Van Henri Nouwen heb ik geleerd dat bidden eigenlijk niet iets is wat je erbij doet.
Hij zegt: Bidden is niet een deel van je leven.
Bidden ís je leven, als christen.
Bidden kan zozeer deel worden van jezelf dat het wordt als ademhalen.
Ja, dat is het!
Bidden is het ademhalen van je ziel.
Nouwen zegt het ergens heel mooi:

‘Volgens mij is bidden niet aan God denken
in plaats van aan andere zaken
of tijd doorbrengen met God in plaats van met anderen.
Bidden is eerder: denken en leven ín Gods aanwezigheid.’

Bidden is nog iets anders dan een gesprek voeren met jezelf.
Zeker, tot jezelf komen, jezelf onderzoeken.
Dan hoort er zeker ook bij.
Maar bidden is een voortdurende gerichtheid van jezelf af op God.
Een voortdurende liefdevolle conversatie met God.
Zoals dat zo mooi is verwoord in dat ene vers uit Genesis.
En Henoch wandelde met God.
Alles wat hij iedere dag meemaakte nam hij door
en besprak hij met zijn hemelse vriend.
In volstrekte openheid en eerlijkheid.

Bidden zonder ophouden, dat is niet iets wat je zomaar komt aanwaaien.
We hebben als mensen van nature de neiging
om juist hele stukken van ons leven af te schermen voor God.
Daar zijn we dan voor onszelf begonnen
en zoeken we het graag allemaal zelf wel uit.
En naast onze eigen natuur
is ook onze cultuur niet per se een gebedscultuur.
We zijn vaak zo in beslag genomen
en onder de indruk van de waarneembare wereld
dat de werkelijkheid van de levende God
naar de achtergrond wordt gedrongen.
We hebben zo onze momentjes van gebed
maar gedurende hele stukken van de dag en de week
is er dan op geen enkele manier sprake van
een blijvende verbinding met God.
Ongemerkt leven we te vaak en te lang naar onze eigen inzichten
en putten we uit onze eigen kracht.

Bidden is nooit vanzelfsprekend.
Vandaag de dag niet en ook niet in de tijd van de Thessalonicenzen.
En tot zulke mensen, zoals wij zijn, van huis uit geen geboren bidders,
klinkt deze aansporing: bid zonder ophouden.
Het gebed is Gods geschenk,
juist aan mensen die vaak aan alle kanten langs Hem heen leven.

Gebed is de manier waarop God óns verandert.
Vaak denken wij dat we door bidden
Gods aandacht op ons kunnen richten.
Maar bidden is Gods handreiking om ons te helpen
om onze aandacht op Hém te richten.
Het doel van bidden is niet in de eerste plaats dat God verandert.
Het doel van bidden is eerst en vooral dat wij zelf veranderen.
Tot mensen die zich leren richten op Hem
en leven van zijn genade.
En ja, dan kan God ook in ons leven
en door ons heen op het gebed grote dingen doen.

Er zit in ons allen vaak iets van een zwoeger.
Een doe-het-zelver, die bij zo’n tekst als bid zonder ophouden
al snel kan denken:
oké, geef eens wat tips, dan ga ik er mee aan de slag.
Dat is niet wat deze woorden willen bewerken.
Bidden zonder ophouden is niet iets
dat je even op je eigen houtje kunt fixen.
Je kunt je niet opwerken tot zo’n biddende levensstijl.

Je kent misschien het verhaal van die Russische pelgrim:
Hij gaat op een dag een kerk binnen
en wordt daar diep getroffen
door juist dit vers uit 1 Thessalonicenzen 5: ‘Bid zonder ophouden’.
Er groeit in zijn hart een sterk verlangen
om te gaan doen wat deze woorden van hem vragen.
Om te gaan bidden zonder op te houden.
Maar hoe doe je dat?
Hij zoekt in boeken en vraagt priesters ernaar
maar niemand kan het hem uitleggen.

Tot hij op een dag een eenvoudige monnik ontmoet
die het niet alleen weet maar ook zelf doet.
Hij leert van die eenvoudige monnik
om eenvoudigweg het Jezusgebed te bidden.
Het is een gebed van één zin
en dat begint hij te bidden:

Heer Jezus, Zoon van God, ontferm U over mij zondaar.

