Wat er nu rond Trump gebeurt, is eigenlijk niet zo nieuw. Buitenlandse leiders arresteren. Luchtaanvallen uitvoeren zonder toestemming van het Congres. Bondgenoten onder druk zetten. De VS deden dit al decennia. Altijd. Het verschil zit ’m ergens anders in. Niet in wat ze doen, maar in wat ze níét meer doen: zich rechtvaardigen.
Vroeger deed Amerika alsof. Alsof het ging om mensenrechten. Om democratie. Om het internationaal recht. Dat was vaak hypocrisie, ja. Maar hypocrisie is tenminste nog een knikje richting moraal. Een knipoog naar het idee dat goed en kwaad bestaan.
De schok van Trump 2.0 is dat dit dunne laagje vernis van moraliteit verdwenen is. Niet: “We doen dit voor de democratie.” Maar: “We doen dit omdat we het kunnen.” Toen Trump werd gevraagd wat hem internationaal zou kunnen tegenhouden, zei hij: “Mijn eigen morele kompas.” Dat is… niet bepaald geruststellend.
Zijn rechterhand Stephen Miller was nog eerlijker:
‘de wereld wordt geregeerd door kracht, geweld en macht. Wij zijn een supermacht. Dus we gaan ons gedragen als een supermacht.’
En voilà: paniek. Is dit het einde van het internationaal recht? Zijn we terug bij pure machtspolitiek? Mensen halen Thucydides erbij: ‘de sterken doen wat ze kunnen, de zwakken lijden wat ze moeten.’ Alsof moraal een dun laagje verf was dat nu definitief is afgebladderd.
Maar wacht even. Wat gebeurt er als een land stopt met doen alsof het moreel is? Als het kwaad stopt met het betalen van hypocrisie aan de deugd? Dan zijn er twee opties:
De eerste – en die zit diep in ons systeem – is: dit is nazisme. Macht maakt recht. Klaar. Dietrich Bonhoeffer noemde dat in 1933 al een misdaadsyndicaat. Met zulke regimes kun je niet praten, alleen vechten. Sinds 1945 is dit onze ultieme nachtmerrie. Hitler is het ijkpunt van het absolute kwaad. Iemand demoniseren? Teken er een snorretje bij en klaar.
Maar dat is een wankele basis voor een moreel wereldbeeld. Niet al het kwaad draagt een hakenkruis. En eerlijk: deze obsessie heeft ons niet geholpen om de echte problemen van deze eeuw aan te pakken. Noch om te ontdekken wat we wél belangrijk vinden.
En dat systeem brokkelt nu af. Rechts negeert oude taboes. Links heeft het morele middelpunt verlegd naar kolonialisme, slavernij, apartheid, Israël. Het enige waar beide kanten het met ijzingwekkende vanzelfsprekendheid over eens zijn: Joden zijn verdacht.
Maar zijn Trumps mensen nazi’s? Waarschijnlijk niet. Echte morele leegte is zeldzaam. Mensen zijn morele wezens. Ethiek haat een vacuüm. Niemand gelooft echt dat alles mag.
Wat hier gebeurt, lijkt eerder op een brandgrens. Een moreel niemandsland. De oude naoorlogse consensus wordt in brand gestoken. Wat ervoor in de plaats komt? Dat weet niemand.
Maar één ding is vrijwel zeker: het wordt niet “niets”. We gaan graven in oude ideeën. Christelijke moraal. Liberale waarden. Spiritueel en seculier door elkaar. Een rommelige, ongemakkelijke mix.
En eerlijk? Dat is misschien precies wat we nodig hebben.
Dus nee, paniek is niet nodig. Maak je geen zorgen. De hypocrisie komt wel weer terug.
Het begin van een nieuw jaar voelt meestal als een frisse start. Nieuwe kansen, goede voornemens, een beetje hoop. Maar wees eens eerlijk? Zo voelt het nu niet echt. Aan het begin van 2026 lijkt de wereld gevaarlijker dan ze in lange tijd is geweest, zeker vanuit westers perspectief.
Psychologen kennen het begrip ‘catastroferen’: mensen, vaak met PTSS of andere psychische problemen, gaan dan elk mogelijk gevaar uitvergroten en zien hun eigen ondergang als onvermijdelijk. Hun gevoel voor realiteit is verstoord. Als je elke dag de krant openslaat en wordt overspoeld door berichten over oorlog, corruptie en rampen, is het toch knap lastig om níét somber te worden. Denk aan drones en moderne oorlogsvoering, schuivende machtsblokken, groeiende ongelijkheid, cyberaanvallen, door staten gesponsorde hacks, en AI die we steeds minder lijken te begrijpen. En dan hebben we het nog niet eens over klimaatverandering, torenhoge kosten van levensonderhoud en toenemende polarisatie.
Optimistisch? Niet bepaald.
