Ach, wat was Nederland weer in rep en roer
toen laatst de eerste sneeuw van het seizoen viel:
code geel en oranje werden afgekondigd voor het verkeer.
Maar andere mensen worden jaarlijks weer helemaal blij van – de eerste – sneeuw.
Waarom verbaast sneeuwval ons nog steeds?
Ik denk omdat we verlangen naar sneeuw in deze tijd van het jaar,
omdat verlangen het enige is wat er te doen is.

Ja, waarom voelen we ons zo aangetrokken tot sneeuw?
En wat zegt het over ons dat we dat zijn?
De Duitse socioloog Hartmut Rosa begint zijn boek Unverfügbarkeit met deze prachtige woorden:

Herinner je je nog de eerste sneeuwval
op een late herfst- of winterdag, toen je een kind was?
Het was alsof er een nieuwe realiteit binnendrong.
Iets verlegen en vreemds dat ons kwam bezoeken,
neerdaalde op en de wereld om ons heen veranderde,
zonder dat we er iets voor hoefden te doen.
Een onverwacht geschenk.
Vallende sneeuw is misschien wel
de puurste manifestatie van onbeheersbaarheid.
We kunnen het niet fabriceren, afdwingen
of zelfs maar met zekerheid voorspellen.

Rosa betoogt dat we de grootste betekenis vinden
in datgene wat oncontroleerbaar blijft, buiten ons bereik.
We verlangen in deze tijd van het jaar naar sneeuw
omdat verlangen het enige is wat we kunnen doen.
Nee, kunstmatige sneeuw zal altijd teleurstellen.
We kunnen onze eigen ontzag niet fabriceren.

Rosa waarschuwt dat de moderniteit is opgebouwd rond
het idee, de hoop en het verlangen
dat we de wereld beheersbaar kunnen maken.’
Op een gegeven moment leidt meer invloed op iets ertoe
dat dat ding wordt gereduceerd tot een instrument
dat alleen onze verlangens kan frustreren.

Als ik ga zitten om een film te kijken die eindelijk wordt gestreamd.
Uiteindelijk ontwikkelt zich de film na 20 minuten wat traag.
Vervolgens ga ik naar iets anders te kijken,
om te eindigen met de vraag of ik de film niet in de bioscoop had moeten gaan kijken.

Of als ik luister naar de podcast
van het evenement waar ik niet naartoe wilde.
Ik spoel hem wat vooruit
terwijl ik de was in de wasmachine doe.
Maar ten slotte kan ik je niet vertellen
wat ze hebben besproken.

In elk van deze gevallen heeft technologie me,
op zijn minst op één niveau,
meer controle gegeven en me toegestaan
mijn omgeving meer in overeenstemming vorm te geven
met mijn verlangens.
Rosa stelt vast dat elk verlangen wordt
gedreven door een verlangen om iets dat nog onbereikbaar is
binnen ons bereik te brengen.
En toch wordt in elk geval datgene wat ik wenste
– de ervaring van het kijken naar een geweldige film
of deelname aan een stimulerend gesprek –
in gevaar gebracht door deze veronderstelde verbetering.

Wat wij zien als een drang om meer keuze te maken,
gaat vaak eigenlijk over controle.
Als we het zo stellen, wordt de drang niet ongeldig,
maar worden we ons wel bewuster van de kosten.
Meer keuze betekent voor mij meer controle over iets of iemand.

Tegelijkertijd kan meer controle over de omgeving
ook minder zelfcontrole betekenen.
Ik ben een bundeltje tegenstrijdige verlangens,
en hoe meer ik word aangemoedigd
om ze allemaal na te streven,
hoe meer ik word aangespoord
om geen van hen consequent na te streven.

In de Adventstijd herdenken christenen de geboorte van Jezus,
maar het primaire doel ervan wás en ís
om onze blik te richten op het einde van de wereld.
We kunnen het kerstverhaal misschien zoetig maken,
maar de apocalyptische oproep van Advent
zal altijd weerstand bieden aan onze behoefte aan controle.
Advent kijkt uiteindelijk ook vooruit omdat we zullen sterven,
dat de wereld zal vergaan
en dat we allemaal geoordeeld zullen worden.
Nee, je hebt er geen controle over.

Hoe we ook denken dat we alles onder controle hebben,
Advent onthult dat het een schijnvertoning is.
Er zullen altijd dingen zijn die buiten onze greep liggen
en we besteden veel tijd aan het afleiden van onszelf ervan,
door te doen alsof het anders is.

Advent verzekert ons dat we deze realiteit onder ogen moeten zien,
maar dat we dat niet alleen kunnen.
De God die als baby kwam en werd geëxecuteerd,
en de extremen van menselijke kwetsbaarheid ervoer,
is nu bij ons.
Het is die God die aan het einde komt.
Het is die God wiens liefde ons troost en moed geeft.

