Wie wil er nou een baan die een zware wissel trekt op je gezin? Met onchristelijke werktijden en hoge stressniveaus. Wie wil er nou een baan waarbij iedereen een mening over je heeft? Waar de morele fouten uit je werk- of privéleven in de media kunnen worden uitvergroot. Wie wil er een baan die wantrouwen oproept onder een groot deel van de Nederlandse bevolking? Een baan die in het verleden enig gezag met zich meedroeg, maar tegenwoordig vooral een lege huls lijkt geworden. Ik merk dat om mij heen veel – vooral jongere – dominees afhaken. Ze geven er soms na een korte tijd de brui aan. Vaak hebben ze een nieuwe uitdaging gevonden: directeur van een christelijke stichting, docent of noem het maar op. Veel jonge collega’s verwachten dat hun predikantschap een beperkte houdbaarheidsdatum heeft. Hun toekomst ligt bij maatschappelijke organisaties, het kerkelijke bestuursapparaat, de academie of een niet-ambtelijke carrière in het bedrijfsleven. Deze veranderingen worden vaak toegejuicht. ‘Wat mooi dat je je hart volgt!’
En natuurlijk, er kan sprake zijn van een nieuwe roeping die op je pad komt. Maar voor het predikantentekort is deze uitstroom slecht nieuws, en soms lijkt een carrière switch een makkelijke uitweg uit de sleur van het ambt. Aan de andere kant heeft ‘de kerk’ ook een gave om predikanten die soms door omstandigheden tijdelijk geen vaste gemeente hebben het extreem lastig te maken om gemotiveerd te blijven. Ook kunnen gemeenteleden zich als een wolf gaan gedragen en willen ze de herder verslinden. Je voelt de last van de onmogelijke verwachtingen van gemeenteleden, bijvoorbeeld dat de dominee ‘de jeugd weer in de kerk brengt.’ Gemeenteleden willen dat de dominee in elke eredienst aandacht besteedt aan de dertigers en de jongeren en de ouderen. De conclusie kan dan zijn dat als ik mijn roeping wil volgen, de gemeente misschien niet de plek is waar je die roeping kan ontwikkelen. In een enquête die gehouden werd 50 procent (!) van de ondervraagde voorgangers aan te hebben overwogen om te stoppen met het predikantschap.
Maar de kerk heeft echter baat bij honkvastheid. Predikanten die volhouden, niet voor even, maar – ondanks alles – voor het leven. Die het ‘gewone’ werk doen: preken, bezoeken, bouwen aan gemeenschappen van Christus.
Het is verkiezingstijd. En één van de grote onderwerpen die ook de komende strijd bepalen is het topic over de instroom van vluchtelingen. Het kabinet is er zelfs over gevallen. Mensen die wegvluchten voor de onveiligheid, onvrijheid of simpelweg een boterham willen verdienen. Wie zou in zo’n onzekerheid willen leven? Maar de ze mensen moeten we buiten de deur houden, want…
Een groot voorbeeld voor zo’n hardvochtige opstelling is dan de Hongaarse premier Orbán is een persoon die altijd als hardliner de harten van heel veel mensen wint. Hij zegt namelijk: we moeten geen vluchtelingen opnemen, want de grote toestroom van moslims bedreigt de christelijke identiteit van ons continent. En op 3 mei jl. stemde dus een overweldigende meerderheid van het Hongaarse parlement, gecontroleerd door de partij van premier Viktor Orbán, voor een resolutie met daarin klip-en-klaar de verklaring: ‘Wij willen geen immigratieland worden.’ De media sprongen er bovenop, gezagsdragers deden ronkende uitspraken op radio en tv. Inmiddels zijn deze woorden opgepikt door landen als Polen en Slowakije, die met zo’n redenering de asielzoekers weigeren die de EU hen wil toebedelen. Deze woorden maken mij echt boos en verdrietig. Want bedreigt deze instroom je identiteit, als er in Europa allang zo’n 50 miljoen moslims wonen? Weet u trouwens wat verbazend is? Op dezelfde dag nam hetzelfde Hongaarse parlement ook een wet aan die het stukken makkelijker moet maken om gastarbeiders van buiten de Europese Unie op tijdelijke arbeidscontracten naar Hongarije te halen. Dat gebeurde heel stilletjes en kreeg amper aandacht in de media. Want Hongarije heeft tussen 2010 en 2023 300.000 inwoners verloren door emigratie en lage geboortecijfers. En als lagelonenland waar veel westerse bedrijven afgelopen jaren fabrieken hebben gevestigd, is het land nu begonnen hoge aantallen Aziatische arbeidskrachten te importeren. Volgens het Hongaarse statistiekbureau waren dat er in 2022 86.000 – een stijging van 14 procent ten opzichte van het jaar ervoor.
