, gebrokenheid in je relatie, of in de relatie met je kinderen, met je ouders, met vrienden. Een ongeluk, of verdriet omdat niet lukt wat je wilt bereiken, werkeloosheid en lichamelijk ongemak. Soms praten wij mensen dan niet meer met God. Begrijpen we er soms helemaal niks meer van. Maar Jezus daalt in die diepste, donkerste momenten af. Begrijpt ons hierin beter dan wij onszelf begrijpen en neemt ons zwijgen en ons schreeuwen en alles er tussen in op in deze ene hartverscheurende schreeuw. En is zo echt Immanuel, God mét ons!! Jezus sterft te midden van zijn vragen. Binnen zijn aardse leven is hij niet verhoord. Er is een nare, wrede, niets ontziende dood. Er is geen uitkomst, geen verhoring. Daarmee deelt Jezus in al die pijn van onverhoorde gebeden, van lijden zonder zin.
Dan is er die tweede schreeuw en sterft Jezus daar aan het kruis. Je zou misschien verwachten dat het dan nog donkerder wordt. Maar nee, Als Jezus sterft, wordt het juist weer licht. Jezus neemt in zijn dood alles mee en alles weg. Dood, duisternis, vloek, oordeel, kloof, breuk. Matteüs schrijft: Nog eens schreeuwde Jezus het uit. Toen gaf hij de Geest. Dat doet hij echt actief, als een eigen keuze. De geest geven. Jezus schreeuwt het nog eens krachtig uit. In deze schreeuw klinkt er naast al het andere ook iets mee van overwinning. Want juist als Jezus met deze laatste schreeuw sterft begint het weer licht te worden. Voor mensen zoals wij is Jezus hier deze duisternis door gegaan. Voor ongevoelige en dubbelzinnige types als wij is deze eindeloos gevoelige en eenvoudige mens verscheurd door pijn en verdriet. De God die met ons een leven lang geduld heeft, die ons de tijd geeft om tot bezinning te komen en naar Hem terug te keren, is bij zijn eigen Zoon huiveringwekkend consequent, voor ons, in onze plaats: Jezus wordt genegeerd en in de steek gelaten. En in Jezus’ naam komt nu ons leven lang Gods roep tot ons: keer om, kom terug, hier ben ik, hier ben ik! Waar wij ook in verzeild raken, in Jezus naam blijft voor ons nu die stem van God, die van het Evangelie: hier ben ik, ik hoor je, ik ben bij je, we gaan er uitkomen. ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?’ En er komt geen antwoord. God lost het raadsel van het kwaad niet op, maar draagt het voor ons weg. Onbegrijpelijk. Het wonder van liefde die zin schept en nieuwe betekenis in het leven roept. Nooit heeft iemand ons zó liefgehad als de God die zijn eniggeboren Zoon gegéven heeft om te ondergaan wat wij moesten ondergaan en om zo iedereen die in Hem gelooft eeuwig leven te geven. Nooit zullen we deze liefde begrijpen. Er gaat er bij God een deur open. Voor jou, voor mij en voor alle mensen.
Bergen en heuvels zijn ook in de Bijbel toonbeeld van vastheid.
Bomen kunnen door de wind ontworteld worden, huizen kunnen door vuur verbranden, steden door een oorlog worden verwoest, maar bergen, die staan vast en wankelen niet. Bergen zijn indrukwekkend. Ze zijn er altijd.
Dat bergen wijken, kun je je gewoon niet voorstellen. Misschien alleen wanneer er een aardbeving komt.
Hier in de profetie zijn bergen ook zekerheden die zullen wankelen.
En dat niet alleen. Bergen werden in de oudheid, vanwege hun hoogte en majesteit, ook met de goden verbonden. De berg is de plek waar de goden hun verblijf houden.
Dat was in Griekenland zo. Maar ook in Egypte en Mesopotamië. Op de bergen hielden de goden hun vergadering. Daar werd het lot van mens en wereld beslist. Daarom heeft men altijd op de toppen en hoogten offers gebracht aan de goden. Dat was in Israël ook zo. Op de heuvels knielde men neer voor Baäl en de andere afgoden.
Dus wanneer deze bergen wankelen, dan gaat dat over de vastheid en zekerheid waarmee men leefde, die op de helling komt te staan. Dat heeft ook met het godsdienstige leven te maken.