Het is dus logisch dat we op dit moment van het jaar
op zoek zijn naar sneeuw.
Iets in ieder van ons zoekt nog steeds naar iets dat buiten ons ligt,
iets dat geen enkele technologie of systeem kan organiseren of temmen.
Sneeuw fungeert dan als een echo van dat diepere gevoel
van kwetsbaarheid dat we allemaal proberen te vermijden.
Het wekt ons verlangen op om geconfronteerd te worden
met iets dat werkelijk ontzagwekkend is.

In Adventsperiode vinden we de belofte van waar we naar hebben verlangd:
een God die zal komen en alles zal herstellen,
een oncontroleerbare God die komt als sneeuw.
Advent roept ons op om de door de mens gemaakte kunstsneeuw
weg te doen en ons voor te bereiden op de komende sneeuwstorm.
Dat kan ons helpen te zien waar deze nieuwe realiteit zich nu al opdringt.

 

De moeite van gebed en geloof is een heel specifieke moeite.
Het is niet de moeite van het leren
van nieuwe dingen, die vraagt om oefening.
In die zin is bijvoorbeeld het leren zeilen, preken moeilijk.
Het is ook niet de moeite van de inspanning en motivatie,
die vraagt om vastberadenheid en doorzettingsvermogen.
In die zin kost, letterlijk,
bijvoorbeeld het spitten van de tuin moeite;
in figuurlijke zin geldt dat bijvoorbeeld voor een moeilijk gesprek.
Ten slotte is het ook niet de moeite van het begrijpen,
die vraagt om aanleg en om intellectuele helderheid.
In die zin kost, voor sommigen, bijvoorbeeld
de abstractie van de wiskunde moeite.
De moeite waar het hier over gaat,
de moeite van de Godsontmoeting,
is de moeite van de innerlijke ervaring,
die een mens vooral overkomt.
Het gaat hier om een ‘passieve’ moeite,
in de Griekse betekenis van het woord:
ondergaan, ervaren.
Daarin spelen de andere elementen natuurlijk wel een rol,
maar zij vormen niet de diepste betekenis.
Oefening, vastberadenheid en doorzettingsvermogen,
intellectuele verheldering:
het zal de moeite ten diepste niet wegnemen.

De moeite van deze innerlijke ervaring
heeft te maken met de ongrijpbaarheid van God,
en die ongrijpbaarheid is blijvend.
Ook de christelijk beleden genadevolle mogelijkheid
om God zélf te ontmoeten neemt haar niet weg.
Integendeel: dat verscherpt juist.
Blijkbaar is de God die ons wil ontmoeten
ook een God die onkenbaar blijft.
Karl Rahner, een Duits rooms-katholiek theoloog,
heeft hier over nagedacht en zegt dan dat God zich ‘mededeelt’ en bekendmaakt:
maar dat God altijd ook ‘onderscheiden’ en dus onbekend blijft.

Dat dubbele van God probeert Rahner te begrijpen
met de woorden ‘het heilige geheim’.
God is een geheim, in de zin dat het begrip van God
en het contact met God nooit alomvattend en volledig zijn.
Dat die God zich toch laat kennen, ja:
de mens bevestigt in de openheid voor Hem,
kan alleen maar als pure liefde beschouwd worden.
Dat is volgens Rahner het ‘heilig’ geheim’.

Maar dat laat onverlet
dat de moeite met God heel concreet voorkomt.
Ook Rahner observeert het bij tijdgenoten die proberen te bidden:

Het gebed schijnt voor de mensen van deze tijd een monoloog
of, in het beste geval, een gesprek met zichzelf,
en niet een gesprek dat men serieus
en zonder al te veel voorbehoud een tweegesprek,
een dialoog, zou kunnen noemen. (…)
Dat de persoonlijke God door ons aangesproken kan worden,
dat blijft duister; en vooral dat hij antwoordt
als hij aangesproken wordt, en niet blijft zwijgen,
dat zou in ieder geval duidelijker gemaakt moeten worden’.

Men ervaart heel duidelijk, dat God anders is dan al het andere,
anders dan de vele concrete dingen in het bestaan.
Ook Rahners eigen ervaring getuigt van moeite met God.
Hij bidt en schreeuwt tot God:

‘God van mijn leven!
Maar wat zeg ik dan, als ik u mijn God,
de God van mijn leven noem?
Zin van mijn leven?
Doel van mijn levenswegen? …
God van mijn broeders? God van mijn voorvaders? …
nooit zou ik u met één van die woorden volledig uitdrukken.
Maar waarom begin ik er dan eigenlijk aan
om met u over u te spreken?
Waarom kwelt u mij met uw oneindigheid,
als ik die toch nooit kan uitmeten? …
Heer, wat wordt mijn geest radeloos,
als ik over u met u praat!
Hoe kan ik u anders noemen dan de God van mijn leven?
Maar wat heb ik daar dan mee gezegd,
als immers toch geen naam u benoemt?’