Wat mij misschien nog wel het meest zorgen baart, is hoe waarheid en verantwoordelijkheid lijken te verdwijnen uit het publieke debat. Gezond verstand voelt soms als een zeldzaamheid. In plaats van gesprek is er geschreeuw. Macht wint het van argumenten. Natuurlijk is ‘gezond verstand’ deels subjectief, maar ik ben vast niet de enige die zich afvraagt hoe het kan dat mensen wegkomen met overduidelijke leugens, of keihard bewijs wegwuiven als ‘nepnieuws’. Waar staat de werkelijkheid eigenlijk nog op?
In die stemming raakte ik diep getroffen door een tekst van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer, geschreven kort voor zijn arrestatie in 1942. Hij schrijft over het falen van de ‘redelijke mensen’: mensen met goede bedoelingen die denken dat je met logica en nuance een ontspoorde wereld wel weer recht kunt trekken. Ze willen recht doen aan alle kanten, maar worden vermalen tussen botsende krachten. Teleurgesteld trekken ze zich terug, of worden slachtoffer van hardere spelers.
En dan stelt Bonhoeffer de pijnlijke vraag: wie houdt het dan wél vol? Volgens hem alleen degene die bereid is zijn eigen rede, principes en zekerheden los te laten wanneer hij geroepen wordt tot verantwoord handelen — niet vanuit eigen gelijk, maar vanuit gehoorzaamheid aan iets dat groter is dan hijzelf. Ja, waar zijn die mensen?
Terwijl ik daarover nadacht, draaide op tv weer eens de cyclus van The Hobbit en The Lord of the Rings. Tolkien beschrijft daarin de strijd tegen het ultieme kwaad, en noemt die strijd ‘de lange nederlaag’. Tolkien was maar iets ouder dan Bonhoeffer. Op het eerste gezicht hadden ze weinig gemeen: een Engelse katholiek versus een Duitse lutheraan; een fantasyschrijver tegenover een radicale theoloog. Maar beiden waren gevormd door de verschrikkingen van oorlog. Tolkien had de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog meegemaakt en had geen romantische ideeën meer over de mensheid. En toch gaf hij de hoop niet op.
Die lange nederlaag komt maar één keer letterlijk voor in The Lord of the Rings, maar wel op een cruciaal moment. Galadriel, de elfenkoningin, zegt dat zij en haar volk al eeuwenlang die lange nederlaag strijden. Dat roept een vreemde vraag op: waarom vechten, als je weet dat je uiteindelijk verliest?
Het verhaal laat zien waarom. Iedereen in het gezelschap faalt op een of andere manier. Zelfs Frodo, die de Ring draagt, bezwijkt op het allerlaatste moment. Hij kán de Ring niet vernietigen. Toch wordt het kwaad verslagen — niet door heldendom, maar door wat lijkt op toeval: Gollem valt in de afgrond. Tolkien maakt daarmee een ongemakkelijke maar eerlijke boodschap duidelijk: zelfs de besten onder ons falen. En tóch kan het goede winnen, op een manier die niemand gepland had.
Dat betekent overigens niet dat Frodo faalt als persoon. Immers, zonder zijn inzet was de Ring nooit op die plek gekomen. Tolkien schreef zelfs dat niemand, uitgeput en gekweld zoals Frodo, weerstand had kunnen bieden.
De vraag blijft dus: waarom blijven vechten? Omdat niet vechten erger is. In Tolkiens wereld is wanhoop een wapen van het kwaad. De ‘lange nederlaag’ betekent niet dat alles zinloos is, maar dat menselijke pogingen altijd tekortschieten. En tóch zijn ze noodzakelijk.
Dat idee sluit aan bij wat Martin Luther King ooit zei: ‘De boog van het morele universum is lang, maar hij buigt naar rechtvaardigheid.’ Dat betekent niet dat alles vanzelf goed komt door onze plannen. Integendeel: mensen falen voortdurend, zelfs met de beste bedoelingen. Maar het wijst op een hoger doel dat niet afhankelijk is van onze perfectie.
Hoop komt dan niet uit systemen, vooruitgang of natuurwetten — die lopen uiteindelijk allemaal vast. Hoop komt voort uit vertrouwen: dat er Iemand is die door chaos, toeval en zelfs menselijk falen heen werkt. Tolkien geloofde dat ook. Hij noemde het ‘eucatastrofe’: precies wanneer alles verloren lijkt, gebeurt er iets onverwachts dat het hele verhaal laat kantelen.
Dat is geen excuus om niets te doen of ons terug te trekken. De ‘lange nederlaag’ is geen totale nederlaag. Het betekent dat onze pogingen om vrede, recht en genezing te brengen in een gebroken wereld – wat het Oude Testament van de Bijbel ‘shalom’ noemt – nooit compleet zullen zijn, misschien zelfs gedoemd zijn onvolledig of zelfs te mislukken — maar dat ze daarom niet waardeloos zijn.
