Nederland, fietsland. Zo staat ons land bekend in het buitenland. En over fietsen zijn al heel wat liedjes geschreven. De Drentse formatie Skik zong het in 1997 zo:

‘wie döt mij wat, wie döt mij wat
wie döt mij wat vandage ‘k
heb de banden vol met wind
nee ik heb ja niks te klagen
wie döt mij wat, wie döt mij wat
wie döt mij wat vandage
‘k zol haost zeggen, jao het mag wel zo’

En in één van coupletten zingen ze dan:skik op fietse

‘trap de fietse deur ’t buulzand hen
op ’n zandpad langs de Duutse grens
ik denk da’k dalijk even kieken gao in’t buutenland’

En als je dan zo’n stuk gefietst hebt, dan kan het zo maar gebeuren dat je een sanitaire stop moet maken, zeg maar: naar het toilet moet. Dan is maar goed dat je in Duitsland bent want de Evangelische Kirche Deutschland (EKD), een verzameling van een aantal protestantse kerken in Duitsland, heeft een heel aardig initiatief gestart. Bij onze oosterburen heeft  namelijk het netwerk ‘Kirche in Freizeit und Tourismus’van de EKD zogenaamde Radwegekirchen (‘fietskerken’) gepromoot. Deze kerken worden door de plaatselijke gemeente opengesteld voor bezichtiging, voor het bezoek van toiletten, even tot rust komen en je kunt er weer verder op weg worden geholpen.

Volgens mij een prachtig initiatief waarbij kerken hun functie ook doordeweeks kunnen uitbuiten. Ik zie het in Nederland gebeuren: via fietsknooppunten wordt je de weg gewezen naar een plaatselijke kerk waar je even je natje en je droogje kunt gebruiken, waar je even kunt relaxen en meer informatie krijgt. En ook een plaats waar je ondersteuning kunt krijgen (in de breedste zin van het woord) als je daar om verlegen zit.

De kerk middenin de samenleving op een heel basale wijze, maar op een manier waarvoor een kerk echt bedoeld is: richtingaanwijzer, wegwijzer en vluchtheuvel.

Leven vanuit je reiskoffertje, (of je rugzak, of wat dan ook)… hoeveel mensen hebben dat niet gedaan de afgelopen zomer- vakantieperiode. Lekker ongedwongen, geen verplichtingen, de boel de boel laten, geen overbodige bagage.  Lekker op reis, genieten van prachtige vergezichten (soms niet alleen voor je ogen, maar ook in je hoofd).

Nu het komende kerkenwerkseizoen weer voor de deur staat kan mij dat soms wat melancholisch stemmen. De relaxte instelling wordt meteen losgelaten en alles moet weer worden verantwoord in behaalde cijfers en doelen.

Als je weer geconfronteerd wordt met het feit dat volgens berichtgeving, statistieken en prognoses de kerken in Nederland en sowieso in de westerse wereld aan het leeglopen zijn. Dat de kerk die ooit een oppermachtig instituut was die de samenleving in machtige, soms beknellende greep hield nu op instorten staat. In veel dorpen en steden zijn de deuren al gesloten. De gebouwen worden nu gebruikt als woonhuis, restaurant of winkelruimte. Ooit, zo wordt gezegd, geloofde het grootste deel van de bevolking heilig in alles wat hen door haar werd voorgespiegeld. Politiek, wetgeving, cultuur, met wie je omging en met wie je sliep, niets was veilig.

Maar nu… ach, woorden schieten tekort. Nu vind je alleen nog maar de nog de sporen van de teloorgang terug van dit eens zo legendarische machtssysteem.  Veel kinderen blijven de kerk niet trouw, oudere leden sterven, er is weinig aanwas van buiten. En veel kerkgangers die blijven zijn vertwijfeld of in verlegenheid gebracht over het christelijk geloof. De rol van de bijbel en het gebed neemt af, ook bij de kerkelijke leiding. In dit opzicht hebben we te maken met een diepe geloofscrisis. En het trieste is dat de kerk zich ook wat gelegen laat liggen aan deze berichtgeving. Met angst en beven voor wat komen gaat wordt er met man en macht geprobeerd de hartslag van de kerk op gang te houden. Nieuwe initiatieven die het tij moeten keren buitelen over elkaar heen om het schip van de kerk weer op de volle zee van de samenleving te brengen.

