In de wereld van coaching en trainingen was lange tijd een belangrijke vraag:
kijk je naar de wereld door een bril van schaarste of door een bril van overvloed?
En het pleidooi was dan dat denken vanuit schaarste ongelukkig maakt.
Je bent dan gefocust op wat er niet is. Je stop energie in wat je nog niet hebt.
Je ziet het leven vooral als een gevecht, een strijd. Ik moet vechten voor mijn aandeel.
Ik moet me onderscheiden ten opzichte van anderen.
En je belandt al te snel in een ratrace.

En tegenover dit schaarste-denken werd dan het denken en leven vanuit overvloed geplaatst.
Ga uit van overvloed, geloof erin dat er genoeg is en dat het jou ten deel valt.
De extreme uitingsvorm daarvan is manifesteren.
Als ik iets maar hard genoeg wil,dan komt mijn droom vanzelf uit.
Word ik vast de beste versie van mijzelf. Name it, claim it.

We stuiten in onszelf en in elkaar op onze schaduwzijden, ons falen.
Op ons onvermogen om echt te veranderen.
We zitten gevangen in systemen die op allerlei manieren beschadigend zijn.
Zijn deel van een mensheid en een generatie die collectief faalt.
Het lukt ons vaak van geen kanten om te leven van genoeg.

En we beseffen met elkaar steeds meer dat het tij begint te keren.
Dat we in plaats van een bril van overvloed eerder behoefte hebben aan een bril van genoeg.

Vanuit christelijk oogpunt vind ik dat daar iets blijmoedigs inzit.
Want boven de mensheid die verwikkeld is is in de ratrace van rupsje-nooit-genoeg
hangt de Jezus Christus de Gekruisigde,
licht en kalm, te midden van de donkerte, de pijn, nood en schuld van de hele mensheid.
De man aan het kruis deelt in dat menselijk bestaan maar gaat er niet in onder.
Hij overstijgt het, wordt verhoogd. En draagt het weg, verzoent het, overwint het.
Er schemert ook altijd iets van ochtendlicht in door.
Op Golgotha volgt Pasen. Er hangt de belofte in de lucht van opstanding.
Van een ander, nieuw bestaan.
Vader, vergeef het hen want ze weten niet wat ze doen. Ze hebben werkelijk geen idee.

Apostelen hebben het evangelie van de Gekruisigde
vertaald in raadgevingen, aansporingen, leefregels.
Denk aan het pleidooi op diverse plaatsen in de Apostolische brieven voor gematigdheid:
maat weten te houden.
En voor zelfbeheersing (jezelf niet verliezen, niet overvragen of overschreeuwen).
Denk aan het gebed in Filippenzen 1
om ‘inzicht en fijnzinnigheid om te kunnen onderscheiden waar het op aan komt’.
Of de aansporing in 2 Timoteus 1 vers 7:
‘God heeft ons niet een geest van lafhartigheid gegeven,
maar een geest van kracht, liefde en bezonnenheid.’
In bezonnenheid zit iets van gevoel voor wat passend is, gevoel voor proporties, voor wat genoeg is.   Niet teveel, niet te weinig.
Mensen op zoek naar een ander, nieuw bestaan, een leven van genoeg.

Hem volgen is ons oude bestaan met Hem te laten sterven
en met Hem opstaan in een nieuw leven.
Onszelf oefenen in omdenken.

 

Maar er is nog een reden om in elke preek

het hele verhaal van het evangelie te vertellen.

Als predikant moet je er volgens mij altijd van uitgaan

dat er ook ongelovigen in de kerk zitten.

Dat kunnen buitenkerkelijken zijn,

die om wat voor reden dan ook voor het eerst een kerkdienst meemaken.

Het kunnen ook kerkleden zijn die hun leven lang al elke week preken horen,

maar toch nog nooit echt tot geloof gekomen zijn.

Ze hebben het evangelie wel gehoord.

Maar het heeft ze nog nooit echt geraakt.

Ze hebben het nog nooit echt begrepen.

Of ze hebben het nog nooit van harte aangenomen.

Bovendien zijn we allemaal sterfelijke mensen.

Je weet nooit wie van de aanwezige kerkgangers

bij de volgende kerkdienst nog in leven is.

En anders kan er iemand zijn die simpelweg afhaakt

en de volgende keer niet meer komt.

En dan heb ik het nog niets een gehad over de reële mogelijkheid

dat Jezus vandaag of morgen terugkomt

en de genadetijd voor iedereen voorbij is.