Zoals de elfen blijven vechten, zo doen wij wat we kunnen. Niet omdat we denken dat we de wereld redden, maar omdat het goed is om het goede te doen. Dat is misschien geen grote overwinning, maar wel een voorzichtige hoop. En soms zijn onze daden korte momenten waarin iets van die uiteindelijke gerechtigheid zichtbaar wordt.
Iemand anders die zich kort na de eeuwwisseling tot het christendom werkte op de Zuidas vertelde mij over zijn leven: Het enige doel van zijn kantoorethos was om in zo kort mogelijke tijd zoveel mogelijk geld te verdienen; Mede-werknemers verdwenen op vrijdagmiddag in toilethokjes om drugs te snuiven.
Als nieuwe bekeerling verliet híj daarentegen het kantoor om tijdens de lunchpauze de mis bij te wonen. Dat voelde enorm tegencultureel. ‘Ik las’ zei hij ‘bij Dietrich Bonhoeffer dat wanneer Christus een man roept, gebiedt Hij hem te komen en te sterven.’
Een jaar later zegde hij zijn baan op om theologie te studeren.
De apostelen van Jezus legden destijds hun netten niet neer om vissers van mensen te worden. De mystici putten zichzelf uit door te vasten; dat deden ze niet om onze vrijheid van meningsuiting te verdedigen. De martelaren stierven niet voor de goede onderwijsresultaten van stabiele gezinnen. Centraal in alles wat beweert christelijk te zijn, moet altijd de verstorende realiteit staan van levens die worden geleefd en samenlevingen die worden geleid op manieren die niet onze keuze zijn.
Al deze gedachten kunnen in een notendop worden samengevat, maar verder ook eindeloos worden uitgewerkt. De korte versie zou een bekentenis moeten bevatten dat ons leven een doel heeft. Nadenken over de verdwijning van het christendom is van belang omdat de kerk het stevigste vat is voor het behoud van waarden zonder welke de beschaving zal vergaan. Én omdat de christelijke leer verder gaat in het volhouden dat onze menselijke zoektocht naar liefde en vreugde één is met de orde en het doel van de wereld als Gods schepping.
Still uit de film Bonhoeffer. Pastor. Spy. Assassin.
Dietrich Bonhoeffer heeft zijn 40ste verjaardag nooit gehaald.
Hij werd ter dood veroordeeld in een schijnproces in het concentratiekamp Flossenbürg. Hij werd naakt, naar de galg geleid en in april 1945 op direct bevel van Adolf Hitler geëxecuteerd; officieel wegens verraad.
Sindsdien zijn Bonhoeffers leven en gedachten onderhevig geweest aan projecten en wensvervulling. Bonhoeffer is geseculariseerd, geliberaliseerd, geradicaliseerd en gepopulariseerd door mensen uit het hele religieuze en politieke spectrum, op manieren die slechts een oppervlakkige zorg voor historische feiten en weinig (of geen) begrip van zijn literaire nalatenschap laten zien. Onlangs en opmerkelijk genoeg, in feite weerzinwekkend, is Bonhoeffers naam zelfs gebruikt door de Amerikaanse rechtse Heritage Foundation om het zogenaamde ‘open-grenzenactivisme’ en ‘milieu-extremisme’ van Amerikaanse links te veroordelen in hun Project 2025, een verlanglijst voor het presidentschap van Donald Trump.
Het was dan ook met gemengde gevoelens dat ik de nieuwe film Bonhoeffer: Pastor. Spy. Assassin ben gaan kijken.
Uitgebracht door het christelijke productiebedrijf Angel Studios heeft de film de volgende trailer:
‘Terwijl de wereld op de rand van vernietiging balanceert, wordt Dietrich Bonhoeffer meegesleurd in het epicentrum van een dodelijk complot om Hitler te vermoorden. Met zijn geloof en lot op het spel, moet Bonhoeffer kiezen tussen het hooghouden van zijn morele overtuigingen of alles op het spel zetten om miljoenen Joden te redden van genocide. Zal zijn verschuiving van het prediken van vrede naar het beramen van moord de loop van de geschiedenis veranderen of hem alles kosten?’
De bijbehorende afbeelding toont de pacifisme predikende Bonhoeffer met een pistool in zijn hand.
Zoals elke biopic voor het grote scherm, mengt de film Bonhoeffer feiten en fictie met een flinke scheut artistieke en filmische vrijheid. Deze vrijheid is natuurlijk noodzakelijk voor de kunst van het scenarioschrijven: tijd moet worden gecomprimeerd; biografie moet worden verlevendigd; karakters van mensen moeten worden gedemonstreerd; want uiteindelijk moet de film worden bekeken.
Het lijdt geen twijfel dat Bonhoeffer tijd doorbracht aan het Union Theological Seminary in New York en dat hij daar klaagde over de staat van de Amerikaanse theologie; dat hij actief deelnam aan de Abyssinian Baptist Church in Harlem en goede vrienden werd met een Afro-Amerikaanse student genaamd Frank Fisher.
