De verwaarloosde betekenis van Advent

Ondanks de uitdaging om de oorsprong van Advent te achterhalen,
zijn twee dingen historisch gezien duidelijk over de viering zelf.
Ten eerste waren de weken voorafgaand aan Kerst,
in tegenstelling tot de vastentijd;
– een sobere periode van vasten,
bezinning over het lijden van Christus –
vol vreugde en feestelijkheid.
Tijdens Advent keek de kerk terug
om de incarnatie te vieren
als de vervulling van Gods belofte
om zijn volk te verlossen van zonde en de dood (Genesis 3:15).
De kerk verheugde zich met de apostel Johannes:
Het Woord is vlees geworden
en heeft onder ons gewoond’ (Johannes 1).
De diensten met Advent werden vaak afgesloten
met de doop en benadrukten nieuw leven
en de vereniging met de vleesgeworden Christus.

Wat echter vaak wordt verwaarloosd,
is dat diensten tijdens Advent
ook naar de toekomst keken.
De term ‘advent’ (Latijn: adventus)
is de vertaling van het Griekse woord parousia,
een woord dat in het Nieuwe Testament
altijd verwijst naar de wederkomst van de Messias.
Advent ziet uit naar de uiteindelijke vervulling
van alles wat Jezus’ incarnatie met Kerst in gang heeft gezet.
Daarom concentreerden adventspreken zich,
in plaats van op de geboorteverhalen in de evangeliën,
vaak op eschatologische passages
(zoals Lucas 21:25-36 en Matteüs 24:37-44)
of op de triomfantelijke intocht (Matteüs 21:1-9)
als een vreugdevolle verwachting
van Jezus’ zegevierende wederkomst.
Paus Leo I (400-461) herinnerde zijn gemeente eraan
dat Kerst zowel terug als vooruit keek:

‘Omdat we dus geboren zijn voor het heden
en herboren voor de toekomst,
laten we ons niet overgeven aan tijdelijke goederen,
maar aan eeuwige.
En om onze hoop beter te kunnen aanschouwen,
laten we nadenken over wat
de Goddelijke Genade onze natuur heeft geschonken,
juist op de dag dat we het mysterie
van de geboortedag van de Heer vieren.
Laten we luisteren naar de apostel,
die zegt: “Want u bent gestorven en uw leven
is met Christus verborgen in God.
Maar wanneer Christus, die uw leven is,
verschijnt, dan zult ook u met Hem verschijnen in heerlijkheid”,
die leeft en heerst met de Vader en de Heilige Geest,
voor eeuwig en altijd.’

Liederen van de Wederkomst

Deze toekomstgerichtheid kwam
niet alleen tot uiting in preken,
maar ook in liederen.
Misschien verwaarlozen we dan
wellicht de toekomstgerichtheid van Advent
in onze hedendaagse viering,
waar thema’s als hoop, vreugde, vrede en liefde,
de boventoon voeren.
Maar het thema van Jezus’ wederkomst is, verbazingwekkend genoeg,
diepgeworteld in onze favoriete kerstliederen.
De geschiedenis belicht de rijkdom
van de viering en verwachting van Advent.
En een praktische manier om de diepe vreugde
van deze toekomstgerichte tijd te hervinden,
zou gewoon kunnen zijn te geloven wat we zingen.

Kijk bijvoorbeeld hoe Isaac Watts’ (1674–1748)Joy to the World
Jezus’ glorieuze wederkomst
en zijn toekomstige koninkrijk viert
waar zonde en verdriet niet meer bestaan (Openbaring 21:4):

Jubel het uit.
De Heer is hier;
ontvang het koningskind!
Als redder van de aarde
geeft Hij het leven waarde.
Dus hemel en aarde, zingt!

Jubel het uit.
De Heer regeert;
wees blij, verhef je stem!
Zing als de schepping juicht,
aanbiddend voor Hem buigt
een vreugdelied voor Hem!

Zijn koningschap
zal eeuwig zijn,
rechtvaardig en vol kracht!
Laat ieder volk op aarde
zijn heerlijkheid ervaren;
de liefde die Hij bracht!
(Opwekking 525)

En in de zesde eeuw ontstond een reeks van zeven adventsliederen,
één voor elke dag van de week in de aanloop naar Kerst.
Deze zogenaamde Grote Antifonen (of de “O”-antifonen)
drukken elk het verlangen uit naar de wederkomst van de Messias:

Ontsluit, gij die de sleutel zijt,
die opendoet en niemand sluit,
het huis van dood en duisternis
waarin uw volk gekluisterd is!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!

Koning der volken, heers alom
en, eerste van de aarde, kom!
Gij hoeksteen, maak ons samen één,
verzamel allen om u heen!
O kom, ja, kom, Emmanuel!
Verblijd uw volk, uw Israël!
(gezang 125)

 

Wat is de verwachting van Advent?
Ja, dat het straks Kerst wordt, zul je zeggen.
Maar dat weten we al, al 2000 jaar.
Je kunt er de klok op gelijk zetten.
Als we doen alsof we door dat kerstcadeautje
nog verrast zijn,
dan spelen we een spel.
Niks mis mee,
maar echte verwachting in spirituele zin
gaat over wat anders.
Echte verwachting is open,
is dat je iets verwacht wat je niet verwacht.
Klinkt paradoxaal, of ook weer Cruijffiaans,
maar probeer maar eens even
met me mee te denken.

Echte verwachting is open,
is een manier van leven met het onverwachte,
met het oningevulde,
met dat wat op je afkomt of op je pad komt.
Het is een vorm van ontvankelijkheid,
ruimte laten voor het onbekende,
het nieuwe, het andere
dat jouw leven zomaar
een andere wending kan geven,
of een andere kleur aan je dag.

Voor sommige mensen is dat heel moeilijk.
Leven met het onverwachte.
Want de meeste mensen vinden het prettig
als je een zekere controle over je leven hebt.
Als er vaste patronen zijn en stabiele zekerheden.
Op een bepaalde manier heeft ieder mens dat nodig.
Overzicht. Structuur. Afspraken.
Vaak leven we zo,
alsof we zoveel mogelijk
de verrassing buiten sluiten,
want dat brengt je maar van je stuk,
dan ben je de controle kwijt.
Maar … als je geen cadeautjes verwacht, zie je ze ook niet.

De Vlaamse hoogleraar Rik Torfs houdt een pleidooi houdt voor onzekerheid.
Het is inspirerend om daar even bij stil te staan.
‘Hoe meer we over ons leven
volledige controle trachten te verwerven,
hoe verbetener we op zoek gaan
naar duidelijke, keurige zekerheid,
des te verder drijven we weg
van wat waarachtig menselijk is.
Zekerheid is een vergissing.
Zij verduistert wat wij verlangen.
In wat wij zeker achten,
schuilt de beperktheid van onze denkkracht.’

Het is geen koketteren
met je onzekerheid.
Want dan is het onecht, gespeeld, gemaakt.
Maar als het verbonden
wordt met dat echte van verwachting,
van een levenshouding die open en ontvankelijk is
voor wat zich aandient,
dan kan het vruchtbaar zijn om met die dubbelzinnigheid te leven.
Er is een dubbelzinnigheid die doodslaat,
die je vast doet lopen, als de twijfel de overhand houdt,
en alles van een vraagteken wordt voorzien
en je als het ware jezelf opsluit
in een voortdurende onzekerheid.
Maar er is ook een dubbelzinnigheid die ruimte geeft,
die niet doodslaat maar het juist levend houdt,
open, vanuit het onderliggende verlangen
naar heelheid en naar uitzicht.
Dat laatste is aan de orde als we het hebben
over de spiritualiteit van de verwachting van de Adventstijd.
Dat is de verwachting waar Jezus
in het evangelie ons op wil attenderen.
Dat de zomer in aantocht is,
om dat beeld van de vijgenboom (Mattheus 24)
maar eens aan te halen.
Dat het einde op handen is,
en het einde
is in het geloof het nieuwe begin.
Of, met een ander beeld uit het evangelie (Marcus 13),
Wees dus waakzaam, is het ’s avonds, 
of midden in de nacht, of bij het eerste hanengekraai,
of ’s morgens vroeg, maar hij komt!