Maar goed, het eerste nieuws is uitermate droevig en ik word er boos van. Vooral word ik boos en droevig, omdat uit deze woorden een totáál onbegrip blijkt van wat ‘christelijke identiteit’ inhoudt. Houdt dat niet in dat je een volgeling van Jezus bent, en zijn woorden serieus neemt? En wat, denkt u, zou Jezus doen als hij geconfronteerd werd met zoveel mensen in nood? Ik zal een paar woorden van Jezus aanhalen. ‘Wees barmhartig, zoals uw hemelse Vader barmhartig is’. ‘Ik had honger en jullie hebben mij te eten gegeven, dorst en jullie hebben mij te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling en jullie namen mij op… want alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan’.
Als een continent, een land of een premier zich ‘christelijk’ noemt en er komen vluchtelingen op zijn pad, dient dan niet de eerste gedachte te zijn hoe je kunt helpen? Daarná komen pas de moeilijke vragen over wat je samen aankunt en waar grenzen liggen. Het startpunt ligt geheel anders: niet bij ‘houden wat we hebben’ – want ik vrees dat Orbán ten diepste dat bedoelt – maar bij bewogenheid.
Van toen af trokken velen van Zijn discipelen zich terug en gingen niet meer met Hem mee. Jezus dan zei tegen de twaalf: Wilt u ook niet weggaan? Johannes 6,66-67
De deur dichtslaan doen mensen die niet meer geloven, niet meer hopen. Die gooien de deur dicht en gaan op z’n best naar het Museumplein of naar het Malieveld. De vanzelfsprekende van het doorgeven van het geloof is, zeker in een geseculariseerde maatschappij zoals de onze, verleden tijd. Het geloof wordt, onder invloed van de verlichting, tegenwoordig vooral gezien als een geheel van opvattingen die sterk betwistbaar en bijzonder onwaarschijnlijk zijn, in elk geval inferieur aan de wetenschap. Tegelijk neemt de afkalving van religieuze praktijken en van een hecht christelijk gemeenschapsleven dramatische proporties aan. De moderne apologetiek lijkt aan deze situatie niet echt iets te kunnen veranderen. Integendeel, zij lijkt zelf onderdeel van de negatieve context en ontwikkeling. Zij lijkt in elk geval, samen met het geloof, maatschappelijk irrelevant te worden. Maar dat is paradoxaal genoeg ook het geval met het atheïsme, dat eveneens in ongenade is gevallen. We zijn collectief als het ware ‘voorbij geloof en ongeloof’: ook al is vooral geloven helemaal not done. Moeten gelovigen in deze situatie dan niet radicaal om gekeerde beweging maken en terug (hun) geloof als vertrouwvolle manier van leven omarmen en verdiepen? Eens startte de gemeente start klein. Werd zelfs vervolgd. Maar Jezus wint het tot in Rome. Wat is dan de kracht? Juist in deze tijd van Jezus’ schijnbare afwezigheid valt het op als iemand tot geloof komt. Of op een andere manier wordt iemand onverwacht geraakt door Jezus. Het gebeurt. Wat is dat een onvoorstelbare kracht. Dat komt echt uit het niets. Efeze 1 vergelijkt het met de kracht van de opstanding van Jezus. Je staat stomverbaasd te kijken. Jezus geeft het. God is er, Hij is betrouwbaar.
Wat dat betreft is deze tijd juist echt een heel hoopvolle tijd. Je hebt in onze snelle cultuur een tegenbeweging van slow: bijvoorbeeld slowfood In plaats van de snelle hap neem je de tijd voor je maaltijd. Zo doet Jezus vandaag ook. Slow-believe; dat leert Jezus ons. Kijk in het detail van je leven. Merk jij dat Jezus er is? In een situatie dat je zoveel ellende meemaakt, merk je op: mensen staan echt om me heen. Ik word niet losgelaten. Dan vergroot misschien ook de mogelijkheid van een eigentijdse reflectie. Je wordt niet losgelaten
Ten slotte volgt dan de fase van aanvaarding. Aanvaarden dat de Nederlandse samenleving sinds half maart 2020 niet meer gelijk is als daarvoor.