Maar leren jazzpiano spelen in een nachtclub in Harlem? Met de kolf van een geweer worden geslagen door een racistische hoteleigenaar? En een vurig voorvechter worden van Afro-Amerikaanse burgerrechten? En de fictieve Harlem-preek bevat ook een verwijzing naar de executie van 33.000 Joden nabij Kiyv – het bloedbad van Babi Yar, dat pas in september 1941 plaatsvond. Bonhoeffers verblijf in Harlem stond inderdaad centraal in zijn denken, met name over kwesties die verband hielden met ras. Toch bagatelliseert de vermenging van gebeurtenissen die plaatsvonden rond het hoogtepunt van de genocide (de meeste Joden die tijdens de Holocaust werden vermoord, stierven in 1942 en 1943) met gebeurtenissen en geschriften uit de zomer voor de oorlog de ontwikkeling van Bonhoeffers theologie; zoveel van zijn denken was een nauwgezette maar directe reactie op wat hij met eigen ogen zag.
Er bestaat ook geen twijfel over dat toen Hitler aan de macht kwam, dat Bonhoeffer zich uitsprak tegen de gevaren die inherent waren aan het Führer-concept en dat hij in de jaren dertig onverzettelijk kritiek uitte op het nazisme en de nationaalsocialistische ideologie.
In de film krijgt hij de volgende woorden in de mond gelegd: ‘Ik kan niet blijven doen alsof bidden en onderwijzen genoeg is.’ ‘Vuile handen … Dat is alles wat ik te bieden heb.’ Of, als antwoord op de vraag van zijn vriend en student Eberhard Bethge, of Hitler de eerste kwaadaardige leider is sinds de Schrift werd geschreven: ‘Nee. Maar hij is de eerste die ik kan stoppen.’
Waren dit ooit zijn woorden?
Nee, niemand zal ook betwisten dat Bonhoeffer een ondergronds seminarie leidde in Finkenwalde om toekomstige predikanten van de Bekennende Kirche in Duitsland op te leiden; of dat hij zei: ‘Elke roep van Christus leidt tot de dood’. Maar de film verdraait ook enkele belangrijke aspecten van de bredere historische context. Cruciaal is dat Hitler en de nazipartijleiding, net als – foutief – in Eric Metaxas’ Bonhoeffer-biografie, worden afgeschilderd als degenen die de Deutsche Evangelische Kirche (Duitse Protestantse Kerk, DEK) overnemen en die hun greep daarop blijkbaar nooit opgeven, waarmee ze een Reichskirche creëren. Ondertussen bestrijdt de Bekennende Kirche – hier geleid door Bonhoeffer en Niemöller – moedig de nazi’s, met name hun anti-joodse beleid en acties, waaronder de Holocaust. Dit misleidende verhaal suggereert dat er twee kanten aan de Kerkstrijd waren: de (ogenschijnlijk onverschrokken) Bekennende Kirche en de Reichskirche, die in de film het restant van de DEK vertegenwoordigt, die zogenaamd door Hitlers ‘brute nationalisme’ was ingelijfd.
Deze versie van de kerkstrijd versmelt de Rijkskerk, de aanzienlijke minderheidsfractie van de DEK, de Duitse christenen, die gretig vele aspecten van het nazisme omarmden en ‘gedejudaïseerde’ Bijbels en gezangboeken creëerden en gebruikten. Toch laat ze de meerderheid van de Duitse protestanten volledig buiten beschouwing, die ervoor kozen zich niet aan te sluiten bij de Duitse christenen of de Bekennende Kirche. Ze verzwijgt ook het feit dat Hitler uiteindelijk het idee van een Rijkskerk opgaf.
Maar wat wel betwistbaar is, is dat (zoals de film suggereert) Finkenwalde een veilige haven was van waaruit een complot om Hitler te vermoorden werd gelanceerd, en dat Bonhoeffers meest memorabele aforisme van christelijk discipelschap bedoeld was om te worden samengevoegd, zoals in de film gebeurd, met beelden van een samenzweerder die een zelfmoordbom voorbereidde.
En Bonhoeffer sloot zich zeker aan bij de Duitse militaire inlichtingendienst en fungeerde als een soort dubbelagent. Hij gaf zeker informatie over de samenzwering door aan internationale kerkleiders tijdens zijn reizen buiten Duitsland. Hij wist zeker van zowel ‘Unternehmen Sieben’ (een plan om een kleine groep Joden en Joodse christenen uit Duitsland te smokkelen naar veiligheid in Zwitserland), als het geplande complot om Hitler te vermoorden.
