Uncategorized


Waar staat ‘de wereld’ als het gaat om het uitleggen van wat zíj gelooft?
‘Zijn we seculier, christelijk of heidens?’,
werd bijvoorbeeld na een analyse van de Olympische Spelen in Parijs gevraagd.
Staat één manier van denken over onszelf
op het punt te worden overschaduwd?
Wat is dan secularisme?

De filosoof Charles Taylor
maakt onderscheid tussen drie soorten secularisme.
Eén daarvan houdt in dat de religieuze aanwezigheid
in het openbare leven wordt weggevaagd.
De output van veel omroepen weerspiegelt deze tendens.
Ten tweede kan secularisme ook worden gezien
in een afname van persoonlijke religieuze praktijken,
vaak gelijktijdig met een terugtrekking
uit de gemeenschap naar het individualisme.
Taylors derde vorm van secularisme
berust op de teloorgang van kerken en andere geloofsgemeenschappen
als bronnen van normen die persoonlijk gedrag bepalen.

Dat christenen last hebben van alle drie de vormen is duidelijk genoeg.
Zij zouden ook hun deel van de schuld op zich moeten nemen.
De kerk heeft duidelijk soms desillusie of scepsis gevoed.
Maar alternatieve visies zouden ook kritisch bekeken moeten worden.

‘Type één’ secularisme komt erop neer
dat mensen van geloof wordt verteld
dat ze vrij zijn om te geloven en te praktiseren
als ze dat willen,
maar dat hun overtuigingen volledig transcendent moeten zijn
en helemaal niet immanent.
Met andere woorden, religie is acceptabel
als een excentrieke privéhobby
omdat zowel type één als type twee secularisme inhoudt
dat gemeenschappen van spirituele overtuiging
in deze betuttelende termen worden gezien.

Wat betreft de vraag hoe secularisme
het uitgeholde publieke plein vult:
tegenstanders van ‘publieke’ religie hebben weinig aansluiting
bij Taylors derde categorie.
Dit betekent dat hun standpunt
zowel zelf-tegenstrijdig als in wezen negatief kan lijken.
Zeggen ‘niemand mag beweren dat zijn opvattingen normatief zijn’
is op zichzelf een normatieve uitspraak doen.

Bij nadere beschouwing lijken de zaken dus nog duisterder.
Hoewel het zichzelf presenteert als een gunstig negatief groot verhaal,
bevindt seculier rationalisme
zich in een ongemakkelijke en onopgeloste relatie met postmodernisme,
waarvan exponenten gevaarlijk
en/of vervelend ‘alternatieve’ feiten of ‘mijn waarheid’ (Donald Trump) beweert.
Als zelfs een atheïstische vaandeldrager als Friedrich Nietzsche 
al voorspelde dat de dood van God nihilisme en totalitarisme zou voortbrengen,
dan is de westerse samenleving wellicht in veel groter gevaar
dan algemeen wordt aangenomen.
Misschien – zoals rabbijn Jonathan Sacks waarschuwde –
zou zo’n ‘spirituele klimaatverandering’
op één lijn moeten worden gesteld met de milieucrisis.

Het is dan ook geen wonder dat
deze ‘punten’ van het christendom
vanwege de sociale zegeningen
die het met zich meebrengt
regelmatig worden onderschreven
door zowel de niet-gelovigen als de gelovigen.

 

Hoewel ik in één van mijn vorige webposts
een ander beeld schetste,
bestaat er nog steeds het algemene beeld
dat de mainstream kerken wankelen.
En dat is niet zonder reden:
Want door de vergrijzing
lopen ze het risico uit te sterven
in hun Westerse en Midden-Oosterse kernlanden.
Enquêtes bevestigen namelijk keer op keer
dat slechts een minderheid
van de mensen nog naar de kerk gaan.
En een noodkreet van de scheidend scriba van de PKN
zegt dat ook het predikantenkorps van de PKN vergrijsd.
Er is volgens sommigen zelfs een tekort aan predikanten;
Op dat tekort valt het een en ander af te dingen, trouwens.

Dan kun je je afvragen: so what?
Als er steeds minder mensen naar de kerk gaan
zijn er toch ook minder predikanten nodig?
Tegelijkertijd prediken veel opiniemakers
een seculiere ideologie met een zelfvertrouwen
dat neigt naar religieus fanatisme.
Anderen, onzeker over hun verankering,
voelen een resterende gehechtheid aan spiritualiteit,
terwijl ze wel sceptisch staan
tegenover het bestaan van God
en andere geloofsartikelen.

Hoe positief ik misschien ook sta
tegenover de gevoelde opleving van christendom
in de huidige tijd,
blijft er toch een stemmetje horen
dat weigert de slingers op te hangen
en dat zegt:

wat als…

ja, wat dan?

In de komende webposts wil ik me bezighouden
met die vraag:
als het christendom in ‘het Westen’
dan zijn langste tijd gehad heeft
wat blijft er dan over?

Want de wijsheid die de kerk aan haar volgelingen leert blijft,
en die is beschikbaar voor de bredere samenleving,
die intellectueel robuust is
ze inspireert een transformerende wereldwijde aanwezigheid.
Dat blijkt ook uit een groot en breed opgezet internationaal onderzoek,
en een rapport over de verontrustende gevolgen van secularisatie.

Maar uit verdediging van het christelijk geloof, de apologetiek,
die te vaak wordt gekleineerd door tegenstanders,
komt toch een vervagende profiel van het christendom in het heden naar voren,
hoewel er ook overtuigend wordt betoogd dat het historisch christendom van Europa
cruciaal blijft voor het voortbestaan van een humane cultuur.

projectie in Londen, 2025

 

Welke kant je ook kiest
in het Israël-Gazaconflict;
de verhalen die je hoort en leest
kunnen niet anders
dan een gevoel van wanhoop oproepen.
Beelden van uitgehongerde kinderen,
het lot van Joodse gijzelaars die nog steeds in het duister gehuld zijn;
hoe dan ook, dit blijft een plek van onvoorstelbaar lijden.
En ondertussen blijven de bommen vallen,
sterven er mensen en behoudt Hamas zijn macht.

Onder Israëls vrienden gonzen stemmen
van een radicale oplossing voor het probleem van Gaza.
Het plan van Donald Trump
was om het gebied met de grond gelijk te maken,
50 miljoen ton puin te verplaatsen
en de bevolking te verplaatsen naar buurlanden
om de ‘Riviera van het Midden-Oosten’
te bouwen in wat tot nu toe Gaza was.
Het plan werd misschien met enige hilariteit ontvangen
toen de video werd uitgezonden,
maar het gaf velen in Israël
de kans om soortgelijke gedachten te koesteren.