Aanvaarden dat heel de wereld veranderd is en dat zaken niet meer gaan zoals we ze gewoon waren. Dat een anderhalvemetersamenleving van deze tijd is. Dat dit grote consequenties heeft voor evenementen zoals concerten, festivals, sportwedstrijden en kerkdiensten.
Aanvaarden betekent loslaten van wat was en het nieuwe normaal omarmen. Al blijft het voelen als abnormaal. Want aanvaarden en loslaten is wat anders dan vergeten hoe het was. Toch realiseer ik me dat ik de nieuwe situatie niet aanvaard heb. In deze fase ben ik niet beland. Ik houd en wil teveel vasthouden aan mijn oude leven. Ik vraag me zelfs af of ik de fase hiervoor al in ben gegaan. Veel meer ontdek ik bij mij zelf het marchanderen. Want als dat medicijn er nu is en mensen er tegen gevaccineerd kunnen worden, dan is het toch klaar en dan gaan we toch gewoon verder zoals we in 2019 gewend waren. Ik hoop van harte dat er een moment komt waarop we als samenleving opgelucht en met vreugde in het hart kunnen zeggen: ‘Dit is zo 2019’. Ik verlang er naar. Een normale samenleving waarin mensen misschien op gepaste afstand dicht bij elkaar leven en gevaar van besmetten of besmet worden geweken is.
Ik weet niet of die tijd komt. Als het lukt om binnen een korte periode met medicijnen mensen die besmet zijn te genezen en door vaccinatie te voorkomen dat mensen ziek raken, dan lijkt deze periode tijdelijk te zijn. Dan hebben we ‘slechts’ het verlies te verwerken van geliefden die gestorven zijn door het coronavirus, van bedrijven die omgevallen zijn en van een tijd waarin we niet bij elkaar over de vloer kwamen. Dan rest het de samenleving slechts om dit te aanvaarden. Voor talloze mensen zal het persoonlijk moeilijk zijn om tot aanvaarding te komen, maar als samenleving zal deze stap niet zo groot zijn. Er zal een nieuw ‘goed’ moeten komen. In de kerk zal nagedacht moeten worden over de invulling van kerk zijn in de komende jaren. Voor kerkdiensten lijken online diensten een goed alternatief. Tegelijk is dit het doorgaan op oude voet. Zal er een ander ‘normaal’ komen? Zover zijn we nog niet, maar ik laat me graag verleiden om verder te denken. Bovenal wil ik me laten leiden door de Geest van God. Want Hij die hemel en aarde geschapen heeft, blijft dezelfde tot in alle eeuwigheid. God verandert niet en is en blijft betrokken bij deze wereld en in het bijzonder bij de kerk op aarde. Voor een kerk die niet weet hoe het verder moet, maar wel door heeft dat het niet bij het oude kan blijven, is het gebed tot Hem en om leiding door de Heilige Geest het enige wat rest. Het brengt de gedachten bij de volgelingen van Jezus die na de hemelvaart van de Here Jezus eensgezind bijeen waren in bidden en smeken. God vulde hen met Pinksteren met de Heilige Geest en gaf en de mogelijkheden om het Evangelie van Jezus Christus te delen met allerlei mensen en in allerlei talen. In dit vertrouwen wil ik leven. Dat God ook nu door Zijn Geest geeft wat nodig is om het Evangelie van Zijn Zoon te delen. Zo mogen we te midden van een rouwproces de Heer dienen met blijdschap.