Leven vanuit je reiskoffer… ook in je geloof
Misschien verdwijnt het kerkgebouw als meest kenmerkende symbool van christendom in Nederland, maar mensen blijven zich hoe dan ook verbinden rond Christus. Hoe? Wie weet, door bij elkaar te kruipen in provincieplaatsjes op de ‘biblebelt’, door elkaar te ontmoeten in sociale netwerken, door samen te komen op massabijeenkomsten, conferenties, festivals, jongerendagen en in huisgemeenten, monastieke ordes en megakerken. Christenen blijven samenkomen in erediensten, maar de vorm zal veranderen. Er is volgens verschillende onderzoeken, grote behoefte aan spiritualiteit onder Nederlanders. De kansen voor ‘de kerk’ liggen dus voor het oprapen. Er zijn in de kerkgeschiedenis genoeg momenten aan te wijzen dat men dacht dat de kerk z’n langste tijd nu wel gehad had. Met of zonder ‘hulp’ van de buitenwereld. Maar wat we als christenen ons moeten realiseren is dat het christendom in velerlei opzichten een reisgeloof is. we zitten vast aan aanwijsbare gebouwen, aan plaatsen. Mijns inziens laat het Lucasevangelie dat mooi zien waar Jezus met zijn studenten ook maar steeds op reis zijn. Ze zijn niet vast te pinnen maar leven op weg naar Gods Rijk.

de weg

Leven vanuit je reiskoffer…
Die ongedwongen houding van dat het allemaal uiteindelijk goed komt. Dat de leiding in Iemands handen ligt en daar geborgen is. Dat wens ik de kerk toe in het komende jaar. Nee,ik bedoel niet dat we nu helemaal niets meer hoeven te ondernemen, geen initiatieven meer hoeven te ontplooien; wel dat we zeker mogen weten dat het hoe dan ook goed komt. Dat we niet achterom kijken naar wat het allemaal was in het verleden, maar dat we vooruit blijven kijken, genieten van vergezichten, want het mooiste moet nog komen!

Ingrediënten:

  • twee komkommers (heerlijke seizoensgroente)komkommertijd
  • scheutje vooroordeel
  • vinaigre d66 ou vvd
  • wat flintertjes atheïsme
  • in hokjes gesneden staatsbemoeienis
  • blikje ongenuanceerdheid
  • flesje journalistieke luiheid

Meng alles goed door elkaar. Even laten staan zodat de ingrediënten een goed huwelijk met elkaar aan kunnen gaan. Opdienen wanneer het een en ander goed doorgerijpt is.

Serveertip: nog smakelijker met in plakjes gesneden koude eendenborst. Drink er een goed glas Châteauneuf-du-Antipape bij. Heel voedzaam voor de onderbuik!

Het asiel- en uitzettingsbeleid van de overheid blijft veel Nederlanders bezighouden. Vooral wanneer uitgezetten of uit te zetten personen een gezicht krijgen volgt een golf van medelijden. Te denken valt aan de kortgeleden uitgezonden documentaireserie ‘Uitgezet’ over over het lot van uitgezette asielkinderen en het afschuwelijke verhaal van Renata, ht Georgische meisje dat is uitgezet naar Polen terwijl ze lijdt aan leukemie. Organisaties die de belangen behartigen van asielzoekers gebruiken dit soort verhalen om de asielprocedure in Nederland aan de kaak te stellen.

Even weggeredeneerd van deze concrete gevallen lijkt het me goed om eens vanuit de ethiek het vluchtelingenbeleid tegen het licht te houden. Hierover gaat deze column.