 

Ja, vandaag is het dan eindelijk officieel Black Friday,
Deze koopjesgekte is ontstaan in de Verenigde Staten
en valt op de dag na Thanksgiving Day,
dat wordt gevierd op de vierde donderdag in november.
Op deze vrijdag hebben de meeste werknemers
in de Verenigde Staten vrijaf.
Black Friday wordt beschouwd
als het begin van het seizoen voor kerstaankopen.
Maar Black Friday is overal al lang verworden
tot een Black Week of Month, met allerlei (nep)kortingen
om je in aanloop naar december zo veel mogelijk
van je overvloed en (spaar)centen af te helpen.
Want ondanks ons eeuwige geklaag;
de meesten van ons leven momenteel
in een voor veel anderen
onvoorstelbare overvloed.

Want gedurende de geschiedenis
bezaten en produceerden de meeste mensen
ongeveer net genoeg om in leven te blijven.
Lange tijd maakten boeren
(d.w.z. mensen met beperkte of geen landeigendomsrechten
die afhankelijk waren van een lokale heer)
een groot deel van de bevolking uit.
En hoewel boeren in sommige gevallen
welvaart bereikten,
was dit eerder de uitzondering
op de regel van zelfvoorzienende arbeid,
Voor bijna iedereen was de kans
op hongersnood allesbehalve theoretisch.

In dat opzicht verschilde de situatie
in de vroegmiddeleeuwse Lage Landen
nauwelijks van die in het eerste-eeuwse Palestina.
Ook daar verdienden negen van de tien mensen
net genoeg om te overleven
– en soms zelfs niet zoveel.
Zowel Josephus als het Nieuwe Testament
maken melding van de hongersnood
die Judea van 44-48 na Christus teisterde.
Er was in die tijd en plaats geen sociaal vangnet.
Mensen stierven van de honger.

Het was dus tegen dit soort mensen
die zich permanent bewust waren
van schaarste
dat een zekere rabbijn – tot voor kort zelf een dagloner – zei:

‘maak je geen zorgen over je leven,
over wat je zult eten of drinken,
noch over je lichaam, over wat je zult aantrekken.
Is het leven niet meer dan voedsel
en het lichaam niet meer dan kleding?
(…) Zoek liever eerst het koninkrijk van God
en zijn gerechtigheid,
dan zullen al die andere dingen
je erbij gegeven worden.
Maak je dus geen zorgen voor de dag van morgen,
want de dag van morgen zorgt wel voor zichzelf.’
(Matteüs 6)

Jezus’ publiek zou het er nog mee eens zijn geweest
dat alles uiteindelijk van God komt.
Maar: ‘wees niet bezorgd over morgen’?
In een wereld waar hongersnood
altijd slechts één mislukte oogst verwijderd is?
Jezus, instrueert dus in die context,
zijn publiek met een stalen gezicht,
om te leven alsof overvloed,
en niet schaarste,
de ultieme realiteit in het leven is.
Niet voor het eerst
lijkt Hij meer dan een beetje losgezongen te zijn
van hoe het werkelijk is om op deze planeet te leven.

Voor zover sommigen van ons moderne mensen
in geïndustrialiseerde samenlevingen
zich iets minder zorgen maken
over verhongeren of sterven
door blootstelling aan de elementen,
is dit te danken
aan de menselijke vindingrijkheid (hartelijk dank)
die manieren heeft bedacht
om onze productiviteit radicaal te verhogen.
Een onmiskenbaar magnifieke prestatie
maar ook een die andere vormen
van schaarste heeft verergerd.

Denk bijvoorbeeld aan de ‘aandachtseconomie’:
de strijd om steeds korter wordende aandachtsspanne te behouden.
Dezelfde computertools
die onze huidige levensstandaard
mogelijk hebben gemaakt,
hebben ons ook aangesloten
op een constante stroom
van veel meer informatie
dan we ooit zouden kunnen verwerken.
Zozeer zelfs dat aandacht schenken,
ogenschijnlijk een fundamenteel kenmerk
van het mens-zijn,
steeds meer gewaardeerd wordt.

Of neem tijd.
De econoom John Maynard Keynes, speculeerde
halverwege de twintigste eeuw,
dat automatisering
en een hogere productiviteit
vanzelfsprekend zouden leiden
tot minder stress en meer vrije tijd.
Maar wat hij niet voorzag,
is dat een toenemende productiviteit
de verwachtingen over hoe productief
we zouden moeten zijn, verhoogt.
Tijd, altijd en overal,
is het ultieme ‘verdwijnende bezit’,
maar de wildgroei aan timemanagementstrategieën
en gadgets vertelt ons,
denk ik, dat tijd nog schaarser lijkt
wanneer van ons verwacht wordt
(of van onszelf verwacht wordt)
dat we leven ‘to the max’.

Ik denk niet dat het overdreven is
om te stellen dat schaarste
de meest urgente realiteit is
in de menselijke ervaring.
In de een of andere vorm geldt dit
voor elke menselijke cultuur.
We bestrijden schaarste
met de drang om te vereenvoudigen, te stroomlijnen,
meer te doen met minder,
lifehacks te vinden
of nieuwe technologieën uit te vinden.

Jezus zegt echter dat we het moeten negeren.
Of in ieder geval dóen
alsof schaarste
niet zo interessant of belangrijk is.
God voedt de vogels en bekleedt de lelies;
jij bent belangrijker dan een vogel of lelie voor God;
dus zal God voor je zorgen.

Stop met stressen.

Dit voelt niet ambitieus of inspirerend.
Het voelt krankzinnig:
Ik heb een hypotheek.
Ik heb geld, energie, focus en tijd nodig;
niet de bizarre aansporingen
van een of andere mysticus.
Weet Jezus überhaupt wel iets van inflatie?

Maar het vreemde is dat hij dat wel weet.
Jezus staat absoluut niet los
van de realiteit van het dagelijks leven
in zijn tijd en omgeving.
Hij is op de hoogte van actuele gebeurtenissen
zoals instortende torens
en de machinaties van Herodes Antipas
(‘die vos’, noemt Jezus hem. Geen compliment).
Hij lijkt zich een beetje te vervelen om het politieke spel,
maar hij is zeker niet naïef over de machtsstructuren
en de grote spelers in Galilea en Judea.
Hij maakt van een sluwe,
oneerlijke kleine manager
de held van een van zijn verhalen.
Politiek, belastingen, sektarisch geweld,
instortende infrastructuur;
de evangeliën beschrijven Jezus
in zijn interactie met een wereld
die heel anders is dan de onze,
maar die toch direct herkenbaar is.

Het verschil is dat ik inflatiecijfers,
begrotingsgevechten, geopolitieke manoeuvres
om schaarse hulpbronnen
en toeleveringsketens beschouw
als ‘de echte wereld’,
terwijl het Koninkrijk der hemelen uit de Bijbel
iets moois is, maar ook een beetje zweverig,
en een beetje abstract.

Maar Jezus zag de dingen precies andersom.
Het koninkrijk is de Realiteit,
terwijl de heren der heidenen,
het betalen van belastingen,
zelfs de dringende dagelijkse zorgen
over voedsel en kleding,
allemaal vluchtig of hooguit secundair zijn.
En het koninkrijk is overvloedig,
want de Koning geeft geen stenen
wanneer zijn kinderen brood nodig hebben.