Eerst bidt de pelgrim dit Jezusgebed hardop, later in het hart.
En langzaam wordt het iets van een tweede natuur.
Hij draagt dat ene korte Jezusgebed
als het ware op zijn adem mee.
Op den duur komt dat ene gebed steeds opnieuw
als vanzelf in zijn binnenste tot klinken.
Zo leert hij wat het is om te bidden zonder ophouden.

Laat je je voor het eerst of weer opnieuw
inschrijven op de school van gebed.
En je toeleggen op bidden zonder ophouden.
Je hoeft niets anders mee te brengen dan verlangen.
Verlangen naar God.
Augustinus zag het hartstochtelijk verlangen
als het onophoudelijke gebed bij uitstek.
Hij zegt:

Wij zijn niet in staat om voortdurend bewust tot God te spreken
of onze handen op te heffen of neer te knielen.
Maar het hartstochtelijke verlangen kan wel altijd in ons zijn.
Wanneer je het bidden niet wil onderbreken,
onderbreek dan het verlangen niet

Still uit de serie Adolescence

 

De laatste tijd lijkt er enorm veel belangstelling te ontstaan
voor de meeslepende Netflix-drama Adolescence.
Zelfs zoveel dat er nu naar aanleiding van de problematiek die serie wil agenderen
een lespakket wordt ontwikkelt.
Zeker, Adolescence is een deels verzonnen verhaal
maar het wil wel échte problematiek aan de kaak wil stellen.
Het feit is dat het (mannelijke) brein enorm wordt beïnvloed door content, inhoud,
die te vinden is op sociale media.
Dat betekent dat mensen die extreem geweld zien op de sociale media
die ook vaker bezigen in het échte leven.

Want hoe zit het met de rol van sociale media in deze verhalen?
De perstonnages in Adolescence werden geradicaliseerd
door de gewelddadige content die ze online hadden bekeken.
Op sociale media doet extreme content het goed,
vooral op sites zonder filters voor pornografie en geweld.
Ze zaten opgesloten in een konijnenhol, een bubbel
waar ze geen oog ben oor meer hadden voor andere zaken.
En ook in het echte leven beginnen we langzamerhand te ontdekken
dat contentalgoritmes niet neutraal zijn,
maar ons juist opsluiten in echokamers
die ons doelbewust vormen tot betere consumenten
van content, reclame en objecten.
Sociale media verzamelen onze data en verkopen die door,
wat betekent dat ze ons als product cultiveren.

Toch verhullen deze manipulaties het diepste probleem.
Sociale media depersonaliseren ons,
verhinderen ons om een echte menselijke verbinding
aan te gaan en verdraaien onze kijk
op iedereen behalve onszelf.
De Duitse filosoof Martin Buber
maakte onderscheid tussen twee verschillende manieren
waarop mensen in de wereld kunnen bestaan.

De ene was Ik-Het;
een persoon behandelt iedereen en alles
waarmee hij of zij in contact komt als een ‘Het’,
iets om te gebruiken of uit te buiten.

De andere was Ik-Gij,
waarbij mensen ieder ander mens benaderen
als een uniek wezen, met middelen om het Ik aan te bieden,
wat ervoor zorgt dat er een wederzijdse, open,
actuele verbinding ontstaat.
Voor Buber was de ultieme ‘Gij’ God,
met wie mensen de diepste
en meest transformerende verbinding kunnen hebben.

Sociale media zorgen ervoor dat we het leven
in de ‘ik/het’-modus zien
door oprecht contact met anderen
te vermijden en een nep-bestaan te bieden
die nooit open kunnen staan voor oprechte verbinding met anderen.
Liefde en genegenheid worden gecommercialiseerd:
likes, volgers, reacties.
Onze presentatie van onszelf wordt extremer, perfecter, mooier,
om nieuwe zaken op te blijven delven.
Onze ogen en ons hart worden naar binnen gedwongen
en we verliezen elk gevoel van een ‘Jij’ onderweg.
We blijven gewoon het ik tegenkomen:
onze eigen gedachten, behoeften, verlangens,
zelfgeradicaliseerd door ons eigen brein
dat op een eilandje blijft zitten.