Het kennen van God
blijkt meteen ook de ‘kwelling’ van de ervaring
dat God mijn kennen overstijgt.
Dat geldt bovendien niet alleen voor het gebed,
maar voor heel het christen-zijn.
Rahner aarzelt niet om te stellen dat christenzijn
ons brengt naar de

donkere afgrond van de woestijn,
ja zelfs: dat God die donkere afgrond is.
En die donkere afgrond wordt niet straks, ooit eens,
tot een met licht overgoten vlakte,
als we namelijk God in zijn hemelse heerlijkheid mogen aanschouwen
van aangezicht tot aangezicht.
Integendeel: dan zal de stekel van Gods onbegrijpelijkheid
pas echt duidelijk worden’.

De hemel biedt volgens hem in dezen dus geen hoop.

(dit draadje pak ik begin volgend jaar weer verder op)

 

“Hoe kan ik God ontmoeten, in concrete daden van
liturgie, gebed of in het dagelijks leven?”,
Dat is een vraag, of beter een klacht van veel mensen,
die soms leidt tot twijfel aan Gods bestaan.

Zo helder en eenvoudig soms de geloofsbelijdenis en de liturgie spreken over God,
zo onhelder en moeizaam is soms onze ervaring van God.
Het christelijke geloof voorkomt deze ervaring niet, en bevrijdt ons er ook niet van.
Geloof maakt het juist specifieker en scherper.
Hoe komt de God die in geloofsbelijdenis
zo helder omschreven en zo goed gekend lijkt, echt voor mij ten leven?
Hoe worden de woorden en de uiterlijkheden van de liturgie
en van mijn gebed – ‘Onze Vader’, Avondmaal, enzovoorts –
tot bemiddelaars van werkelijke Godsontmoeting?

Of deze uitspraken in de precieze zin van het woord
vragen zijn, is niet zo zeker.
Mocht er een rationeel antwoord op te geven zijn,
dan blijkt namelijk dat dit niet afdoende is.
Dit soort uitspraken lijkt daarom eerder de rationele verwoording
van wat ten diepste innerlijke ervaring is.
Zoals de vraag van een doodzieke mens ‘waarom geeft God dit mij?’
meer een klacht dan een vraag is,
of zoals de psalmist meer klaagt dan vraagt
‘waarom hebt Gij onze omheining verwoest?’ (Psalm 80).
Dit zijn uitspraken, gesteld in de vraagvorm,
die een ervaring uitdrukken:
zo gemakkelijk als het is om de geloofsbelijdenis op te zeggen
en een gebed of liturgie te ‘doen’,
zo moeizaam is liturgie vieren
en God beleven met heel ons hart en wezen.

‘En toch…’.
Wat is de moeite tussen het gebed en het geloven?
Wat voor moeite is het eigenlijk?
Hoe verhouden zich moeite en Gods nabijheid?
Hoe moeten we de ervaring van moeite hanteren?
‘En toch’.
Want dat er vragen zijn, en blijven, sluit geloven niet uit;
eerder past het bij geloven.
en dat moeite ervaren wordt, en ervaren blijft worden,
sluit de nabijheid van God niet uit;
eerder past het daarbij.
Het verstandigste om te doen is:
je overgeven en volhouden.

 

Ten slotte:

geheel
– Lees ik regelmatig uit verschillende delen van de Bijbel
(het Oude Testament, de brieven van Paulus,
de Psalmen, Openbaring, Evangeliën, enzovoort)?
Bij geestelijk voedsel
geldt hetzelfde als bij ‘gewoon’ voedsel:
variatie is erg belangrijk.
Lees niet alleen Bijbelteksten die jou passen of aanspreken.
Ontdek ook dingen in teksten die je nooit eerder heb gelezen.
Blijf ontdekken, dat voorkomt sleur!

– Ben ik eerlijk ten opzichte van de Bijbelgedeelten die ik lees?
Sta ik open voor vermaningen en tegenspraak?
Mensen als u en ik zijn snel geneigd om Bijbelteksten die ons niet ‘passen’,
bijvoorbeeld omdat ze onze levensstijl onder kritiek stellen,
terzijde te leggen.
Maar is dat wel zo eerlijk? ‘
God houdt van ons zoals we zijn’, zei iemand,
‘maar Hij houdt téveel van ons om ons zo te laten.‘
Geven wij door het Bijbellezen Gods Geest
een kans om aan leven te bouwen en te verbeteren?
Durf je open te staan voor tegenspraak en vermaning?