Formeel kunnen volgens de conventie van Genève van 1951 en het bijhorend protocol van 1967 mensen pas als vluchteling worden erkend als ze kunnen aantonen dat ze individueel vervolgd worden door de overheid van hun land wegens hun ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of omdat ze tot een bepaalde sociale groep behoren. Deze conventie en/of het protocol zijn door 145 landen ondertekend en leveren de meest gebruikte criteria op om iemand als vluchteling te erkennen. Natuurlijk is het duidelijk dat er heel wat andere situaties zijn te bedenken waarin de menselijke waardigheid in het geding is en bescherming verdient. Zo kan ook vervolging door niet-gouvernementele organisaties of door ‘tradities’ (vrouwen die op de vlucht zijn voor vrouwenbesnijdenis, bijvoorbeeld) een reden zijn voor een vluchteling.Mensen kunnen echter ook op de vlucht zijn voor ecologische factoren, burgeroorlogen, overbevolking en armoede. Momenteel is het echter wel zo dat mensen die armoede, werkloosheid en andere sociaal-economische factoren ontvluchten niet in aanmerking kunnen komen voor bescherming hoewel het voor een ieder overduidelijk zal zijn dat bijvoorbeeld armoede de menselijke waardigheid schendt. De vraag is echter of hieraan tegemoet gekomen moet worden via een asielbeleid,goed wetende dat de meest hulpbehoevenden hier toch nooit kunnen geraken.
Wie de menselijke waardigheid van de armsten wil beschermen, kan dat beter op een andere manier doen. Bovendien is het bijzonder moeilijk criteria op te stellen vanaf wanneer mensen als ‘economisch vluchteling’ erkend zouden kunnen worden. Is werkloosheid voldoende of moet men kunnen aantonen dat men het gezin niet meer kan onderhouden en de kinderen honger lijden?
Nogmaals: ik herhaal de doelstelling van het vluchtelingenbeleid in het algemeen: het vluchtelingenbeleid moet erop gericht zijn zoveel mogelijk mensen op te vangen die onvrijwillig hun have en goed hebben moeten verlaten, en effectief bescherming nodig hebben.
wat moeten we dan doen met de middelen die ons ter beschikking staan? Moeten we zoveel mogelijk asielzoekers hier opvangen of moeten we die middelen zo veel mogelijk inzetten voor het creëren van oplossingen in de landen van herkomst van de vluchteling?
Moetn we hen die in ons land asiel aanvragen in het beste geval terugsturen met een terugkeerpremie, of als ze lang genoeg illegaal onderduiken een verblijfstatus geven? Dit is in zekere zin ‘onrechtvaardig’ ten aanzien van de potentiële vluchteling die nooit tot hier is gekomen, of nooit heeft
willen komen.
Het lijkt er sterk op dat, zoals de realiteit nu is, onze verdeling van middelen eigenlijk onrechtvaardig is.
Hier botst het ethisch perspectief van de rechtvaardigheid met het perspectief van het medelijden.
Puur op basis van abstracte rechtvaardigheidsprincipes zullen we vooral moeten investeren in de opvang, vredesprogramma’s, heropbouwprogramma’s
in de landen en regio’s van herkomst.
Maar op basis van de ethiek van het medelijden moet de aandacht vooral gaan naar de concrete mens die zich in onze onmiddellijke omgeving bevindt en
waarvoor we onszelf gemakkelijker verantwoordelijk achten. dubbele moraalEn juist op dat gebied beweegt zich ons gevoel: in de sfeer van de ethiek van het medelijden. Want, o ja, veel mensen zijn voorstander van een streng maar rechtvaardig asielbeleid, maar o wee wanneer een vriendinnetje of
een leerling uit de school wordt teruggestuurd, dan worden er plots door diezelfde mensen solidariteitsacties georganiseerd, brieven geschreven enzovoort.
Anders gezegd: in de ethiek van het medelijden maakt men zich drukker om mensen die terecht worden uitgewezen maar van wie we vinden dat zij ‘om humanitaire redenen’ toch hier zouden mogen blijven terwijl men in de ethiek van de rechtvaardigheid zich druk maakt over elke euro die hier overbodig wordt besteed aan mensen die asiel aanvragen, maar geen kans maken om ooit erkend te worden. Die middelen, zo vindt men dan, zouden kunnen worden aangewend om een vluchtelingenbeleid op wereldschaal beter gestalte te geven. Of nog, vanuit het perspectief van het medelijden is het de bedoeling de mensen die zich hier aandienen zoveel en zo goed mogelijk te helpen.
Vanuit het perspectief van de rechtvaardigheid daarentegen is het niet de bedoeling om hier zoveel mogelijk mensen toe te laten, maar stelt men zich de vraag hoe we de middelen rechtvaardig kunnen besteden om het vluchtelingenbeleid te optimaliseren.

Zeker, zo’n abstracte rechtvaardigheidsethiek is niet ‘menselijk’. Wie het individuele en maatschappelijke leven enkel en alleen zou inrichten op basis van rechtvaardigheidscriteria,die heeft geen leven meer. Anderzijds schiet ook het perspectief van het medelijden tekort. Het medelijden is een essentieel onderdeel (startpunt)van de ethiek, maar de ethiek moet het medelijden verbreden, uitdiepen, rationaliseren en generaliseren. Mensen moeten als morele wezens de onderbuikgevoelens met de meer abstracte principes van het verstand confronteren en omgekeerd.
Het gaat dus om een combinatie: we kunnen het niet maken iemands asielaanvraag te weigeren omdat we al ons geld willen steken in buitenlandse projecten – nog los van de argwaan over het feit of dat inderdaad wel zou gebeuren.
Anderzijds kunnen we het ook niet maken in ons vluchtelingenbeleid enkel rekening te houden met de mensen die naar hier komen om bescherming en
medeleven te vragen en het breder perspectief buiten beschouwing te laten. Maar om deze twee denkwijzes te combineren blijft een erg lastige klus.

We moeten nu echter wel de volgende afweging maken: ofwel is het een nobele doelstelling om de asielprocedure zuiver te houden, op straffe van meer illegale migratie; ofwel willen we de illegale migratie uitbannen door meer asielzoekers tot de procedure toe te laten – ook al hoort men er eigenlijk
niet in thuis. Volgens mij is alleen de eerste optie verdedigbaar.
De bedoeling van de asielprocedure is nog steeds dat de vluchteling bescherming kan worden geboden, niet dat die procedure een aanmeldcentrum wordt voor mensen die hier een tijdje willen verblijven om welke (begrijpelijke) reden dan ook.