Hoe dan ook,

elke preek kan voor één of meer aanwezigen niet alleen de eerste,

maar ook de laatste preek zijn die hij in zijn leven te horen krijgt.

Alleen om die reden al mag je als predikant volgens mij

geen kans voorbij laten gaan om de aanwezigen op te roepen,

nee te bevelen, om zich te bekeren!

Elke preek moet de luisteraar naar huis laten gaan met de wetenschap:

ik moet me nú bekeren. Nu meteen.

Want als ik nog heel even wacht, kan het te laat zijn.

Bovendien is dit in elke preek terugkerend bevel tot bekering

ook heel belangrijk voor hen die wel tot de ware gelovigen behoren.

Want ook als opnieuw geboren christen,

moet je je elke dag opnieuw bekeren.

Bovendien is het belangrijk

dat je jezelf regelmatig onderzoekt of je wel echt een kind van God bent.

Zeker, je mag erop vertrouwen dat je dat bent.

Je mag onbekommerd Gods beloften geloven.

Maar dat mag nooit iets vanzelfsprekends worden.

Want juist dan is de kans groot dat je geloof verdort

en uiteindelijk toch geen echt geloof blijkt de zijn.

Het steeds opnieuw gehoor geven aan de oproep tot bekering

is juist het middel dat Gods Geest wil gebruiken

om de ware gelovigen tot het eind tot te laten volharden

in hun geloof en voor afval te bewaren.

Ik besef dat dit soort preken decennialang juist werd afgekeurd.

Als predikant moest je er juist van uitgaan

dat er alleen echte gelovigen in de kerk zaten.

Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken

dat dit geleid heeft tot een klimaat

waarin eenzijdig het verstand werd aangesproken,

ten koste van het gevoel,

en waarbij het geweten van de mensen onterecht werd gesust

met het idee dat het allemaal wel goed zat.

Kerkgangers werden niet of nauwelijks opgeroepen

zichzelf te onderzoeken óf ze wel echt kinderen van God waren.

Nee, hun werd simpelweg verteld dát ze dat waren.

Zo’n klimaat biedt volgens mij een ideale voedingsbodem

voor luie, oppervlakkige christenen

met weinig besef van de ernst van de zonde

en de diepte van Gods genade.

Daar plukken we nu de wrange vruchten van.

Velen zijn op zoek naar meer bezieling

en meer beleving in het geloof.

Maar in plaats van het te zoeken in de rijke traditie

zoeken ze het in een armoedig surrogaat.

 

 

Religie wordt over het algemeen gezien als iets inherent gewelddadigs
omdat het gebaseerd zou zijn
op irrationele overtuigingen,
terwijl secularisme wordt voorgesteld
als een rationele manier om meningsverschillen te organiseren.
Is religie nu dus echt de bron van geweld?
Ach, U kent wellicht Arjan Lubach wel.
Hij had eens iets bedacht op dit vlak:
de heilige boeken-legger.
Deze boekenlegger zou wat hem betreft
verplicht als bijsluiter bij elk heilig boek gevoegd moeten worden.
Erop staat een eenvoudig stroomschemaatje:
‘ik wil iets doen uit naam van mijn geloof’
→ ‘beïnvloed ik er levens van anderen mee?’
→ ‘gaan die anderen akkoord?’
De laatste vraag is cruciaal.
Alleen als het antwoord bevestigend is,
geeft de boekenlegger groen licht om tot actie over te gaan.
Als iedereen de stappen op zijn boekenlegger maar volgt,
is religieus gemotiveerd geweld volgens Lubach zó de wereld uit!
Over deze boekenlegger zijn heel wat vragen te stellen.
Bijvoorbeeld: kan ik volgens Lubachs richtlijnen
mijn kinderen nog wel christelijk opvoeden?
Het lijkt me dat die keuze van mij grote invloed op hen heeft.
En waarom deze vragen alleen stellen aan religies
– niet bijvoorbeeld aan een ideologie als het liberalisme?
Wat mij echter meteen inviel is dit:
christenen hebben zo’n bijsluiter helemaal niet nodig.
In de Bijbel is zo’n bijsluiter allang gegeven door Jezus zelf!
Hij zegt namelijk ergens het volgende:
‘behandel anderen dus steeds zoals jij zou willen dat ze jullie behandelen.
Dat is de Wet en de Profeten.’
Deze woorden komen uit zijn zogenaamde Bergrede,
de grondwet voor al zijn volgelingen.
Dit is volgens Jezus dus waar het op neerkomt in de Wet en de Profeten
– de heilige boeken van zijn tijd.
Heb je dan nog een boekenlegger nodig van Arjan Lubach?
En natuurlijk, er zijn genoeg voorbeelden te noemen
waar christenen akelige dingen hebben gedaan
uit naam van hun geloof.
Maar doe nu niet alsof iedereen die de Bijbel leest
een potentiële terrorist is die vermaand moet worden met een boekenlegger!
Ik geloof dat de woorden,
en nog meer het voorbeeld van Jezus,
een stuk méér helpen tegen terreur en intolerantie
dan zo’n stukje karton…

 

Wie wil er nou een baan die een zware wissel trekt op je gezin?
Met onchristelijke werktijden en hoge stressniveaus.
Wie wil er nou een baan waarbij iedereen een mening over je heeft?
Waar de morele fouten uit je werk- of privéleven
in de media kunnen worden uitvergroot.
Wie wil er een baan die wantrouwen oproept
onder een groot deel van de Nederlandse bevolking?
Een baan die in het verleden enig gezag met zich meedroeg,
maar tegenwoordig vooral een lege huls lijkt geworden.
Ik merk dat om mij heen veel – vooral jongere – dominees afhaken.
Ze geven er soms na een korte tijd de brui aan.
Vaak hebben ze een nieuwe uitdaging gevonden:
directeur van een christelijke stichting, docent of noem het maar op.
Veel jonge collega’s verwachten
dat hun predikantschap een beperkte houdbaarheidsdatum heeft.
Hun toekomst ligt bij maatschappelijke organisaties,
het kerkelijke bestuursapparaat, de academie
of een niet-ambtelijke carrière in het bedrijfsleven.
Deze veranderingen worden vaak toegejuicht. ‘Wat mooi dat je je hart volgt!’

En natuurlijk, er kan sprake zijn van een nieuwe roeping die op je pad komt.
Maar voor het predikantentekort is deze uitstroom slecht nieuws,
en soms lijkt een carrière switch een makkelijke uitweg uit de sleur van het ambt.
Aan de andere kant heeft ‘de kerk’ ook een gave om predikanten
die soms door omstandigheden tijdelijk geen vaste gemeente hebben
het extreem lastig te maken om gemotiveerd te blijven.
Ook kunnen gemeenteleden zich als een wolf gaan gedragen
en willen ze de herder verslinden.
Je voelt de last van de onmogelijke verwachtingen van gemeenteleden,
bijvoorbeeld dat de dominee ‘de jeugd weer in de kerk brengt.’
Gemeenteleden willen dat de dominee in elke eredienst
aandacht besteedt aan de dertigers en de jongeren en de ouderen.
De conclusie kan dan zijn dat als ik mijn roeping wil volgen,
de gemeente misschien niet de plek is waar je die roeping kan ontwikkelen.
In een enquête die gehouden werd 50 procent (!)
van de ondervraagde voorgangers aan
te hebben overwogen om te stoppen met het predikantschap.

Maar de kerk heeft echter baat bij honkvastheid.
Predikanten die volhouden, niet voor even, maar – ondanks alles – voor het leven.
Die het ‘gewone’ werk doen: preken, bezoeken,
bouwen aan gemeenschappen van Christus.

 

Het is verkiezingstijd.
En één van de grote onderwerpen die ook de komende strijd bepalen
is het topic over de instroom van vluchtelingen.
Het kabinet is er zelfs over gevallen.
Mensen die wegvluchten voor de onveiligheid, onvrijheid
of simpelweg een boterham willen verdienen.
Wie zou in zo’n onzekerheid willen leven?
Maar de ze mensen moeten we buiten de deur houden, want…