Wat betekent het om te leven
alsof overvloed
en niet schaarste
het laatste woord heeft?
Ik weet het niet.
Wat ik wel weet,
is dat het vaak echt te krankzinnig voelt,
om te denken dat ik genoeg tijd,
geld, energie, focus
of wat dan ook kan besparen
om een leven op te bouwen
waarin ik vervulling of vrede vind.
Er zitten barsten in mijn nuchtere,
economisch rationele wereld
die me doen afvragen:
wat als ik geen geld, tijd, energie heb
– niets anders dan mijn dagelijks brood –
en ik er vervolgens achter kom
dat ik alles al heb wat ik nodig heb?

 

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Daar valt toch niet echt tegenin te gaan?
Het is een universeel erkende waarheid,
die diepgeworteld is in onze culturele identiteit.

Maar ik ben me gaan afvragen of het wel zo duidelijk is,
en of onze intuïtieve aannames wel standhouden.

Natuurlijk willen we allemaal ‘vrede op aarde’,
een vreedzaam leven in vreedzame gemeenschappen
en, in ieder geval soms, wat ‘rust en stilte’.
Vrede is iets goeds.
We verlangen ernaar, we omarmen het
en we eren degenen die het mogelijk maken.

Maar ik weet niet meer zeker of we wel goed begrijpen
waar het allemaal om draait.
Of is het allemaal een beetje duister
als je onder de oppervlakte graaft.

De aanhoudende stroom van gewelddadige conflicten
vanuit Oekraïne, Gaza, Soedan en elders
tot onze steeds meer gepolariseerde politieke debatten,
het buitensluiten van mensen
met wie we het oneens zijn
in identiteitspolitiek
en de venijnigheid van bredere cultuuroorlogen:
het is allemaal erg heftig en veel.
Veel mensen hebben dan ook besloten
het nieuws niet meer te volgen.
Deze trend lijkt in een recent rapport van het Reuters Institute
naar desinteresse in het nieuws te worden gestaafd.

Ik verlang naar doorbraken
op het gebied van vredesbemiddeling.

Toen werd mijn aandacht getrokken
door een artikel op een nieuwsplatform.
De kop luidde:
‘Trumps diepe obsessie:
Het winnen van een Nobelprijs voor de Vrede’.

Ik had al een vage herinnering dat president Trump
tijdens zijn eerste ambtstermijn
een beetje verbolgen was over het feit dat Barack Obama
de prijs had ontvangen,
terwijl híj, de Donald, hem niet had gekregen.
Maar het lijkt erop dat het meer is dan dat.

Verder wordt er geschreven
dat hij al jaren ‘geobsedeerd’ is
door het winnen van deze prijs
en dat zijn huidige regering
‘hem agressief pusht voor een Nobelprijs’.
Er wordt zelfs gesuggereerd
dat dit ook de onderliggende boodschap was
van de ruzie in het Witte Huis
met de Oekraïense president Zelensky.

President Trump is sinds 2016
al talloze keren genomineerd voor de Nobelprijs,
waarbij parlementsleden uit de VS,
maar ook uit Scandinavië en Australië
zijn naam daar inbrachten.

Sinds 1901 is de Nobelprijs 105 keer toegekend.
Dr. Martin Luther King jr.,
Nelson Mandela
en Moeder Teresa
lijken misschien de belichaming van zo’n prijs,
maar er zijn ook vaak controverses geweest.

Bijvoorbeeld de keren dat de prijs werd toegekend
aan Michail Gorbatsjov, Yitzhak Rabin,
Shimon Peres en Yasser Arafat;
die waren bijzonder controversieel.
Maar het was de keer dat de prijs aan Henry Kissinger in 1973
werd toegekend die de grootste ophef veroorzaakte,
waardoor twee van de vijf leden
van de selectiecommissie uit protest aftraden
en de toekenning door de pers werd gehoond.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’
Ja, wat wilde Jezus eigenlijk zeggen?
Wat hoorde de menigte hem zeggen?

Een snelle blik terug op de Bergrede bevestigde
dat ‘de zegeningen’ waarmee deze rede begint
vooral bestemd zijn voor degenen
die zich in een ogenschijnlijk achtergestelde positie bevinden:
‘de armen van geest … zij die treuren …
de zachtmoedigen … de barmhartigen … de vervolgden’.
Waarom benoemt Jezus dan ook de vredestichters
die door iedereen geprezen zouden moeten worden?
Zij zijn degenen die goede dingen doen met positieve voordelen.
Zij zouden toch door iedereen geprezen moeten worden,
waarom hebben zij een speciale zegen nodig?

Van het ‘vrede op aarde’ dat Jezus’ geboorte aankondigde,
tot zijn laatste geschenk aan zijn vrienden:
‘Vrede laat ik jullie na; mijn vrede geef ik jullie’,
vrede is de kern van Jezus’ boodschap.
Vrede ontvangen, vrede geven, vrede maken,
‘vrede zij met u’, ‘ga in vrede’,
ja, vrede is overal in de evangelieverhalen terug te vinden.

Natuurlijk is dit voor Jezus shalom,
of, terug naar het Aramees van zijn moedertaal, shlama.
Hoewel het een alledaagse begroeting is,
is de gedachte die in het woord besloten ligt
veel dieper en rijker:
het gaat over heelheid, welzijn en harmonie.
In plaats van alleen de afwezigheid van lawaai en conflict,
heeft dit soort vrede inhoud en diepgang.

Misschien is dat wel de reden waarom het ‘gesticht’ moet worden.

Want het is interessant dat Jezus niet zegt
‘gezegend de vredelievende mensen’
zij die slechts het leven van vrede ervaren en consumeren.
Evenmin legt hij de nadruk op ‘gezegend de vredestichters’:
zij die de grenzen bewaken.
Nee, het zijn ‘gezegend de vredestichters’,
als degenen die hun mouwen opstropen
en actief een omgeving van heelheid,
welzijn en harmonie creëren.

Geen probleem toch?
Wie is er nou niet een voorstander
van heelheid, welzijn en harmonie?
Nou ja, niemand denken we waarschijnlijk,
totdat we stuiten op wat Jezus later
zegt:

Jullie hebben gehoord dat er gezegd is:
‘Heb je naaste lief en haat je vijand.’
Maar Ik zeg jullie:
heb je vijanden lief
en bid voor hen die jullie vervolgen,
opdat jullie kinderen mogen zijn
van jullie Vader in de hemel.

Volgens Jezus draait vredesbemiddeling dus om
heelheid, welzijn en harmonie,
en de reikwijdte ervan reikt tot,
en omvat,
zelfs onze vijanden.
En waarom, omdat God het zo doet:

‘Hij laat zijn zon opgaan over slechten en goeden,
en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’

Dit is de maatstaf
voor de vorm van vredeshandhaving
waar Jezus het over heeft.

Je zou kunnen stellen dat vredesbemiddeling
een generatieproces is.
Dat het gaat om het vormgeven van hoe we samenleven;
als individu, in buurten of zelfs internationaal,
waar we dit soort principes belichamen en vormgeven.
Dit bereik je niet van de ene op de andere dag.

We stichten vrede en bouwen gemeenschappen op
waarin we in de loop der tijd floreren.
Ik ben omdat we zijn.
Het welzijn van ieder van ons
is afhankelijk van het welzijn van ons allemaal.
Dit is een manier van leven,
geen kant-en-klare remedie.

Maar hoe zit het met vredesbemiddeling
te midden van een conflict?

Dit is waar het vredesproces troebel wordt,
vooral als je onder de oppervlakte graaft.
Altruïsme van mensen, gemeenschappen en landen
in conflict staat zelden centraal in wat ze te bieden hebben.