Laten we als voorbeeld
de Israëlische minister
Bezalel Smotrich van Financiën nemen:
Hij beweerde onlangs dat na de Israëlische operatie
Gaza volledig verwoest zal worden’
en dat de Palestijnse bevolking
‘in groten getale naar derde landen zal vertrekken’.

Velen in Israël lijken te denken dat de koppige,
door Hamas geteisterde vijand
die naast hen woont, uitgeroeid moet worden.
Vanuit het perspectief van een bevolking
die decennialang conflict beu is,
die vreest dat er nooit vrede zal komen
zolang Hamas in Gaza blijft,
en die zich realiseert hoe moeilijk het is
om de islamitische terreurgroep uit te schakelen
terwijl de Palestijnse bevolking daar blijft,
kun je de aantrekkingskracht
van deze radicale oplossing begrijpen.

De Israëliërs hebben echter misschien
goede redenen om voorzichtig te zijn.
En dat is geen advies van hun tegenstanders,
maar van hun eigen geschiedenis.

Begin jaren 130 na Christus
werd de andere kant op geschoven.
Het was het machtige, ‘heidense’ Romeinse Rijk
dat heerste over hetzelfde stuk land,
dat ze al snel Palestina zouden noemen.
Joden vormden een minderheid,
maar ze grepen terug
naar hun lange wortels in het land,
de tijd van Jozua en koning David,
en zelfs recenter
naar het Joodse koninkrijk van de Hasmoneeën zo’n 200 jaar eerder.
Dat was de laatste keer vóór de moderne staat Israël
dat Joden de controle over het land hadden.

De toenmalige keizer Hadrianus samen met zijn gevolg
door Jeruzalem trok in 130 na Christus.
Hij begon de stad te ‘ontjoodsen’
en richtte standbeelden op van goden en keizers,
die allemaal aanstootgevend waren voor de Joodse gevoeligheden.
De smeulende wrok barstte al snel los
met een opstand onder leiding
van een felle en vastberaden Joodse strijder, Bar Kochba.
Dit was de tweede Joodse opstand
na de eerdere in de jaren 60,
die had geleid tot de verwoesting
van de grote Joodse Tempel in Jeruzalem
door Titus, onder het bewind
van keizer Vespasianus in 70 na Christus.
Voor de Romeinen was één opstand
misschien nog net te tolereren,
maar twee was te veel.

Hadrianus kwam vervolgens tot dezelfde conclusie
als Bezalel Smotrich:
een opstandig gebied moest van de kaart worden geveegd,
hoewel dit keer Jeruzalem moest worden geëlimineerd, niet Gaza.
De Joodse bevolking zou verspreid worden,
de naam zou worden uitgewist
en herinneringen aan vervlogen glorie
zouden voorgoed worden begraven.

En zo kwamen in 135 na Christus de ‘bulldozers’.
Jeruzalem werd feitelijk met de grond gelijk gemaakt
en op de ruïnes ervan werd
een Romeinse stad gebouwd:
Aelia Capitolina was de nieuwe naam,
een kleinere stad dan het oorspronkelijke Jeruzalem,
maar decadent gebouwd rond de verering
van Griekse en Romeinse goden,
met prachtige poorten, heidense tempels,
een klassiek ‘Romeins’ Forum Romanum
en uitgestrekte straten met zuilen.
Niet bepaald de Rivièra van het Midden-Oosten,
maar misschien wel Las Vegas.
‘Jeruzalem’ werd van de kaart geveegd.

In het midden van de heilige Joodse Tempelberg
richtte Hadrianus een standbeeld van zichzelf op.
Hij plaatste opzettelijk een standbeeld
van Aphrodite op de plek waar de vroege christenen
beweerden dat de dood en opstanding
van Jezus hadden plaatsgevonden:
de plaats waar nu de Heilig Grafkerk staat.
Besnijdenis werd verboden,
veel Joden werden vermoord
en de overgeblevenen werden
uit de stad verbannen
en verspreid over alle plekken
waar ze maar onderdak konden vinden.
Sterker nog, de kaart van de Oude Stad van Jeruzalem
wordt vandaag de dag nog steeds gekenmerkt
door dit ontwerp,
met de twee belangrijkste straten van Hadrianus
die ten zuiden van de Damascuspoort afbuigen,
met archeologische overblijfselen
van de Romeinse stad
die nog steeds zichtbaar zijn voor bezoekers.

Maar natuurlijk werkte dit verdonkeremanen niet:
Niemand noemt het tegenwoordig nog Aelia.
De gehechtheid van mensen aan land gaat diep.
De Joden konden hun wortels
in dit stukje aarde niet vergeten.
Zoals de schrijver Simon Sebag Montefiore
het verwoordde in zijn boek ‘Jeruzalem‘:
‘Het Joodse verlangen naar Jeruzalem wankelde nooit’.
De Joden baden drie keer per dag
gedurende de volgende eeuwen:
‘Moge het Uw wil zijn
dat de tempel spoedig
in onze dagen herbouwd wordt.’

De Palestijnse gehechtheid aan land is net zo sterk.
Bijna 80 jaar na de oprichting
van de staat Israël in 1948
klampen families zich nog steeds vast
aan de sleutels van hun huis
die hen in die traumatische periode
zijn afgenomen.
Net als het Joodse verlangen naar Jeruzalem,
hebben ook zij, net als mensen over de hele wereld,
een diepe verbondenheid met hun voorouderlijke land,
dat teruggaat tot de ‘Arabieren’
die genoemd worden in het boek Handelingen,
tot wie Petrus predikte (Handelingen 2,11-12)
in de begindagen van de christelijke kerk.

Besluiten van verre heersers zoals keizer Hadrianus
of president Trump
lijken misschien nette oplossingen
voor hardnekkige problemen.
Maar ze werken zelden op de lange termijn.