Bergen zullen wijken en heuvels wankelen. Waar zouden wij aan moeten denken vandaag?
Er zijn veel dingen om ons heen die wankelen. Als het gaat om de zorg, de economie, het milieu, de politiek, je gezondheid.
Misschien zijn er ook andere zaken in ons eigen leven die aan het wankelen zijn.
Het kan ook zijn dat er aan onze levensboom geschut wordt, omdat God bezig is ons te snoeien. Dat Hij takken weghaalt, die verhinderen dat we voor Hem vrucht dragen. Dingen die misschien voor ons heel belangrijk zijn, maar niet voor Hem. Dat is niet leuk. Snoeien is een pijnlijk proces. Wat zeker was in ons leven, kan komen te wankelen.
Dan is er maar één ding wat maakt dat je toch niet de moed verliest:
dat is maar en dat is de belofte van God!
‘Bergen zullen wijken, heuvels wankelen, maar…’ en dat is de bemoediging.
Tegenover alles dat wankelen kan, staat iets dat onwankelbaar is; iets dat vast en zeker is, en dat is de trouw, de goedertierenheid van God ‘Mijn goedertierenheid zal van U niet wijken.’
En wat die belofte zo bijzonder maakt is dat het woordje ‘wijken’.
‘Bergen zullen wijken’, ‘Mijn goedertierenheid zal niet wijken.’
Hetzelfde werkwoord, maar met één verschil.
Het Hebreeuwse werkwoord betekent ‘bewogen worden’ als het om voorwerpen gaat, maar als het om mensen gaat dat betekent het ‘vertrekken’.
Zo zegt God tegen Israël en vandaag ook tegen ons: er kunnen heel veel dingen in je leven wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken. Niet vertrekken.
God zegt: Ik ga er niet vandoor! Ik zal er zijn!
Dat is een woord, een belofte, die we met beide handen moeten aanpakken. Dat is denk ik, de enige reden, waarom we met vertrouwen naar de toekomst kunnen kijken. Ook al is er veel onzeker, maar wat blijft, is dat de Heere blijft. Hij gaat er niet vandoor! Hij zal er zijn.
Met zijn goedertierenheid. Het Hebreeuwse woord ‘chesed’ is lastig te vertalen.
We hebben er twee woorden voor nodig in het Nederlands:
‘standvastige trouw’ of ‘onwankelbare liefde’. En die standvastige trouw is geworteld in het verbond. Het verbond van Mijn vrede, zegt God. Het is geen bevlieging. Dat kan ook niet bij God. Maar het rust in een verbond. De afspraak van God met zijn volk.
Dat verbond zal niet wankelen omdat er een handtekening onder staat namelijk
‘zegt de Here, uw Ontfermer.’
Dat is de handtekening, die de inhoud bekrachtigt. Uw Ontfermer.
Ontfermen, ‘rachamim’ heeft met de ingewanden te maken. Zo diep gaat Gods barmhartigheid.
Hij buigt zich voorover. Hij komt naar ons toe: ‘kom eens dichterbij’, en fluistert het in ons oor.
Ik ga er niet vandoor. Ik ben jouw Ontfermer.
Kijk niet angstig naar wat komt, kijk naar Mij. Ik zal er zijn!