Om dus zelfs maar te kunnen denken
aan een authentiek vredesproces,
moeten beide partijen in een conflict het willen.
Als dit niet het geval is,
zal de vredestichter ofwel falen
ofwel het risico lopen
als marionet in de handen
van kwaadwillenden
te worden gemanipuleerd.

Om daadwerkelijk het punt te bereiken
waarop een vredesproces kan worden gestart,
moeten de betrokken partijen
tot het besef zijn gekomen
dat de kosten van het voortzetten van hun conflict
de realistische voordelen
die ze kunnen behalen, overstijgen.

Vredesvoering moet altijd beginnen
met de bestaande situatie.
Het gaat er niet om de situatie te herstellen zoals die was.
Het gaat er ook niet om de toekomst te verwezenlijken
waar men van droomt.
Het gaat om een koude, harde confrontatie
met hoe de situatie werkelijk is.

Daarom is het impopulair,
vooral bij degenen
die de rechtvaardigheid van hun zaak nastreven,
hun doelen bereiken
en de overwinning nastreven in plaats van vrede.
De vredestichter is een actuele
en ongewenste herinnering aan hun falen.

Wanneer de vredesbemiddeling
vervolgens op gang komt,
kan degene die in het midden staat,
de vredestichter, geen partij kiezen.
Toch zullen beide partijen hen onvermijdelijk
als partijdig beschouwen,
omdat hun aspiraties tijdens de onderhandelingen
worden afgewogen.
Vredestichters worden gemakkelijk afgedaan
als verzoeners
of zelfs als verraders van de rechtvaardigheid.

Vrede stichten draait altijd om compromissen sluiten.
Het gaat erom de huidige situatie te accepteren
en zorgen opzij te zetten
om de best haalbare balans te bereiken.
Wolfgang Münchau schreef onlangs
over de vredesonderhandelingen over Oekraïne:

‘Het doel van vredesbesprekingen
is om de gaten op te vullen.
Beide partijen kunnen het ene stuk land
tegen het andere ruilen.
Met geld koop je dingen.
Maar vredesakkoorden gaan nooit over
wie gelijk heeft en wie ongelijk.
Ze gaan niet over historische claims.’

Pragmatisch in plaats van principieel,
een compromis wordt al snel afgeschilderd
als een vies woord.
Vredestichters lijken karakterloos,
zwak en moreel gebrekkig
en lopen het risico
door alle partijen
verkeerd begrepen
en verkeerd voorgesteld te worden.

Volgens de Amerikaanse politicoloog R.J. Rummel,
die zich specialiseerde
in de studie van oorlog en collectief geweld
met het oog op de oplossing
daarvan, is het een vergissing te denken
dat ‘vrede sluiten’ gelijkstaat
aan een ontwerp-, constructie- en bouwproject.
Hoewel hij zo’n visie verleidelijk aantrekkelijk vindt,
is het misplaatst te geloven
dat vrede centraal gepland
en geconstrueerd kan worden.

Vrede ‘ontstaat’ eerder
wanneer er een evenwicht ontstaat
tussen wat de betrokken partijen oprecht geloven,
daadwerkelijk willen
en werkelijk kunnen bereiken.
Deze wederzijdse zelfkennis
kan niet door een externe derde partij
in kaart worden gebracht
en kan slechts gedeeltelijk
door henzelf worden begrepen.

De kunst van de vredestichter
is het mogelijk maken
van een evoluerend proces
van wederzijdse aanpassingen.
Onderweg moeten ze ervoor zorgen
dat hernieuwde evenwichtige relaties
worden ondersteund
door een ‘verwevenheid van wederzijdse belangen,
capaciteiten en wilskracht’.
Vredestichters zijn verre van centrale messiasfiguren;
het gaat nooit om hen en hun ideeën of grootse plannen.
Ze zijn eerder mensen die zorgen dat dingen soepel verlopen
die moeten weten
wanneer ze zich bescheiden moeten opstellen
en uit de weg moeten gaan.

Rummel concludeert:

‘Vrede is een structuur van verwachtingen, een sociaal contract.
Het zal alleen worden nageleefd
als de partijen, om welke reden dan ook,
het in al hun overlappende belangen,
mogelijkheden
en wil vinden om dit te doen.’

Een moeizaam verworven vrede
kan buitengewoon fragiel blijven.

Ja, wie zou een vredestichter zijn?
Wie zou zich vrijwillig openstellen
voor manipulatie door kwaadwillenden?
Wie zou zich onderwerpen
aan de afwijzing van ongewenst, impopulair,
verkeerd begrepen, verkeerd voorgesteld
of afgeschilderd te worden
als verraders
van de rechtvaardigheid?

Bovendien moeten ze zichzelf wegcijferen
en begrijpen dat hun beste inspanningen
alleen maar tot precaire resultaten kunnen leiden,
als er al enig resultaat is.

‘Gezegend zijn de vredestichters!’

Inmiddels zijn er 338 kandidaten genomineerd
voor de Nobelprijs voor de Vrede van 2025.
Onder hen is wijlen paus Franciscus,

‘… voor zijn onstuitbare bijdrage
aan het bevorderen van bindende en alomvattende vrede
en broederschap tussen mensen, etnische groepen en staten.’

Overigens ging de Nobelprijs voor de Vrede dit jaar
naar de Venezolaanse oppositieleider María Corina Machado.

citaat toegeschreven aan Voltaire (Frans schrijver, filosoof en vrijdenker 1694 – 1778)

 

De moord op Charlie Kirk heeft veel mensen geschokt – ook mij.
De afgelopen tijd organiseerde Kirk pop-updebatten
op verschillende Amerikaanse universiteitscampussen.
Kirk was een jonge, welbespraakte conservatief
die zich waagde aan universiteitscampussen
– over het algemeen linksgeoriënteerde, progressieve plekken –
en zo het gesprek, het debat en de uitdaging aanging.
Hij was eigenzinnig, provocerend,
niet bang om impopulaire meningen te uiten,
hij wekte vijandigheid op, maar leek dat zelf zelden te laten blijken.
Geen vraag was taboe, hij leek respect te hebben
voor degenen die hem aanvielen
en hij maakte geen geheim van zijn christelijke geloof.

Nee, zijn mening was vaak niet de mijne.
Zijn opvattingen over wapenbeheersing,
over Israël en Donald Trump, bijvoorbeeld,
staan mijlenver van mijne af.
Maar het uitnodigen tot debat over controversiële kwesties,
het proberen om de mening van anderen te veranderen
door middel van discussie en redelijke argumenten,
is de kern van het publieke debat
en een goed functionerende democratie.
Er zijn maar weinig plekken
waar progressieven en conservatieven nog met elkaar praten
en de debatten van Charlie Kirk op de campus waren er daar één van.
Het is tragisch dat ze hem het leven kostten.

In onze tijd worden zulke gruwelijke daden
meestal niet gepleegd door een geheime, politiek gemotiveerde kliek,
maar vaak door een losgeslagen
of misleide, zelfgeradicaliseerde eenling,
beïnvloed door marginale groepen in de politiek of cultuur.
Sirhan Sirhan die Robert F. Kennedy doodschoot,
James L. Ray die Martin Luther King vermoordde,
en zelfs (ondanks alle complottheorieën) Lee Harvey Oswald
die John F. Kennedy vermoordde;
In Nederland kennen we natuurlijk
de moord op Pim Fortuyn of Theo van Gogh.
De daders vallen allemaal in de categorie van eenzame,
onevenwichtige mensen die doden
vanwege een of andere wrok,
soms losjes politiek gemotiveerd, maar meestal alleen handelend.
Complottheorieën zijn verleidelijk, maar meestal ongegrond.