De beroemde Bijbelse aansporing
‘oog om oog, tand om tand’
was niet bedoeld als aanmoediging tot geweld,
maar juist het tegenovergestelde.
Het was bedoeld om een grens te stellen
aan de ontwikkeling van bloedwraak,
die, uit woede en trauma,
zo gemakkelijk tot onevenredige reacties
en eindeloze vetes kon leiden.
Paulus schreef in Romeinen 12:
Beste vrienden, neem geen wraak op anderen.
Laat het straffen over aan God.
Want in de heilige boeken zegt God:
“Ik ben het die straft. Ik geef ieder mens wat hij verdient.”’.
Zo herinnerde hij zich een oude Joodse wijsheid
die grenzen stelde aan het menselijk vermogen
om hardnekkige problemen met geweld op te lossen.
Hij kende een betere manier:
‘Laat u niet overwinnen door het kwade,
maar overwin het kwade door het goede.’

Eigenlijk zijn er maar vier manieren
om om te gaan met buren
die lastig blijken te zijn:
je kunt proberen ze te controleren, ze te laten vluchten,
je kunt ze doden, of je kunt politiek bedrijven.

De drie eerste manieren
zijn echter geen begaanbare weg
De enige manier is het conflict
via de politieke manier
op te lossen.
Met andere woorden,
probeer een vorm van gemeenschappelijk leven
te bewerkstelligen,
zoals dat uiteindelijk gebeurde in Noord-Ierland, Zuid-Afrika
en zoveel andere plaatsen waar langdurige conflicten heersen.

Politiek, het leren samenleven over verschillen heen,
is rommelig, ingewikkeld en is hard werken.
Vooral wanneer er diepe pijn uit het verleden is.
Maar zoals het mislukken
van Hadrianus’ radicale oplossing aantoont,
is er op de lange termijn geen echt ander alternatief.

 

Vandaag is het Hemelvaartsdag.
Maar wat houdt Hemelvaart eigenlijk in?
Aan de ene kant zegt het woord alleen het al:
Jezus is naar de hemel gegaan. ‘Gevaren’, met een ouderwets woord
– denk aan het Duitse ‘fahren’ dat ook niet alleen op schepen slaat.
Je kunt een plaatje voor je zien zoals in sommige kinderbijbels:
Jezus die op een heuveltop staat en dan opstijgt, zijn voeten al los van de aarde.
Maar aan de andere kant is het niet zo duidelijk wat Hemelvaart inhoudt.
Sowieso omdat wij het lastig vinden om ons de hemel ruimtelijk voor te stellen.
Kom je bij God door lang genoeg omhoog te gaan?
Nee, waar de hemel zich bevindt is niet het punt van hemelvaart.
‘Jezus ging naar zijn Vader’, dat is misschien meer to the point.
De vraag blijft echter: waarom zou je dat vieren?
Dan is Jezus dus niet meer bij ons.
Ja, wat zou het mooi zijn als je gewoon naar de Heer toe kon stappen,
met Hem kon praten en Hem om hulp vragen!
Is Hemelvaart dan het vieren van Jezus’ afwezigheid?
Welnee!
Het is juist andersom:
Hemelvaart is het vieren dat Jezus nu overal even dichtbij is.
Volgens het Mattheus-evangelie waren dit Jezus’ laatste woorden:
‘ik ben bij jullie, alle dagen, tot het einde van de wereld’.
Hemelvaart wil juist zeggen: Jezus is er!
Al zie je Hem niet, Hij is erbij, altijd.
We kunnen ons wél nog tot Hem wenden,
tot Hem spreken en zijn hulp vragen.
In gebed, heel eenvoudig.
En dan zul je merken dat Jezus niet een afwezige is!
Hoe, dat weet ik niet.
Maar Hij is er, voor ieder die Hem nodig heeft.
Iemands laatste woorden maken vaak diepe indruk.
Laten wij dan letten op Jezus’ laatste woorden:
‘Ik ben bij jullie, altijd’.
Dát is wat we met Hemelvaart mogen vieren.
Zijn nabijheid, ook nu.

 

Oké, als rechtgeaarde protestant van het confessionele snit
besteed ik misschien wel heel veel aandacht aan de nieuwe paus,
maar dat heeft zeker zo een reden:
er is momenteel namelijk heel veel onrust
op het geopolitieke toneel.
Er zijn veel tegenovergestelde belangen
opgeblazen ego’s die hun plaats opeisen
ten koste van de ander en van andere landen.
En dan denk ik: misschien kan de nieuwe paus
in deze situatie van spanningen een bemiddelende rol spelen?
Hij heeft daar immers al een voorbeeld van gegeven,
met het faciliteren
van een tête-à-tête tussen Trump en Zelensky.

Zo gingen mijn gedachten weer terug
naar het eerste optreden van de pas geïnstalleerde paus:
Je zag de imposante gevel van de Sint-Pieter,
dat grote monument van Rooms-Katholieke autoriteit.
Op het plein ervoor was een menigte van 200.000 mensen verzameld
die zich uitstrekte zover het oog reikte.
De wereldmedia keken vanaf de balkons op die menigte neer.
En daartegenover stonden de rijkelijk versierde
rode fluwelen stoelen klaar
voor president als Zelensky, J.D. Vance, Trump,
en de staatshoofden van andere talloze landen
in Europa en ver daarbuiten.

En ik dacht aan de nieuw aan te treden paus, Robert Prevost;
hij stond op het punt door deze deuren te stappen.
Een man die in 2015 tot bisschop werd benoemd,
pas twee jaar geleden kardinaal werd
en nu in de aandacht stond van deze enorme menigte
en miljoenen anderen op tv,
als dé spirituele leider van 1,4 miljard katholieken,
die binnen een paar weken van relatieve onbekendheid
naar de beroemdste man ter wereld was gekatapulteerd.
Volgens mij moet je dan wel iemand zijn
met een opmerkelijke nederigheid;
om dit allemaal niet naar je hoofd te laten stijgen.

De Sint-Pieter is ontworpen om indruk te maken.
Het plein voor de kerk is omringd
door imposante beelden van apostelen,
heiligen, martelaren en kerkvaders,
die allemaal neerkijken
op de gebeurtenissen beneden.
Het was precies déze kerk
die onbedoeld de Reformatie in gang zette,
toen een fondsenwervingsactie
voor de bouw gepaard ging
met de verkoop van aflaten in onder andere Duitsland,
waar het Maarten Luthers woede opwekte.
De voorgevel, met zijn hoge pilaren, grote ramen,
weelderige balkons en rijke wandtapijten,
kan niet anders maken dan je klein te voelen.
Binnen is de ruimte énorm, met overal prachtige kunstwerken.
Dit was een uiting van het pausdom uit de Renaissance,
dat leidde naar de Contrareformatie,
de zelfverzekerde barokke geest
die de triomf van de Kerk over al haar vijanden aankondigde.

Een paus met een vleugje ijdelheid zou gevaarlijk zijn.
Alles wijst op de macht van deze positie,
de opvolger van Petrus,
de leider van de grootste christelijke gemeenschap ter wereld,
iemand die wereldwijd direct herkenbaar is,
naar wie wereldleiders
met de pet in de hand moeten komen.
Geen wonder dat sommige pausen
in het verleden politieke manipulators zijn geworden
en met keizers en koningen wedijveren
over wie de meeste macht heeft.

Maar tegenwoordig klinkt de Katholieke Kerk nederiger.
Paus Franciscus zette de kerk
op weg naar een lijn van ‘synodaliteit‘,
waarbij hij andere stemmen uitnodigde
in de discussies binnen de kerk
dan alleen mannelijke priesters.
Paus Leo lijkt die lijn te willen doortrekken.

Verwijzend naar zijn verkiezing zei hij:

‘Ik ben uitgekozen zonder enige verdienste van mijzelf,
en nu kom ik, met vrees en beven,
naar u toe als een broeder,
die de dienaar van uw geloof en uw vreugde wil zijn,
en met u wil wandelen op het pad van Gods liefde.’

De toon was er niet één van zelfverheerlijking,
van het benadrukken van de macht van de positie.
Er was geen strategie om de kerk en de wereld
fundamenteel te veranderen.
Er was geen groots plan
om de machtsmiddelen te gebruiken
om de maatschappij naar zijn visie vorm te geven.
In plaats daarvan ging het erom
een ongrijpbare en oncontroleerbare kracht te ontketenen:
de kracht van zelfopofferend mededogen.

Of zoals paus Leo het zelf verwoordde:

‘Het ambt van Petrus wordt juist gekenmerkt
door zelfopofferende liefde,
van de Kerk van Rome
die haar ware gezag vindt
in de naastenliefde van Christus.
Het gaat er nooit om anderen
te veroveren met geweld,
religieuze propaganda of macht.
In plaats daarvan
gaat het altijd
en alleen om liefhebben zoals Jezus deed.’

Dat is anders dan de manier
waarop pausen in het verleden soms spraken.
De Kerk heeft geen andere macht dan de macht van de liefde
– het soort zelfopoffering
die we zien in het leven van Christus.
De huidige paus vindt haar ware gezag in naastenliefde.
Een beetje anders
dan sommige andere presidenten
die ik me kan herinneren.

Toegegeven, we weten nog niet veel over hem,
maar Robert Prevost
komt op me over als een nederig man.
Iemand die een plek aan Harvard Law School
aan zich voorbij liet gaan
om in plaats daarvan
twintig jaar lang de armste gemeenschappen
in Peru te dienen,
slapend op de vloer van hutten,
reizend op ezels naar afgelegen dorpen,
onopgemerkt en onbekend.
Dat getuigt van een duidelijk gebrek
aan eigenbelang.
Je solliciteert niet naar het pausschap,
je kandidatuur aankondigend,
je opwerkend in de gelederen,
je verdiensten bepleitend tegenover de kiezers.
In plaats daarvan ga je gewoon door met wat je doet,
en als de roep komt, geef je er gehoor aan.

Als paus Leo zal hij die nederigheid nodig hebben
wanneer hij deze rol
de rest van zijn leven op zich neemt.
Hij zal die nodig hebben
om de subtiele verleiding
van de eerbied die anderen
hem betonen te weerstaan,
de bewondering die hij zal ontvangen
waar hij ook gaat,
de gebouwen waarin hij woont,
de pracht van de pausen die hem voorgingen,
de manier waarop mensen
aan zijn lippen zullen hangen.
De verleiding om te denken dat Robert Prevost
toch een enorme vis is,
iemand wiens talenten
hem tot dit punt hebben gebracht,
zal groot zijn.

Maar als hij onverhoeds toch aan die verleiding toegeeft,
zal hij terugvallen
in de alledaagse gang van zaken in de wereld,
en heersen over degenen die hij onder zijn hoede heeft.
Maar hij lijkt zich terdege bewust
van de gevaarlijke aard van zo’n positie.
‘Wie er ook geroepen is
om de opvolger van Petrus te zijn’,
zei hij,
‘moest toezicht uitoefenen
zonder ooit toe te geven
aan de verleiding om een autocraat te zijn,
heersend over degenen
die aan hem zijn toevertrouwd.
Integendeel, hij is geroepen
om het geloof van zijn broeders en zusters
te dienen en naast hen te staan.’

Het was toch Jezus die zei:

‘Jullie weten dat de volken onderdrukt worden
door hun eigen heersers
en dat hun leiders hun macht misbruiken.
Zo mag het bij jullie niet gaan.
Wie van jullie de belangrijkste wil zijn,
moet dienaar van de anderen zijn’ (Lucas 10,42-43)

Andere presidenten, premiers en patriarchen
zouden daar een voorbeeld aan kunnen nemen.

1 Koningen 19,11-12

 

Voorbij het lawaai de alledaagse onrust klinkt een zacht, constant suizen.
Is dit het voorzichtige geluid van een stille opwekking?

‘Er kwamen vanochtend voor het eerst meer jonge mannen naar de kerk.’

‘Plotseling zitten onze kerkbanken vol met twintigers.’

‘Er komt een nieuw gezin op zondag. Hun tienerdochter sleept hen mee.’

Pardon? Dit zijn berichten die ik bijna niet kan geloven.

Want de afgelopen jaren werd de waarschuwing gehoord:
het westers christendom krimpt!
En de gesprekken die er dan over werden gevoerd
werden gekleurd met een ondertoon van verwarring en onzekerheid.
Het geluid werd zelfs zo sterk
dat we zelf er ook in begonnen te geloven.

En nu wijzen cijfers uit dat er sprake is van een voorzichtige groei van het kerkbezoek.

De cijfers van een recentelijk Brits onderzoek ondersteunen
– en later geflankeerd door Nederlands onderzoek
dat zelfs de landelijke media haalde –
de toename van kerkbetrokkenheid in de afgelopen jaren,
met name onder jonge mannen.
Het getuigt van een voorzichtig groeiende kerk,
de toegenomen positieve impact ervan in gemeenschappen
en spirituele openheid onder jongeren.
Dus ook in Nederland zie en hoor je van
hernieuwde en nieuwe belangstelling
voor het christelijk geloof.
Het schetst een beeld van een multi-etnische
en multi-generationele kerk die transformeert,
samen met een voortdurend veranderend cultureel landschap.
En dat het allemaal erg spannend.
Welke kant gaat het op en wat beklijft?

Het Britse rapport signaleert een algemene toename van mensen
die minstens één keer per maand naar de kerk gaan
en zichzelf christen noemen, van 8 naar 12 procent.
Het laat een radicale verschuiving zien
onder jongvolwassenen tussen de 18 en 24 jaar,
allemaal binnen de Generatie Z,
die vaker aan deze definitie van kerkgangers
voldoen dan welke andere generatie dan ook,
met uitzondering van degenen boven de 65.
Een verdere omkering van de normen is
dat het onderzoek mannen vaker naar de kerk brengt dan vrouwen,
in de meeste leeftijdsgroepen,
maar vooral onder mensen onder de 35.
Cruciaal in het rapport is dat het hier niet gaat om
‘jonge mannen die lid worden terwijl jonge vrouwen vertrekken’,
maar om een gezamenlijke toename van kerkbezoek.

Het lijkt erop dat het christendom misschien wel cool wordt gevonden.

Generatie Z gelooft het vaakst in God en bidt regelmatig.
Iets minder dan twee derde zou het fijn vinden als een christelijke vriend voor hen bidt,
en 47 procent van de niet-kerkgaande Generatie Z
vindt het goed dat christenen met niet-christenen over hun geloof praten.
Dit duidt op een verschuiving van het toeschrijven
van groei aan de invloed van culturele commentatoren of mediapersoonlijkheden,
naar zelfverzekerde lokale christenen die hun geloof delen met vrienden.
Maar in plaats van te worden aangespoord door influencers en intellectuelen,
komt de grootste impact voort uit relaties en persoonlijke uitnodigingen.
Journalist Tijs van den Brink laat in het Nederlands Dagblad optekenen:
‘Bereid je als kerk voor op een toestroom van nieuwe gelovigen’
Hij is niet verbaasd dat steeds meer jongeren
belangstelling tonen voor het christelijk geloof.
In zijn programma’s ziet hij signalen van een kentering.
Jongeren die zich via sociale media
tot het geloof bekeren of daar openlijk over praten.
Hardstyle-dj Sefa voelt zich net zo thuis op het festival Defqon.1
als in de Gereformeerde Gemeente.
Hij is op zoek naar zijn plek
in de muziekwereld als jonge gelovige.
‘Zondagsrust is het mooiste wat er is.’ zegt ie.

Deze opmerkelijke openheid voor religie en ervaringsgerichte spiritualiteit
onder Generatie Z is echter niet niet langer een anekdotische curiositeit;
dit is echte, gedocumenteerde groei die wordt getoond
in een opkomende spirituele generatie,
ontvangen door een culturele sfeer die steeds meer openstaat voor geloof.

Naar de kerk gaan is goed voor je.
In een tijdperk van zelfhulpfenomenen positioneert de kerk zich
als tegengif tegen een gefragmenteerd sociaal leven en psychische crises.
Kerkgangers van alle leeftijden zijn vaker gelukkig,
hebben meer hoop voor de toekomst en geloven
dat hun leven zinvol is dan niet-kerkgangers,
en zeggen minder vaak dat ze zich angstig of depressief voelen.
Cruciaal is dat deze bevindingen ook gelden voor jonge kerkgangers,
wat een extra reden is voor hun kerkbezoek. Simpelweg: het maakt ze gelukkiger.

Het is dé oplossing voor een generatie – met name jonge mannen –
die het digitale omringd is, maar sociaal geïsoleerd.
Kerkbezoek leidt tot een betere verbinding
met mensen in de bredere gemeenschap,
waarbij bijna twee derde van de 18- tot 34-jarigen
zich verbonden voelt met mensen in hun buurt,
vergeleken met slechts een kwart
van hun niet-kerkbezoekende leeftijdsgenoten.
Als we specifiek kijken naar jonge mannen in de kerk,
loopt dit percentage op tot 68 procent,
wat kerken een ongelooflijke kans biedt
om de eenzaamheidsepidemie te doorbreken.

‘Het verschil is verbluffend’, tekent het rapport op.
‘Het schetst een beeld van jongvolwassenen
die een diep gevoel van zingeving en levenstevredenheid
hebben gevonden door regelmatig naar de kerk te gaan,
die zich verbonden voelen met hun gemeenschap
en – in de gegevens die we hebben verzameld over hun sociale activiteiten –
ook graag iets terugdoen voor hun lokale gemeenschap.
Dit is niet het beeld
dat we doorgaans van jongvolwassenen in de media zien,
maar het is wel een krachtig beeld.

Naar de kerk gaan is niet alleen goed voor jezelf,
maar ook voor je gemeenschap.
De diepste bemoediging schuilt misschien wel in de blik
die het biedt op een christendom
dat geloof in actie uitstraalt.
Het onderzoek laat een beeld zien van kerkgangers
die niet alleen bezorgd zijn om hun eigen welzijn,
maar ook het leven van anderen willen verbeteren
– 78 procent van alle kerkgangers
is het erover eens dat het belangrijk is
om een verschil te maken in de wereld.

Vooral de jongere generaties van de kerken
die verlangen naar sociale verandering,
hebben vertrouwen en investeren in het bewerkstelligen
van positieve verandering,
en voelen zich verantwoordelijk
om bij te dragen aan hun gemeenschap.
Daden zoals regelmatig doneren aan een goed doel,
een lokale voedselbank steunen
en deelnemen aan activiteiten
ter verbetering van het milieu
worden gezien
als de gevolgen van christelijk geloof in actie.
Het geeft de gevolgen aan van kerkgang
door een diepe belichaming van Gods liefde
en het doorgeven van deze liefde aan anderen.

‘Dit zijn de indicatoren of je een ware gelovige bent of niet’, wordt eraan toegevoegd,
waarbij bemoediging uit bevindingen worden gedeeld.
Het gaat er niet om of je naar de kerk gaat of de liederen zingt.
Jezus legt uit hoe je kunt weten of je in het Koninkrijk bent of niet:
Ik had honger en jullie gaven me te eten,
ik had dorst en jullie gaven me te drinken.

Nu we de cijfers hebben, blijven er vragen over.
Hoe kunnen we reageren?
Waar leidt dit toe?
Zijn we getuige van de dood van het traditionele christendom? En dus?
Zeggen dat de bevindingen de kerk hebben verrast,
is misschien een understatement.
We leven in tijden van politieke onrust.
Religie en zo’n beetje alles wordt als wapen gebruikt.
De armoedekloof neemt toe, en niet alleen in materiële armoede.

De realiteit is dat we allemaal een rol te spelen hebben.
Het rapport is inclusief in zijn aanpak en aanbevelingen.
De eerste oproep is om de omvang en impact van kerkgangers
meer te erkennen,
iets wat kan worden overgenomen door sociale influencers en besluitvormers.
Er zijn ook aanbevelingen die meer gericht op mensen binnen de kerk:
om discipelschap en Bijbelonderwijs prioriteit te geven,
er moet nadruk gelegd worden
op het opbouwen van interpersoonlijke relaties.

Laten we echter dit mooie nieuws
ook met een korreltje zout nemen;
nuchter blijven
en niet meteen té euforisch worden.
Want de populariteit van het christendom
is de afgelopen tweeduizend jaar
vaker toegenomen én ook weer afgenomen.
Er zijn altijd tijden geweest dat het de snoepje van de maand – of van de eeuw – was,
zoals toen het zo’n 300 jaar na Jezus de officiële religie
van het Romeinse Rijk begon te worden.

Maar populariteit brengt ook gevaren met zich mee.
Wanneer de aantrekkelijkheid
van het christendom bekoeld is,
heeft het de neiging zijn ziel te verliezen,
zijn radicale aard verwaterd
zeker door de mensen
die zich tot het kruis trokken
als een soort modeaccessoire.
Op sommige momenten is het geslonken
tot een paar dappere zielen die de neergang trotseerden,
zoals de elf angstige discipelen
die in Jeruzalem bijeenkwamen na de executie van Jezus.
Of tot een groepje stoere, ruige christenen
dat maar blééf bidden tijdens jaren van vervolging
en vaak hun geloof met hun leven moesten bekopen.

Ook zijn de waarheidsaanspraken
van het christendom vaak niet populair.
Maar voor ons christenen
blijft ons geloof waar,
of mensen het nu geloven of niet.
Dus het feit dat er nu meer mensen geloven
dan een paar jaar geleden,
maakt het christelijk geloof
niet meer of minder waar.

Eerlijk gezegd heb ik die voorspellingen
over de ondergang van de kerk
toch nooit al te serieus genomen.
Daarom ben ik ook niet iemand
die meteen de slingers ophangt
als de voorspellingen
voor het christendom nu positief uitpakken.

Ik denk dat zij die geloven in Jezus,
een beetje sceptisch moeten zijn
over onderzoeken en statistieken.
Getalsmatige projecties en kansberekening
zijn nuttig om maatschappelijke trends te ontdekken,
maar ze hebben weinig invloed op waarheidsvragen.
Statistische analyses van wat er doorgaans met overledenen gebeurt,
zouden de opstanding immers nooit hebben kunnen voorspellen.

De aantrekkingskracht van het christelijk geloof
is juist dat het niet gebaseerd is
op hoeveel mensen erin geloven.
Het draait om een gebeurtenis
waarbij het eeuwige tijdelijk werd,
waarbij God de menselijke geschiedenis binnentrad
in de gedaante van een rabbi uit Galilea.
Het overstijgt daarom tijd en ruimte,
opiniepeilingen en enquêtes.
Het geeft een vertrouwen
dat niet geworteld is
in de wisselende stemming van de publieke opinie,
die het ene moment op
en het andere moment weer neer gaat,
maar juist iets blijvends, permanents en betrouwbaars.

Wees dus blij, als je dat wilt,
met het vooruitzicht op een komende,
hernieuwde golf van geloof.
Maar laat je niet misleiden door te denken dat dit iets bewijst.
Zoals Jezus ooit zei:
‘Verheug je er niet over dat de geesten zich aan je onderwerpen,
maar verheug je dat je namen in de hemel geschreven staan.’ (Lucas 10: 20)

En toch….
Voorbij het lawaai van twijfel en onzekerheid over het christendom
resoneert een zacht, laag en constant gezoem.
Het eist niets; het deelt.
Het overstemt anderen niet; het luistert.
Het houdt niets achter; het nodigt uit.
Het waardeert daden boven woorden.
Is dit het geluid van een stille opwekking?

 

Toch nóg een post naar aanleiding van de geloofsbelijdenis van Nicea
Ditmaal meer over belijdenissen in z’n algemeenheid.

zoals ik al eerder schreef markeert 2025
de 1700e verjaardag van het opstellen van deze geloofsbelijdenis.
Een belijdenis is vorm die de Kerk
tot op de dag van vandaag blijft zeggen
om haar geloof te belijden en uit te leggen.
Overal ter wereld reageren christelijke gemeenschappen
op deze mijlpaal door opnieuw na te denken
over de inhoud van die verklaring, de waarheid
en ook over de vorm ervan: een geloofsbelijdenis.

Maar de Kerk is geen bron van waarheid.
De Kerk kan belijden wat waar is,
maar waarheid is niet haar bezit om ermee te doen wat ze wil.
Voortkomend uit Jezus’ opmerkingen in Johannes 14 vers 6
heeft de christelijke traditie
over de waarheid nagedacht.
Als waarheid primair verband houdt
met de persoon van Jezus Christus,
dan is waarheid iets fundamentelers dan de Kerk.
De Kerk heeft haar basis in de waarheid
in plaats van dat de waarheid haar basis heeft in de Kerk.

Een geloofsbelijdenis is een uitdrukking van het geloof
dat dit de stand van zaken is.
Meer dan dat, het is een verklaring
van de toewijding van jezelf
aan deze stand van zaken.
Het uitspreken van een geloofsbelijdenis
is een existentiële daad,
een beslissing, hiervoor.
Het is een beslissing voor datgene
wat we niet hebben gecreëerd
en waar we geen controle over hebben.
En zelfs daarbuiten is het een beslissing
die we niet eens hebben genomen!
Het was een beslissing die door christenen
vóór ons werd genomen die dit en niet dat bepaalden.

Het is moeilijk om een daad te bedenken
die minder in overeenstemming is
met een ‘moderne’ menselijke geest.
Als Immanuel Kant gelijk had dat Verlichting
de ‘ontstaan van de mensheid uit zijn [sic]
zelfveroorzaakte onvolwassenheid’ is,
waarbij deze onvolwassenheid wordt gedefinieerd
als ‘het onvermogen om je eigen begrip te gebruiken
zonder de begeleiding van een ander’,
dan staat de praktijk van het belijden van een waarheid
die we niet persoonlijk hebben bepaald gelijk aan
het in ons denken zelf niet verder komen dan de een kinderwagen.