Afsluitend
Bijbellezen wordt gemakkelijker als je bij elke tekst steeds drie vragen stelt:

  • Wat zegt deze Bijbeltekst over God, die zich in Jezus toont aan mensen?
  • Wat zegt deze tekst over mijn leven met God?
  • Wat zegt deze tekst over mijn leven met de wereld om mij heen?  

Met het hanteren van deze eenvoudige checklist zal het Bijbellezen je meer plezier gaan geven en je meer gaan opleveren.

 

Een ander fenomeen
dat met deze huidige technologische ontwikkeling kan optreden
is de ‘angst voor het algoritme’.
Je kunt het omschrijven als ‘het besef dat we constant te maken hebben
met geautomatiseerde technologische processen
die buiten ons begrip en onze controle liggen,
of het nu gaat om onze Facebook-feeds,
Google Maps-routebeschrijvingen
of Amazon-productpromoties.’

Want we begrijpen algoritmes totaal niet.
Zelfs als we dat wel zouden weten,
zouden we niet weten hoe ze daadwerkelijk op ons werken,
omdat elk technologiebedrijf het geheim houdt,
zodat concurrenten er niet van kunnen leren.
Dit heeft ertoe geleid dat het algoritme
de nieuwste boeman van deze tijd is geworden,
een spook waar we in gesprekken naar kunnen verwijzen
om ons technisch onderlegd en cultureel onderlegd te laten klinken,
zelfs terwijl we in het duister blijven tasten.
Dat we een ‘konijnenhol’ in worden getrokken
waar we niet meer uit kunnen komen.
Zo kan een algoritme gaan werken.

Een van de vreemdste uitkomsten van de opkomst van het algoritme
zijn de schijnbaar enorme effecten op politiek en cultuur.
In de politiek heeft het mensen gepolariseerd,
ons in tegenovergestelde kampen verdeeld
en er vervolgens voor gezorgd
dat we alleen maar goede dingen horen over onze ‘kant’
en alleen maar krankzinnige dingen over de ‘tegengestelde’ kant.
In plaats van rustig naar een andere mening te luisteren,
slingeren we anderen beledigingen naar het hoofd.

Iets anders gebeurt met de cultuur.
Hier maakt het algoritme cultuur homogener;
Anders gezegd: het wordt meer ‘afgeplat’:
het populaire ‘bijzondere’ wordt populairder en het ‘gewone’ nog minder zichtbaar.
Het is een vreemde remix van Jezus voor het digitale tijdperk:
‘aan allen die hebben, zal meer worden gegeven…
maar van hen die niets hebben, zal zelfs wat ze hebben worden afgenomen.’

Er wordt bijvoorbeeld gezegd
dat het leven van een Instagram-bericht
wordt bepaald in de eerste vijf minuten:
Als mensen het ‘liken’, kan het zeker zijn van meer populariteit;
als mensen geen interesse tonen, zal het zinken.
Zichtbaarheid op sociale media is van vitaal belang
voor veel mensen, omdat dit is waar alle publiciteit begint.
Men probeert het systeem te omzeilen en proberen erachter te komen
wat voor soort content het algoritme zal promoten.
In het proces wordt hun creatieve expressie subtiel gecompromitteerd.
Mensen beginnen te schrijven in een stijl die aandacht trekt,
en wat aandacht krijgt, wordt bepaald door het algoritme.
Degenen die tweeten, weten hoe het korte, uitgeklede medium
hun leven begint te beïnvloeden als ze niet op X zijn.
Veel cultuur heeft nu het holle, lege gevoel dat het door algoritmen is gemaakt.
Het algoritmisch een synoniem is geworden voor alles wat te glad,
te reducerend of te geoptimaliseerd aanvoelt om aandacht te trekken.

Er is een tegenargument tegen deze ontwikkeling.
Vroeger werd wat we lazen, hoorden en zagen als culturele consumenten
bepaald door een kleine groep experts die content voor ons filterden.
Deze experts kwamen vaak uit een klein deel van de samenleving
die onvermijdelijk hun eigen vooroordelen inbrachten.
Hoewel dit waar kan zijn, is het nauwelijks een triomf voor het publiek
om een gevoelloze gadget – zoals het algoritme –
te laten beslissen wat het beste voor hen is,
op basis van wat we eerder leuk vonden
en wat de meeste mensen lijkt aan te spreken.

Maar de waarheid is dat we
door ons noodzakelijkerwijs over te geven aan het algoritme
(want welk alternatief is er online?)
enorme hoeveelheden cultuur missen die ons misschien wel zouden aanspreken.
Het is ongeveer net zo effectief als beslissen welk zeeleven we leuk vinden
op basis van wat er aan de oppervlakte van het water opduikt.

