Een ouderlijk huis is niet ‘zo maar’ een huis. Het is de plek waar je letterlijk je eerste stappen zette, vrienden maakte, herinneringen verzamelde. Het ‘doet’ iets met je zodra dat ouderlijk huis niet meer ‘in de familie’ is. Hoewel er van het rijtjeshuis in dezelfde straat nog twintig exact gelijke staan, is er maar eentje jouw ouderlijk huis. In zekere zin lijkt zo’n ouderlijk huis op een kerkgebouw.
In de protestantse theologie is de waarde van een kerkgebouw vaak gerelativeerd. Sinds Pinksteren woont de Heilige Geest in elke christen; ons lichaam is ‘Gods tempel’. Anders dan in het Oude Testament heeft de heilige God geen eigen tempel meer nodig.
De reformatoren benadrukten dat kerkgebouwen ‘leerhuizen’ zouden moeten zijn: praktisch, functioneel, gericht op de Woordverkondiging. Waar in de katholieke theologie het kerkgebouw nog sacramentele waarde werd toegekend, benadrukte de Reformatie dat Gods aanwezigheid niet afhangt van het type of de kwaliteit van een gebouw.
Het was verstandig dat de reformatoren benadrukten dat God soeverein is. Dat betekent dat Hij als het ware vrij is om te gaan en staan waar Hij wil. Zijn nabijheid kan niet worden afdwongen door imposante beelden of indrukwekkende architectuur. Zijn Zoon liet Zich huisvesten in een arme stal en Zijn glorie was er niet minder om. Zijn Geest woont in onze menselijke, kwetsbare harten en het is Hem genoeg.
Tegelijkertijd: de Schepper gaf ons een ziel en een lichaam. En hoewel een kerkgebouw voor God de Heer ‘niets toevoegt’, is niet uitgesloten dat een kerkgebouw dienstbaar is aan de relatie tussen God en mensen. Dat ligt niet aan de Heer, maar aan ons mensen. In die zin lijkt een kerkgebouw op een ouderlijk huis. In zo’n huis gaat het om de liefde tussen ouders en kinderen. Die liefde heeft op zichzelf geen gebouw nodig. Maar het is natuurlijk wel praktisch een dak boven je hoofd te hebben. En het spreekt vanzelf dat je emotioneel betrokken raakt op dat huis.
Wat me de laatste tijd opvalt is dat veel sporters tijdens de wedstrijd blijk geven van hun geloof. Dat gebeurde ook regelmatig tijdens de Olympische Spelen. Én dat veel verslaggevers daar geen oog voor hebben, het niet vertaald wordt of er maar een draai aangeven: ‘ze roepen de goden aan…’. Hun routine vóór of ná hun prestatie is geen gebed tot de goden van een heidens pantheon, een smeekbede om een beetje geluk of voorspoed, maar een gebed tot God en Jezus – ja, van een commentator die zijn huiswerk had gedaan, had je dat kunnen verwachten. –
Zo’n openbare uiting van toewijding is geen uitzondering. Een kenmerk van de afgelopen Olympische Spelen was het aantal atleten dat hun geloof. Elke keer zie je wel iemand God bedanken, een kruis slaan, reclame maken voor zijn geloof, niet zozeer als een smeekbede om de overwinning, maar meer als een manier om met de ups en downs van de sport om te gaan.
Wanneer je deze openbare christelijk geloofsuiting naast de rij boven de openingsceremonie plaatst, roept dat een interessante vraag op. Tijdens die ceremonie waren christenen over de hele wereld boos over wat leek op een parodie op het Laatste Avondmaal. De organisatoren van de Olympische Spelen beweerden toen dat de aanstootgevende scène niet bedoeld was om de spot te drijven met het hart van de christelijke eredienst, maar een verwijzing was naar Dionysius en het feest van de heidense goden, waarmee de moderne Olympische Spelen werden verbonden met hun wortels in de heidense wereld van de klassieke periode.