Kerkvader Augustinus ontwikkelde in de vierde eeuw het idee van de ‘erfzonde’.
Alle mensen zijn vatbaar voor vernietiging: het zit in ons DNA.
Het bewijs voor zo’n idee is te vinden in elke menselijke ervaring,
als degene die vernietigt en degene die vernietigd wordt.
Zonder controle, zonder oprechte verbindingen met anderen
om ons hart uit te dagen en te verruimen,
graaft een ik/het-leven steeds dieper
in deze destructieve impulsen
totdat onze menselijkheid verdraaid wordt
tot gewelddadige obsessies.

Het ik/het-leven richt zich volledig
op zelfverheerlijking via alle mogelijke middelen,
iets wat versterkt wordt door sociale media.
Wat als we niet genoeg likes, volgers en reacties krijgen?
Wat als we zelfverheerlijking niet kunnen bereiken
via de meer banale media van aantrekkingskracht,
aandacht en populariteit?

De personnages uit Adolescence zeiden
dat ze berucht wilden worden
en probeerden de meest extreme uitingsvorm
voor hun geweld te vinden
om ervoor te zorgen dat ze nooit vergeten zouden worden.
Helaas ze zullen niet de laatsten zijn.
De persoon in Adolescence blijft zijn misdaad ontkennen,
maar in aflevering drie van Adolescence
stelt hij dat hij het jonge meisje dat hij vermoordde,
alles kon aandoen wat hij wilde. Dezelfde impulsen komen terug;
andere als objecten om te gebruiken voor zelfbevrediging.

De goede bedoelingen voor menselijk contact,
waar sommige van die vroege socialemediasites voor bedoeld waren,
zijn grotendeels verloren gegaan.
Maar de goede bedoeling kan blijven bestaan
in ons eigen voornemen om een ik/gij-leven te leiden.
Door sociale media naast ons neer te leggen
en verbindingen met mensen in de echte wereld aan te gaan
door de ander met nieuwsgierigheid en openheid te bekijken,
zorgen we ervoor dat we ons hart
voortdurend naar buiten richten,
oprechte relaties omarmen en ruimte in ons hart vinden
om aan de ander te denken vóór onszelf.
Dit zijn de relaties die ons menselijker zullen maken.

Uiteindelijk had Buber gelijk dat de ultieme ‘jij’-verbinding
die we kunnen maken, die met God is.
Het christelijke verhaal zit vol met Gods verlangen
om een relatie met de mensheid te zoeken,
om ons in staat te stellen een verbinding
met God te vinden
die onze eigen menselijke ervaring overstijgt
en ons transformeert tot mensen
die langzaam groeien,
weg van onze destructieve instincten.

Wat zou het christelijk geloof kunnen bijdragen
aan het gesprek over de cultuur waarin jonge mannen opgroeien?
Een ik/gij-leven leiden dat nieuwsgierig,
open en op zoek is naar de meest
ware goddelijke en menselijke verbinding.
Zo’n leven zou zelfs degenen kunnen raken
die geteisterd zijn door sociale media
en genegeerd worden door andere ik/het-levens.
Het zou hen zelfs kunnen inspireren
tot mededogen en nieuwsgierigheid,
waardoor ze verder kijken
dan de inhoud die hen naar binnen keert,
zich naar buiten keren
en een gezondere toekomst vinden.

Wanneer we alles hebben bereikt, de hoogste berg hebben beklommen,
de hoogste titel hebben ontvangen en de meeste punten hebben behaald,                                                                  kun je nog steeds een innerlijke leegte, een innerlijke onrust ervaren.
Je verlangen wordt kennelijk gevoed door iets anders
dan wat je kan zien, waarnemen en bereiken.
Niets kan die onrust wegnemen of de leegte vullen.
Je zult pas tot rust komen als je de bron vindt.
En die bron is God.
De bron die nooit opdroogt, die geborgenheid en veiligheid geeft
en die put uit liefde die nooit eindigt.
Kerkvader Augustinus verwoordde het zo in zijn Belijdenissen:
‘Want zo hebt u ons geschapen, gericht op u,
en ons hart kent geen rust tot het rust vindt in u.’
Die bron brengt ons bij onze diepste zielenroerselen
en bij lagen in onszelf die raken aan dimensies die mijzelf overstijgen.
Tijdens de zoektocht naar dat diepste verlangen
kom je niet alleen bij vragen als:
‘Wie ben ik?’ ‘Wat doen ik hier?’,
maar steekt ook een andere vraagde kop op:
‘Welk spoor wil ik in deze wereld achterlaten?’
Als je allerlei ontwikkelingen om je heen ziet
kan je dat soms onrustig maken:
het coronavirus,
bevolkingsgroepen die zich steeds meer tegen elkaar afzetten, klimaatverandering, gigantische bosbranden.
En dan zijn er nog de problemen op langere termijn:
verarming van een groot deel van de wereld, verwoestijning,
het stijgende water dat ook ons hier in Nederland zal treffen.
In gedachten gaat het dan wel eens door je heen.
Kan het ook heel anders gaan?
Deze wereld omgekeerd, in positieve zin – zou dat ook kunnen?
Een kanteling van alle bedreigende ontwikkelingen,
zodat we weer opgelucht adem kunnen halen.
Vaak denken we:
het is allemaal te groot om aan te pakken
en wat heeft het voor zin als alleen wij ons hier in zouden zetten
dan moet iedereen meedoen.
Of zou je toch het vertrouwen moeten hebben, dat het zo ver komt,
dat iedereen bij zichzelf wil beginnen?