Spartaan of Samaritaan? Mijns inziens moeten we dus zowel het een als het ander zijn. Spartaan, naar Sparta wier inwoners – zo wil de overlevering – hun kinderen met harde hand en discipline opvoedden, zowel als Samaritaan, naar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan uit de Bijbel die een onbekende in elkaar geslagen man verzorgde.
Wat duidelijk is dat in de discussie over asiel-, vluchtelingen- en migratiebeleid met regelmaat moreel geladen termen opduiken. Toch moeten we vaststellen dat een echte ethische discussie over de kern van de zaak weinig wordt gevoerd. Meestal trekt men zich terug in het eigen gelijk en de vooroordelen ten aanzien van de tegenspeler.

Ten slotte: is in deze discussie ook nog een taak weggelegd voor de kerk? Volgens mij moet de kerk hierbij haar taak zoals zij die vanouds heeft oppakken, namelijk door een luis in de pels te zijn. Een poging hiertoe deed de Protestantse Kerk in haar communiqué:

‘Wat te doen met uitgeprocedeerde asielzoekers? Ze moeten terug. Maar ze gaan niet allemaal terug. Waarom niet? Sommigen omdat ze bang zijn terug te keren. Anderen omdat ze niet terug kunnen. Weer anderen kunnen wel terug maar willen gewoon in Nederland blijven. Iedereen heeft een eigen verhaal. Van de een klopt het verhaal, van de ander niet.
Net als onder alle groepen zitten er onder asielzoekers goedwillenden en kwaadwillenden. Maar hoe dan ook: ze zijn (nog) in Nederland. De Protestantse Kerk vindt, dat er daarom een zorgplicht is van de overheid voor deze mensen. Klinkeren’, ze op de straat terecht laten komen zonder zorg, is niet goed. Op de straat leven is een slecht leven. Het kan zelfs je dood betekenen. Het is ook niet goed voor de samenleving.
De overheid vindt dat ze geen zorgplicht heeft ten opzichte van hen die illegaal zijn. Om die reden heeft de Protestantse Kerk, via de Europese Raad van Kerken een klacht ingediend bij de Europese Commissie van sociale rechten. Op 1 juli besloot deze commissie dat de klacht ontvankelijk is. Hier is op de website melding van gemaakt. De klacht zal dus in behandeling worden genomen. Wat is de inzet? Dat uitgeprocedeerde asielzoekers recht houden op voedsel, kleding en onderdak. Volgens de Protestantse Kerk heeft ieder dat recht. Volgens de regering alleen zij die hier legaal verblijven. Wat de uitslag is, weten we niet. Het is wel goed nieuws dat de klacht grond genoeg heeft in het Europese recht om serieus genomen te worden.
Waarom vindt de Protestantse Kerk dat de overheid een zorgplicht heeft? In de eerste plaats omdat ook uitgeprocedeerde asielzoekers mensen zijn, die het recht hebben op leven. Laat het zo zijn dat ze hier ten onrechte nog zijn, ook dan laat je mensen niet de noodzakelijke middelen van bestaan ontberen.
In de tweede plaats omdat het hier gaat om mensen die vaak een traumatisch verleden hebben. Ongedocumenteerd op straat komen, voegt nieuwe trauma toe. In de derde plaats, omdat nu wel gebleken is dat niet terug willen heel verschillende redenen heeft. Natuurlijk zitten er kwaadwillenden onder de asielzoekers, maar moeten de goedwillenden daaronder lijden? Is het niet beter de zon te laten opgaan over goeden en kwaden? In de vierde plaats is de uiteindelijke kans op terugkeer groter wanneer er een voortdurende zorgplicht van de overheid is. Anders verdwijnen mensen en keren ze in ieder geval nooit terug.
Terugkeer is vaak het enige wat er op zit. Daar gaat de Protestantse Kerk niet dwars voor liggen. Integendeel. Er zijn zogenaamde transitiehuizen, waar de kerk initiatiefnemer van is. Het gaat dan wel om terugkeer met perspectief. Perspectief op veiligheid, maar ook op de mogelijkheid in het levensonderhoud te voorzien.

De kerk keert zich niet tegen overheden. De kerk gaat ook niet op de stoel van de overheid zitten. De kerk gaat ook niet over de vraag wie wel of niet een status krijgen. Maar de kerk dient wel op te komen voor mensen in de marge. De beschaving wordt afgemeten aan de vraag hoe om wordt gegaan met de wees, de weduwe en de vreemdeling, zo leren we uit de Bijbel. De menselijkheid staat op het spel. Dan kan de kerk niet zwijgen. Dan moet ze spreken, in Gods naam. Desnoods door een klacht.’