Als het een verwijzing was naar het heidense feest van Dionysius, was de openingsceremonie misschien een nog veelzeggender teken van de richting van onze cultuur dan we zouden denken, en een teken dat christenen misschien nog meer zorgen baart dan een tweederangs bespotting van het Laatste Avondmaal. Omdat het een keuze verduidelijkt waar onze cultuur mee te maken kan krijgen naarmate ons westerse tijdperk vordert.
In 1939, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, gaf T.S. Eliot een reeks lezingen. Daarin deed hij een grimmige prognose:
‘De keuze die voor ons ligt, is tussen de vorming van een nieuwe christelijke cultuur en de acceptatie van een heidense cultuur.’
Eliot dacht dat zijn samenleving noch volledig christelijk, noch volledig heidens was, maar ‘neutraal’. Toch vreesde hij dat dit niet lang zou duren. Een dergelijk ‘politiek liberalisme’ dreigde zijn eigen ondergang te bevorderen door een willekeurige weigering om morele waardeoordelen te vellen en te kiezen tussen versies van het goede. Toen Eliot de opkomst van het fascisme in Europa zag, dat op het punt stond van de meest vernietigende oorlog in zijn geschiedenis tot nu toe, deed hij een belangrijke bewering: dat het enige alternatief voor wat hij zag als een heidens totalitarisme een christelijke samenleving was.
Dichter bij onze tijd is een soortgelijke gedachte bij anderen opgekomen. Onlangs mijmerde onlangs een feministische schrijfster over het idee dat onze samenleving opnieuw heidens wordt, waarbij ze het morele raadsel over moderne abortus aanhaalde. Ondanks dat ze geen praktiserend christen is, ziet ze abortus vertoont ongemakkelijke overeenkomsten met heidense kindermoord, een teken dat we teruggaan naar een moreel plan met een sterke gelijkenis met heidense waarderingen van het menselijk leven. De Joodse feministische schrijfster Naomi Wolf heeft hetzelfde gedaan in een buitengewoon essay. Ondanks haar neiging om te gemakkelijk af te glijden naar samenzweringstheorieën, betoogt ze overtuigend dat naarmate het Joods-christelijke ethos dat de westerse samenleving ondersteunde, is verdwenen, wat is ontstaan geen goedaardige neutraliteit is, maar duistere krachten die vroeger op de achtergrond van de religie van het Oude Testament loerden:
‘de pure amorele macht van Baäl, de vernietigende kracht van Moloch, de ongebreidelde verleiding en seksuele losbandigheid van Astarte of Ashera, dat zijn de oerkrachten die mij inderdaad lijken te zijn teruggekeerd… of in ieder geval de energieën die ze vertegenwoordigen, morele macht over; doodsverering; oppositie tegen de seksuele ordelijkheid van het intacte gezin en trouwe relaties, ze lijken te zijn ‘teruggekeerd’, zonder terughoudendheid.’
Het nazisme waar Eliot naar verwees, was, zoals we nu weten, een doodlopende weg, letterlijk. We troosten onszelf vandaag met de gedachte dat we zulke extremen achter ons hebben gelaten, dat de afgoderijen van fascisme en communisme respectievelijk in 1945 en 1989 werden verslagen, en dat we nu een seculiere liberaal-democratische ruimte erven die gelukkig neutraal is en de vrede bewaart tussen verschillende claims op de waarheid, een vooruitgang ten opzichte van zowel het heidendom als het christendom.
De makers van de openingsceremonie van de Olympische Spelen rechtvaardigden hun creatie zonder een spoor van ironie door te zeggen dat het een viering was van de Franse Republikeinse ideeën van inclusie, vrijheid, mensenrechten enzovoort, de vrijheid, broederschap en gelijkheid van de Franse Revolutie, die op zijn beurt was geboren uit de Franse Verlichting. Dit was een secularisme dat tentoon werd gespreid. Het was een klassiek libertair beeld van vrijheid, de absolute vrijheid om te kiezen wat we met ons leven doen, van individuele zelfexpressie, zonder overkoepelend, universeel idee van het Goede, wat natuurlijk een bepaald begrip is van wat vrijheid betekent. Het onderscheidt zich bijvoorbeeld van een ouder beeld van vrijheid als geleidelijke bevrijding van (en dus de disciplinering van) enkele van onze innerlijke, conflicterende impulsen die als destructief voor de ziel of de samenleving worden beschouwd. Seculier liberalisme dat zichzelf voordoet als vanzelfsprekend, de mening van alle weldenkende mensen, is zo vaak niet in staat te zien hoe het voor anderen – moslims en christenen bijvoorbeeld – allesbehalve vanzelfsprekend is. Er zijn veel mensen over de hele wereld die niet tevreden zijn met een overkoepelend moreel schema dat erop staat hen te vertellen dat hun geloof een privéaangelegenheid is in plaats van een afzonderlijke transcendente waarheid.