Vaak misbruiken mensen, en dus ook politici
zulke daden voor het eigen gewin,
zoals afgelopen bleek
door de uitspraken van de Amerikaanse president.
Het is verleidelijk wanneer zoiets allerlei bredere
politieke en culturele lessen oplevert.
En daar is de afgelopen dagen geen gebrek aan geweest.
‘Omdat ze zijn ongelijk niet konden bewijzen, vermoordden ze hem’,
zo ging een cliché.
Het probleem daarmee is dat ‘ze’ hem niet vermoord hebben.
Eén jongeman – die nu gevangen zit – heeft dat wel gedaan.
De suggestie dat elke linkse persoon
in de VS of elders op de een of andere manier
verantwoordelijk is voor Kirks dood,
staat ironisch genoeg haaks
op de duistere motieven achter deze daad.

Het is Jezus die uitlegt waarom:
‘Jullie hebben gehoord dat er lang geleden tegen de mensen is gezegd:
“Pleeg geen moord, en wie moordt, zal terechtstaan.”
Maar ik zeg jullie:
“iedereen die boos is op zijn broeder, zal terechtstaan.
Iedereen die zegt: ‘Dwaas! “
Je loopt het risico om door het hellevuur getroffen te worden.’

Dat klinkt hard.
Want we vinden moord allemaal verkeerd,
maar je geduld verliezen met een collega?
Je buurman een idioot noemen vanwege op wie hij stemt?

Het gezegde wijst erop dat woede de wortel van moord is.
En kijk om je heen, wat is er tegenwoordig veel woede.

Er zijn verschillende soorten woede.
Er is de gloeiendhete, woedende soort
waarbij je bloed kookt en je temperatuur stijgt.
Toch kan die soort woede zich ontwikkelen tot een andere woede:
een verharde, vastberaden kwaadaardigheid,
een aanhoudende haat jegens de persoon
die je woede in de eerste plaats heeft uitgelokt
en een vastberadenheid om wraak te nemen,
of om diegene voor eens en altijd het zwijgen op te leggen.

Wat beide soorten gemeen hebben,
is de rode mist die neerdaalt en blijft hangen,
waardoor je niet verder kunt kijken dan de vijandschap,
een weigering om de menselijkheid in de ander te zien;
het feit dat ze uiteindelijk een ‘broeder’ zijn, zoals Jezus het noemde;
een blindheid voor de essentiële overeenkomst
tussen jou en de persoon die je haat.

Moorden zoals deze hebben altijd plaatsgevonden,
van Julius Caesar tot Abraham Lincoln,
van aartshertog Frans Ferdinand, tot Yitzhak Rabin.
En dat zal altijd zo blijven.
Geen enkele politieke oplossing
zal ooit de mogelijkheid uitwissen
dat een gestoord of boos persoon
het heft in eigen handen neemt
om een ander mens te vermoorden,
vooral niet iemand met politieke bekendheid.

Toch kunnen we iets doen.
Wanneer we algoritmes bouwen
die de sterkste en meest extreme standpunten aanmoedigen,
een mediacultuur die ruzie en verdeeldheid benadrukt,
weigeren de gemeenschappelijke menselijkheid
te zien in mensen met wie we het oneens zijn,
wanneer we de oppositie demoniseren
en hen de schuld geven
van alle maatschappelijke misstanden die we zien,
zaaien we het zaad
dat dit soort tragische gebeurtenissen mogelijk maken.

Een andere bedrieglijk eenvoudige wijsheid
uit het Nieuwe Testament luidt:
‘Laat de zon niet ondergaan terwijl u nog boos bent,
en geef de duivel geen voet aan de grond.’

Het is een goed advies.
Ja, we zullen van tijd tot tijd boos worden.
Maar laat het niet wortel schieten.
Soms kan een zekere gerechtvaardigde woede iets goeds zijn
maar dat is zeldzaam.
Woede is gevaarlijk voor ons mensen.
Het misleidt ons door te denken dat,
omdat we denken dat we gelijk hebben
– en dat zouden we best kunnen hebben –
het ons de vrijheid geeft om verachtelijke dingen te doen.
De kern van de christelijke wijsheid over woede
is dat het Gods recht is om toorn te uiten.
Onze woede, hoe gerechtvaardigd ook,
heeft de neiging te verharden tot iets sinisters.
Alleen God kan rechtvaardige woede in stand houden
die werkelijk gerechtigheid brengt.

De juiste reactie op de moord op Charlie Kirk,
de reactie die het christelijk geloof weerspiegelt
dat zo belangrijk voor hem was,
is niet om de schuld te geven aan een hele groep mensen,
om hen te bestempelen, te demoniseren
als de misleide jongeman die deze vreselijke daad beging,
maar om de essentiële menselijkheid
die we met onze vijanden delen, opnieuw te zien.
Het is het actief cultiveren van een cultuur
die terughoudendheid aanmoedigt in plaats van woede.
Het is leren meedogenloos om te gaan
met onze eigen neiging om wrok te koesteren,
onze eigen diepgewortelde vijandigheid
jegens degenen wier opvattingen we weerzinwekkend vinden.
Het gaat erom racisme te haten,
maar tegelijk racisten lief te hebben,
misdaad te haten, maar crimineel lief te hebben.

Verstandig reageren betekent
erkennen dat zelfs mijn vijand
– of hij nu progressief of conservatief is –
een mens is, geschapen en geliefd door God,
een mede-zondaar zoals ik,
en zoeken naar de dingen die we gemeen hebben,
meer dan naar onze verschillen.
Toen Jezus ons leerde onze vijanden lief te hebben,
vroeg hij ons misschien iets buitengewoon moeilijks,
maar het is het enige
wat de soort kwaadaardigheid kan overwinnen
die leidde tot de tragische dood van Charlie Kirk.

Zwolle, Sassenstraat 5 ‘Hij weet niet wat hij verliest, die het tijdelijke voor het geestelijke kiest. Als het komt op en scheiden, soo heeft hij geen van beiden’

 

Lopend door mijn eigen stad, Zwolle,
kom je nog weleens gevelstenen tegen
met een afbeelding of een opschrift zoals de bovenstaande.

Je zou dit opschrift ook zo kunnen vertalen:

Wat baat het een mens
als hij de hele wereld wint,
maar zijn eigen ziel verliest?

Het blijft toch een enorme aantrekkingskracht hebben:
macht en (extreme) rijkdom.
Maar mijn eerste gedachte is dan
dat mensen mensen zijn,
en dat rijkdom
niet al onze problemen oplost.
Er is in feite veel meer armoede,
zowel fysiek als spiritueel,
dan op het eerste gezicht lijkt.

‘Wat baat het een mens als hij de hele wereld wint,
maar zijn eigen ziel verliest?’
Het lokt ons streven uit:
degenen met weinig en zij met veel.
Wij denken vaak dat meer meer beter is.
Onze maatschappij voedt de strebers op,
en in die jacht op rijkdom beweren sommigen
dat zo onze maatschappij zijn ziel verliest.

De maatschappelijke ratrace heeft je geld afgepakt,
of je gedwongen om meer om geld te geven
dan je anders zou hebben gedaan.
Met andere woorden:
de wereld veroveren betekent je ziel verliezen.

Maar zelfs die indicatoren van mainstream rijkdom
en een eigen versie van cool zijn onzeker,
want economische turbulentie
brengt zomaar ook de veronderstelde fundamenten
van rijkdom aan het wankelen.
Rijkdom heeft een diepere basis nodig dan geld.
En de ziel heeft een warmere basis nodig dan coolness.
Men is op zoek naar oppervlakkige liefde
dat is wat het menselijk hart echt, echt wil.
En veel mensen denken dan:
‘weet je, als ik het geld heb en ik koop de spullen,
dan krijg ik meer liefde.’