Maar om, zoals de film ook doet, te suggereren dat Bonhoeffer centraal stond in deze plannen en er persoonlijk bij betrokken was, of dat hij via bisschop George Bell aan Winston Churchill vroeg om te lobbyen voor het leveren van een bom die de samenzweerders konden gebruiken om Hitler te doden, is niets meer dan een zeer omstreden en zelfs samenzweringstheorie. Andere scènes zijn – onbedoeld – onnauwkeurig of ‘metaforisch’. Wanneer Martin Niemöller het (inmiddels beroemde) gedicht ‘Als die Nazis die Kommunisten holten..’ voordraagt, doet hij dat met een donderende preek op profetische wijze, alsof hij die beroemde woorden al uitsprak voordat de nazi’s ‘hem kwamen halen’. In de film wordt de preek blijkbaar in 1944 gehouden, hoewel Martin Niemöller in 1937 werd gearresteerd en in 1944 in Dachau zou zijn geweest (de Niemöller in de film verklaart tijdens de preek dat hij ‘dertien jaar’ hun predikant was geweest; Niemöller werd in 1931 predikant in Berlijn-Dahlem). Wat bekend zou worden als Niemöllers ‘bekentenis’ werd pas na de oorlog uitgesproken, dus na zijn zeven jaar durende opsluiting in eerst een Berlijnse gevangenis, vervolgens Sachsenhausen en uiteindelijk Dachau.
Zeker, Bonhoeffers leven en gedachtegoed zijn duidelijk boeiend, maar het is ook complex.
Bonhoeffer liet een reeks boeken, essays, preken, onafgemaakte manuscripten, werknotities en brieven na, die allemaal notoir moeilijk te interpreteren zijn. Bonhoeffer walst over deze moeilijkheid en complexiteit heen en trivialiseert daarmee de erfenis van een hedendaagse, gemartelde christelijke heilige. De film vertelt ook gedeeltelijk een onwaar verhaal: het verhaal van een man die voorbestemd is, ja vastbesloten, om een leven van gebed, onderricht en diplomatie te verloochenen om een potentiële huurmoordenaar te worden en zich koste wat kost bezig te houden met gewelddadige politieke spionage en activisme.
Dit alles is (heel) ver verwijderd van de man die in 1930 Amerikaanse christenen aanspoorde om te onthouden dat ze broeders en zusters hebben ‘in elk volk,’ niet alleen in hun eigen volk, en dat als het volk van God verenigd zou zijn, ‘geen nationalisme, geen haat van rassen of klassen zijn plannen kan uitvoeren en (…) de wereld vrede zal hebben.’
Zeker, het is gebruikelijk dat filmmakers gebeurtenissen samenvoegen om een verhaal efficiënter te kunnen vertellen. Maar het verhaal van de film is een heel eind verwijderd van de man die in november 1940 schrijft dat ‘radicalisme,’ en ‘christelijk radicalisme’ in het bijzonder, ‘voortkomt uit een bewuste of onbewuste haat (…) jegens de wereld, of het nu de haat is van de goddelozen of van de vrome.’
En het is een heel eind verwijderd van de man die met Kerst 1942 reflecteert op de ‘onvergelijkbare waarde’ van het hebben geleerd ‘de grote gebeurtenissen van de wereldgeschiedenis van onderaf te zien, vanuit het perspectief van de verstotenen, de verdachten, de mishandelden, de machtelozen, de onderdrukten en verguisden, kortom vanuit het perspectief van het lijden.’
de film Bonhoeffer loopt daarom het risico Bonhoeffers erfenis als theoloog, pastor en man van verzet bloot te stellen aan nog meer misbruik. In een tijd waarin het politieke en religieuze discours steeds meer doorspekt is met xenofobe, autoritaire en nationalistische retoriek, en in het slechtste geval christelijk nationalistische retoriek, is dit niet wat nodig is. Het is niet verrassend dat Bonhoeffer-experts over de hele wereld en Bonhoeffers eigen familie zich zorgen maken.
Maar is Bonhoeffer desondanks de prijs van een kaartje waard? Na het zien van de film blijft het bij mij toch knagen. Want naast het pathetisch overdreven Amerikaans-Duitse accent van de acteurs, naast de enorm vrije omgang met situaties en teksten uit de Bijbel, de enorm vrije filmische brei en fouten van fictie en geschiedenis, blijf ik het mij afvragen: is dit nu wel of niet een goede kennismaking met de figuur van Dietrich Bonhoeffer? ‘Tuurlijk, er is inhoudelijk heel, heel veel mis met deze film, – maar dat geldt voor mij ook met de jaarlijkse The Passion op tv – kan het dan toch niet een ingang vormen voor mensen als kennismaking met Dietrich Bonhoeffer?
Misschien verrassend genoeg denk ik dat het dat wel is: al was het maar vanwege de ontknoping.
In een opeenhoping van verfraaide feiten zijn de laatste scènes van de film ook enorm aangrijpend en diep ontroerend. Kort voor zijn executie gaat Bonhoeffer zijn medegevangenen voor in het ochtendgebed, waarbij hij brood breekt en wijn met hen drinkt als herdenking van de dood van Jezus Christus. Vervolgens loopt Bonhoeffer in vrede naar de galg, wetende dat voor hem, als discipel van Jezus Christus, zijn dood slechts het begin van het leven is.