Wat mij betreft een stap(je) in de goede richting. Nu nog meer en weer het instituut ‘kerkasiel’ weer afstoffen…

Deze week bracht Paus Franciscus een bezoek aan het Italiaanse eilandje Lampedusa. Dit eiland dat op iets meer dan 100 kilometer voor de kust van Tunesië ligt, staat bekend als de “poort naar Europa”. Jaarlijks maken duizenden vluchtelingen de overtocht naar Lampedusa, vanwaar ze hopen te kunnen doorreizen naar het Europese vasteland. Maar voor heel wat vluchtelingen eindigt de gevaarlijke reis naar Lampedusa met de verdrinkingsdood. Als eerbetoon gooide de paus vanaf de boot bloemen in zee en veroordeelde hij de ‘globalisering van onverschilligheid’. “Daardoor hebben we het vermogen verloren om te huilen om het leed”. Franciscus riep de wereldgemeenschap dan ook op tot een groter mededogen voor allen die vanwege erbarmelijke omstandigheden thuis op zoek gaan naar veiligheid en een zeker bestaan. De paus stelde dat Lampedusa in plaats van en wachttoren te zijn die ongewenste vreemdelingen buiten weet te houden een vuurtoren, een lichtbaken moet zijn. Een vuurtoren voor de hele wereld, opdat mensen die een beter leven zoeken op haar kunnen koersen.

ik vind het opmerkelijk en betekenisvol dat de nieuwe paus dit bezoek aflegt als één van zijn eerste dienstreizen buiten Rome. Of dit meteen de houding van de wereldgemeenschap tegenover deze ‘gelukzoekers’  zal veranderen? Vatican Pope MigrantsNee, natuurlijk geloof ik dat niet! Maar het feit dat de paus deze kwestie weer een stem wil geven en de hele wereldgemeenschap een spiegel voorhoudt dat lijkt me niet verkeerd. Wat we dan kunnen zien is die onverschilligheid waar de paus het over heeft;  aan de kant van de organisaties die de vluchtelingen uitbuiten door hen na betaling van enorme bedragen in gammele bootjes het water opstuurt, maar evenzo de onverschilligheid waarmee het Westen deze mensen beziet: als ongewenste gelukzoekers die willen mee-eten uit de (krimpende) ruif van onze welvaart.

Aanstaande zondag zal ik een preek houden over de Barmhartige Samaritaan, een gelijkenis uit Lucas 10,25-37. In dit verhaal draait het in feite ook om onverschilligheid. Als de wetgeleerde vraagt wie de naaste is is het meer een vraag om de discussie gaande te houden. de werkelijke inhoud van vraag en antwoord laat hem koud. Hij voelt zich te verheven om zich werkelijk druk t maken om de ander. Het verhaal van de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan mag ons weer leren waar we zelf staan in het verhaal van de wereld, van de geschiedenis.

Nogmaals: zal deze dienstreis van de paus meteen tot concrete maatregelen leiden? Nee, ik denk van niet, maar hij heeft wel gedaan wat een christen kan doen: een wake-upcall geven aan iedereen. Mensen moeten weer wakker worden opstaan uit hun onverschilligheid, hun eenzelvigheid. We zijn mensen die in een groot verband met elkaar moeten leven, het gaat om goed samen-leven!

Laatst las ik onderstaande mededeling op de site van de PKN:

‘De Protestantse Kerk in Nederland heeft 2.085.843 leden verdeeld over 1623 gemeenten (plaatselijke kerken). Dit staat in de statistische jaarbrief 2013 die vandaag verschijnt. Dat betekent dat de Protestantse Kerk meer leden telt dan alle voetbalverenigingen van Nederland samen (de KNVB heeft 1,2 miljoen leden).’

Het valt mij op dat er de laatste tijd veel gerefereerd wordt aan de voetbalsport als het gaat om het voor het grote publiek voorstelbaar maken van volumes: ‘het pand krijgt een oppervlakte van ruim drie voetbalvelden’ of ‘er waren x-aantal mensen aanwezig, dat is 3 maal De Kuip’. Nooit wordt iets vergeleken met zeg maar een hockeyveld of de lengte van de rokjes van speelsters op het tennisveld… En nu volgt de PKN ook dit taalgebruik. Maar dan wel met een kleine aanpassing…

Ik zie het voor me: op het commandocentrum van de PKN in Utrecht zit iemand van marketing hard na te denken om de taal van de kerk aan te laten sluiten bij de seculiere samenleving, en ja ‘eureka!’, atletiekbaanook de het ledenaantal van de kerk kun je uitdrukken in voetbaltermen: ‘de kerk telt meer leden dan alle voetbalverenigingen van Nederland samen!’ Mmm, origineel zou zijn geweest om het ledenaantal van de kerk te vergelijken met de oplage van de IKEA-gids (die een aantal jaar gelden de status van meest verspreidde ‘boek’ van de Bijbel overnam) al denk ik dat het aantal leden van de PKN wat schril afsteekt tegen het aantal verspreidde exemplaren van de IKEA-gids… Nog origineler zou zijn geweest het ledenaantal te vergelijken met iets uit de worstelsport of iets uit de breedte van de atletiek. Zo leg je toch ook weer de verbinding met de Bijbel (1 Korintiërs 9)…

Maar niets van dit alles: iemand heeft verzonnen de voetbalsport er weer bij te halen. Om in die termen te blijven: nu we in de ‘extra tijd spelen, de tribunes vol zitten met publiek dat ons aanmoedigt (hoeveel ‘Kuipen’ dat ook mogen zijn), weten we dat de cup zeker is. Oké, de bal is rond ( ‘la pelota esta redonda’ in Cruijffiaans Spaans), het lijkt nog alle kant op te kunnen gaan, maar wij kennen de uitslag van de wedstrijd toch al!