Dichter bij huis spreken de geloofsbelijdenissen
op een manier die niet altijd overeenkomt met onze ervaring.
Er is een waarheid die zelfs fundamenteler is
dan wat ik tot waarheid verleid
Geloofsbelijdenissen zijn hulpmiddelen
om een gemeenschappelijke opvatting te vestigen
over landgrenzen en talen heen.
Een gemeenschappelijke afhankelijkheid
aan de waarheid die fundamenteel en universeel is,
ongeacht de bijzonderheid van de ervaring.

Daarnaast worden de uitspraken
die in geloofsbelijdenissen worden gedaan
mogelijk niet als waar gezien.
De ervaring kan in feite een andere richting inslaan.
De wereld met al haar problemen en pijnen
lijkt misschien niet de schepping
van een almachtige en welwillende Heer.
De Geest die Heer en gever van leven is,
lijkt misschien niet de nieuwe vitaliteit
van het tijdperk dat in het heden komt,
te ademen.
De kerk lijkt misschien niet altijd één en heilig te zijn.

Waarom dan geloofsbelijdenissen?

Dat wat we hebben en weten,
is wat we hebben ontvangen,
is ingebakken in de aard van de christelijke aanspraak
om iets over God te weten in plaats van niets.

In die tijd zei Jezus:

‘Vader, Heer van de hemel en de aarde, ik dank u!
Want u hebt al die dingen bekendgemaakt aan heel gewone mensen.
Maar voor wijze en verstandige mensen hebt u die dingen verborgen.
Ja, Vader, zo wilde u het doen.
Alle macht die ik heb, heeft mijn Vader aan mij gegeven.
Alleen de Vader kent de Zoon.
En alleen de Zoon kent de Vader.
En de Zoon vertelt over zijn Vader aan de mensen die hij uitkiest.’
(Mattheüs 11,25-27)

God kennen is niet iets dat in onszelf geworteld is.
God de Zoon is mens geworden
en kent de Vader als een van ons en voor ons allemaal.
Het is op basis van zijn belijdenis van God
als Vader dat wij God als Vader belijden.

De voortdurende en herhaalde praktijk
van het uitspreken van de geloofsbelijdenis
herinnert ons eraan
dat de mogelijkheid om over God
en het werk van God te spreken
geen menselijke mogelijkheid is.
Het is een mogelijkheid voor ons
op basis van de gegeven gebeurtenis van Gods toespraak tot ons.
Wij letten op datgene wat gegeven is.
Het is een daad van geloof waardoor wij steeds weer terugkeren
naar het Woord van God zoals de Kerk het heeft ontvangen.

motto van Maarten Luther overgenomen als argument door de boeren

Naast de herdenking van het verschijnen
van de geloofsbelijdenis van Nicea 1700 jaar geleden,
is het ook vijfhonderd geleden dat de
Duitse Boerenoorlog plaatsvond.
Dit was de grootste revolutie vóór de Franse Revolutie in 1789.
Deze Boerenoorlog (Deutscher Bauernkrieg)
van 23 juni 1524 tot 15 mei 1525 was een opstand
van boeren en lage edelen die begon
in het Zwarte Woud en Baden-Württemberg
in het toenmalige Heilige Roomse Rijk.
Het betrof ook een godsdienstoorlog,
kort na het op gang komen van de Reformatie.
Prediker-opstandelingen zoals Thomas Müntzer en Nicholas Storch,
predikers uit het Saksische Zwickau
(die bekend stonden als de Zwickauers),
brachten met hun verzetspreken andere opstandelingen in beweging.
De fakkel werden overgenomen
door andere rondtrekkende predikers
over heel het Rooms-Duitse Rijk,
namelijk Balthasar Hubmaier (Waldshut),
Johannes Denk (Neurenberg)
en Sebastian Franck (Donauwörth).
Ook opportunistische of zich bedreigd voelende verarmde lage edelen
sloten zich aan zoals Florian Geyer en Götz von Berlichingen.

Oorzaken van de Duitse Boerenoorlog
De belangrijkste oorzaak van de opstand van boeren,
en ook lagere edelen,
was dus onder andere het lijfeigenschap.
Zo kwamen de boeren in de roerige tijd kort na de Reformatie,
in opstand tegen het systeem van feodalisme en horigheid
waarvan ze deel uitmaakten.
Ze moesten voor de adel allerlei diensten doen
en fikse belastingen betalen
aan zowel de adel als de Rooms-Katholieke Kerk.
De motivatie voor hun opstand vonden veel boeren in ideeën van de Reformatie
– en met name Maarten Luthers
die een accent op vrijheid en onafhankelijkheid
(‘een christen is niemands onderdaan’) legde.
Zo verwezen de boeren in hun eisenpakket,
dat ze in 1525 opstelden
en de ‘Twaalf artikelen van Memmingen’ genoemd wordt,
meermalen naar de Bijbel én naar Luthers boekje
Over de vrijheid van een christen uit 1520.
Al in 1493 met de Bundschuh-Bewegung,
maar zeker vanaf 1518 ontstonden er
met name in het westen en zuiden van het Heilige Roomse Rijk
opstanden van boeren, die in 1524 escaleerden in oorlog.
Na eerst welwillend tegenover deze revolutie te staan
stelde Luther zich uiteindelijk afwijzend
tegenover de Duitse Boerenoorlog
en publiceerde daarover in 1525
het pamflet Wider die Mordischen und Reubischen Rotten der Bawren.
Andere reformatoren, onder wie Huldrych Zwingli
en Thomas Müntzer (Monezer), spraken zich wel uit voor de boeren.

Verloop van de Duitse Boerenoorlog
De onrust ontstond vanaf 1524
met name door rondtrekkende predikanten,
die opruiende preken hielden.
Een soort prelude dus van de hagenpreken,
die in 1566 in de Republiek der Nederlanden
tot de Beeldenstorm leiden.
De boeren vormen op tal van plekken in het zuiden en westen
van het Heilige Roomse Rijk eigen legertjes.
Hiermee vielen ze burchten, kastelen, kerken en kloosters aan.
De vorsten verdedigden zich door huurlegers samen te stellen.
De eerste grote slag in de Duitse Boerenoorlog
vond plaats op 23 juni 1524
in het Wutachtal nabij Stühlingen.
Een groot leger van boeren trok hierbij op
tegen graaf Sigmund II von Lupfen.
In de veldslagen en schermutselingen
die in het jaar hierna nog volgden,
vielen in totaal tussen de 70.000 en 100.000 doden.

De Boerenoorlog in het Heilige Roomse Rijk
kwam op 15 mei 1525 officieel ten einde,
toen de samenwerkende Duitse vorsten
de boeren versloegen in de Slag bij Frankenhausen.
Zo’n 6000 goed bewapende Saksische en Hessische troepen,
zowel voetvolk als ruiterij,
onder leiding van graaf Georg met de Baard
en Filips I van Hessen,
versloegen een provisorisch bewapend boerenleger.
De boeren, meer dan 6000 man, werden uitgemoord.
Een dag later werden nog eens 300 gevangengenomen boeren,
met name leiders, geëxecuteerd.
Deze executies voerden de vorsten zonder proces uit.
Er werden ook boeren vrijgelaten,
maar zij kwamen in de rijksban
ofwel: ze werden vogelvrij verklaard.

Belangrijkste gevolgen van de Duitse Boerenoorlog
De boeren kregen niet wat ze wilden
en de heersende macht, de adel en geestelijkheid,
behield zijn macht.
Daarbij verloor de lage landadel
– door de verwoestingen en chaos tijdens de oorlog –
haar macht aan de hogere adel.

Het zou nog tot 1848 duren voordat het feodalisme in Duitsland
officieel afgeschaft werd.
Dat was rijkelijk laat vergeleken met bijvoorbeeld Frankrijk,
waar dit tijdens de Franse Revolutie van 1789 ‘al’ gebeurde.

 

In deze periode van ‘IJsheiligen’ (11-14 [15] mei 2025) een – vind ik – toepasselijke blogpost.

Eerst maar eens de weerkundige feiten:
IJsheiligen valt ieder jaar op dezelfde data in mei,
namelijk op 11, 12, 13, 14 en soms ook 15 mei.
Het zijn de naamdagen van een aantal katholieke heiligen,
namelijk Mamertus (11 mei), Pancratius (12 mei),
Servatius (13 mei), Bonifatius (14 mei)
[en dus soms ook Sophia van Rome (15 mei)].

Hoewel we in Nederland geen grote festiviteiten
kennen rondom IJsheiligen,
betekent het niet dat deze dagen nergens gevierd worden.
In sommige delen van Europa
(zoals Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland)
worden door traditionele gemeenschappen
feestelijke bijeenkomsten gehouden tijdens IJsheiligen,
zoals processies en speciale kerkdiensten.
Die lokale tradities en rituelen zijn vaak
kleurrijk en levendig,
met lokale kostuums, muziek en dans.
Volgens de volksweerkunde zijn deze dagen in mei
de laatste dagen in het voorjaar
waarop er soms nog nachtvorst is.
IJsheiligen wordt gezien als de overgang
naar dagen met een zomers karakter.
Het is niet uitgesloten dat er na half mei nog nachtvorst optreedt,
maar die kans is zeer klein.

Vanouds vormt de heiligenverering een belangrijk punt van verschil
tussen de de Rooms-katholieke kerk en de protestantse kerken.
In de Rooms-katholieke geloofsbeleving zijn heiligen niet weg te denken,
van de naam van parochies en kerken
tot schietgebedjes aan sint Antonius als er iets kwijt is.
Protestanten hebben juist weinig met heiligen.
Dat is te verklaren vanuit de tijd dat deze kerken ontstonden.
In die tijd, aan het einde van de middeleeuwen,
namen heiligen soms in de praktijk de plek in van God.
Nu doet zich de laatste tijd het volgende opmerkelijke fenomeen voor:
in de Rooms-katholieke kerk werden de heiligen veel minder belangrijk,
heel wat beelden zijn sinds de jaren zestig
zelfs letterlijk uit de kerken verwijderd.
Heiligen worden, als ik het goed zie,
ook meer gepresenteerd als voorbeelden
dan als tussenpersonen richting de hemel.

Maar bij protestanten groeit de laatste tijd echter juist het besef
dat voorbeelden en verhalen over geleefd geloof belangrijk zijn.
Geloof is geen theorie, het stempelt als het goed is heel het leven.
Dat dat kán, en hoe dat eruit ziet,
zie je in de levens van sommige gelovigen heel goed.
Daarom is het goed over hen te horen
en hun herinnering levend te houden.
Niet om ze te vereren, maar om ervan te leren!
Daarom hierbij een verhaal van een ‘protestantse (ijs)heilige’,
iemand die iets laat zien van wat gelovig leven is:
het verhaal van Dirk Willemsz.
Hij leefde in het begin van de Tachtigjarige Oorlog,
een tijd van religieuze en burgerlijke onrust.
Deze Dirk zat aan het begin van de Tachtigjarige Oorlog
gevangen vanwege zijn geloof in het kasteel van Asperen.
Het zag er naar uit dat hij op de brandstapel zou belanden,
want dat was destijds de gebruikelijke straf voor ketters.
Gelukkig had een bezoeker hem een vijl kunnen toespelen.
Daarmee ging Dirk ‘s nachts de tralies te lijf
en na een tijd had hij ze doorgevijld.
Met behulp van een touw van oude lappen
liet hij zich op een vroege morgen naar buiten zakken.
Het was winter en er lag ijs op de slotgracht.
Niet erg dik, maar Dirk was flink vermagerd
door het verblijf in de kerker en hij kon er op staan.
Over het ijs ging hij er snel vandoor.
Zijn weg naar de vrijheid lag open!
Helaas had de bewaker van het slot hem gezien.
Hij riep versterking en zette zelf de achtervolging in.
Echter, deze man woog een stuk meer,
en na een tijd zakte hij door het ijs.
Hij kon niet zwemmen en riep doodsbang om hulp.
Dirk zag en hoorde het, en wat deed hij?
Hij keerde zich om, en hielp de man om veilig aan de kant te komen.
De intussen gearriveerde versterking
greep Dirk en nam hem weer gevangen,
ondanks protesten van de geredde bewaker.
Twee weken later werd hij zonder pardon levend verbrand.
In Asperen is zijn cel nog te bezichtigen

Wat moet je hier nu van denken?
Was die Dirk niet helemaal goed wijs?
Hij had zich kunnen redden maar deed het niet!
Of…. toont hij dat er iets bestaat dat hoger is dan zelfbehoud?
Of…. iets dat te maken heeft met Jezus en wat Hij zei en voordeed?

« Vorige paginaVolgende pagina »