Het is zo’n standvastige hoop, in het aangezicht van alle vernederende absurditeit van menselijke tegenstrijdigheden (om wat woorden van Fjodor Dostojevski te lenen), waar de kerk en onze wereld vandaag de dag misschien het meest wanhopig behoefte aan hebben.
Laatst kwam ik een artikel tegen in een christelijk blad. Daar werd de toekomst in donkere kleuren geschetst. Terecht. Aardbevingen en tsunami’s, kernrampen, sprinkhanenplagen, ontbossing, klimaatverandering, milieuvervuiling, overbevissing, plastic soep en opwarming van de aarde … het komt allemaal langs. Het staat volgens de schrijver allemaal al in de Bijbel. Die plastic soep ben ik er trouwens niet in tegengekomen, sprinkhanen en aardbevingen wel. Daar val ik niet over. Maar dan wordt het artikel zo afgesloten: ‘Het enige wat wij kunnen doen is beseffen dat de Bijbel waar is en dat God tot Zijn doel komt met deze wereld. Als we in Hem geloven, mogen we uitzien naar een nieuwe aarde. In het Nieuwe Testament van de Bijbel kun je hier meer over lezen.’
Dat vind ik nou een te gemakkelijk evangelie. Dit is wat Bonhoeffer ‘goedkope genade’ noemde, waarvan niet duidelijk is dat ze ons wat kost. Ja, aan aardbevingen kunnen we niets doen, aan overbevissing en plastic soep wel. Alle dreigende rampen worden opgesomd en vervolgens wordt gezegd dat wie gelooft, weet dat alles in Gods hand is en dat we zo ‘ware rust en vrede’ kunnen vinden. Er wordt niet opgeroepen tot bekering, in elk geval wordt niet concreet gezegd wat bekering is.
De profeet Amos sprak ook over rampen en oordelen die over het volk zouden komen. Hij zegt ook waarom. Het oordeel van God wordt opgeroepen door steekpenningen, rechtsverkrachting, sjoemelen in de handel, dienen van andere goden, enzovoort. Maar zijn toepassing is niet: als je op de Heer vertrouwt dan komt alles goed. Dit zegt hij: als je je niet bekeert dan zal de dag van de Heer duisternis voor je zijn en geen licht! (Amos 5: 23-24)
Alleen als je je bekeert tot God kun je behouden worden. En wat is dan bekeren? Dat je je omkeert. Je leeft niet langer met je rug naar God toe, maar met je gezicht naar God toe. Je wil Hem zien, je wil graag dat Hij jou aankijkt met ogen vol liefde en een hart vol warmte. En je wil uit zijn mond de Woorden horen die een weg wijzen die niet doodloopt maar die uitloopt op het leven. Bekering is dat je je omkeert, dat je het roer in je leven omgooit, of liever: dat je God het roer in je leven laat omgooien omdat Hij je aanraakt door zijn Geest. De ommekeer die de bekering van je vraagt, dat is een ommekeer die de Geest in je leven bewerkt. Maar dat betekent niet dat je dus maar moet gaan zitten afwachten. Want heel de Bijbel door, zowel in het Oude als het Nieuwe Testament komt de oproep naar ons toe: Bekeer u! Dat is ook de kern van de boodschap die Jezus brengt in Israël. Bekeer u! In het Marcus-evangelie zijn dat de eerste woorden die we uit Jezus’ mond horen als Hij gaat prediken. ‘Bekeert u en gelooft het evangelie!’ Dat is een oproep waarop wij moeten antwoorden, en als je dat doet dan zeg je achteraf: ik deed het niet zelf, de Geest van God heeft dat in mij gedaan. Dat is bekering: dat je door de Geest je omkeert, het roer in je leven omgooit, dat je ermee stopt om almaar met je rug naar God toe te leven: je draait je om en gaat met je gezicht naar God toe leven. Een radicale verandering, een verandering die je raakt tot in de wortel van je bestaan: je leeft niet langer voor jezelf maar voor God. Van aangezicht tot aangezicht.
In veel gemeentes is de laatste tijd ruime aandacht besteed aan het gebed vanwege het 50-dagenproject tussen Pasen en Pinksteren. Vijftig dagen hebben we gezien hoe belangrijk het is om de relatie tussen jou en God open en levend te houden, juist door het gebed. We krijgen zelfs de opdracht om zo vaak we kunnen te bidden tot God, het communicatiemiddel bij uitstek tussen jou en je Vader. En dat gaat niet altijd van een leien dakje. Het gaat vaak met vallen en opstaan. We zijn meestal geen helden en zeker geen gebedshelden. Maar het mooie is dat God ook weet dat we soms snel afhaken en dat we het niet zo hebben op allemaal regeltjes, dat Hij die wet – lees liever: de bewegwijzering naar Zijn koninkrijk – heeft geschreven in ons hart.