Marchanderen is de volgende fase van de 5 fasentheorie van Kübler-Ross. Achter het marchanderen ligt de machteloosheid om de zaken weer te herstellen naar de oude situatie of de situatie naar de hand te zetten. Dit maakt dat mensen bewust of onbewust, rationeel of irrationeel gaan polderen. Zoals ‘Als ik me houd aan de anderhalvemetersamenleving, dan mag ik toch wel bij mijn moeder op bezoek in het verzorgingstehuis.’ Of ‘Wanneer ik meerdere keren per dag 20 seconden lang mijn handen was, dan kunnen de kleinkinderen toch wel op bezoek komen.’ In deze fase is de ernst van de situatie helder, maar de alles veranderende doorwerking van het gebeuren niet. In deze situatie wil de rouwende mens onderhandelen, want erkennen en accepteren is nog lang niet aan de orde. Zover is de weg van het rouwproces nog niet bewandeld. In eerder genoemde voorbeelden zien we vormen van marchanderen. We komen het ook tegen bij hen die onder het mom van de economie scholen en bedrijven weer willen openen. Je ziet het nu in verkiezingstijd voor je ogen gebeuren. Er wordt onderhandelt en zijn bijvoorbeeld de ouderen en de zwakkeren in de samenleving het wisselgeld. Zo iets als ‘wanneer wij hen isoleren, dan kan de rest van de samenleving toch wel weer gewoon opgestart worden?’ De ontkenningsfase en de woede is voorbij en er wordt geprobeerd weer grip op alles te krijgen, voordat de grip op het eigen leven wordt kwijtgeraakt. Het marchanderen is hiermee een vorm van zelfbehoud. De angst om op de een af andere manier er aan onder door te gaan. Zo wordt van alles gewogen om het gewaardeerde leven dat er was weer voort gang te laten vinden. Binnen de kerk zal er voor deze fase opgepast moeten worden. Het marchanderen ligt voor de hand. We zijn vaak erg creatief om allerlei zaken te bedenken, zodat het oude leven toch op de een of andere manier doorgang kan vinden. We willen vasthouden aan wat was en niet aanvaarden dat de tijden veranderd zijn. Het is allemaal heel begrijpelijk. Toch vind ik dat we hier als kerken al echt een slag geslagen hebben. Nu zijn veel van de kerken dicht voor erediensten ‘oude stijl’, is zingen on hold gezet en proberen kerken hun steentje bij te dragen aan de indamming van het virus. Maar het marchanderen ligt ook in de kerk op de loer. Creatieve geesten die wegen zoeken om het bij het oude te houden in een iets andere situatie. Want gewoon willen doen wat we gewoon waren. Dat past ons het beste. Al met al is het marchanderen een onderdeel van het rouwproces. Er zal een bewustwording op gang moeten komen, dat men oude wijn in oude zakken doet en nieuwe wijn in nieuwe zakken. De tijden zijn aan het veranderen en al veranderd. Maar dit moet wel eerst binnenkomen.
We moeten het dit jaar ook zonder die typische kerstsfeer doen.
Dit jaar even niet met elkaar in een volgestopte kerk,
met lichtjes en een uitbundig Ere zij God.
Ook dat zal behoorlijk gemist worden.
Kerst is normaliter een feest van eensgezindheid en warmte,
maar nu zit iedereen ergens anders, in eigen huizen,
eigen bubbels, eigen zorgen.
We zijn verspreid en geestelijk is er ook verstrooiing.
‘Ik bespeur ook veel verlangen’,
zei één van de collega’s uit de werkgemeenschap van predikanten.
Dat herken ik wel.
Ook ik proef verlangen naar een betere tijd.
Verlangen naar de fysieke ontmoeting van de geloofsgemeenschap.
Verlangen ook naar gedeeld geloof, misschien?
Zou dat verlangen, hoe diffuus ook,
een aanknopingspunt bij Maria kunnen zijn?
Die verwachting komt dan tot klinken wanneer Maria gaat zingen.
Daarbij treedt Maria toe tot een rijtje zingende vrouwen in de Bijbel: Mirjam, Debora, Hanna, en Judith.
Het is belangrijk om hier oog voor te hebben,
want hieruit blijkt dat Maria’s lied niet voortkomt
uit haar persoonlijke gemoedstoestand of bevinding.
Het gaat om het juiste perspectief.
God heeft niet zozeer een rol gekregen in Maria’s leven,
maar Maria heeft een rol gekregen in Gods plan met Israël.
Maria zingt mee in het koor van de verdrukten.
Haar Magnificat is een regelrecht protestlied.
Alles wordt op losse schroeven gezet en omgekeerd.
Dat ‘alles’ heeft vooral betrekking op macht en vermogen,
politiek en economie. God neigt naar berooide mensen.
In dit lied, dit gebed kiest Maria positie voor de vromen,
de nederigen en de hongerigen.
De gelovige staat samen met berooide mens tegenover de hoogmoedigen, de machtigen en de rijken.
Het jaar 2020 was een jaar van verstrooiing en versloffing.
We zijn moe en snakken naar de aanraking van boven,
want die ervaren we minder nu de volle kerk ontbreekt,
nu we geen daverend slot– of morgenlied zingen.
God kan ver weg voelen en we verlangen nu juist Zijn nabijheid.
Maar dit verlangen – als we het hebben – vraagt om gebed,
en veel spirituele toewijding.
Het evangelie komt niet zomaar ons leven binnenfietsen.
Er moet wel plek zijn om te landen.
Geloven wij wel werkelijk dat God zich in ons leven zal melden
als wij ons net als Maria toeleggen op het gebed?
In het spoor van kerkvader Augustinus kun je zeggen
dat mensen niet gevormd worden door kennis, maar door verlangen.
Niet ‘wat wij weten’ vormt en verandert ons, maar wat wij liefhebben.
Niet het hoofd, maar het hart maakt wie wij zijn.
Maria zingt in het koor van de verdrukten.
Wie hoog en droog zit, valt naar beneden, en wie laag
bij de grond stond, wordt verhoogd.
Dat is heel radicaal en bij Lucas is armoede ook echt armoede.
Ik denk dat het goed is om het appel van Maria’s protestlied te laten staan: ‘Wees maar niet al te verknocht aan je mooie, geïsoleerde huis met visgraatvloer, want God keert alles om.’
Als ik zo mijn oor te luister leg verkeren kerken de laatste tijd in crisis. Deze crisis heeft – denk ik – verschillende oorzaken, bijvoorbeeld: de jarenlange secularisatie die geloofsgemeenschappen de komende tijd zullen decimeren en de coronacrisis die kerken op z’n minst uitdaagt naar de eigen rol te kijken. Volgens sommigen moeten men zich dan ‘herkerken’ of wordt er stoer gezegd dat we zelfs af moeten van het idee van een levenslang predikantschap. (sic) Als ik hier verder nadenk popt bij mij de figuur van Paulus op: een apostel en verkondiger van het evangelie maar daarnaast een tentenmaker. Ergens klinkt bij deze gedachte door bij het aankijken tegen het ambt van predikant: of het is een vrijgestelde persoon die zich kan wijden aan de zorg voor de gemeente in de breedste zin van het woord; of een persoon die naast een betaalde baan de zorg in de gemeente ‘erbij’ doet. Hoewel ik een warm voorstander ben van de eerste opvatting, zie ik om me heen dat de tweede opvatting steeds meer opkomt. Moet je dan koste wat het kost vasthouden aan de eerste opvatting – hoe legitiem die ook is – of oog hebben voor maatschappelijk veranderende ideeën rondom dit vak?
Laatst kwam ik het idee van social enterprise tegen. Misschien draagt dit idee bij aan het denken rondom het zo geplaagde ambt van de predikant. Social enterprises verdienen geld aan producten en diensten, maar herinvesteren een groot deel van hun winst in hun organisatie en in de gemeenschap om zo hun maatschappelijke missie te verwezenlijken. De maatschappelijke impact van social enterprises wordt gerealiseerd door het aanbod van (verantwoorde) producten en diensten, of door het personeel dat ze in dienst heeft. Een social enterprise:
1. Heeft primair een maatschappelijk doel: impact first. 2. Realiseert dat doel als private onderneming, met of zonder winstoogmerk, die een dienst of product levert. 3. Is financieel zelfvoorzienend gebaseerd op handel of andere vormen van waarde uitruil: is dus beperkt of niet afhankelijk van giften of subsidies 4. Is sociaal in de wijze waarop de onderneming wordt gevoerd: de bestuursfilosofie is gebaseerd op medezeggenschap van alle betrokkenen, is fair naar medewerkers en leveranciers, en bewust van haar ecologische voetafdruk.
Een social enterprise onderscheidt zich van een traditioneel commercieel bedrijf omdat dat zij haar maatschappelijke missie boven financiële doelen heeft gesteld. Commerciële bedrijven, zijn daarom zelden een social enterprise ook al willen zij vaak in hun processen zo min mogelijk schade doen en streven zij er naar om een bijdrage leveren aan een betere wereld. Primair streven zij altijd een financiële doel na. Want willen social enterprises hun missie kunnen realiseren, dan moeten zij ook financieel gezond zijn. Het financiële doel is voor de social enterprise daarentegen slechts een middel om haar eigenlijke, sociale missie te verwezenlijken. Een social enterprise onderscheidt zich van traditionele goede doelen in dat zij financieel zelfvoorzienend is. Financieel zelfvoorzienend wil zeggen dat de social enterprise een verdienmodel heeft gebaseerd op omzet uit diensten of producten. Omdat social enterprises door hun commerciële activiteiten in staat zijn eigen inkomen te genereren, buiten subsidiestromen om, behouden zij een relatief grote mate van onafhankelijkheid.
ik weet het, het klinkt allemaal erg zakelijk en dit stuk ontbeert ook iets van de ‘heiligheid’ van het ambt – iets waar ik dus echt over na wil denken, misschien van roeping naar beroep – maar als we echt het ambt en de kerk willen doordenken dan moeten we het lef willen tonen door ook aan te gaan. Misschien ziet het er vreemd uit om de kerk als ‘onderneming’ te zien, maar uit ervaring weet ik dat veel bestuurders van de kerk dit al jarenlang doen, inclusief de ‘werknemers’, dus laten we het dan nu maar ook op deze manier concretiseren. Veel zaken zullen zeker nog beter doordacht moeten worden zoals de predikant te zien als social entrepeneur en de kerk als social enterprise, maar om alleen maar zo’n concept te doordenken kan op zich al verruimend en verfrissend zijn.
Toen in maart de coronamaatregelen van kracht werden betekende dat ook voor kerken dat de ‘traditionele’ diensten werden opgeschort. Hard werd er gewerkt aan een mogelijkheid om elkaar online te ontmoeten. En dat heeft geresulteerd in een veelheid van online diensten die vrijwel zondag aan zondag het wereldwijde web opgeslingerd worden en die – zo laat ik mee vertellen – door veel mensen worden beluisterd en bekeken. Toch hoorde je dat veel mensen de diensten en het samenkomen misten. Maar nu voorzichtig aan er, met inachtneming van de coronamaatregelen, weer diensten worden gehouden in kerkgebouwen blijkt het dat veel kerken de maximaal toegestane aantallen niet worden gehaald.
De groep mensen die nu wegblijft, heeft vaak de meest uiteenlopende redenen om niet te komen. Ik noem er een paar: ik ga niet naar de kerk, want we kunnen nog niet zingen; ik ga niet naar de kerk, want het is zo’n gedoe met inschrijven; ik ga niet naar de kerk, want het is zo kil als je zover uit elkaar zit; ik ga niet naar de kerk…het is nog zo anders dan ik gewend ben; ik ga wel weer een keer als alles weer normaal is. Ook zijn er ouderen die het vanwege het coronavirus niet durven. Andere mensen vinden het juist fijn om een dienst online vanuit de luie stoel te volgen. Er zijn zelfs stemmen die zeggen dat de terugloop van het aantal kerkgangers door de coronacrisis nog sneller zal gaan.
Ooit schreef Van Ruler, een theoloog van midden twintigste eeuw een boek ‘Waarom zou ik naar de kerk gaan?’ met een aantal argumenten om juist wel naar de kerk te gaan. Ik noem er een aantal: om een kans op bekering te lopen (tot in je binnenste geraakt worden door Gods Woord); om een gewoonte vast te houden (stijl, roeping); om een traditie voort te zetten (als schakel in een lange keten, vanuit het voorgeslacht); om de wereld voor te dragen ( voorbede, alle dingen met God bespreken); om rust te vinden (even terugtrekken uit de hectiek van alledag); om weer op toonhoogte te komen ( godsdienst-oefening, Gods bedoeling met ons leven); om in het openbaar mijn geloof te belijden (ik belijd mijn geloof. De kerkgang zelf is belijdenis).
Zijn deze argumenten nog valide of moeten we in onze tijd toch anders gaan denken? Ja, hoe moet dit nu verder? Hebben wij de fysieke kerk te belangrijk geacht voor de geloofsgemeenschap? Zijn wij niet op allerlei andere manieren ‘kerk’? Moeten we de ‘diensten’ heel anders gaan opzetten? Echt omdenken? Het lijkt me een hele uitdaging om daar de komende tijd verder over na te denken en ik zal daar ik komende blogs zeker op terug komen. Mochten mijn lezers mee willen denken dan verneem ik dat graag!
In deze coronatijd is de kerk naarstig op zoek naar hoe zij in en na deze tijd kerk kunnen zijn. Misschien scherper gesteld: Hoe kunnen de kerken zich ontworstelen aan het dilemma tussen verstarring en beleving? Moet zij zich onveranderlijk vasthouden aan haar oude dogmatische wortels, of geeft zij zich over aan grenzeloze vrijzinnigheid. In beide gevallen mist ze aansluiting bij de behoeften van de (post)moderne mens. In beide stromingen blijft de liturgie strak en conservatief terwijl de kern van het geloof en de essentie van het Evangelie worden verdrongen door respectievelijk krampachtig kerk-zijn of juist niet langer op een kerk willen lijken. Een kerk die zich openlijk afvraagt of God wel bestaat en de Bijbel tot een interessant literair verschijnsel maakt, reduceert God tot een menselijk bedenksel dat op den duur het opstaan op de vroege zondagmorgen niet meer waard is. Zij verliest haar angel, het mysterie van de opgestane Christus, de ongemakkelijke wrijving die het geloof in een God die niet te doorgronden valt, met zich meebrengt. Ondertussen dendert de wereld door en bereikt de kerk in haar verschijningsvorm in snel tempo haar uiterste houdbaarheidsdatum. Als er nu niets verandert, is het christendom in Nederland binnen enkele decennia op sterven na dood en verliest onze samenleving voor altijd haar diepste
We zijn zulke individualisten geworden, dat het eerste woord dat vier- of vijfjarige kinderen leren schrijven ik is: ik, een losstaand, eigen individu. Maar wie ben ik dan? Wat betekent die ik? Wie geeft er invulling aan de identiteit van onze jonge kinderen? Als onze ouders in niets geloven en niet weten waarvoor ze staan, hoe zouden onze kinderen dat dan moeten weten? Mensen gaan op zoek en nemen beslissingen die hen dichter brengt bij hun levensdoel – of niet. Dit is het twijfelachtige wonder van de vrije wil.
In die zoektocht kan een levende en betrokken kerk voeding geven aan de zoekende ziel en haar volgelingen helpen hun levensbestemming te vinden. Onze maatschappij is verweesd en schreeuwt om leiders met een verhaal. Het geloof biedt die noodzakelijke richting en houvast. De kerk kan het broodnodige sociale vangnet vormen in onze wankelende welvaartstaat, maar uitgerekend deze christelijke stem is verstomd. De christelijke stilte ten aanzien van de grote vragen van vandaag zoals milieuproblematiek, armoede en sociale ongelijkheid is een fluisterstem geworden. Gebrek aan een uitgesproken en principieel getuigenis heeft de rol van religie in de moderne maatschappij tot bijna nul gereduceerd.
In de jaren zestig van de vorige eeuw kwam een ontkerkelijking op gang die tot op de dag van vandaag doorgaat. Maar al eerder is de kerk ontzield geraakt. Sprankelend geloof werd door papier en inkt verstoten. Levende ervaring door ratio verdreven. Niet God, maar religie is een heilige zaak geworden. Wat we vergeten is dat God ons niet nodig heeft om te bestaan. God is.
Willen we mensen weer terug de kerk in krijgen en voorkomen dat nog meer gemeenteleden vroeg of laat de kerk verlaten, dan moet zij geen geloof van angstig “gij zult niet” maar van opgewekt “u mag wel!” prediken. Hierin ligt vooral een uitdaging voor de kerken.
Van gebrokenheid naar heelheid, van scheiding naar eenheid, dat is de grote uitdaging voor de postmoderne christen anno nu. Dit nieuwe christen-zijn vereist een grote ommezwaai in ons denken. Het zal geen eenvoudige weg zijn, de kerk zal verkeerde afslagen blijven nemen (zoals christenen door de eeuwen heen zo vaak hebben gedaan) maar stil zijn is geen optie meer. En dus moeten we op zoek naar een nieuwe manier van christen zijn – het christen 2.0 zoals ik dat noem. Levend en overtuigend, maar ook transparant en eerlijk.
De eerste stap op weg naar dit nieuwe christendom is een terugkeer naar de kern van het Evangelie. Het goede nieuws van de dood en opstanding van Jezus Christus is radicaal en zal altijd op weerstand stuiten. Zij is echter ook een boodschap van oneindige inclusieve liefde en genade. De grenzeloze liefde van God en Zijn genade voor ons feilbare mensen is wat het christelijk geloof van andere religies onderscheidt, en wat ons in staat stelt bruggen te slaan. Wat voor mij onvervreemdbaar is dat ik Jezus Christus belijd als mijn Opgestane Heer. Over de invulling van kerkelijke dogma’s en theologische zienswijzen valt te discussiëren, over de essentie van het Evangelie niet.