De beste kunst is niet altijd de meest populaire
en er is een risico dat de Goddelijke vonk van uitvinding
die de God de Schepper in ieder van ons heeft gelegd
– het onbeperkte potentieel om naar het evenbeeld van God te worden geschapen –
niet zo vaak zal worden aangewakkerd als zou kunnen.
Het najagen van likes is geen vervanging voor geduldige inspiratie.
Het is vaak aan de randen dat doorbraken ontstaan;
kunst die ons deze wereld in een nieuw en Goddelijk licht laat zien.

‘Zie, Ik maak alle dingen nieuw’, zegt Hij die op de troon zit in Openbaring.
Maar dat algoritmes alle dingen gelijkvormig maken,
is de realiteit waarmee we leren leven.
We worden verleid om niet onszelf te zijn.

De VERleiding is sterk. Wie is jouw leider?
Of om in de terminologie te blijven:
door welk A/algoritme laat jij je leiden?

 

Het omgekeerde is ook waar:
de inhoud wordt deels bepaald door de vorm.
Een ‘hoge’ kansel kan bijvoorbeeld benadrukken
dat Gods Woord boven mensenwoorden uitgaat.
En hoewel die gedachte theologisch klopt,
is niet uitgesloten dat ze psychologisch
onbedoeld het tegenovergestelde uitstraalt.
Bijvoorbeeld doordat jongere generaties
een hoge kansel onbewust
associëren met afstandelijkheid van de spreker,
of, ernstiger nog, een ver, onbereikbaar, abstract Evangelie.

Zo werkt de vormgeving van een kerkzaal twee kanten op:
ze kan woordeloos het Evangelie verkondigen.
Maar ze kan ook stilzwijgend een sta-in-de-weg-zijn
in de ontmoeting van God met mensen.
Het verschil tussen die twee verschilt per generatie,
tijdperk, kerkgebouw, cultuur en ga zo maar door.
Van doorslaggevend belang hierin
is ook de liturgische kennis van gemeenteleden:
wie niet weet wat een Paaskaars, doopvont, kruisteken,
dooprol of kansel symboliseert,
beleeft er ook geen geloofsinhoud aan.

Daarom begint gesprek over de toekomst
van een eigen kerkgebouw en/of een liturgisch centrum
het beste met het inhoudelijke verdieping:
‘waarom staat dat voorwerp daar,
welke betekenis heeft het,
hoe is dat zo gekomen,
vinden we dat ook nu nog belangrijk?’
Die verdieping kan hand-in-hand gaan met geloofsgesprek:
‘welke herinneringen heb jij bij dat doopvont?
op welke momenten hielp de vormgeving van ons kerkgebouw
jou bij de ontmoeting met God, of juist niet?’ enzovoort.
Dat brengt het gesprek op de twee betrokken lagen:
kennis én geloofsbeleving.

‘All shall be well, and all shall be well and all manner of thing shall be well.
(Alles zal goed komen, en alles zal goed komen, en alle dingen zullen goed komen.) Juliana van Norwich

 

Kortgeleden verscheen het nieuwste album Wild God
van de Australische zanger en schrijver Nick Cave.
Al enige tijd volg ik Cave op zijn lange weg van zwartgallige verslaafde,
nieuwsgierige onderzoeker, drager van onmenselijk veel leed
naar nu heilbrenger en gelukzaaier.
Zelfs in en door het ergste verdriet mag er vreugde zijn,
liefst woest en onbeperkt.
Nu onderzoekt hij in tien songs de ruimtes en momenten tussen geloof en ongeloof,
deze wereld en de volgende.

In de songs van Wild God begint Cave vaak herkenbaar;
ijle lijnen, droeve geluiden.
Maar in het midden verandert de kleur, het temperament.
Dat hoor je het meest indrukwekkend in ‘Conversion’,
waarin Cave naar extatische hoogten zingt,
opgejaagd door een koor van twintig mensen.
Bekering lijkt een versleten woord.
Bij Cave is het een proces met vele, mystieke bochten.
‘Ik ben bezig, maar bekeerd ben ik nog niet’, zegt hij.

In de veertiende en vijftiende eeuw leefde er een anonieme mystica
die we inmiddels kennen als Juliana van Norwich.
Nadat ze op dertigjarige leeftijd
huiveringwekkend dicht bij de dood was gekomen,
bracht ze de daaropvolgende decennia van haar leven door
in een kleine kluis in de kerk van Julian van Norwich
(de inspiratie achter haar pseudoniem),
waar ze alleen via ramen met mensen sprak en meesterlijk schreef
over haar bovennatuurlijke visioenen van God.

Haar anonimiteit, bescheidenheid en creativiteit zorgden ervoor
dat ze vrij was om over God te schrijven zonder de druk om
theologisch ‘correct’ te zijn.
Ze was er niet zozeer op uit om haar schrijven
academisch kogelvrij te maken,
en ze hield zich ook niet zo bezig met gevestigde ‘juistheid’.