In Psalm 30 ontmoet je David die gewend is aan de situatie waarin hij zich bevindt. ‘Ik zei in mijn zorgeloze rust: ik zal voor eeuwig niet wankelen.’ We voelen aan wat voor type mens dit is. Het is iemand die het goed getroffen heeft in deze wereld. De dingen gaan hem voor de wind – privé en zakelijk. Het gaat hier ook over iemand die dat allemaal wel èrg goed weet. Zijn zelfvertrouwen loopt over in zelfoverschatting. Hij noemt weliswaar de naam van God, maar beseft niet écht meer van wie hij alles ontvangen heeft. Hooghartig ‘In mijn overvloed dacht ik: nooit zal ik wankelen.’ Mij kan niets gebeuren. Maar toen… toen ging het mis. David werd ziek, heel ziek. Hij lag op het randje van de dood. Zomaar opeens. Zijn hele wereld stortte in. En wat had hij nu aan zijn macht? Ineens was hij heel klein en kwetsbaar. David riep tot God, hij smeekte om hulp, om genezing. Hij beseft dat hij van Gods hulp afhankelijk was. Weg zorgeloze rust. Is die geschiedenis van David niet heel herkenbaar? Hoe makkelijk denk je niet dat al het goede vanzelf spreekt. Je leeft in zorgeloze rust. Alles gaat goed, en niets wijst er voorlopig op dat dat zal veranderen. Prachtig natuurlijk, als het zo gaat in je leven! Maar van wie krijg je het? Heb je dat zelf allemaal voor elkaar gebokst? Misschien heb je er hard voor gewerkt… Maar nogmaals, wie geeft je al dit goede? Het had ook zo anders kunnen zijn, ondanks je inspanningen! Wat gebeurd er als Hij even laat voelen dat het ook anders kan. Als Hij, zogezegd, zich even achter een wolk terugtrekt. ‘Toen u uw aangezicht verborg’ zegt de psalm, ‘werd ik door schrik overmand’. Dan merk je pas hoe weinig je het zelf in de hand hebt allemaal. Je wordt wreed wakker geschud, ineens! Doet God dan zulke dingen? Wil Hij mensen pootje haken? Laten we voorzichtig zijn in wat we zeggen. De psalmdichter heeft er echter geen moeite mee, om Gods hand achter allebei de dingen te zien: zijn voorspoed én zijn ziekte! Die ervaring van ziekte vormt voor hem een keerpunt. Een wake-up call. Wanneer zijn leven in elkaar valt als een kaartenhuis dan ziet hij het opeens weer: als God zich verbergt dan trekt alle kleur uit mijn leven weg. Als Hij er niet is, is alles donker om mij heen. Want alles heb ik aan Hem te danken, niet aan mezelf. Is God dan wispelturig? Zegent hij nu eens, terwijl Hij een andere keer ellende stuurt? Moet je het maar afwachten hoe Hij het jou laat vergaan? Nee, Hij ís liefdevol. Dat is hoe Hij ten diepste is: genadig, goed, en liefdevol. Ook als Hij zich soms even terugtrekt. De psalm zegt het zo mooi ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde.’ Blijf vasthouden aan het feit dat God góed is. Ook al ervaar je dat op een bepaald moment niet. Ook al heeft Hij zijn aangezicht verborgen. Dat je blijft roepen tot Hem, net als David deed. Tóch blijven vertrouwen dat Hij betrouwbaar is. Ja, als alles goed gaat, is dat niet moeilijk – hoewel… dan val je al snel in die zorgeloze rust die Hem vergeet. Maar als Hij ver weg lijkt, dan toch zeggen en blijven zeggen ‘een ogenblik duurt zijn toorn, een leven lang zijn liefde. ‘s Avonds overnacht het geween… maar ’s morgens is er gejuich!’ Soms ga je slapen vol met zorgen. Maar na de avond komt de morgen. David mocht het ervaren in zijn eigen leven. Maar ook nú is het waar! Al verbergt de Here zich misschien een tijdje – wie Hem verwacht zal merken dat Hij niet ver is. Als dat ergens zichtbaar wordt, dan in Jezus Christus. Toen Hij aan het kruis hing, verborg God Zijn aangezicht ook. Dat is donkerste nacht die je je voor kunt stellen. Dat is de hel. Maar Christus is er doorheen gekomen. Hij is opgestaan! Psalm 30 is een lied over het leven dat sterker is dan dood. Over licht in de donkerste duisternis. ‘Overnacht ’s avonds het geween, ’s morgens is er gejuich!’ In Christus is dat waar Hij was sterker dan de dood! Hij leeft! Hij is opgestaan! En Hij belooft ons nooit alleen te laten. In onze zwartste nacht is Hij nabij. Ook als we niet genezen – Hij is er. We ontvangen alles van de hemelse Vader. Die door Jezus Christus ook onze Vader is.
Johannes zegt het ook in zijn apostolische brief: de volmaakte liefde drijft de vrees uit. (1 Johannes 4,18) Zoiets hoor ik ook in dat slot van psalm 84. God de Heer is een zon. Zoals iedere morgen de opkomende zon de nacht majestueus verdrijft, zo laat God in Christus de Zon van de gerechtigheid opgaan die de spoken en schimmen van de duisternis verdrijft en met haar licht en warmte nieuw leven wakker roept. Want God de Heer is een zon en een schild. Genade en glorie schenkt de Heer. Zijn weldaden weigert hij niet aan wie onbevangen op weg gaan.