Dus, wat als de openingsceremonie een lofzang was op Franse waarden, geworteld in de Franse Verlichting? En wat heeft dat te maken met heidendom?
Achter het schijnbare rationalisme of de tolerantie was het voor de Verlichting het een eis om alles in twijfel te trekken. Het was een verwerping van één enkele geloofsbelijdenis, ten gunste van meerdere manieren van leven en geloven. Het tijdperk greep terug naar het klassieke verleden, zag zichzelf als een voltooiing van de Renaissance en liet uiteindelijk de overblijfselen van religie achter die de Renaissance nog had behouden. De Verlichting was niet zozeer de geboorte van een nieuw rationeel tijdperk, maar in feite een vernieuwing van een oud heidens sensueel pluralisme.
Dat we tot het heidendom zijn terugkeert kun in meerdere zaken zien. We zijn teruggekeerd naar een soort pluralisme waarin er veel objecten van aanbidding zijn onder een overkoepelend schema dat elk van hen de ultieme waarheid of waarde ontkent.
Natuurlijk, er zijn geen tempels meer voor Bacchus, Aphrodite, Tyche of Plutus op straathoeken in onze steden. Toch waren dit vroeger de goden van wijn, liefde, toeval en rijkdom. Het is moeilijk te ontkennen dat de aantrekkingskracht van die verslavende middelen, de verleiding van seks, de hoop op een loterijwinst of de wens om rijk te zijn, het leven in onze wereld niet domineren. Er wordt beweerd dat heidendom nooit echt is verdwenen. Het bleef op de loer liggen in de hoeken van Europese samenlevingen, zoals blijkt uit een bijvoorbeeld een boek van Anton Wessels ‘Kerstening en ontkerstening van Europa’’.
Leslie Newbigin, een christelijke missioloog, bracht het grootste deel van zijn leven door als missionaris in India In de jaren 80 keerde hij terug naar het door de Verlichting gevormde Westen. Hij zag toen dat het Western was verworden tot een seculiere samenleving waarin geen algemeen erkende normen bestonden. ‘We weten nu’, betoogde hij, ‘dat het enige mogelijke product van dat ideaal een heidense samenleving is. Want de menselijke natuur verafschuwt een vacuüm. Maar het heiligdom blijft niet leeg. Als het enige ware beeld, Jezus Christus, er niet is, zal een afgod zijn plaats innemen.’
Vroege christenen gaven al aan, dat die goden tot slaaf maken. Als je jezelf volledig overgeeft aan drugs, seks, geld of Dionysisch genot, zullen ze uiteindelijk je leven beheersen, je tot slaaf maken en vernietigen, zoals veel verslaafden hebben ontdekt.
Misschien had Eliot gelijk: Het kost veel tijd om religieuze overtuigingen diep te laten wortelen. Zowel het christendom als het heidendom zijn diep in onze bodem geworteld. En dus heeft de Europese cultuur eigenlijk maar twee opties: het heidendom dat eeuwenlang heeft bestaan vóór de komst van het christendom, en het christendom dat het heeft vervangen.
De Olympische Spelen lieten ons twee paden zien. Het ene werd aangeboden door de makers van de openingsceremonie, het andere door de atleten die een hoger doel zien dan een gouden medaille of aardse roem. Ach, de makers van de openingsceremonie hadden misschien niet de bedoeling om het christendom aan te vallen. Toch juichten ze met plezier iets toe dat Europeanen al lang geleden achter zich hebben gelaten.
En we zouden even moeten stilstaan voordat we dat vieren.