De titel van deze column uit Jeremia 31,33 zegt dat onomwonden. Het is niet iets dat vanbuiten ons opgelegd wordt maar iets dat vanbinnen uit onszelf komt. Dat we echt uit onszelf een volgeling, een discipel Jezus Christus willen worden. Het gaat niet alleen om het weten wat discipelschap inhoudt, maar dat je daadwerkelijk een discipel bent. En alleen in dat laatste is God geïnteresseerd. En gelukkig is dat niet iets wat alleen maar uit onszelf hoeft te komen, want de discipline die het discipelschap vereist kunnen we nooit in ons eentje opbrengen. En daarbij is het gebed een noodzakelijk middel om in contact te blijven met God. Dietrich Bonhoeffer zegt dan dat gebed is als het bloed dat stroomt door de aderen van het lichaam van Christus, symbool voor de kerk. Als je met geloof luistert en contact met Hem zoekt door het gebed, als je je ervan bewust bent dat Hij het is, Christus, die spreekt, dan is het niet mogelijk om zijn woorden niet in de praktijk te brengen. Als het geloof zou stoppen voordat het in de praktijk wordt gebracht, dan kun je niet meer van geloof spreken.Want hoe kunnen we dan in deze tijd over Christus spreken? Bonhoeffers antwoord luidt: door ons leven. Het is indrukwekkend om te zien hoe hij aan zijn petekind, dat hij nooit gezien heeft, de toekomst beschrijft: ‘De dag komt waarop het niet meer mogelijk zal zijn om openlijk over God te praten. Maar wij zullen bidden, we zullen doen wat juist is en Gods tijd zal komen.’
Maar nogmaals, het lijkt allemaal zo prachtig, misschien zelfs vanzelfsprekend om te doen, maar dan worden we weer in beslag genomen door de alledaagse dingen. Daarom staat er in Efeziërs 6,10 ‘Zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht.’ Dat is iets wat we ons elke dag moeten blijven herinneren, iets wat ons gebedsleven moet kleuren. Want zelfs als de wet van God in ons binnenste is geschreven, dan nog wordt zij pas actief wanneer we het niet proberen uit onszelf, uit onze eigen kracht, maar door de kracht van de Heer!
Momenteel leven we midden in de Veertigdagentijd, de lijdenstijd als voorbereiding op de Stille of Goede Week uitmondend in het Paasfeest. In deze tijd lees ik zelf veel van het werk van de Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer. Ik vind het werk van Bonhoeffer erg actueel en zeker ook in deze voorbereidingstijd op Pasen. Speciaal de kritiek van hem op goedkope genade. Die genade staat voor de rechtvaardiging van zonde zonder de rechtvaardiging van de zondaar. Goedkope genade is het preken van vergeving zonder de noodzakelijkheid van bekering, gemeenschap zonder lijden. Goedkope genade is genade zonder discipelschap, genade zonder het Kruis, genade zonder Jezus Christus. Waar de focus van mensen met betrekking tot het geloof en het christendom alleen maar ligt op het krijgen van een goed gevoel over jezelf en over God, waar het geloof alleen maar een soort van psychologische veilige haven in een enge bedreigende grote wereld is, daar staat volgens de deur snel open voor de goedkope genade. De eenzijdige focus op het eigen heil zit er diep ingebakken in het menszijn en dus ook in het christendom.Genade doet alles en daarom kan alles bij het oude blijven.
Kostbare genade roept ons op om Jezus te volgen. zelfs tot het brengen van ‘offers’. Een offer dat er uit kan bestaan niet steeds jezelf op de voorgrond te zetten. ‘Het offer voor God is een gebroken geest; een gebroken en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten’, dat zijn de woorden van psalm 51,19. Ik merk dat het meestal niet een van de meest populaire psalmen is die je kunt laten zingen in kerkdiensten. De woorden schuren, blijven haken achter de weerbarstige realiteit van het dagelijkse leven. Toch betekent toegewijd zijn aan Christus het je omkeren, bekeren van een levenswandel die je juist eerder verder van dan dichter bij God brengt. De Bijbelse maat houdt dan in ieder geval het primaat van het Grote Gebod in met zelfverloochening. Jezus zelf koppelde discipelschap rechtstreeks aan kruisdragen en zelfverloochening. Bonhoeffer had de diepe overtuiging dat christen zijn betekent geheel aan te Christus zijn toegewijd, tot aan de prijs van je eigen leven, mocht die gevraagd worden. Als je over leven van Dietrich Bonhoeffer leest zie je tot waar hij ging: hij werd op 8 april 1945 geëxecuteerd in een nazigevangenis. Terwijl hij een veilig leven had kunnen leiden in het Verenigd Koninkrijk of de Verenigde Staten van Amerika koos hij voor een onzeker leven in nazi-Duitsland. Bonhoeffer zag het eerst je eigen hachje redden en daarom compromissen sluiten en je conformeren aan de eisen van deze tijd als gevolg van de prediking van wat hij goedkope genade noemde. Het is het prediken van een goedkoop evangelie van vergeving zonder de eis van radicale navolging en volledige overgave aan Christus.