De tweede stap is het erkennen van de diepe pijn die de kerk haar volgelingen door de eeuwen heen heeft berokkend – en blijft toebrengen. Het wordt tijd dat de kerk op de knieën gaan en haar zonden belijden: het onrecht dat zwarten is aangedaan, kleurlingen, vrouwen en kinderen, andersdenkenden en andersgelovigen.
De derde stap is niet langer kijken naar dat wat verdeelt, maar wat samenbindt – als kerken onderling, maar ook als kerk en alles wat daarbuiten ligt. We zijn allen schepselen van God die mogen rekenen op Zijn onvoorwaardelijke liefde.
Het wordt tijd dat de kerk leiderschap toont. Dat wij leiderschap gaan tonen. Iedereen die zich christen noemt is gewild of ongewild de kerk. Ik als gelovige ben deel van de gemeente van God en zal dus als gelovige mijn verantwoordelijkheid moeten nemen en leiderschap moeten tonen op de plaats en plek die God mij heeft toebedeeld. Het is zoals de vrouwelijke pastor Bridget Willard schreef: “Kerk is niet waar je samenkomt, kerk is geen gebouw, kerk is wat je bent. Laten we niet naar de kerk gaan, laten we de kerk zijn.”
Het is onmiskenbaar dat de kerk in ‘het Westen’ steeds minder mensen aan zich weet te binden en weet te trekken. Van verschillende kanten worden er dan ook initiatieven ontplooit om de kerk te vernieuwen en daardoor weer aantrekkelijker te maken voor de mensen in het huidig tijdgewricht. Al in de zestiende eeuw stond de kerk voor deze opdracht. Men vatte het toen samen in een mooie Latijnse spreuk: Ecclesia reformata semper reformanda secundum verbum Dei. In goed Nederlands betekent dat zoveel als ‘de kerk wordt vernieuwd en moet zich blijven vernieuwen volgens het woord van God’.
Vandaag de dag wordt er met nieuwe vormen geëxperimenteerd: in de Protestantse Kerk bijvoorbeeld ontstaan pioniersplekken om op een nieuwe manier aanwezig te zijn in de levens van mensen. Op zich allerlei goede probeersels. Ikzelf maak daar met mijn blog, mijn aanwezigheid op Facebook en Twitter ook onderdeel van uit. Je moet als kerk, als christenen altijd blijven openstaan voor de beweging van de Geest en die niet uitdoven.
Echter…
Een grote valkuil is dat de kerk zich zo wil aanpassen aan de huidige tijd dat zij zoete broodjes gaat bakken: mensen alleen laten horen wat zij graag willen horen. Hoe makkelijk wordt het ‘secundum verbum Dei’ niet vergeten. Het woord van God blijft ook altijd een element bevatten dat mensen mensen niet graag willen horen! Ik moest hierbij denken aan een aantal verzen uit 2 Timoteüs ‘De tijd komt dat mensen zich zullen verzetten tegen de juiste uitleg van het geloof. Ze zullen leraren zoeken die passen bij hun eigen ideeën, en die zeggen wat ze graag horen. De mensen zullen niet meer naar de waarheid luisteren, maar naar verzonnen verhalen.’ Waar de kerk voor moet oppassen is dat zij niet gaat denken zij zelf degene is die zich moet blijven vernieuwen om zo de aansluiting met de huidige tijd niet te verliezen. Dat staat haaks op de Latijnse spreuk waarmee ik mijn column begon. Het is immers God alleen die Zijn kerk blijft vernieuwen en haar blijft ontdoen van door mensen verzonnen ideeën. En dan is de kerk bakker, of beter gezegd verstrekker van het genadebrood dat God ons geeft. Brood waar je soms je tanden op stuk bijt omdat het soms zo tegen alle menselijke ideeën ingaat. Dat de kerk zich blijft vernieuwen, niet volgens onze wil en ons woord, maar in overeenstemming met Gods Woord en Zijn wil.
Daarom: Ecclesia reformata semper reformanda secundum verbum Dei