De grote kanteling.
Je kunt in alle fasen van de geschiedenis over zoiets nadenken.
Komt dat dan voort uit de inzet van mensen? Mentaliteitsverandering?
Is het iets dat ons aangereikt wordt… God weet waarvandaan?
Jezus geloofde in ieder geval dat het kòn
en dat het absoluut zou gaan gebeuren.
Want – zo geloofde hij –
de werkelijkheid is geen onbeweeglijk massief blok
onze wereld vindt zijn grondslag in God, die in en door ons werkt.
De kracht van zijn Geest doortrekt ons.
En dat maakt Jezus vol vertrouwen.
Als je dit allemaal beseft en gelooft, zegt hij, ben je intens gelukkig
ook als je het nu nog niet ziet.
We naderen het kantelpunt: deze wereld omgekeerd.

Jezus zegt in de lijn van Mozes: het begint met Thora:
het volgen van Gods leefregels en recht doen aan elkaar.
Maar je zou ook het vertrouwen moeten hebben, dat waar wij ons inzetten, de liefde en de vrede van God door ons heen werken.
En dat er dus een omslag kan komen:
een nieuwe wereld, een Rijk van liefde en vrede.
Het kantelpunt is al gekomen.
Diep gelukkig ben je als je vanuit dat vertrouwen leeft
en als je je vandaar uit inzet.

Hebben wij hier nu ook iets aan in het gewone leven?
Lukt het ons om intens gelukkig te zijn bij wat we nog niet zien?
Dat zal niet altijd gaan.
Toch denk ik, dat Jezus’ woorden nog steeds een bezielende kracht hebben. Ze stellen ons de vraag: hoe kijk jij naar onze wereld?
Zie je alleen maar met zorgelijkheid allerlei ontwikkelingen aan: klimaatveranderingen, aantasting van het leven, polarisatie,
uitbarsting van geweld, ongelijkheid tussen mensen.
Als was het niet meer dan het lot van onze wereld.
Of geloof je toch in die kanteling: deze wereld omgekeerd.
Geloof je dat God, in alles diep verscholen, ons niet loslaat,
maar aanspreekt.
Pak het dan allemaal weer op:
de troost die je elkaar geeft, de inzet voor verbetering,
de weg van de eerlijkheid.
Geloof dan dat het kan kantelen, de goede kant op.
Diep gelukkig ben je als je je daaraan toevertrouwt.