Rijkdom, en ik zou zeggen coolness,
zijn bemiddelaars voor deze liefde.

Als christen zou ik zeggen dat
zorgen voor de ziel
betekent je openstellen
voor een liefde die veel rijker is
dan wat er aan de oppervlakte is.
Onze innerlijke vastberadenheid in wat ons drijft
en waar we ons aan wijden,
weegt veel zwaarder
dan de uiterlijkheden van het leven.

Ik heb mensen gezien die verblind waren door hun eigen rijkdom
en anderen die er totaal niet van onder de indruk waren.
En hoewel de meesten van ons
graag zelf zouden willen ontdekken
dat rijkdom een bedrieger is,
zijn zowel rijkdom als coolness irrelevant
wanneer de kist in de grond zakt.

In de Bijbel kom je in Mattheüs 19
een verhaal tegen dat goed aansluit
bij de levenswijze van
sommige mensen in onze tijd:
Toen een rijke jongeman,
overtuigd van zijn eigen goede leven en waardigheid,
Jezus de rug toekeerde,
was hij verdrietig
en hield hij vast aan zijn rijkdom.
Maar de ogen die op hem gericht waren,
hielden nog steeds van hem.

Still uit The Great Dictator met Charlie Chaplin (1940)

 

Het einde van een dictator,
kan – wanneer het komt –
akelig, bruut en op film vastgelegd zijn.

Moammar (Mohammed al-) Qadhafi, zelfbenoemd Broeder Leider en Gids van de Revolutie,
bracht de laatste momenten van zijn leven ineengedoken door
in een Libisch riool na een luchtaanval op zijn konvooi.
Toen hij werd ontdekt,
onderwierp een menigte hem aan een aantal
gruwelijke laatste mishandelingen voor zijn dood
– het soort einde waartoe hij duizenden genadeloos had veroordeeld.
Het was bijna bijbels en het werd vastgelegd met een beverige camera.

Maar het was niet het eerste in zijn soort in deze generatie.
Op eerste kerstdag 1989 werd het misvormde gezicht
van Nicolae Ceausescu op tv uitgezonden
na zijn standrechtelijke executie
door haastig verzamelde oppositietroepen in Roemenië.
Slechts enkele dagen daarvoor was hij een onaantastbare dictator geweest.

Vladimir Poetin heeft gesproken over Qadafi’s einde,
en dat verontrust hem duidelijk,
maar misschien zit Ceausescu’s dood diep in zijn gedachten
omdat het het bloedige einde was
van alle communistische leiders in Oost-Europa.

Dictator zijn is een allesverslindende baan.
Er worden onderweg te veel binnenlandse
en buitenlandse vijanden gemaakt
om de waakzaamheid te laten varen.
En hun ondergang komt vaak door toedoen van degenen
die het dichtst bij hen staan;
deze mensen kennen de bewegingen en zwakheden van de dictator
per definitie beter dan anderen en zijn het best geplaatst om die uit te buiten.
Het leger moet uitgerust zijn om afwijkende meningen te onderdrukken,
maar geef het te veel macht
en de generaals vormen een risico voor de dictator.
Maar als het leger niet over de juiste wapens beschikt,
wordt de controle over de bevolking moeilijker.
Veel dictators omringen zich met speciaal getrainde,
loyale bewakers om zich tegen het leger te verdedigen,
maar de terreurregel betekent
dat niemand de eerlijke waarheid spreekt
en dus overal risico’s dreigen.
Geen wonder dat dictators meestal paranoïde zijn
en zelf gekweld worden door de angst
die een cultuur van grillig geweld bij hen oproept.

Deze en andere theorieën worden onderzocht
door Marcel Dirsus in zijn boeiende boek
How Tyrants Fall.
Dirsus merkt op hoe dictators geld, wapens en mensen nodig hebben
om te overleven en hoe de elites om hen heen geloven
dat deze goederen zullen blijven bestaan.
Ze moeten de omringende elites ook onderdompelen in bloedschuld,
zodat hun lot verweven raakt met dat van de dictator;
Saddam Hoessein dwong anderen om zich bij hem aan te sluiten
in de moord en executie van tegenstanders.

Voor Dirsus zijn er twee manieren om een tiran omver te werpen.
De meest directe is om ze uit te schakelen,
maar dit is zelden eenvoudig.
Pogingen tot staatsgreep zijn vaak chaotisch in hun planning
en zelfs goed georkestreerde pogingen mislukken meestal;
de gevolgen voor de betrokkenen zijn altijd verschrikkelijk.
De tweede route is geduldig en pragmatisch,
gericht op het verzwakken van de tiran,
het versterken van alternatieve elites
en het machtiger maken van de massa.
Externe machten hebben vaak minimale invloed,
tenzij, zoals de VS in Irak,
het land wordt binnengevallen en de tiran wordt afgezet.
Sancties zijn vaak niet effectief genoeg om de elite te raken;
de geografische nabijheid van een staat
tot het land van de tiran kan nuttig zijn,
omdat het een basis biedt
van waaruit tegenstanders van het regime kunnen werken.

Moderne technologie verandert het politieke handelen
en maakt het voor grote groepen
gemakkelijker om zich tegen regimes te mobiliseren,
zoals te zien was in de kortstondige Arabische Lente.
Het stelt dictators ook in staat om tegenstanders beter te volgen
dan zelfs de gevreesde Stasi in Oost-Duitsland.
Op dit moment lijkt het erop
dat de tirannen een voorsprong hebben in dit spel.

Kort na de grootschalige Russische inval in Oekraïne
in februari 2022
zei een vriend tegen me dat hij bad
voor Poetins dood of ondergang.
Ik vroeg hem hoe zeker hij ervan was dat de persoon
die Poetin zou vervangen beter zou zijn.
Als de pragmatische route om een dictator omver te werpen
bestaat uit het versterken van verschillende elites
en het machtiger maken van de massa,
is de kans groot dat de elites het overnemen, niet de massa.
Dictators staan nooit toe dat de onderdelen
van de burgermaatschappij zich vormen;
democratische instellingen hebben decennia nodig om op te bouwen.
En ze benoemen zelden van tevoren opvolgers,
uit angst dat er alternatieve machtsbases ontstaan.
Wanneer dictators vallen,
leidt dit meestal tot aanvankelijke chaos en geweld
voordat een andere elite zich kan vestigen
van waaruit een nieuwe dictator zal voortkomen.

In haar geïnspireerde lofzang op het nieuws
dat ze de langverwachte Messias ter wereld zou brengen,
merkt Maria op hoe God
‘de machtigen van hun tronen heeft gestoten en de nederigen heeft verheven’.
Het is een omkering van rollen
die typerend is voor Lucas,
de het lied van Maria heeft opgetekend.
Het is een soort van eschatologie
die velen vandaag de dag willen verwezenlijken,
niet alleen in de toekomstige wereld.
Want wanneer de machtigen vandaag van hun troon worden gestoten,
worden ze doorgaans vervangen door de op één na machtigste persoon.
En als de troon vacant blijft of wordt betwist,
voelt wat volgt vaak als de geest
die uit een persoon in het evangelie van Mattheüs vertrok
en terugkeert met zeven andere geesten
die nog erger zijn dan hijzelf,
wat betekent dat
‘de laatste staat van een persoon erger is dan de eerste’.

Dit hoeft geen wanhoopsgebed te zijn,
maar een oproep tot een geïnformeerde voorbede,
dat weinig sturend advies biedt
voor Gods geopolitieke strategie,
maar veel wijsheid en geduld
van de ene Troon die standhoudt.