In plaats daarvan ervoer ze, en ze schreef.
Ze peinsde en ze schreef. Ze leed en ze schreef.
Ze verheugde zich en ze schreef.

Ze was volkomen gegrepen door God,
en dat betekende dat ze vrij was.

Ik denk dat Nick Cave ook vrij is.

Want zijn nieuwste album doet me denken
aan het werk van Julian van Norwich;
verbijsterend, subversief, mystiek,
geworteld in een Waarheid die niet bewezen kan worden.
Een Waarheid die hij toch niet zou willen bewijzen.
Ook die ontwijkt ‘juistheid’.
Ook die weigert de vreemdheid van het geloof te verwateren.
Ook die is onweerstaanbaar intens.
Het album is een tien nummers tellende ode aan een wilde God (Wild God).
die Cave op de donkerste plekken heeft ontmoet.
Plekken waar hij, daar ben ik zeker van, nooit naartoe wilde.
Plekken waar hij, daar ben ik zeker van, nooit helemaal weg zal gaan.
Zo’n wilde God is een uitdaging
voor een cultuur die comfort op de troon heeft gezet.
We laten ons te snel bang maken.
Maar Cave lijkt comfort volledig te hebben geschuwd.
En dus is hij in een uitstekende positie om ons kennis te laten maken
met een God die ons in verwarring zal brengen.

Ja, het boek van Juliana van Norwich en het album van Nick Cave
liggen eeuwen uit elkaar,
maar toch voelt het alsof ze op de een of andere manier
van hetzelfde materiaal zijn gemaakt:
diep ongemak en pure verwondering.

Dit is Caves achttiende album met The Bad Seeds.
Samen hebben ze muziek gecreëerd om in te verdwalen,
een veranderlijk klimaat dat wordt aangestuurd door hun instrumenten:
je wordt meegesleurd in een cycloon tijdens de titeltrack,
de cimbalen beuken als golven op de kust
in ‘The Final Rescue Attempt’,
je hoort de zachte regendruppels vallen in ‘Frogs’,
de strijkers klinken op de een of andere manier
als een zonsondergang in ‘As The Waters Cover The Sea’.

Het is muziek die je zintuigen verbijstert.

En dan zijn er nog de verhalen die de nummers vertellen.

In 2015 verloren Nick en zijn vrouw Susie hun tienerzoon.
In 2022 verloor Nick nog een zoon.
De laatste twee albums die Nick Cave and the Bad Seeds maakten:
Skeleton Tree’ en ‘Ghosteen
die zijn doorspekt met verdriet en voelbare pijn.
En dus, als we dit album halverwege een maat beginnen,
is het alsof Nick ons vertelt dat we een gesprek oppakken waar we in 2019 waren gebleven.
Het album ‘Wild God’ zou niet bestaan als de vorige twee niet bestonden.

Hij gebruikt het openingsnummer om ons te herinneren
aan de tragische omstandigheden
waarin hij zijn tienerzoon Arthur verloor,
door te verwijzen naar het kinderrijmpje Humpty Dumpty,
die natuurlijk ‘een grote val maakte’.
Cave citeert ‘… en alle paarden van de koning en alle…’
voordat hij zichzelf onderbreekt met ‘… ach, laat maar, laat maar.’

Wat is de betekenis van dit terugkerende ‘laat maar’?
Is het pijn of acceptatie? Misschien is het beide.
Misschien is het geen van beide.
Misschien wil Cave, zoals gewoonlijk, niet te kenbaar zijn.

Sommige van zijn gedachten voelen af en vast,
andere voelen onontgonnen en nieuw,
alsof we ze tegelijkertijd horen als Cave.
Soms voelt het alsof hij ons iets leert,
soms is hij degene die de vragen stelt.
Het gaat over hem, en dan weer niet over hem.
Het is intens persoonlijk en dan weer kosmisch gericht.
Het is stevig, dan weer kwetsbaar.
Het is geschreven vanuit het perspectief van een godheid,
dan weer vanuit het perspectief van een kikker in zijn zak.

Het is behoorlijk onbeheersbaar.

Maar het nummer waar mijn geest in vast lijkt te zitten is ‘Joy’,
dat ongeveer een kwart van het album duurt.
Opnieuw begint hij het nummer door ons te vertellen hoe hij
‘vanmorgen wakker werd met de blues om mijn hoofd heen…
Ik voelde me alsof iemand in mijn familie dood was’,
hij spreekt over zijn ‘pijn en hunkerend verdriet’
wat je allemaal raakt,
omdat zulke regels volkomen onverwacht zijn
in een nummer met de titel ‘Joy’.