De schittering en vreugde van medaillewinnaars op de Olympische Spelen in Parijs is ongelooflijk om te zien. Hun discipline en gebrachte offers tijdens de training werpen hun vruchten af in betoverende uitingen van uitmuntendheid en momenten van pure vreugde. Maar om winnaars te zijn, moeten er ook verliezers zijn, en er zijn onthullende momenten van verpletterende teleurstelling geweest die nooit leuk zijn om te zien. Bijvoorbeeld over de soms mindere prestaties van Femke Bol of Lieke Klaver. Sommigen zullen vinden dat zij faalden, anderen zullen zeggen dat dit bij sport hoort.
Maar weinigen van ons zullen ooit Olympische grootheid bereiken, of de media-erkenning die het profiel van een atleet definieert door zijn naam voor altijd te verbinden aan zijn prestatie. Maar we hebben allemaal een innerlijke neiging om te geloven dat onze waarde gebaseerd is op wat we kunnen bereiken. We leven in een cultuur die ons voortdurend de boodschap stuurt dat goedkeuring en waarde afhangen van je resultaten. Velen van ons geloven dat, en vallen dan voor een leven van voortdurende intensiteit – een ‘cyclus van verdriet’ – terwijl we fel streven naar resultaten, maar rouwen om het verlies van onze innerlijke vrede. En deze culturele boodschap van acceptatie door prestatie wordt echt giftig wanneer we de leugen gaan geloven dat onze identiteit gebaseerd is op onze prestaties.
Het zijn niet alleen atleten die hierdoor risico lopen. Denk eens na over hoe ons onderwijssysteem dezelfde boodschap over cijfers uitzendt. Duizenden tieners lijden aan angst en psychische aandoeningen als ze examens afleggen, omdat ze geloven dat hun eigenwaarde afhangt van hun cijfers. De winnaars zullen worden gefeliciteerd, maar anderen zullen depressief worden van het falen.
Ik ken veel werkplekken waar ‘prestatiemanagement’ zo onderdrukkend is geworden dat het leidt tot gedrevenheid, perfectionisme en burn-out. Zelfs gepensioneerden kunnen zich gedreven voelen om hun ‘bucketlist’ af te werken voordat ze sterven of ziek worden. Dus mensen uit alle lagen van de bevolking raken gemakkelijk verslaafd aan de tredmolen van ‘prestatiegericht leven’ en voelen zich moe, gevangen en onrustig. Ze lijden onder de valse overtuiging dat zelfrespect afhankelijk is van prestaties. Als je dat gelooft, mag je van jezelf niet falen of wordt je zelfs ziek omdat je je voelt tekortschieten.
Er is een betere manier. We kunnen ervoor kiezen om afstand te doen van die verderfelijke leugen van een prestatie-identiteit en de diepe waarheid te bevestigen dat onze echte identiteit en betekenis te vinden zijn in wie we zijn als Gods geliefde kinderen. We kunnen onze emoties verankeren in de zekerheid van die ware identiteit. Het is mogelijk om te besluiten om de manie voor resultaten en onze cultuur van voortdurende intensiteit onder ogen te zien. Een daad van verzet tegen een wereld die wordt gedomineerd door de behoefte aan succes. God weet dat we een pauze nodig hebben, niet alleen om te rusten, maar om ons hart en onze geest te heroriënteren op de waarheid. We worden onvoorwaardelijk geliefd en hoeven niet te streven naar prestaties om geaccepteerd en belangrijk te worden voor God. Daar zit een diepe vrede in. Een vrijheid en veerkracht die het mogelijk maken om te concurreren zonder angst voor falen.
In de Bijbel wordt het woord uitmuntendheid nooit toegepast op prestatie, alleen op karakter, en de meest uitmuntende manier is liefde. De christelijke wereldvisie viert geweldige prestaties, maar vermijdt om er een afgod van te maken, omdat dat leidt tot een destructieve obsessie en onzekerheid.