Laten we daarom deze voorbereidingstijd op het Paasfeest maar zien als als een soort christelijk ‘offerfeest’.
Ik vertel niemand een geheim dat in deze tijd de secularisatie, de ontkerkelijking met kracht om zich heen slaat. Kerken kunnen hun leden niet meer zo vast houden, zoals dat wel voorheen leek te lukken. Waar vroeger de kerken op zondagen nog vol zaten, lijkt het wel of het ‘kerkvolk’ nu haar spirituele heil elders zoekt. Nee, niet dat Nederland en masse ‘van God los is’, dat zeggen de cijfers wel waaruit blijkt dat de mens ongeneeslijk religieus blijkt te zijn. Maar toch, in de kerk komen ze niet meer. Nu is er vreugdevol nieuws: zo te horen hebben kerken het panacee gevonden om mensen vast te houden en zelfs misschien weer voor nieuwe aanwas te zorgen.
Overal in den lande worden Pioniersplaatsen, Missionaire gemeentes of wat voor termen men er ook voor gebruikt ingesteld en worden predikanten bijgeschoold. Want, zo leerde ik laatst uit een artikeltje in Trouw ‘de preken niet meer aansluiten bij de belevingswereld van de kerkgangers aan’. Nu horen jullie mij niet zeggen dat een preek die aansluit bij de actualiteit niet nodig is, maar toch zet ik vraagtekens en voetnoten bij zo’n opmerking. Want waar leggen we het uitgangspunt van de kerkdienst? Ligt dat primair bij het individu? Wat beleef jij aan de kerkdienst? Hoe raakt het jou?
De Duitse theoloog Dietrich Bonhoeffer stelt in zijn boekje ‘Het wezen van de kerk’, colleges over ‘de leer van de kerk’ (uit de dertiger jaren van de vorige eeuw!) stelt dat het primaat ligt bij de samenkomst. ‘In de samenkomst gebeurt het, dat men de Geest ontvangt, gebeurt het wonder’. Ook bij de Reformatie, zo gaat Bonhoeffer verder, wordt het belang van de samenkomst in acht genomen. De reformatoren willen wel de vrije zelfstandigheid tegenover de kerkdienst, maar geen vrijheid van het individu ver van de samenkomst. Het ontspoorde echter toen in het protestantisme het accent kwam te liggen op de ervaring. Dan draait het om de individualistische vraag ‘Wat heb ik er aan?’ De typisch individualistische constateringen over bijvoorbeeld de onaantrekkelijkheid van kerkdienst, de slechte preken zijn dan onvermijdelijk. Men kan tenslotte, zo stelt Bonhoeffer, geen aannemelijke argumenten meer aanvoeren om de samenkomsten te bezoeken. Voorstellen tot verbetering, vernieuwing en activering, zo gaat Bonhoeffer verder, zijn er tegenwoordig (!) genoeg in de kerk. Maar de grondslag is overal de vrome ervaring. En dat is volgens hem geen goed uitgangspunt.
Dit werd gesteld in de jaren ver voor de Tweede Wereldoorlog. In onze tijd zien we nog steeds een zelfde soort beweging bij de kerk en de kerkgangers. Moeten we het hebben van het aanbieden van allerlei leuke, aangename religieuze theorieën waar het publiek naar harte lust in kan grasduinen en kan pakken wat hem of haar aanstaat en de rest in de bak kan laten liggen? Smeren we alles dicht met een theologie dat God overal en altijd bij je is? Gaan we zitten op de beleving van de mensen, onder het mom van ‘u vraagt en wij draaien’? Aansluiten bij de beleving van de mensen die bijvoorbeeld alleen in de kerk komen om bemoedigd te worden?
Een interessante mening hierover staat geschreven in Provocatie van Willem Maarten Dekker. In diepste essentie, zo zegt hij, gaat het om de radicaliteit van geloven. Geloven kost wat. Het vraagt om een totale, volledige overgave. Je ontmoet een God die aanwezig is, maar soms ook afwezig. Kortom, een God die niet altijd even sociaal acceptabel overkomt.
En of dat geloof nu grote groepen trekt of niet, de essentie van het Woord moet verkondigd worden. Een boodschap dient niet altijd even sympathiek overkomt. Voor een christelijk geloof dat in het Westen eeuwenlang in het middelpunt heeft gestaan is dat misschien even slikken. Kerk in de marge worden is zeker geen fijn proces.
Beleef de kerk? Ja, beleef de kerk! In haar samenkomsten, in een Woordverkondiging die een compromisloze, ongepolijste, tegendraadse boodschap van de Bijbel voor de wereld heeft.