Wat de komende tijd – het postcovidium – zal brengen: we weten het niet.
Of de kerk openblijft, we weten het niet.
Of de diensten weer als vanouds opstarten, we weten het niet.
Eén ding hoop ik in elk geval.
Dat de Bijbel open blijft bij de mensen thuis.
Juist als we meer thuis waren, meer samen aten,
lees dan ook uit het Woord van God.
Zoals kerkvader Augustinus al zei:
‘De Schrift is een eerlijk en betrouwbare tekst.
Zij probeert vat te krijgen op de geest
zonder mooie woorden en zij ziet af van iedere opsmuk van de taal
en maakt geen kabaal met een ijdele en zweverige boodschap.
De Schrift inspireert mensen
die meer op daden dan op woorden zijn gesteld.
Aanvankelijk schrikt zij lezers af, maar later neemt zij alle afkeer weg.’
Laat die gewoonte, waarvan ik vrees dat hij kwijnt bij velen,
maar weer dagelijkse praktijk worden.
Ik hoor met regelmaat dat in de hectiek van alle dag
het er soms gewoon niet van komt om met het Woord bezig te zijn.
Druk. Veel aan je hoofd. Spitsuur aan tafel. Gebrek aan discipline. Sporten. Er kan van alles zijn,
maar het gaat niet goed met je geloof
als je het Woord van God dicht laat of weinig opendoet.
Weet je wat de gevolgen zijn?
Als de Bijbel het boek van de Geest en van de Hoop is,
dan geef je de Geest minder gelegenheid om tot je te spreken,
dan kan de Geest niet langer vanuit het Woord in je hart stromen,
dan ervaar je minder van God, en uiteindelijk doet het wat met de hoop. Minder hoop, meer wanhoop. Minder hoop en zekerheid, meer twijfel.
Dat staat met elkaar in verband.
Als God zulke rijke beloften aan Zijn Woord verbonden heeft,
en je laat het vaak dicht, dan leidt je geloof schade.
De levende omgang met God loopt gevaar op te drogen.
Maak er een gewoonte van: na de lichamelijke voeding, ook de geestelijke.
Lees de Bijbel en praat er liefst ook over na.
En ook persoonlijk, als je de dag begint of eindigt: Open het heilige Boek. Of zomaar midden op de dag.
Dan kan deze vreemde tijd van veel thuiszijn nog een gezegende tijd zijn. Want
‘Alles wat vroeger is geschreven, is geschreven
om ons te onderwijzen, opdat wij door te volharden
en door troost te putten uit de Schriften zouden blijven hopen’.
Ook nu!

In deze periode begint voor christenen de tijd van Advent:
verwachtingsvol uitzien naar de herdenking
van de komst van Jezus Christus in deze wereld.
Zijn volgelingen – christenen – worden opgeroepen
om juist dan na te denken over hoe zij Jezus Christus volgen
en hoe ze Hem ingang in hun leven wil geven.
Willen ze echt hun geloof hun leven laten bepalen?
Dat vergt in deze tijd het een en ander van de christen.

Want zo bij tijd en wijle poppen er weer bepaalde discussies op
waarbij de conclusie is dat religie – dus ook het christendom –
misschien een mooie levensovertuiging is
maar toch alleen beleden moet worden ‘achter de voordeur’.
Wanneer dit soort discussies zich voor doen denk ik
dat juist christenen de opdracht hebben zich uit te spreken.
Zij moeten in een democratie leren het publieke debat niet schuwen.
Dat is volgens mij een voorwaarde van christelijke ethiek
die beraadt hoe men goed moet handelen.
In navolging van de lijn van kerkvader Augustinus
is het de opdracht van een christen op zoek te zijn
naar de zuiverheid van het christelijk handelen
en naar het compromis in een gemengde wereld.
Dit zou een christelijke ethische levensoriëntatie moeten zijn.
Hierbij is ethiek meer dan alleen reflectie op handelen.
Christelijke ethiek zou zich rekenschap moeten geven
van de vraag naar wezen en bestemming van de mens.

Over het algemeen veronderstelt ethisch handelen
vrijheid om keuzes te maken.
Maar waardoor wordt een keus voor het goede bepaald?
Is het de rede die de toon aangeeft?
En moet de wil de rede volgen,
zoals ethici vanaf de oudheid tot en met Kant verdedigd hebben?
Bij hem treedt de wil als bepalend element op de voorgrond.
Niets anders kan in absolute zin voor Kant en de zijnen
goed heten dan de redelijke wil.
Een visie die nog altijd aanhangers heeft,
maar tegelijk heftig bestreden is onder invloed
van Schopenhauer, Nietzsche en Freud.
Maar je behoeft geen christen te zijn om te erkennen
dat de wil op drift is geraakt en mensen geneigd zijn tot kwaad.

Daarbij laat het christendom met haar belijdenis van zonde en genade
wel een eigen geluid horen.
Het kwaad schuilt in de wil zelf, de wil die zich van God heeft afgekeerd, de verdorven wil. Dat is geen tragiek, maar schuld.
Daarom begint christelijke ethiek, zo leert Calvijn,
niet met vrijheid, zij begint met bevrijding.
Een mens behoeft zich niet zoals baron Von Münchhausen
zelf uit het moeras op te trekken.
De Tien Geboden beginnen met de proclamatie van God die bevrijdt.
En het apostolisch getuigenis verkondigt de bevrijding
van de wil uit de macht van de zonde tot de vrijheid van het leven
als kinderen van God. Zo wordt de wil tot rede gebracht.
Het goede is niet inherent aan de mens. Het is vrucht van de Geest.
Geloof, hoop en liefde zijn geen te verwerven deugden,
maar gaven van de Geest.
Christelijke ethiek staat zo gezegd, in de schijnwerpers
van Pasen en Pinksteren.
Het vrije leven is het leven in gehoorzaamheid
en liefde onder de tucht van de Geest die ons het gebod leert verstaan.

Maar wat betekent dat nu voor de concrete velden van de politiek,
de sociale ethiek, de gezondheidszorg, de economische vragen?
Wat is de christelijke boodschap voor leven en samenleving?
En volgens mij zit ‘m daar de kneep.
Immers, dwang is niet verenigbaar met het christelijk geloof.
Kerkhervormer Maarten Luther verwoordde het eens zo:
‘Een christen is een vrij heer over alle dingen en niemands onderdaan.’

Maar hoezeer christenen ook hun best moeten doen
om via argumentatie verstaanbaar over te komen,
uiteindelijk staat een ethische reflectie
die zich de wet laat voorschrijven door de Geest
die hem bepaalde gedragsregels voorhoudt;
weer in de woorden van Luther:
‘Een christen is een dienstbare knecht
van alle dingen en ieders onderdaan.’
Omzien naar elkaar, de ander belangrijker achten dan jezelf
Dat maakt de christen weerloos in een wereld
waar de autonomie van het Eigen Ik hoge ogen gooit.
Nu is dat voor het christelijke geloof geen vreemde zaak.
Een christen is, zo laat het Nieuw Testament zien,
een vreemde eend in de bijt van de samenleving.
Wat mensen doet ophoren en doet vragen
naar de Weg is ten diepste niet de argumentatie,
maar een getuigend leven in de navolging van Christus.
Ik denk dat christenen juist nu moeten laten zien
in woord en daad dat hun levensoriëntatie
van barmhartigheid en solidariteit
in een samenleving waar individualisme de heersende levensfilosofie is
hét Verschil kan maken.
Laten we daar in de periode van Advent verder over door denken.

U bent onze brief, geschreven in onze harten, gekend en gelezen door alle mensen.
Het is immers openbaar geworden dat u een brief van Christus bent.
2 Korinthiërs 3: 2-3

‘met het geloof kun je een kerk aansteken, maar ook iets anders aansteken’  zei oud-diplomate en arabiste Petra Stienen op Radio 1. Waarschijnlijk bedoelde Stienen, gelet op de tijd waarin we leven, dat geloof op z’n minst ook de wereld kan aansteken. En dan duid ik op de verschillende gruweldaden die worden gepleegd door ISIS. Toch meen ik dat Stienen met zo’n uitspraak ‘geloof’ te gemakkelijk wegzet als potentieel gevaarlijk. Laat ik mijzelf maar vergelijken met de brief uit boven aangehaalde Bijbeltekst. En dan wel als brandbrief: een vurig schrijven uit nood, een dringende oproep aan alle mensen tot inkeer, ommekeer.

brandbrief Juist en vooral in deze veertigdagentijd. Vanuit het feit dat God de mensen oneindig lief heeft en alleen maar het goede wil voor hen. Kerkvader Augustinus van Hippo draagt op afbeeldingen vaak een brandend hart in de hand, omdat hij veel schreef over de liefde van God tot de mens. Ergens schreef hij ‘Mijn hart was vol verlang naar U’. Brandend van verlangen God. ‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft’ zingt lied 598 uit het ‘nieuwe’ liedboek.

Dat we zo in lichterlaaie mogen zijn als baken voor iedereen. Baken op weg naar het koninkrijk van God.

Dat ook onze harten mogen worden aangestoken in onuitblusbaar vuur voor Hem uit Wie en door Wie en tot Wie wij zijn!

Dat we een leesbare ‘brand’brief  van Christus mogen zijn!