 

De eerste, Measure for Measure (Maat voor Maat),
ontleent zijn titel aan een regel uit Jezus’ Bergrede.
De zin ‘oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt’ uit Matteüs 7:1-2
staat centraal in de betekenis van het stuk.
Dit vers, samen met Marcus 4:24,
benadrukt het idee dat strengheid in het oordeel
met gelijke munt zal worden betaald.
Het stuk gebruikt dit Bijbelse concept
om de hypocrisie van Angelo te onderzoeken,
die Claudio’s daden met een hard oordeel veroordeelt
maar tegelijkertijd Isabella ter verantwoording roept.
Dit is een kenmerkende zet van Shakespeare:
een religieus geladen zin, doctrine of zelfs persoon nemen
en er theater van maken.
Hoewel sommigen beweren dat dit alles was
wat hij met religie of theologie deed,
denk ik dat hij meer doet.
Hij graaft namelijk in de diepten van de geloofstaal
om te zien of hij pareltjes kan vinden
die we misschien over het hoofd zien
als we alleen maar letten
op de identiteitspolitiek
van het Engeland van de Reformatie.
‘Genade is genade ondanks alle controverse’,
zegt een personage in dit stuk.
Dat zou de slogan kunnen zijn
voor Shakespeares theologische interventies.

We zien Shakespeare in Measure for Measure
zijn typische plezier beleven aan religie.
De hertog van Wenen geeft zijn macht weg om,
zoals hij beweert,
naar het buitenland te gaan
voor een stukje internationale politiek.
Sterker nog, hij sluipt meteen terug de stad in,
nu vermomd als een monnik
(een lid van de Franciscaner religieuze orde).
Hij vertelt de monnik die hem de gewaden leent
dat hij dit doet omdat hij er
een onverantwoordelijke gewoonte van heeft gemaakt
om de ‘strenge wetten en bijtende standbeelden’
van de stad te laten glippen.
Hij is, met andere woorden,
meer een barmhartige vader geweest
dan een rechtvaardige heerser.
Hij wil deze ‘vastgebonden gerechtigheid’
zelf niet losmaken,
omdat hij vreest dat zijn volk
daardoor zijn integriteit in twijfel zou trekken.
(‘Maar je bent altijd zo barmhartig geweest!’)
Dus bedenkt hij een plan om een van de edelen, Lord Angelo,
aan te stellen als hamer der gerechtigheid in zijn plaats.
Hij hint ook dat er andere redenen zijn voor zijn vermomming.
Ik kom later nog terug op dat stukje vooruitwijzing.

Angelo merkt meteen dat een episode zijn vaste hand nodig heeft.
Een heer genaamd Claudio
heeft zijn vriendin Julietta zwanger gemaakt.
Er zijn inderdaad omstandigheden
die het overwegen waard lijken:
de twee zijn verloofd en wachten alleen nog
tot ze haar bruidsschat ontvangt;
geregeld voordat ze naar de kerk gaan.
Maar Angelo wil niets van clementie weten.
Hij is streng, wordt opgemerkt.
Zo hoort het ook, antwoordt een wijze oude heer.
‘Genade is niet de genade die er vaak zo uitziet,’ zegt hij,
misschien met een knipoog
naar een kritiek op de werkwijze van de hertog.

Op dit punt in het stuk
hebben we onze twee vijandige kwaliteiten
in nette, aparte containers.
Eén container, genaamd De Hertog,
is enkel barmhartig.
Maar deze container
moet uit de staat worden verwijderd
zodat de andere,
genaamd Angelo,
zijn inhoud van genadeloze gerechtigheid kan tonen.

Maar, zoals Shakespeare het noemt,
beginnen de zaken al snel chaotisch te worden.
Angelo blijkt geheimen te verbergen.
De oude heer, die heeft gesuggereerd
dat de hertog overdreven barmhartig is,
suggereert nu dat Angelo
een beetje te streng is voor Claudio.
Hij suggereert voorzichtig dat Angelo,
als de tijd en plaats de gelegenheid hadden gehad,
zelf wel eens de wet had kunnen verbreken.
Angelo’s antwoord zegt misschien meer dan hij bedoelt:

Wat openligt voor de gerechtigheid,/ Dat grijpt de gerechtigheid aan.

Met andere woorden, gerechtigheid
houdt zich alleen bezig met wat ze kan zien:
een juweel dat alleen opvalt als het licht vangt;
als het begraven is of bezoedeld
dan lopen we er langs of vertrappen we het zelfs.

Dit is onze eerste hint naar Shakespeares omverwerping
van de gepolariseerde containers.
Luisterend naar Antonio’s toespraak,
beginnen we ons af te vragen
of rechtvaardigheid,
zonder ook maar een spoortje genade,
er niet een beetje oneerlijk uitziet.

En dan zien we Angelo zijn theorie in praktijk brengen.
Claudio’s zus komt naar hem toe om te smeken
om het leven van haar broer.
Angelo raakt al snel betoverd door haar schoonheid
en biedt haar al snel een deal aan.
Als ze hem wil ontmoeten voor seks in de tuin;
in het geheim natuurlijk,
zodat de misdaad niet
‘onrechtvaardig’ kan zijn;
dan zal hij Claudio vrijlaten.

Dit aanbod toont duidelijk
de verrotting van zijn rechtvaardigheidstheorie aan,
aangezien hij een contract,
een rechtvaardige band sluit
rond chantage en verkrachting.
Maar het ondermijnt ook de genade,
aangezien zijn voorgestelde gratieverlening
aan Claudio helemaal niet barmhartig is,
maar slechts de verzoening
van een ‘rechtvaardige’ overeenkomst.

En zie daar de verpakking rondom de containers
is bijna verdwenen:
Genade is geen genade die er vaak zo uitziet’,
maar gerechtigheid is geen gerechtigheid
die er alleen maar zo uitziet.
Rechtvaardigheid zo meedogenloos
als die van Angelo
blijkt onrechtvaardig te zijn,
net zoals genade zonder gerechtigheid
verstoken blijkt te zijn van genade.
Daarom vertrok de hertog,
en daarom faalt Angelo als zijn plaatsvervanger.

Maar de hertog is teruggekeerd,
en nu beginnen we te zien
wat zijn geheime bedoelingen zijn.
Hij gaat Claudio bezoeken voor biecht en raad,
en gaat ook naar Claudio’s zus
voor troost en advies.
Dit is een van de heerlijke plekken
waar Shakespeare speelt met religieuze stereotypen.
De ‘controverse’ over genade die ik eerder noemde,
is voor Shakespeares publiek een al te bekende,
namelijk of God ons redt door onze daden,
en dus door een contractuele gerechtigheid,
of door genade,
dat wil zeggen door een daad van onverdiende genade.
De katholieke kerk
werd over het algemeen (hoewel niet vaak terecht)
geassocieerd met de eerste,
de protestanten met de laatste.
Maar het is hier een katholieke monnik
(of in ieder geval een vermomde!)
die binnenkomt als de gepersonifieerde genade.

De hertog/broeder bedenkt een plan,
en het loopt bijna net zo mis
als het plan van de beroemde monnik in Romeo en Julia.
Dat wil zeggen dat onze komedie
bijna een tragedie wordt.
Ik zal het einde niet verklappen,
mocht u het vergeten zijn
of het nooit hebben gelezen of gezien.
Maar ik geef een hint:
de hertog is bij zijn terugkeer
niet langer de belichaming van
onrechtvaardige genade zoals voorheen.
Nu ziet hij duidelijk in
dat ware genade rechtvaardig is,
en ware gerechtigheid genade.
De twee moeten elkaar kussen,
zoals psalm 85 het stelt.
Zijn slimme oplossingsvoorstel
draait om het laten kussen
van genade en gerechtigheid.