Een groot voorbeeld voor zo’n hardvochtige opstelling is dan
de Hongaarse premier Orbán is een persoon
die altijd als hardliner de harten van heel veel mensen wint.
Hij zegt namelijk: we moeten geen vluchtelingen opnemen,
want de grote toestroom van moslims bedreigt de christelijke identiteit van ons continent.
En op 3 mei jl. stemde dus een overweldigende meerderheid van het Hongaarse parlement,
gecontroleerd door de partij van premier Viktor Orbán,
voor een resolutie met daarin klip-en-klaar de verklaring:
‘Wij willen geen immigratieland worden.’
De media sprongen er bovenop, gezagsdragers deden ronkende uitspraken op radio en tv.
Inmiddels zijn deze woorden opgepikt door landen als Polen en Slowakije,
die met zo’n redenering de asielzoekers weigeren die de EU hen wil toebedelen.
Deze woorden maken mij echt boos en verdrietig.
Want bedreigt deze instroom je identiteit, als er in Europa allang zo’n 50 miljoen moslims wonen?
Weet u trouwens wat verbazend is?
Op dezelfde dag nam hetzelfde Hongaarse parlement
ook een wet aan die het stukken makkelijker moet maken
om gastarbeiders van buiten de Europese Unie
op tijdelijke arbeidscontracten naar Hongarije te halen.
Dat gebeurde heel stilletjes en kreeg amper aandacht in de media.
Want Hongarije heeft tussen 2010 en 2023 300.000 inwoners verloren
door emigratie en lage geboortecijfers.
En als lagelonenland waar veel westerse bedrijven afgelopen jaren fabrieken hebben gevestigd,
is het land nu begonnen hoge aantallen Aziatische arbeidskrachten te importeren.
Volgens het Hongaarse statistiekbureau waren dat er in 2022 86.000
– een stijging van 14 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

Maar goed, het eerste nieuws is uitermate droevig en ik word er boos van.
Vooral word ik boos en droevig, omdat uit deze woorden
een totáál onbegrip blijkt van wat ‘christelijke identiteit’ inhoudt.
Houdt dat niet in dat je een volgeling van Jezus bent, en zijn woorden serieus neemt?
En wat, denkt u, zou Jezus doen als hij geconfronteerd werd met zoveel mensen in nood?
Ik zal een paar woorden van Jezus aanhalen.
‘Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is’.
‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven,
dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven.
Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op…
want alles wat jullie gedaan hebben
voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’.

Als een continent, een land of een premier zich ‘christelijk’ noemt
en er komen vluchtelingen op zijn pad,
dient dan niet de eerste gedachte te zijn hoe je kunt helpen?
Daarná komen pas de moeilijke vragen over wat je samen aankunt en waar grenzen liggen.
Het startpunt ligt geheel anders: niet bij ‘houden wat we hebben’
– want ik vrees dat Orbán ten diepste dat bedoelt – maar bij bewogenheid.

 

Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee.
Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan?
Johannes 6,66-67

De deur dichtslaan doen mensen die niet meer geloven, niet meer hopen.
Die gooien de deur dicht en gaan op z’n best naar het Museumplein of naar het Malieveld.
De vanzelfsprekende van het doorgeven van het geloof is,
zeker in een geseculariseerde maatschappij zoals de onze, verleden tijd.
Het geloof wordt, onder invloed van de verlichting,
tegenwoordig vooral gezien als een geheel van opvattingen
die sterk betwistbaar en bijzonder onwaarschijnlijk zijn,
in elk geval inferieur aan de wetenschap.
Tegelijk neemt de afkalving van religieuze praktijken
en van een hecht christelijk gemeenschapsleven dramatische proporties aan.
De moderne apologetiek
lijkt aan deze situatie niet echt iets te kunnen veranderen.
Integendeel, zij lijkt zelf onderdeel van de negatieve context en ontwikkeling.
Zij lijkt in elk geval, samen met het geloof, maatschappelijk irrelevant te worden.
Maar dat is paradoxaal genoeg ook het geval met het atheïsme,
dat eveneens in ongenade is gevallen.
We zijn collectief als het ware ‘voorbij geloof en ongeloof’:
ook al is vooral geloven helemaal not done.
Moeten gelovigen in deze situatie dan niet radicaal om gekeerde beweging maken
en terug (hun) geloof als vertrouwvolle manier van leven omarmen en verdiepen?
Eens startte de gemeente start klein. Werd zelfs vervolgd. Maar Jezus wint het tot in Rome.
Wat is dan de kracht?
Juist in deze tijd van Jezus’ schijnbare afwezigheid valt het op als iemand tot geloof komt.
Of op een andere manier wordt iemand onverwacht geraakt door Jezus.
Het gebeurt. Wat is dat een onvoorstelbare kracht. Dat komt echt uit het niets.
Efeze 1 vergelijkt het met de kracht van de opstanding van Jezus.
Je staat stomverbaasd te kijken. Jezus geeft het. God is er, Hij is betrouwbaar.

Wat dat betreft is deze tijd juist echt een heel hoopvolle tijd.
Je hebt in onze snelle cultuur een tegenbeweging van slow: bijvoorbeeld slowfood
In plaats van de snelle hap neem je de tijd voor je maaltijd.
Zo doet Jezus vandaag ook. Slow-believe;
dat leert Jezus ons.
Kijk in het detail van je leven. Merk jij dat Jezus er is?
In een situatie dat je zoveel ellende meemaakt,
merk je op: mensen staan echt om me heen. Ik word niet losgelaten.
Dan vergroot misschien ook de mogelijkheid van een eigentijdse reflectie.
Je wordt niet losgelaten

Ten slotte volgt dan de fase van aanvaarding.
Aanvaarden dat de Nederlandse samenleving
sinds half maart 2020 niet meer gelijk is als daarvoor.

Aanvaarden dat heel de wereld veranderd is
en dat zaken niet meer gaan zoals we ze gewoon waren.
Dat een anderhalvemetersamenleving van deze tijd is.
Dat dit grote consequenties heeft voor evenementen
zoals concerten, festivals, sportwedstrijden en kerkdiensten.

Aanvaarden betekent loslaten van wat was
en het nieuwe normaal omarmen.
Al blijft het voelen als abnormaal.
Want aanvaarden en loslaten
is wat anders dan vergeten hoe het was.
Toch realiseer ik me dat ik
de nieuwe situatie niet aanvaard heb.
In deze fase ben ik niet beland.
Ik houd en wil teveel vasthouden aan mijn oude leven.
Ik vraag me zelfs af of ik de fase hiervoor al in ben gegaan. Veel meer ontdek ik bij mij zelf het marchanderen.
Want als dat medicijn er nu is
en mensen er tegen gevaccineerd kunnen worden,
dan is het toch klaar en dan gaan we toch gewoon verder
zoals we in 2019 gewend waren.
Ik hoop van harte dat er een moment komt
waarop we als samenleving opgelucht
en met vreugde in het hart kunnen zeggen:
‘Dit is zo 2019’. Ik verlang er naar.
Een normale samenleving waarin mensen
misschien op gepaste afstand dicht bij elkaar leven
en gevaar van besmetten of besmet worden geweken is.

Ik weet niet of die tijd komt.
Als het lukt om binnen een korte periode
met medicijnen mensen die besmet zijn te genezen
en door vaccinatie te voorkomen dat mensen ziek raken,
dan lijkt deze periode tijdelijk te zijn.
Dan hebben we ‘slechts’ het verlies te verwerken van geliefden die gestorven zijn door het coronavirus,
van bedrijven die omgevallen zijn
en van een tijd waarin we niet bij elkaar
over de vloer kwamen.
Dan rest het de samenleving slechts om dit te aanvaarden. Voor talloze mensen zal het persoonlijk moeilijk zijn
om tot aanvaarding te komen,
maar als samenleving zal deze stap niet zo groot zijn.
Er zal een nieuw ‘goed’ moeten komen.
In de kerk zal nagedacht moeten worden
over de invulling van kerk zijn in de komende jaren.
Voor kerkdiensten lijken online diensten een goed alternatief. Tegelijk is dit het doorgaan op oude voet.
Zal er een ander ‘normaal’ komen?
Zover zijn we nog niet,
maar ik laat me graag verleiden om verder te denken.
Bovenal wil ik me laten leiden door de Geest van God.
Want Hij die hemel en aarde geschapen heeft,
blijft dezelfde tot in alle eeuwigheid.
God verandert niet en is en blijft betrokken bij deze wereld
en in het bijzonder bij de kerk op aarde.
Voor een kerk die niet weet hoe het verder moet,
maar wel door heeft dat het niet bij het oude kan blijven,
is het gebed tot Hem en om leiding door de Heilige Geest
het enige wat rest.
Het brengt de gedachten bij de volgelingen van Jezus
die na de hemelvaart van de Here Jezus
eensgezind bijeen waren in bidden en smeken.
God vulde hen met Pinksteren met de Heilige Geest
en gaf en de mogelijkheden
om het Evangelie van Jezus Christus te delen
met allerlei mensen en in allerlei talen.
In dit vertrouwen wil ik leven.
Dat God ook nu door Zijn Geest geeft wat nodig is
om het Evangelie van Zijn Zoon te delen.
Zo mogen we te midden van een rouwproces
de Heer dienen met blijdschap.

Marchanderen is de volgende fase
van de 5 fasentheorie van Kübler-Ross.
Achter het marchanderen ligt de machteloosheid
om de zaken weer te herstellen naar de oude situatie
of de situatie naar de hand te zetten.
Dit maakt dat mensen bewust of onbewust,
rationeel of irrationeel gaan polderen.
Zoals ‘Als ik me houd aan de anderhalvemetersamenleving,
dan mag ik toch wel bij mijn moeder
op bezoek in het verzorgingstehuis.’
Of ‘Wanneer ik meerdere keren per dag
20 seconden lang mijn handen was,
dan kunnen de kleinkinderen toch wel op bezoek komen.’
In deze fase is de ernst van de situatie helder,
maar de alles veranderende doorwerking
van het gebeuren niet.
In deze situatie wil de rouwende mens onderhandelen,
want erkennen en accepteren is nog lang niet aan de orde. Zover is de weg van het rouwproces nog niet bewandeld.
In eerder genoemde voorbeelden
zien we vormen van marchanderen.
We komen het ook tegen bij hen
die onder het mom van de economie
scholen en bedrijven weer willen openen.
Je ziet het nu in verkiezingstijd voor je ogen gebeuren.
Er wordt onderhandelt en
zijn bijvoorbeeld de ouderen en de zwakkeren
in de samenleving het wisselgeld.
Zo iets als ‘wanneer wij hen isoleren,
dan kan de rest van de samenleving
toch wel weer gewoon opgestart worden?’
De ontkenningsfase en de woede is voorbij
en er wordt geprobeerd weer grip op alles te krijgen,
voordat de grip op het eigen leven wordt kwijtgeraakt.
Het marchanderen is hiermee een vorm van zelfbehoud.
De angst om op de een af andere manier
er aan onder door te gaan.
Zo wordt van alles gewogen om het gewaardeerde leven
dat er was weer voort gang te laten vinden.
Binnen de kerk zal er voor deze fase opgepast moeten worden. Het marchanderen ligt voor de hand.
We zijn vaak erg creatief om allerlei zaken te bedenken,
zodat het oude leven toch op de een of andere manier doorgang kan vinden.
We willen vasthouden aan wat was
en niet aanvaarden dat de tijden veranderd zijn.
Het is allemaal heel begrijpelijk.
Toch vind ik dat we hier als kerken
al echt een slag geslagen hebben.
Nu zijn veel van de kerken dicht voor erediensten ‘oude stijl’,
is zingen on hold gezet en proberen kerken
hun steentje bij te dragen aan de indamming van het virus.
Maar het marchanderen ligt ook in de kerk op de loer.
Creatieve geesten die wegen zoeken
om het bij het oude te houden in een iets andere situatie.
Want gewoon willen doen wat we gewoon waren.
Dat past ons het beste.
Al met al is het marchanderen
een onderdeel van het rouwproces.
Er zal een bewustwording op gang moeten komen,
dat men oude wijn in oude zakken doet
en nieuwe wijn in nieuwe zakken.
De tijden zijn aan het veranderen en al veranderd.
Maar dit moet wel eerst binnenkomen.

klok

We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.

‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.

Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan:                                                         ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’

Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld:
de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen
de komende tijd zullen decimeren
en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt
naar de eigen rol te kijken.
Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’
of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten
van het idee van een levenslang predikantschap. (sic)
Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op:
een apostel en verkondiger van het evangelie
maar daarnaast een tentenmaker.
Ergens klinkt bij deze gedachte door
bij het aankijken tegen het ambt van predikant:
of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden
aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord;
of een persoon die naast een betaalde baan
de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet.
Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting,
zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt.
Moet je dan koste wat het kost vasthouden
aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is –
of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?

Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen.
Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom
het zo geplaagde ambt van de predikant.
Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten,
maar herinvesteren een groot deel van hun winst
in hun organisatie en in de gemeenschap
om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken.
De maatschappelijke impact van social enterprises
wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde)
producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft.
Een social enterprise:

1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first.
2. Realiseert dat doel als private onderneming,
met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert.
3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel
of andere vormen van waarde uitruil:
is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies
4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd:
de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers,
en bewust van haar ecologische voetafdruk.

Een social enterprise onderscheidt zich van een
traditioneel commercieel bedrijf
omdat dat zij haar maatschappelijke missie
boven financiële doelen heeft gesteld.
Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise
ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen
en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na.
Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren,
dan moeten zij ook financieel gezond zijn.
Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen
slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken.
Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen
in dat zij financieel zelfvoorzienend is.
Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise
een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten
in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.

ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk
en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt
– iets waar ik dus echt over na wil denken,
misschien van roeping naar beroep –
maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken
dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. 
Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk
dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’,
dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren.
Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden
zoals de predikant te zien als social entrepeneur
en de kerk als social enterprise,
maar om alleen maar zo’n concept te doordenken
kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.