We komen in de Bijbel nog al eens mensen tegen die juist wel bevangen worden. Vaak door zorgen, angsten. We komen het heel specifiek tegen bij Jezus leerlingen. Op allerlei sleutelmomenten lezen we: ‘ze werden bevangen door grote schrik.’ Keer op keer komen we in de Bijbel de aansporing tegen om niet bang te zijn, niet bevangen te zijn door angst of schrik. En dat is precies de aansporing die we vinden in het slot van psalm 84. Om onbevangen op weg te gaan: want God de Heer is een zon en schild. Genade en glorie schenkt de HEER, zijn weldaden weigert Hij niet, aan wie onbevangen op weg gaan. HEER van de hemelse machten, gelukkig de mens die op u vertrouwt. (psalm 84,12-13)
Echt onbevangen kijken en leven is zo simpel nog niet. Dat je niet wordt bevangen door iets, niet geremd leeft. Hoe vaak hoor je jezelf of een ander niet van die typische zinnetjes zeggen als: Daar gaan we weer! Al ik het niet dacht! Zie je wel! Het is altijd weer hetzelfde liedje. Waarom verbaast me dit nu niet? Je bent je van die associaties meestal niet zo bewust maar die worden gevoed door wat je hebt geleerd en meegemaakt, hoe je bent gevormd. Er zitten heel wat vooroordelen in waar je jezelf niet zomaar van kunt losmaken. Echt onbevangen leven is onmogelijk zegt de psychiater. Je kijkt nu eenmaal altijd gekleurd naar de werkelijkheid. Het is al heel mooi als je je steeds meer bewust wordt van de bril, de lens, de vooroordelen die je bij je draagt.
Onbevangen op weg gaan.
Psalmisten zijn realistisch en robuust. Maken het niet mooier dan het leven is. Dat is zeker ook het geval in deze psalm 84. God is een schild maar dar betekent nog niet dat je geen strijd zou hoeven leveren. Er zijn en blijven dorre streken en soms moet je er dwars door heen, Maar juist in zulke streken is God als een bron, een milde regen. Ik dwaal soms duizend dagen ‘elders’, verloren, verdwaald in ‘tenten van de goddelozen.’ Ze staan voor een hol, plat, vlak en leeg bestaan waar God praktisch uit is verdwenen en waar ik zelfs kan wonen. Me er te lang en te gemakkelijk in thuis voel. Maar er zijn God zij dank ook tijden en plaatsen waar ik weer iets proef van Gods nabijheid. God is weliswaar een zon maar die zon moet iedere keer opnieuw opgaan en in en om en voor mij de duisternis verdrijven.
Onbevangen op weg gaan, het betekent dat je ondanks of juist dankzij alles wat je hebt meegemaakt er toch ruimte blijft voor verwondering. Je het aandurft je te laten verrassen. Zodat je je beeld van hoe je dacht dat iemand was durft te laten bijstellen, te corrigeren, te vernieuwen. Dat je enerzijds lessen trekt uit het leven dat je achter je hebt en je ergens toch ook ruimte laat voor het wonder van een nieuw begin, een andere kijk. Wie zo op weg gaat, zegt de psalm, zal verrast worden door weldaden van God. Die zal momenten meemaken van genade en glorie. Want God, de HEER van de hemelse machten, weigert zijn weldaden niet, aan wie onbevangen op weg gaan.