 

Vakantie…yes!! Het is weer zover!!
En tijdens die zomervakantie
gaan onze gedachten vanzelfsprekend uit
naar een ontsnapping aan ons gewone leventje
dat zich waarschijnlijk voornamelijk op het land afspeelt.
En voor velen van ons zal die ontsnapping
dan een verblijf aan zee kunnen betekenen.
Ja, het is waar, als landrotten zijn we graag aan zee.
Onze zielen lijken te lijden onder een jaarlijkse ervaring,
terwijl we richting de kust slenteren,
mompelen: ‘Ik moet weer naar de zee…’

We willen op vakantie aan zee;
zoals de markt voor tweede huizen aan de zee
of op een eiland zal bevestigen.
We willen ook permanent aan zee wonen,
of op zijn minst aan het water.
Sommige experts schatten dat woningen aan het water
gemiddeld zo’n 48 procent meer waard zijn.
Water verkoopt.
Misschien omdat de nabijheid ervan
een soort mentale ontsnapping biedt
aan de overweldigende rigiditeit
en lineariteit van onze overwegend stedelijke omgeving.

De Britse psychiater Ian MacGilchrist
stelt in zijn boek
The Divided Brain and the Search for Meaning
dat ons moderne leven lijdt
onder de triomf van de aandacht
van de linkerhersenhelft voor de wereld.
Dit is een gerichte aandacht
die draait om controleren en verkrijgen.
Het leidt tot de creatie
van een op zichzelf staande en geordende wereld
met weinig aandacht voor context.
En zo weinig aandacht voor de natuurlijke, complexe,
vloeiende realiteit van de schepping.
MacGilchrist brengt vervolgens
de toename van diverse psychische aandoeningen,
gekenmerkt door wat hij ‘tekorten in de rechterhersenhelft’ noemt,
in verband met industrialisatie
en de ontwikkeling van onze moderne cultuur.

In zijn boek Blue Mind
onderzoekt bioloog Wallace Nichols
het bewijs voor het positieve effect
van water op de hersenen.
Hij benadrukt hoe de nabijheid van water
kan helen, herstellen,
ons een gevoel van verbondenheid kan geven
en rust kan bevorderen.
Hij stelt dat water onze geest kan verschuiven
het is een soort mentale aandacht dat rust genereert.
Met, aan, of liever nog, in water zijn,
is ongetwijfeld goed voor ons.
Dus geen wonder
dat we ons ertoe aangetrokken voelen.

Maar tegelijkertijd is water,
en met name de zee,
een bron van angst geweest.
Een no-go area ‘waar draken zijn’, oké, kreeften zeker,
waarschijnlijk haaien en walvissen.
De zee blijft een van de laatste plekken van mysterie,
een ondoorgrondelijke, ondoorgrondelijke plek
met eindeloos donker water.
We weten meer over de verre uithoeken
van het universum
dan over de werkelijk diepe oceaan.
Mythische wezens van de diepte,
blijven de slinkende ruimte
van onze verwondering en angst
voor het onbekende bevolken.

In de christelijke traditie is de zee
een plek van diepe paradoxen.
De schepping begint met Gods Geest
die boven het water zweeft.
Maar de zee wordt ook vaak opgevoerd
als een plek
van Gods afwezigheid.
De zee is de plek van monsters, mysterie en dood.
Het is ook de plek van misschien wel
de beroemdste walvis uit de literatuur.
De walvis die de ongelukkige Jona opslokt.
Jona’s verhaal drukt de diepe paradox uit van de zee
als een plek van dood en tegelijkertijd
ook een plek van goddelijke ontmoeting.
Het is in de diepten van de zee,
en in het spijsverteringsstelsel van de walvis,
dat Jona’s openbaring plaatsvindt
en zijn reis opnieuw begint.

Verhalen van Jezus behandelen
ook deze paradox van wildheid
en ontmoeting in de chaos van de zee.
In het verhaal van het kalmeren van de storm
wordt de woeste dreiging van de zee niet voorgesteld
als iets dat simpelweg vermeden moet worden.
Jezus is geen fixer
die alle dagelijkse gevaren overbodig maakt.
Het verhaal vertelt eerder dat juist in zulke momenten
van wildheid, woede en angst
zijn krachtige aanwezigheid voelbaar is.
We verlangen naar de zee, en naar het water,
naar meer dan alleen
een balsem voor de geest.
De zee blijft die plek,
in onze gemechaniseerde, technologische wereld
met haar constante lokroep van controle,
waar een onderdompeling in een gevaarlijk mysterie
nog steeds kan worden ervaren.
Van de vaste wal in zee stappen
is de mogelijkheid van de dood en
(paradoxaal genoeg) de reële mogelijkheid
van een dieper leven binnengaan.
Meegevoerd worden door de zee
en naar de horizon kijken
is contact maken met onze eindigheid
in de context van de uitgestrektheid van de zeeën.
Het is ons verbinden
met onze volstrekte afhankelijkheid
van de schepping die we bewonen
en ons verbinden met de aanwezigheid
die die schepping bijeenhoudt.

De zee in stappen is daarom zelfs een stap van geloof.
Een stap in de richting van onze eigen kwetsbaarheid.
Een moedige stap weg van de wereld
waarin onze technologie, onze algoritmes,
onze machines en onze wolkenkrabbers
ons misleiden tot een geloof
in onze eigen controle, onze eigen suprematie.
Een stap in de diepte.
‘De roep van vloed naar vloed’, zegt de psalmist,
‘al uw golven slaan zwaar over mij heen.’
Als velen van ons deze zomer de zee in stappen,
kan dat zeker een stap zijn
naar een herstelde geestesgesteldheid,
maar het kan ook een stap zijn naar een herstelde ziel.

 

Vandaag is het Hemelvaartsdag.
Maar wat houdt Hemelvaart eigenlijk in?
Aan de ene kant zegt het woord alleen het al:
Jezus is naar de hemel gegaan. ‘Gevaren’, met een ouderwets woord
– denk aan het Duitse ‘fahren’ dat ook niet alleen op schepen slaat.
Je kunt een plaatje voor je zien zoals in sommige kinderbijbels:
Jezus die op een heuveltop staat en dan opstijgt, zijn voeten al los van de aarde.
Maar aan de andere kant is het niet zo duidelijk wat Hemelvaart inhoudt.
Sowieso omdat wij het lastig vinden om ons de hemel ruimtelijk voor te stellen.
Kom je bij God door lang genoeg omhoog te gaan?
Nee, waar de hemel zich bevindt is niet het punt van hemelvaart.
‘Jezus ging naar zijn Vader’, dat is misschien meer to the point.
De vraag blijft echter: waarom zou je dat vieren?
Dan is Jezus dus niet meer bij ons.
Ja, wat zou het mooi zijn als je gewoon naar de Heer toe kon stappen,
met Hem kon praten en Hem om hulp vragen!
Is Hemelvaart dan het vieren van Jezus’ afwezigheid?
Welnee!
Het is juist andersom:
Hemelvaart is het vieren dat Jezus nu overal even dichtbij is.
Volgens het Mattheus-evangelie waren dit Jezus’ laatste woorden:
‘ik ben bij jullie, alle dagen, tot het einde van de wereld’.
Hemelvaart wil juist zeggen: Jezus is er!
Al zie je Hem niet, Hij is erbij, altijd.
We kunnen ons wél nog tot Hem wenden,
tot Hem spreken en zijn hulp vragen.
In gebed, heel eenvoudig.
En dan zul je merken dat Jezus niet een afwezige is!
Hoe, dat weet ik niet.
Maar Hij is er, voor ieder die Hem nodig heeft.
Iemands laatste woorden maken vaak diepe indruk.
Laten wij dan letten op Jezus’ laatste woorden:
‘Ik ben bij jullie, altijd’.
Dát is wat we met Hemelvaart mogen vieren.
Zijn nabijheid, ook nu.