Ze waren de laatste tijd veel in het nieuws: de asielzoekers in de Vluchtkerk in Amsterdam. Gingen ze nu wel of niet weg, het besluit werd een aantal keer uitgesteld om de eigenaar van het pand – lees: de kerk –  uitzetting opschortte. Toch kwam het moment onvermijdelijk dichterbij, de asielzoekers moeste weg. de exbewoners van de VluchtkerkMaar wat schetste onze verbazing: er kwam een aantal bussen voorgereden en de ontheemde asielzoekers werden ingeladen en met onbekende bestemming vertrok de karavaan.  Niet veel later werd bekend waar de uitgewezen mensen naar toe werden gebracht. Een groepje mensen had, noem het preventief, een leegstaand kantoorpand gekraakt voor hun opvang.

Van Kerkpand naar Kraakpand. Om misschien wel begrijpelijke redenen heeft de kerk gemeend de Vluchtkerk te moeten sluiten en de ‘bewoners’ te moeten ‘klinkeren’,  dat wil zeggen op straat zetten. Gelukkig was er een mogelijkheid om de mensen een nieuwe opvang te geven; opnieuw tijdelijk, niet legaal en uitzichtloos…

Ooit was er een tijd dat Kerk synoniem stond voor Kraak: lak aan de te dwingende regels die je in een keurslijf dwingen , een andere autoriteit volgend en aan die grenzen    gehoorzamen. Oké, natuurlijk ben ik de eerste die toegeeft dat ik een romantisch beeld schets van de kraakbeweging die alleen opkomt voor de mensen die geen woning kunnen vinden of bekostigen. Ik weet ook wel van de uitwassen en gewelddadigheden waarmee de kraakbeweging de afgelopen jaren werd geassocieerd. Maar toch, in eerste aanleg was het (een gedeelte van) de krakers wel te doen om misstanden in de maatschappij aan de kaak te stellen.

Wat ik bepleit is dat de Kerk een deel van dat elan van de kraakbeweging weer terugkrijgt. Niet meer keurig in de pas met de heersende mening, onvoorwaardelijk opkomen en begaan zijn met de medemens die tussen de wal en het schip is geraakt in wat voor opzicht dan ook. Om het aangezicht van Christus te zien in de ander en daar naar handelen zonder eerst te besommen of het je niet veel rompslomp geeft. Eén van die mogelijkheden van de kerk is het aanbieden van het kerkasiel: onderdak verlenen aan mensen die vervolgd worden met de bedoeling deze mensen te beschermen tegen het beleid van de overheid. Daar waar de overheid onrechtvaardig handelt trekt de kerk haar eigen grenzen en neemt zij haar verantwoordelijkheid. Er staan namelijk waarden op het spel die op de grens liggen van kerk en staat; de burgerlijke ongehoorzaamheid kan dan ook worden gezien als een evenwichtsoefening tussen concrete (staats)wetten en (religieuze) waarden zoals rechtvaardigheid. Niet dat de kerk de staat niet erkent, maar ze wil door haar handelen de staat wel wijzen op het deficit van haar beleid omtrent de uitwijzing van asielzoekers en daarover een debat opstarten.

De Kerk als Luis in de Pels van de overheid. Een rol die de kerk in het Westen lange tijd niet heeft gespeeld. Wel een rol die haar in wezen op het lijf geschreven staat en opnieuw ontdekt mag en moet worden.

In veel gemeentes is de laatste tijd ruime aandacht besteed aan het gebed vanwege het 50-dagenproject tussen Pasen en Pinksteren. Vijftig dagen hebben we gezien hoe belangrijk het is om de relatie tussen jou en God open en levend te houden, juist door het gebed. We krijgen zelfs de opdracht om zo vaak we kunnen te bidden tot God, het communicatiemiddel bij uitstek tussen jou en je Vader. En dat gaat niet altijd van een leien dakje. Het gaat vaak met vallen en opstaan. We zijn meestal geen helden en zeker geen gebedshelden. Maar het mooie is dat God ook weet dat we soms snel afhaken en dat we het niet zo hebben op allemaal regeltjes, dat Hij die wet – lees liever: de bewegwijzering naar Zijn koninkrijk – heeft geschreven in ons hart.