David heeft deze psalm vermoedelijk geschreven in een heel onrustige periode in zijn leven. Aan de ene kant wordt hij gezien als een man op wie de zegen van God rust. Iedereen draagt David op handen. Aan de andere kant wil Saul hem uit de weg wil ruimen. David wordt een politiek vluchteling. Hij trekt van onderduikadres naar onderduikadres. Hij is nergens, er is geen plek waar hij rust vindt. Hij is een stuk opgejaagd wild. Onrustig, ontheemd. En in deze periode vol stress en onveiligheid schrijft hij deze psalm. Het kloppend hart van dit lied zijn de verzen 4 en 5, die beginnen met de krachtige woorden: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. En dat valt wel te begrijpen, dat David juist daar wil zijn. Want de tempel in Jeruzalem heeft in die tijd een soort van asielfunctie. Zoals ambassades dat in onze tijd hebben. Als je op zo’n plek aanklopt en asiel vraagt. En als men je dan opneemt, dan kunnen je achtervolgers je niets meer doen. Logisch dat David er sterk naar verlangt om in het huis van de Heer te zijn, te wonen. Om daar veilig te schuilen in zijn hut in het verborgene van zijn tent, hoog op een rots. Maar daarmee is niet alles gezegd. David diepste verlangen is niet rust, geborgenheid, veiligheid. Hij schrijft: één ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven, om de lieflijkheid van de Heer te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel. David is geen rustzoeker. Hij is vooral een Godszoeker. Zijn hart verlangt en gaat uit naar God zélf.
Spiegel jezelf eens aan deze woorden. Doe je aan godsdienst, of gaat je hart uit naar God? Ken je je dorst, voel je de stille schreeuw? Vaak proberen we het te sussen en te stillen. Het te vullen met van alles en nog wat. Hard werken, leuke dingen doen, het fijn hebben. Maar gezegend ben als het je niet meer lukt.. Als je verbonden bent met je diepste verlangen.
Dat verlangen naar God, die schreeuw, die heimwee in je hart dat is geen verdienste. Dat is de echo van een Ander en nog veel dieper, sterker verlangen buiten ons zelf. We hebben Hem lief omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. Dat andere sterkere verlangen dat aan ons verlangen voorafgaat dat is een enorm sterk verlangen dat leeft in het hart van God. Al op de eerste bladzijden horen we dat verlangen doorklinken als God op zoek is naar de mens: Adam, waar ben je? En sindsdien is God altijd en overal op zoek gebleven. En gaat zijn hart uit naar de mensen. Wil hij niets liever dan vriendschap, vertrouwelijke omgang
En voor God is het geen goedkope vriendschap. Hij heeft er werkelijk alles voor over geen prijs is hem te hoog om die vriendschap te bewerkstelligen. Hij zond zijn Zoon om een van ons te worden en ons in Hem van zijn liefde te verzekeren. Hij geeft zijn Geest die in ons wil komen wonen en diep in ons bestaan die vriendschapsband wil laten groeien. Hij geeft ons zijn Woord die deze band kunnen verdiepen. Hij geeft ons het teken van de doop als een teken van zijn vriendschap zodat er al helemaal aan het begin van ons leven een vriendschapsverzoek aan ons hart wordt gelegd. En als teken van zijn eeuwigdurende vriendschap en verlangen stelt hij een maaltijd in, dé uiting van vertrouwelijke omgang. Als Jezus voor de laatste keer met zijn vrienden een maaltijd heeft dan zegt hij: Ik heb er hevig naar verlangd deze maaltijd met jullie te houden. Er is iets in het hart van God dat zo sterk uitgaat naar ons. Hij wil met ons omgaan als met een vriend. Vertrouwelijk, intiem. Met ons eten en drinken.
En dat verlangen zoekt een antwoord in ons hart. Eén ding heb ik van de Heer verlangd, dát zal ik zoeken: dat ik wonen mag in het huis van de Heer, al de dagen van mijn leven. Misschien klinkt het je net iets te benauwend. Eén ding, al de dagen van mijn leven…. Moet alles dan echt draaien om godsdienst, de kerk en zo? Nou, om te wonen in het huis van de Heer. Hoef je niet letterlijk in een kerk of een tempel te zijn. Die tempel mogen we ook zelf zijn. Een tempel zijn van de Geest. En die Geest schept in ons eigen hart een heiligdom, een stille en lege plek waar God kan wonen. Ik Hem elke dag mag ontmoeten.
En als je vanuit die grondhouding leeft. Dan ontwikkel je iets van een gevoeligheid om iets van Gods liefelijkheid en goedheid te zien oplichten hier en nu om je heen in het gewone leven van iedere dag. Dan mag je iedere dag die God je geeft ingaan met een open, verwachtingsvolle en hoopvolle blik. Dat is wat doorklinkt in dat mooie slotvers van deze psalm:
Mag ik niet verwachten de goedheid van de Heer te zien in het land van de levenden? Wacht op de Heer, wees dapper en vastberaden. Ja, wacht op de Heer.