Je zou een dik boek kunnen lezen over de theologie van vreugde.
Of je kunt gewoon naar dit liedje luisteren.
Ik denk dat het je alles leert wat je moet weten.

Ondanks de verwijzingen naar zijn verdriet,
deelde Nick onlangs dat hij het album bijna de titel ‘Joy‘ had gegeven.
En ik snap waarom.
Als je vreugde ziet als een soort licht en luchtig iets,
zie je het misschien niet.
Maar als je, net als Nick Cave en zijn band The Bad Seeds,
vreugde ziet als iets dat spanning, verwarring en zelfs verdriet kan bevatten,
zul je zien dat het overal in dit project te vinden is.
Zoals Cave ons al heeft geleerd, kunnen geloof en hoop
worden gevonden te midden van bloedbad.
En Caves nieuw(er) gevonden geloof heeft hem duidelijk op zijn kop gezet.

Zijn Wild God heeft hem duidelijk omver geblazen.

De resterende nummers op het album
de nummers waarvan ik niet het aantal woorden heb om recht te doen
nemen God/dood/leven en overdenken ze vanuit elke hoek.
Er zit een kinderlijke verwondering in dit album, een puur soort opwinding.
Het soort waarvan je zou denken dat het onverenigbaar zou zijn
met de realiteit van verdriet,
maar dat er op de een of andere manier toch naast kan staan.
Nick Cave probeert niet de God die hij heeft gevonden,
of de ‘bekering’ die hij heeft ervaren, uit te leggen
hij viert het gewoon en nodigt ons allemaal uit om te luisteren.

Hij houdt gewoon van God en geniet ervan dat hij ook geliefd wordt.
Het is allemaal heel erg ‘Juliana van Norwich-achtig’.
Het zal je beledigen als je te hard probeert het in een keurig krat te stoppen.
Het citaat van Juliana van Norwich ‘all is well’ boven deze blog
is meer een verklaring dat deze niet alle ongeluk, ziekte of dood uitsluit.
Het verwijst eerder naar het vermogen om vrede en zelfs vreugde te vinden
in het oog van de storm;
om te gaan vertrouwen dat het God is die alle chaos en vergankelijkheid overstijgt.

Ik wil nog aandacht vragen voor het het laatste nummer.
Het is een hymne.
Een echte, zij het aangepaste, hymne
het laatste nummer is een uitvoering van ‘As the Waters Cover the Sea’.

Opeens is er een versnelling om mee te worstelen.
Nick plaatst zichzelf in een kerk,
hij verbindt zichzelf aan een bepaalde religieuze traditie,
hij sluit zich aan bij een bepaalde gemeenschap
en associeert zich met een bepaalde geschiedenis.
Het blijkt dat de God over wie hij spreekt niet abstract is,
Hij is de christelijke God.
Je wordt eraan herinnerd dat je hebt zitten te luisteren naar een man
die zijn zoon is verloren,
en dat je in gesprek bent met een God die ook Zijn Zoon is verloren.
De teksten hebben hier de hele tijd op gezinspeeld,
maar Nick besluit het op een manier die hij ons openlijk vertelt.
Zijn afscheid is een richting, zijn epiloog is een uitnodiging. Hij zegt eigenlijk –

Als je geïntrigeerd bent door the Wild God, hier is precies waar ik hem heb gevonden…

En dit soort religieuze invulling wordt gebruikt om een album
zo vol metaforen en mysteries af te sluiten.
Een album waarvan ik dacht dat ik het had uitgevlooid,
een artiest waarvan ik dacht dat ik het eindelijk had begrepen,
een boodschap waarvan ik dacht dat ik het had ontcijferd…

… Ach, laat maar, laat maar.

 

Vanwege deze menselijke, lichamelijke kant van de geloofsbeleving
hoeft het geen verbazing te wekken dat discussies
over onderhoud aan kerkgebouwen soms snel verhit raken.
Theologisch is het kerkgebouw weinig anders
dan een willekeurig ander gebouw,
psychologisch is het kerkgebouw
de plek waar men ‘thuiskomt bij de Vader’.
En hoewel de liefde van God geen gebouw nodig heeft,
krijgt het gebouw wel betekenis
als daar regelmatig de liefde van God ondervonden werd.

Die psychologische verbondenheid
aan een vaste plek om God te ontmoeten
kan heel sterk zijn.
Zij krijgt onder meer vorm
in zogenaamde ‘invented traditions’ (‘uitgevonden tradities’).
Een voorbeeld daarbij is een gemeentelid dat erop hamert
dat een kerkzaal écht niet zonder avondmaalstafel kan
‘omdat die daar al generaties lang zo staat’.
Maar in werkelijkheid zijn avondmaalstafel
in protestantse kerkgebouwen een noviteit.
Als gevolg van de Liturgische Beweging
uit de jaren ’70 van de vorige eeuw
kwamen deze tafels in kerkinterieurs terecht.
Omdat deze persoon emotioneel gehecht is geraakt
aan de vormgeving van het kerkgebouw,
herschrijft hij de geschiedenis
zodat de vormgeving gehistoriseerd wordt,
en daarmee zijn beleving bij het kerkgebouw veiliggesteld.