De titel van deze column uit Jeremia 31,33 zegt dat onomwonden. Het is niet iets dat vanbuiten ons opgelegd wordt maar iets dat vanbinnen uit onszelf komt. Dat we echt uit onszelf een volgeling, een discipel Jezus Christus willen worden. Het gaat niet alleen om het weten wat discipelschap inhoudt, maar dat je daadwerkelijk een discipel bent. En alleen in dat laatste is God geïnteresseerd. En gelukkig is dat niet iets wat alleen maar uit onszelf hoeft te komen, want de discipline die het discipelschap vereist kunnen we nooit in ons eentje opbrengen. En daarbij is het gebed een noodzakelijk middel om in contact te blijven met God. biddenDietrich Bonhoeffer zegt dan dat gebed is als het bloed dat stroomt door de aderen van het lichaam van Christus, symbool voor de kerk. Als je met geloof luistert en contact met Hem zoekt door het gebed, als je je ervan bewust bent dat Hij het is, Christus, die spreekt, dan is het niet mogelijk om zijn woorden niet in de praktijk te brengen. Als het geloof zou stoppen voordat het in de praktijk wordt gebracht, dan kun je niet meer van geloof spreken.Want hoe kunnen we dan in deze tijd over Christus spreken? Bonhoeffers antwoord luidt: door ons leven. Het is indrukwekkend om te zien hoe hij aan zijn petekind, dat hij nooit gezien heeft, de toekomst beschrijft: ‘De dag komt waarop het niet meer mogelijk zal zijn om openlijk over God te praten. Maar wij zullen bidden, we zullen doen wat juist is en Gods tijd zal komen.’

Maar nogmaals, het lijkt allemaal zo prachtig, misschien zelfs vanzelfsprekend om te doen, maar dan worden we weer in beslag genomen door de alledaagse dingen. Daarom staat er in Efeziërs 6,10 ‘Zoek uw kracht in de Heer, in de kracht van zijn macht.’ Dat is iets wat we ons elke dag moeten blijven herinneren, iets wat ons gebedsleven moet kleuren. Want zelfs als de wet van God in ons binnenste is geschreven, dan nog wordt zij pas actief wanneer we het niet proberen uit onszelf, uit onze eigen kracht, maar door de kracht van de Heer!

… deur die naar stilte openstaat.
Muren van huid, ramen als ogen,
speurend naar hoop en dageraad.
Huis dat een levend lichaam wordt
als wij er binnengaan
om recht voor God te staan.

Zo zingt Tussentijds het in lied nummer 10.
Over dit huis en een belangrijk persoon binnen de kerk, de predikant, wordt veel nagedacht.
Theologenbeweging Dominee 2.0 komt met betrekking tot de dominee met een opmerkelijk voorstel:
in plaats van de huidige aanstelling van een predikant ‘voor het leven’ pleit zij er voor een predikant aan te stellen op basis van contracten met de duur van 7 jaar. Zo, zegt men, voorkom je dat een predikant tot zijn emeritaat aan een gemeente verbonden blijft zonder dat de gemeente de mogelijkheid heeft zich van desbetreffende dominee te ‘ontdoen’. Aan het eind van zo’n periode vindt er dan een evaluatie plaats, een ‘functioneringsgesprek’, een gesprek over gedane werkzaamheden en behaald resultaat, waarin het optreden van de predikant wordt bekeken en gekeken wordt of men voor een komende periode nog wel met elkaar door wil gaan. De ‘domineesmarkt’, zo is het idee, moet meer bij de tijd worden gebracht, in lijn met de buitenkerkelijke arbeidsverhoudingen. Een bijkomend voordeel, zo meent men, is dat is dat er meer omloopsnelheid komt onder dominees, en dat men bepaalde ‘specialisten’, want deze constructie verplicht predikanten om zich interessant voor gemeentes te (blijven) maken, op tijdelijke basis kan ‘inhuren’. In eerste instantie lijkt dit een sympathiek voorstel waar misschien ook beginnende predikanten garen bij spinnen. Echter, er zijn zeker een aantal vragen bij te stellen. Laat ik er een paar stellen: creëer je door tijdelijke contracten niet de hijgerigheid die er juist buiten de kerk heerst. Waar buiten de kerk juist veel kritiek begint te klinken over ‘flexwerkers’ zou dit concept binnen de kerk moeten worden geïntroduceerd voor predikanten. Het lijkt mij een idee wat nog eens goed en kritisch doordacht moet worden. Niet dat een predikant niet kritisch moet kijken naar eigen functioneren en daar zeker ook op aangesproken mag worden, maar kan een predikant een gemeente nog op een kritische wijze de gemeente een spiegel voorhouden; een spiegel die niet altijd even gewenst is. Of moet de predikant met in zijn achterhoofd komende afloop van het contract zich gaan beperken tot het lijmen en pamperen van zijn gemeente. En een tweede vraag zou kunnen zijn: hoe kan een predikant zich specialiseren als je kijkt naar de overvolle agenda van veel dominees. Specialiseren kreeg je niet vanuit de opleiding mee, je moest juist van alles een beetje weten; en nu moet men zich gaan specialiseren om zo mogelijk interessant te blijven voor de markt. Daarenboven, heeft men nagedacht over de oudere predikant (en dat begint al na je 45ste), in het huidige kader niet meer interessant voor veel gemeentes die altijd maar inzetten op de noodzaak van het trekken en/of vasthouden van de jeugd en jonge gezinnen; iets wat in hun ogen een ‘oudere’ predikant echt niet meer kan. Of moet een predikant zich vooral toeleggen op de oudere kerkganger, maar wel oog houden voor de hele breedte van de gemeenschap. Zijn er überhaupt gemeentes die enkel en alleen een ‘specialist’ vragen, is het niet veeleer een alleskunner die ze willen hebben? Het zijn zomaar een aantal misschien voor de hand liggende vragen die zeker ook de revue mogen passeren. Is de kerk ‘zomaar een dak boven wat hoofden’ waar de buitenkerkelijke normen en regels gelden, of een gemeenschap die op een andere manier met elkaar om wil gaan?