Zeker zijn van God gaat niet over het vermijden van competitie of druk. Het is leren om uitstekende prestaties na te streven zonder het gevoel dat onze identiteit wordt gestolen door onze cijfers, of banen, of andere mensen ons goedkeuren of ons medailles toekennen. Prestaties van topkwaliteit zijn superieur en we moeten met heel ons hart ons best doen, wat we ook doen. Maar God is een God van genade, die iedereen onvoorwaardelijk liefheeft, accepteert en eert, inclusief degenen die zich niet eens kwalificeerden voor de Olympische Spelen, net zo goed als degenen die op het podium stonden.
Het gebruik van het woord ‘u’ neemt af in de samenleving, en het gebruik van ‘jij’ komt er voor in de plaats. Ik heb er geen cijfers over, maar de tendens is onmiskenbaar. Wie zei er twee generaties terug jij tegen de juf, of Piet tegen je baas? Of als ik in mijn eigen leven kijk: ik moest u zeggen tegen mijn ouders, maar mijn neven nichten zeggen jij (tegen mij dan, en ook tegen hun ouders…) Is het erg, zo’n verandering? Er zijn wel mensen die het een teken vinden van verloedering en verlies van respect. In sommige gevallen kan dat zo zijn, maar ik denk dat het te kort door de bocht is om zo meteen in het negatieve te schieten. In heel veel talen is er niet eens een verschil tussen u en jij! Denk aan het Engels, daar is iedereen ‘you’. Belangrijker is waar het verschil tussen ‘u’ en ‘jij’ voor staat. Daar las ik iets belangrijks over: vroeger was ‘u’ een uiting van respect, nu is het veelal een uiting van afstand geworden. Ik denk dat dat waar is. Tegen je manager mag je ‘jij’ zeggen, tegen een vreemde zeg je ‘u’, ook al is hij niet hoger in rang. Dit verklaart ook meteen waarom kinderen geen ‘u’ meer zeggen tegen ouders: die zijn vertrouwd, niet vreemd. Wat dat betreft is er iets opvallends. Nederlandse gelovigen spreken vanouds God aan met ‘U’, als uiting van respect. In andere talen die een beleefdheidsvorm kennen, gebeurt dat echter niet! Duitsers zeggen ‘Du’ en Fransen ‘Tu’ tegen de Allerhoogste. Als je dat voor het eerst hoort, komt het even vreemd over. Het geeft een gebed echter wel iets vertrouwds. Hij is nabij, niet een hoogste instantie ver weg! Wat dat betreft is het Nederlandse ‘U’ tegen God in gebeden eigenlijk minder passend in onze tijd. Het straalt meer en meer niet alleen respect uit, maar ook afstand. Voortaan dan maar ‘Jij’ zeggen als ik bid? Toch voelt dat niet helemaal goed. Om maar te zwijgen van de reacties die ik zou krijgen als ik het in de kerk wilde invoeren… Lastig, dat ‘u’ en ‘jij’. Toch maar Engels gaan spreken allemaal?
In de naam Israël zit iets dubbels. De Bijbelschrijver mag dan wel vertellen dat de naam betekent dat Jakob strijdt met God en mensen. Maar taalkundig betekent Israël: Gód strijdt. God strijdt voor en met Jakob. Dat is het diepste geheim van de zegen die Jakob ontvangt. Dat dubbele zat wellicht ook al in in zijn eerste naam Jakob. Die vertalen we doorgaans als hielenlichter, bedrieger en dat is ook wat Bijbelschrijvers doen. Maar die naam kwam in oude Semitische talen vaker voor in verschillende varianten op Jakob of Jakob-El, steevast afgeleid van het werkwoord beschermen. Dat zou betekenen dat ook in deze naam al de betekenis schuilgaat van ‘moge God hem beschermen’ of ‘God heeft hem beschermd’.
De kern van het gevecht bij Pniël is dat Jakob Ezau leert loslaten. Zodat hij innerlijk echt vrij is voor God. De volgende dag geeft hij Ezau letterlijk zijn zegen terug en gaat hij nu heel bewust echt zijn eigen pad. En als alles achter de rug is en Jakob Sichem bereikt, noteert de Bijbelschrijver in Genesis 33,18: ‘en Jakob kwam als een heel mens aan.’(vertaling Jonathan Sacks)
Een heel mens. Dat is nogal wat voor een man die heel zijn leven in tweestrijd is. Een heel mens. Dat klinkt als iemand die zichzelf is tegengekomen. Zichzelf in de ogen heeft leren kijken. Niet langer wegkijkt van wat hem niet bevalt. Zijn schaduwzijde niet verdringt en wegdrukt in zijn onderbewuste waar het dan rondspookt en ongecontroleerd en op de gekste momenten naar boven en naar buiten kan komen. Een mens die niet langer leeft in een gefantaseerde werkelijkheid. Zich niet blind staart op zijn ideaalbeelden en hoe het zou moeten zijn. Maar zich kan verhouden tot de complexe, weerbarstige werkelijkheid, met zichzelf kan leven en in het reine is gekomen.
Hoe word je dat eigenlijk, een heel mens? Ooit leerde ik dat heel worden niet iets groots en eenmaligs is dat je overkomt en dan af is. Heel worden gebeurt in talloze kleine momenten wanneer je ervoor kiest je toe te wenden naar de ander en in verbinding te treden.
Het leven wordt achterwaarts begrepen, maar het moet voorwaarts worden geleefd. Dat zei de Deense filosoof en theoloog Søren Kierkegaard. We voelen allemaal op onze klompen aan dat dat niet zo eenvoudig is. Als je bijvoorbeeld reist met navigatie helpt het je niet verder als het schermpje je alleen de afgelegde route toont. Je houdt je bezig met het traject dat voor je ligt. Een achteruitkijkspiegel is best handig, Maar je moet er niet te vaak en te lang in turen. Ogen op de weg, handen aan het stuur dus.
Het leven wordt achterwaarts begrepen. Maar het moet voorwaarts worden geleefd. Een uitspraak die ook past in het Bijbelse denken. Het leven wordt inderdaad achterwaarts begrepen. Bijbelschrijvers nemen ons steeds opnieuw mee naar vroeger tijden. Naar wat vorige generaties gelovigen met God hebben beleefd. Wat ze erin hebben geleerd en afgeleerd. En de hele Bijbel is een aansporing om in die keten te staan. Heel bewust te putten uit een rijke traditie van getuigenissen en liederen, verhalen en profetische stemmen. Het is bagage die helpt om iets te begrijpen van het leven en van de God die de Bron en het Doel is van dit leven. En het is een valkuil om te weinig terug te kijken. Alsof je de eerste zou zijn die voor levensvragen staat. Alsof niet al sporen zijn getrokken en wegen gebaand door al degenen die voor ons uit zijn getrokken. Alsof God in vroeger tijden zijn glorie niet heeft getoond. Niet heeft bewezen wie Hij was, is en zijn zal. Inderdaad, het leven wordt achterwaarts begrepen.
Maar er is ook een andere valkuil denkbaar. Namelijk dat je vooral achterwaarts georiënteerd bent en vergeet dat het leven toch echt voorwaarts geleefd wordt. Er zit in ons menselijk bestaan een instinctieve behoefte aan geborgenheid en zekerheid een vasthouden aan oude zekerheden van vroeger tijden. Een hang naar wat bekend is en vertrouwd. Waardoor we terugschrikken voor de weg die voor ons ligt. In heel wat Bijbelverhalen proeven we juist de spanning tussen verder trekken of terugkeren, tussen omzien of vooruitkijken.
Het leven wordt achterwaarts begrepen, het moet voorwaarts worden geleefd. Het is de strekking van de leefregel uit Filippenzen 3. Paulus zet er de zaak op scherp. Hij heeft het niet eens meer over achterwaarts begrijpen. Hij heeft het over loslaten, afleggen, wegwerpen, prijsgeven. Ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt. Ik ga recht op mijn doel af: Christus kennen, de kracht van zijn opstanding ervaren en leren delen in zijn lijden. Je proeft in deze verzen de houding en focus van de sportman. De hardloper die alles wat hem hindert kwijt moet zodat hij vrij is om ongehinderd de eindstreep te halen. En zo zijn roeping als christen te vervullen en volledig tot zijn bestemming te komen.