In de kersttijd gonst het van religieuze activiteiten.
Voor zover er sprake is van een hoger adres
komt veelal ‘de lieve Heer’ in beeld.
God als Allemansvriend.
Maar Kerst is in werkelijkheid een schokkend gebeuren,
te waar om mooi te zijn.
In het boek Spreuken staat een mooie zin:
‘Een vriend heeft te allen tijde lief,
maar een broeder is voor de nood geboren’ (17:17).
Een spreuk heeft vaak iets oubolligs.
Zo belegen dat de schimmel erop staat.
Maar de Bijbelse Spreuken zijn anders.
Er is alom sprake van leven, eerbiedig leven,
met een uitstraling naar alles en allen.
Het hart klopt in de geheimzinnige woorden:
de vreze des Heren.
Dat wil zeggen, zorgvuldig cirkelend om dit geheim:
de eerbiedig omgang met de Hoog-Heilige.
Al doende wordt wijsheid ontvangen en geboren:
wegwijs in de wirwar van dit ondermaanse.
Het boek Spreuken weet van vrienden die te goeder trouw zijn.
Hier gaat het echter over een vriend, die een soort schaduwfiguur is.
Je ziet hem alleen maar als de zon schijnt.
Wanneer hij in geval van nood niet de benen neemt,
heeft hij ‘te allen tijde’ wel aan passend woordje bij de hand.
Hij raakt nooit van slag, nimmer in verlegenheid.
Voor alle situaties weet hij wel iets te zeggen,
dat je zelf overigens ook kunt bedenken:
Moed verloren, al verloren!
Laat je niet kisten, maar zet ‘m op!
Na regen komt zonneschijn!
Anders gezegd, met een godsdienstig sausje:
Vraag niet waarom, maar waartoe!
De mens wikt, maar God beschikt!
Wie deze voorspelbare reacties, hoe goed ook bedoeld,
op zich in laat werken, herkent de verzuchting
van een student in de theologie in Engeland.
Hij hoorde z’n hoogleraar oreren, alsof alles klopte als een bus.
Die aankomende predikant
zag zichzelf al zitten aan het sterfbed van een moeder
met drie jonge kinderen, of gaan in de slums,
de achterbuurten van Londen.
Daarom vroeg hij aan de hooggeleerde:
‘It may be true, but is it real?’
Het is misschien wel waar,
maar is het ook levensecht, werkt het ook?
Een broeder is voor de nood geboren.
Hij is een vriend, die ook en vooral in de diepte,
in het donker niet verstek laat gaan.
Een vriend is iemand die je kiest.
De band van vriendschap kan verbroken worden.
Een broeder daarentegen is iemand die je geschonken wordt.
Die band kan nooit meer stuk, wat er ook gebeurt.
De Here God wordt soms aangeduid als Vriend,
maar Hij is nog veel meer een Broeder,
voor de nood geboren.
Daarom heeft Hij ons bestaan gedeeld:
‘Het Woord is vlees geworden’.
‘Vlees’ tekent ons krakkemikkige bestaan,
dat sterfelijk, stoffelijk en schuldig is.
Met de woorden van dr. Oepke Noordmans:
‘Zo is Jezus op aarde gekomen; temidden van een evacuerende menigte.
De nood van het volk is de poort geweest, waardoor Hij binnenkwam.
Hij heeft ons vlees aangenomen met die nood erbij’.
Hij is ‘vlees geworden’.
Die Bijbelse zegswijze
‘drukt niet uit wat Hij is, maar wat Hij geworden is:
zijn zwakheid, zijn zonde, zijn nood, zijn dood’.
Deze Ene, voor allen gekomen,
‘ligt niet in de kribbe als een toonbeeld van menselijkheid,
maar Hij ligt daar als een metgezel van allen,
wier menselijkheid problematisch is geworden’.
Dat Evangelie mogen we aannemen,
‘niet met enkele daarvoor uitgezochte nette en humane eigenschappen,
maar met de stukken rauwe werkelijkheid,
die zich aan alle kanten aan ons vasthechten.
Met ons vlees’.
Daarvan wordt ook uitbundig gezongen (Gezang 117:3 (LvdK) ):
Ver van de troon der tronen
en ’s hemels zonneschijn
wilt Ge onder mensen wonen
der mensen broeder zijn.