Omdat kerkgangers emotioneel verbonden raken met ‘hun’ kerkgebouw,
neigen ze ernaar dat gebouw te verabsoluteren.
Vormgeving, inrichting en zelfs bouwkundige details
krijgen emotionele of zelfs geloofsinhoudelijke waarde.
Wie de vorm verandert (of afschaft),
verandert ook iets aan de ‘beleving’ bij het kerkgebouw,
of aan de herinnering daaraan.
ja, kerkmensen neigen dikwijls naar nostalgie.
maar vorm is in de kerkzaal ook inhoud.

 

Op die manier raken ze aan elkaar verbonden:
dat praktische, dienstbare ouderlijk huis
en de herinneringen die daaraan verbonden zijn.
Het ‘ouderlijk huis’ krijgt een symbolische waarde:
de tastbare plek verwijst naar herinneringen en gevoelens.
Dat is onvermijdelijk:
we zijn als lichamelijke wezens geschapen.
We kunnen niet anders dan
herinneringen, ervaringen en gevoelens
koppelen aan een bepaalde plek.

Een kerkgebouw is het ‘Vaderlijk huis’:
hier werden mensen gedoopt, deden ze belijdenis, trouwden ze,
hier vandaan werden zij begraven.
Het kerkgebouw draagt geschiedenis bij zich:
generaties kerkgangers, en vooral:
generaties vol verhalen en gevoelens.
Dat is niet alleen negatief, of lastig.
Het is zoals wij geschapen zijn.

Het kerkgebouw als aards ‘Vaderlijk huis’
verwijst in die zin naar het hemels Vaderhuis:
hier woont God bij de mensen.
De hemel is vanuit ieder gebouw bereikbaar;
maar in het eigen kerkgebouw voelt alsof de regelmatige gebeden
daar het plafond van de hemel
een stukje dunner gebeden hebben.
Hij woont op alle plekken,
maar hier was Hij vaak thuis,
en daarom Zijn kinderen ook.

 

Een ouderlijk huis is niet ‘zo maar’ een huis.
Het is de plek waar je letterlijk je eerste stappen zette,
vrienden maakte, herinneringen verzamelde.
Het ‘doet’ iets met je
zodra dat ouderlijk huis niet meer ‘in de familie’ is.
Hoewel er van het rijtjeshuis in dezelfde straat
nog twintig exact gelijke staan,
is er maar eentje jouw ouderlijk huis.
In zekere zin lijkt zo’n ouderlijk huis op een kerkgebouw.

In de protestantse theologie is de waarde van een kerkgebouw vaak gerelativeerd.
Sinds Pinksteren woont de Heilige Geest in elke christen;
ons lichaam is ‘Gods tempel’.
Anders dan in het Oude Testament
heeft de heilige God geen eigen tempel meer nodig.

De reformatoren benadrukten dat kerkgebouwen
‘leerhuizen’ zouden moeten zijn:
praktisch, functioneel, gericht op de Woordverkondiging.
Waar in de katholieke theologie het kerkgebouw
nog sacramentele waarde werd toegekend,
benadrukte de Reformatie dat Gods aanwezigheid
niet afhangt van het type of de kwaliteit van een gebouw.

Het was verstandig dat de reformatoren
benadrukten dat God soeverein is.
Dat betekent dat Hij als het ware vrij is
om te gaan en staan waar Hij wil.
Zijn nabijheid kan niet worden afdwongen
door imposante beelden of indrukwekkende architectuur.
Zijn Zoon liet Zich huisvesten in een arme stal
en Zijn glorie was er niet minder om.
Zijn Geest woont in onze menselijke, kwetsbare harten
en het is Hem genoeg.

Tegelijkertijd:
de Schepper gaf ons een ziel en een lichaam.
En hoewel een kerkgebouw voor God de Heer ‘niets toevoegt’,
is niet uitgesloten dat een kerkgebouw dienstbaar is
aan de relatie tussen God en mensen.
Dat ligt niet aan de Heer, maar aan ons mensen.
In die zin lijkt een kerkgebouw op een ouderlijk huis.
In zo’n huis gaat het om de liefde tussen ouders en kinderen.
Die liefde heeft op zichzelf geen gebouw nodig.
Maar het is natuurlijk wel praktisch
een dak boven je hoofd te hebben.
En het spreekt vanzelf dat je emotioneel betrokken
raakt op dat huis.