‘Zomaar een dak boven wat hoofden’. Dit brengt mij bij het punt waar het gaat over de kerk. Over een concept genaamd ‘De Nieuwe Bijbelschool’, een platform waar vragen van nu worden betrokken op een opnieuw leren lezen van de Bijbel als sparring-partner voor mensen ‘van buiten de kerk’, die op verschillende plekken in het land ontstaat. In deze Bijbelklasjes ontmoeten niet-kerkelijken elkaar en lezen en bestuderen onder begeleiding van een theoloog de Bijbel. De ervaring leert dat nogal wat mensen geïnteresseerd zijn in de verhalen van de Bijbel. een opblaasbare kerkZe doen kennis van de Bijbel op en komen in aanraking met geloof. (ik zie een analogie met Alpha- en soortgelijke andere cursussen Maar de mensen kunnen niks met het taalgebruik in een reguliere eredienst, ze passen qua sociale context niet tussen de kerkgangers of ze willen vooral hun eigen beginnende geloofsgemeenschap behouden. Want haast automatisch nodigt de Bijbel uit om je leven te delen met anderen. Waar dat gebeurt, ontstaan vormen van gemeenschap.

Deze beweging, maar ook het nadenken over de predikant, roept vragen op over wat kerk-zijn is. Wanneer ben je kerk? Een LEVEND lichaam? Dienen deze gemeenschappen te worden ingepast in bestaande kerkelijke structuren en verbanden? Hoe gaan wij om met de dominee, wat moet zijn taak zijn en in wat voor vorm is betrokken bij een gemeenschap?

Zijn de ramen, om met lied 10 uit Tussentijds te spreken, geopend om de Pinkstergeest te laten waarheen hij wil of houden we ramen liever potdicht om het vuur door gebrek aan zuurstof langzaam uit te laten gaan?
Me dunkt, het zijn waardevolle initiatieven die en mogelijke weg kunnen wijzen naar Kerk 2.0.

Wordt vervolgd zou ik zeggen…

‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft’ (Tussentijds, aanvullende liedbundel 163)

Over een paar dagen is het weer Pinksteren. Pinksteren, het feest van de herdenking van de uitstorting van de heilige Geest.  De uitstorting wordt gesymboliseerd met het beeld van vlammen boven de hoofden van de leerlingen van Jezus die voor het eerst met deze Geest werden begiftigd. Jezus volgenDeze uitstorting markeert ook het begin van de christelijke Kerk. Het kan als zodanig tevens als de eerste christelijke opwekking worden gezien. Ook als is het Hemelvaart geweest en is Jezus verdwenen van deze aarde, Jezus is geen verleden tijd. Door zijn Geest laat Hij het merken: Hij is er. Hij is er, hier en nu.Pinksteren is niet het feest van de Geest, maar het feest van Jezus Christus die door zijn Geest laat merken dat hij geen verleden tijd is, maar hier en nu werkelijkheid. In de duisternis van alledag wordt een licht ontstoken, een lichtend vuur dat meer dooft. Maak merkbaar dat Jezus Christus hier en nu Heer is. Dat is de opdracht die de kerk, die wij meekrijgen, juist met Pinksteren. Maak zichtbaar en voelbaar dat Christus leeft. Dat hij de Heer is. In hoe je met elkaar omgaat, hoe je over elkaar praat, hoe je meedoet en je inzet; hoe je er voor elkaar bent; waar je over praat. Volgelingen van Jezus Christus – laat voelbaar, zichtbaar, merkbaar zijn dat Christus leeft! Hij is Heer, hij werkt door zijn Geest. Ga in het spoor van Christus!

‘Wie mij volgt, gaat zijn weg niet in duisternis, zegt de Heer. Dit zijn woorden van Christus, waardoor wij worden gewenkt zó ver Zijn leven en gedrag uit te beelden als wij waarachtig verlicht willen worden en van blindheid van hart bevrijd.’  (Thomas á Kempis, De navolging van Christus Eerste hoofdstuk)

‘Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft’