Voor ons, mensen die leven in een tijd
waarin iedereen mag begeren wat hij wil en van alles mag opeisen, is vragen moeilijk.
Het roept diepe spanningen in ons wakker.
We ervaren vragen als vernederend, vragen maakt ons kwetsbaar,
omdat we weten dat het nooit zonder risico is.
Maar steeds klinkt tot ons de bevrijdende roep: ‘Vraag en er zal je gegeven worden’.
Vragen is de ander toelaten om op jouw spoor te komen. Vragen is je bekend maken.
Het is verbondenheid zoeken en in verbinding willen staan.
Vragen is belangrijk in deze wereld van groeiende polarisatie.
Vragen oftewel bidden daar gaat het om.
In de Bijbel begint het niet met óns verlangen naar God, óns bidden, óns zoeken, óns kloppen.
God is de eerste.
Hij verlangt naar u en jou, om je als verloren zoon en dochter in Zijn Vaderarmen te sluiten.
Het begint met Zijn verlangen dat het weer goed zal zijn tussen Hem en ons.
En daarom zoekt Hij ons op, klopt Hij op de deur van ons hart.

De hele Bergrede tekent voor ons hoe geweldig mooi het leven met God is.
Dat is werkelijk een eeuwig gelukkig leven.
Dat we ernaar zijn gaan verlangen om zo te mogen leven!
In navolging van Jezus, met God door het leven.
Maar dat we vooral hebben gemerkt dat dat allemaal te hoog gegrepen is voor ons,
als God ons daarbij niet helpt, ja, als Hijzelf niet bij ons is.

En daarom: Vraag, zoek, klop. Bid tot God, zoek God, klop aan bij God.
En je zult van Hem krijgen wat nodig is om Jezus te kunnen volgen.
Dat is in feite wat Jezus belooft. Het gebed werkt gegarandeerd.
Niet dat je alles zomaar krijgt wat je bidt,
maar je krijgt in ieder geval God zelf en wat nodig is om Hem te dienen.

Keer op keer heeft Jezus het in de Bergrede over de ‘Vader die in de hemel is’.
Hier legt Hij ons uit, waarom Hij God zo noemt:
Om te leren vertrouwen dat God ons zal verhoren.
Hij leert ons dat elk kind een vader nodig heeft, om niet van honger om te komen.
En dat je als kind mag vertrouwen dat een vader ook voor je zorgt.
Zo gaat het precies tussen u en God: U heeft God nodig, of u het weet of niet.
En God wil er dan ook als Vader voor u zijn.

Wat ga je vervolgens doen met die ‘goede gaven van de hemelse Vader’? Houd je dat voor jezelf?

‘Alles dan wat u wilt dat mensen u doen, doet u hun ook zo, want dat is de Wet en de Profeten.’
Wet en Profeten, daarmee bedoelt Jezus het Oude Testament.
Die is niet voor op de boekenplank om als schat bewaard te worden.
Die is ook niet alleen om in gelezen te worden. Al begint het daarmee wel.
Je moet ermee aan de slag.
Zoals de Hemelse Vader ons zijn gaven geeft en niet wacht tot wij Hem komen zoeken,
maar zélf de eerste is.
Zo wil Jezus ook, dat wíj de eerste zullen zijn om er te zijn voor onze naaste.
We mogen niet blijven hangen in de theorie als het om het geloof in God gaat.
We mogen niet stil blijven staan. We worden erop uit gestuurd.

Als je bidt om vrede in de wereld, zul je zelf een vredestichter moeten zijn.
Als je zoekt en verlangt naar het Koninkrijk van God, zul je zelf leven als een Koningskind.
Als je aanklopt bij God en Hij heeft opengedaan,
zul je zelf ook openstaan voor wie er ook bij je aanklopt.

‘Wat betekent dan wat er geschreven staat:
“De steen die de bouwers afkeurden is de hoeksteen geworden?”
Iedereen die over die steen struikelt zal gebroken worden,
en iedereen op wie die steen valt zal worden verpletterd.’
Lucas 20: 17

Als je een huis gaat bouwen kies je met zorg de stenen uit die twee muren
– die haaks op elkaar staan – met elkaar verbinden.
Hoekstenen noemen we die.
Het verrassende is nu dat God een door de bouwers afgekeurde steen gebruikt
als hoeksteen van het gebouw van zijn liefde. Die steen is Jezus.
De bouwers zijn de geestelijke leiders van het volk van Israël.
Zij hebben Jezus afgekeurd. Zij hebben Jezus verworpen.
In de tijd van Jezus was er een spreekwoord:
‘Valt de steen op de lemen pot, wee de pot;
valt de lemen pot op de steen, wee de pot.’
De tegenstanders van Jezus, zij die Hem zullen verwerpen,
zullen als een lemen pot die op een steen valt gebroken worden.
En als steen op de lemen pot valt zal deze verpletterd worden.

De geestelijke leiders van het volk van Israël weten precies wat Jezus bedoelt.
Zij zijn het die de Zoon en de Steen verwerpen.
Het liefst willen ze Jezus gevangen laten nemen
en Hem laten veroordelen voor Godslastering.
Maar wat zijn ze bang voor de reactie van het ‘gewone’ volk.
Jezus is hier dé Struikelsteen van God.
Iedereen die Hem verwerpt zal als een lemen pot gebroken worden.
Het alternatief: Je laten verpletteren door zijn liefde.
Een liefde die gaat tot het uiterste.
Tot in de dood aan het kruis!

‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis,
maar heeft het Licht dat Leven geeft.’
Of met andere woorden: ‘Zoals God in de woestijn het Licht was voor het volk van Israël,
zo ben Ik nu het Licht dat Leven geeft aan iedereen.’
Dat was vele generaties terug. De mensen in de tijd van Jezus denken:
‘Onze tempel, dat is de plaats waar God nú woont.
Hier moeten de mensen naar toe komen om God – het Licht – te ontmoeten.
Onze tempel … dat is het Licht voor de wereld!’
Begrijp je hoe woedend de geestelijke leiders van Israël op die rabbi uit Nazareth zijn?
Juist op déze plek, de plek waar de kandelaars en de vuren zijn aangestoken, zegt Jezus:
‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis,
maar heeft het Licht dat Leven geeft.’
‘Wie denkt Hij wel Wie Hij is?’
De Farizeeën en de andere geestelijke leiders kunnen die rabbi uit Nazareth niet uitstaan.
Al hun heilige huisjes gooit Hij omver. Hun haat wordt met de dag groter.
Uiteindelijk zullen ze Hem monddood maken. Ze zullen zijn Licht voorgoed doven!
‘Weg met Hem!’
Het is best wel opvallend hoe vaak Johannes het in zijn evangelie over ‘de wereld’ heeft.
Voor Johannes was de aanduiding ‘de wereld’ gelijk is aan het ‘rijk van de duisternis’.
Het is de wereld waarin mensen leven zonder God. De wereld waarin het donker en duister is.
Waar de zonde het voor het zeggen heeft.
In díe wereld, die God-vijandige en donkere wereld, is Jezus gekomen.
Hij is de strijd aangegaan met de heerser van deze wereld
en Hij heeft uiteindelijk het rijk van de duisternis verslagen.
Dat wordt ook duidelijk als op Goede Vrijdag
na een drie uur durende angstaanjagende duisternis God zijn Licht weer op aarde laat schijnen.
Wie een volgeling van Jezus wil zijn kan deze wereld niet ontlopen.
Wie echter in Jezus gelooft, wie in Jezus God de Vader heeft leren kennen,
wandelt niet langer meer in het donker, in de woestijn van het leven.
Jezus, het Licht wijst je de weg naar het land van Gods beloften.
Het land waar het Licht … Leven is!

Om je te keren naar Pasen
moet je je omkeren …
Zoveel oud vuil, zoveel oud zeer
moet eerst aangekeken worden
wil je ook werkelijk vrij
de weg naar Pasen gaan.
Denk niet: dat doe ik wel even …
Omkeren is een levenshouding
want zodra je je gekeerd hebt,
zul je iedere keer weer tegenkomen
hoe vastgeroest gewoonten kunnen zijn.

Keer om en om en om …
Houd het hoofd koel en het hart warm
omdat je dan goed kunt onderscheiden

waar het in het leven-met-God om draait.

Hij wil zijn nabijheid aan ons kwijt

en staat steeds gekeerd naar ons, op de uitkijk.

Hoe vrij zijn we eigenlijk? Er zit een diep verlangen in ons om vrij te zijn. Maar wie van u hier kan volmondig zeggen:
ik ben vrij, en daar leef ik elke dag weer uit?
Ik geniet van het leven zoals God het bedoeld heeft?

Ja, als christenen belijden we dat in het bloed van Christus
een diepe vrijheid verborgen ligt…
toch zie je daar in de praktijk van je leven soms weinig van terug.
We zijn gebonden door het leven en door onszelf.
Ik denk dat we dat allemaal wel herkennen,
dat ook als je Christus kent en als je Zijn naam belijdt,
je leven niet plots over rozen gaat.
En we weten soms niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan.
Want ergens verwacht je toch, dat als je God kent,
dat je leven makkelijker zal zijn dan daarvoor.
Je dacht vrijheid te hebben gevonden bij God – maar niets is minder waar.

‘Wees niet bang’, zegt God bij monde van Jesaja ‘want ik zal je vrijkopen,
ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij!
Moet je door het water gaan – ik ben bij je;
of door rivieren – je wordt niet meegesleurd.
Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren,
de vlammen zullen je niet verschroeien.’

God bevrijdde de Israëlieten uit de handen van de Egyptenaren,
Hij bevrijdde Daniël uit de leeuwenkuil,
Hij bevrijdde Christus uit de dood.
En zal jou bevrijden uit alles wat je maar gebonden houdt.

God doet geen half werk. Hij bevrijdt je uit Egypte
en neemt je aan als zijn kind op grond van het bloed van Jezus.
Daar wees het bloed aan de deurposten in Egypte al op.
Maar dan wil Hij u ook elke dag weer bevrijden
wanneer je in moeilijke situaties terecht komt.

Maar als je niet meer kan?
Wat als er geen droog pad door de Rietzee lijkt te komen?
Wat nou als je al zo lang gevangen zit in je eigen gevoelens
van angst of onzekerheid. Wat nou als ziekte het wint van mensen die je dierbaar zijn.

Moet je dan maar stil zijn?
Moet je dan maar vertrouwen?
Waar is God dan?

Want dan, dan blijft het van Gods kant soms zo stil.
Ja – Soms blijft het van Gods kan heel stil.
Maar God strijdt ook in die stilte wel voor ons.
Toen Jezus berecht en veroordeeld werd deed hij zijn mond niet open.
Hij stierf aan het kruis en nog nooit was het zo stil in de wereld,
als de dag dat God dood was.
Nog nooit was het zo stil als op stille zaterdag.
En nog nooit was de strijd van God voor ons zo groot.

Elke stilte in ons leven is betekenisvol, niet omdat we zwijgen.
Niet omdat we geen antwoorden weten
en ons verloren voelen in de wereld.
Maar omdat God gesproken heeft. God zei: Er zij licht.
Zo sprak Hij in Genesis
en zo sprak hij op die eerste dag van de week
toen Christus opstond uit de dood.
Als we nu stil zijn omdat we oog in oog staan
met ziekte, met druk, met stress,
dan weten wij dat het altijd slechts de stilte van Stille Zaterdag is.
Als we de overwinning nu nog niet zien, dan straks wel.
Want Christus leeft!!

En die waarheid, die waarheid maakt ons vrij.

We zijn er misschien wel zo’n een beetje aan gewend geraakt,
aan dat kruis. We schrikken er niet meer zo van.
We praten er soms over alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Jezus is aan het kruis gestorven voor mijn zonden.’
Maar het is zo ongewoon. Zo afzichtelijk ook.
Het kruis is niet mooi.
En tegelijk heeft dat kruis, dat lelijke kruis alles met het leven te maken. We kunnen er niet omheen. En we moeten dat ook niet willen.

Er hangt een bloedende Man aan het kruis. Man van smarten.
En dat opschrift aan het kruis, vat het heel kort samen:
‘Dit is de Koning der Joden.’
En je proeft nog de spot die erin doorklinkt,
je hoort nog de lach van de man die de letters in het bordje graveerde,
en je ziet nog de lol die de omstanders hadden.
Wat een Koning is die Man van smarten! Wat een Koning. Belachelijk. Eén brok zwakheid. Hij kan niet eens van het kruis afkomen.
Om je dood te lachen.

Wilt u dat wel? Zo’n koning?
Het antwoord op die vraag hangt ook een beetje af
van twee andere koningen.
Twee koningen die in deze wereld
ongelooflijk veel heerschappij uitoefenen.
Twee koningen die op aarde heersen.
Het gaat dan over de koningen
die Paulus noemt in de brief aan de Romeinen:
De zonde en de dood.
Hij noemt de zonde en de dood ook koningen.
Koningen met macht en veel invloed.

Ja, daar kun je ook anders tegenaan kijken.
De zonde, daarvan kun je zeggen:
‘ach mensen, dat valt toch allemaal wel wat mee;
zeur toch niet zo over zonde;
natuurlijk, we maken allemaal onze fouten, en dat is niet goed;
maar het kan toch niet zo zijn dat God
daarom zijn eigen Zoon de dood injaagt.’
Zo kun je omgaan met de zonde. Nauwelijks een vijand. Bijna geen macht. Hoezo: koning?
En van de dood geldt hetzelfde:
‘dood is dood, zeggen veel mensen;
we sterven nu eenmaal allemaal een keer; dat hoort bij het leven.’
Zo kun je omgaan met de dood: nauwelijks een vijand, geen echte macht. Hoezo: koning?

Maar de Bijbel leert ons om de zonde en de dood te zien
als koningen die niet thuishoren op aarde.
Dood en zonde horen niet bij het leven.
Het is een vreemd element in Gods goede schepping.
Dat is niet wat God wil.
Daarom laat Hij ons aan de enorme macht zien
die de zonde en de dood als koningen in ons leven hebben.
En daarom hebben we die andere Koning nodig.
Die Koning aan het kruis die de zonde uit de wereld wegdraagt
en die de dood de doodsteek toebrengt. Jezus Christus.
Een koning in nederigheid en zwakheid.
Alleen zo kan Hij de koningen zonde en dood overwinnen.

En dat vinden we allemaal samengebald terug in dat korte opschrift.
‘Dit is de Koning der Joden.’
In drie talen stond het er.
Want iedereen moet het kunnen lezen,
deze beschuldiging op grond waarvan Jezus is veroordeeld.
Iedereen moet kunnen begrijpen hoe belachelijk dit is.
Want wat is dat nou voor een koning!?
Hij kan niet eens zelf van het kruis af komen?
Hoofdschuddend kijken de mensen ernaar. ‘Mij niet gezien, zo’n koning!’

En toch wilde Jezus op en top zó Koning zijn.
Nederig, zwak, geen politieke power,
maar liefdevolle dienstbaarheid en nederige zelfverloochening.
Dat moeten we erin zien.
Een zwakke Koning, maar wat gaat juist daar veel kracht vanuit!
Wat is er een kracht voor nodig om zwak te durven zijn.
Wat is er een moed voor nodig om trouw te zijn tot in de dood.
Wat is er een liefde nodig om de zonden van de wereld
op je te willen nemen en aan het kruis te nagelen.
Zo is Christus onze Koning.

Op Witte Donderdag gedenken we hoe Jezus
voor de laatste keer met zijn leerlingen bijeen was.
Hoe hij met hen die maaltijd vierde die zo’n bijzondere betekenis kreeg. Want het was de laatste maaltijd en tegelijk niet de laatste.
De Heer maakte tijdens de maaltijd duidelijk
dat ze deze maaltijd moesten blijven houden:
‘doet dit tot mijn gedachtenis’.
Juist deze maaltijd moest voor hen en alle gelovigen
het teken zijn dat hij zelf in hun midden was.
Zij zouden hem steeds weer mogen herkennen
‘in het breken van het brood’.
In deze maaltijd schenkt Jezus zichzelf aan ons
voor ons leven als gelovige mensen:
‘Dit is mijn lichaam’ zegt hij bij het breken van het brood
en het uitdelen ervan. Het is heel belangrijk dat we dit voor ogen houden. Niet wíj zeggen bij het breken van het brood ‘we denken aan Jezus’
alsof wíj betekenis geven aan het brood.
Het is de Heer zelf die zegt: ‘dit is mijn lichaam’. Hij ís het zelf.
Wat hij zegt dat is hij. En wat hij is dat zegt hij.
Het is deze liefde voor de blijvende tegenwoordigheid van Christus
in brood en wijn die ons telkens van zijn nabijheid in ons leven
mag vervullen.
En hij voegt eraan toe dat wat hij gedaan heeft
in de voetwassing een voorbeeld is voor allemaal.
Respect en liefde voor de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer
in ons midden kan niet zonder liefde en respect voor elkaar.
We moeten waardevol en kostbaar zijn in elkaar ogen.
Elkaars zwakheden verdragen, fouten vergeven,
en elkaars talenten herkennen en stimuleren,
en in elkaars noden zo mogelijk voorzien.
Dat is elkaar de voeten wassen, zoals Jezus ons heeft voorgedaan
en opgedragen, nog voor de maaltijd.
Met het offer van zijn leven door zijn lijden
en sterven aan het kruis dat we in deze dagen gedenken,
heeft Jezus ons de voeten gewassen,
onze zonden vergeven en tot nieuwe mensen gemaakt, mensen van God.

Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…

Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden.
En we hebben het grote gebod:
heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf.
Maar, er is nog een belangrijk gebod.
Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.

En dat gebod is: Wees niet bang.

En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt,
betekent dat dat het heel belangrijk is.
Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat,
dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden
om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.

En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn.
Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag.
Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk
We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn.
Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat.
Als je bang bent voor je financiële toekomst.

‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’
had Jezus tegen zijn discipelen gezegd.
Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen.
Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil.
De avond valt, de mensen zijn vertrokken
en de discipelen zijn het water opgegaan.
Na een lange, drukke dag is stilte een zegen.
Even alleen zijn en tot rust komen.
Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus,
en dat betekent dat Hij God opzoekt,
want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats.
De berg is de plaats van de nabijheid van God.
Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn
met God en verder niemand.

Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie:
midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien.
De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner.
Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend.
‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan
zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op.
Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden.
Bezorgde gezichten kijken elkaar aan.
De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen.
De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.

Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan.
Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat,
overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad,
overgeleverd aan de grillige deining van de golven.
Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is
om daar rekening mee te houden.
Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde,
we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf.
Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger.
Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven
hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren.
De zee is in de Bijbel een beladen begrip.
De zee als domein van de chaos is er ook altijd,
en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag.
Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept:
‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee.
Het is niet eenvoudig om God te herkennen
wanneer een stormwind opsteekt.
Het leven is zo verraderlijk als de zee.
En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.

In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds
en golven slaan tegen het schip
en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij.
Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen.
Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning.
Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet.
Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat.
Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.

Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk.
Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen.
Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord.
Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden.
Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer!
‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.

Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven.
En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden.
En ja soms raken we behoorlijk uit koers.
Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat.
Hij draagt ons in zijn gebeden.
Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen.
Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen.
Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben.
En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.

Voor mij is het tegenovergestelde van angst niet controle,
maar vertrouwen, als tegenwicht tegen de onzekerheid.
Vertrouwen kijkt de onzekerheid echt in de ogen
en kan dat aan omdat het vertrouwen de balans herstelt.
Is controle over de manier waarop het leven gaat,
niet vrijwel altijd een illusie?
Hoe zou het zijn als we meer Godsvertrouwen hadden?
Vertrouwen vraagt dat je buiten jezelf treedt,
dat je je verbindt met anderen.
Vertrouwen is de erkenning dat de ander een dragend deel is
van jouw bestaan.
Waar controle, als antwoord op angst, gevangen blijft
binnen het schema van een individualistisch mensbeeld,
treedt vertrouwen daarbuiten en laat het de ander toe
als onmisbaar om mij in evenwicht te houden in crisistijden als deze…

Abraham moest Isaak offeren. Zijn enige zoon.
Dat wil zeggen: hij was Abrahams enige hoop,
de enige door wie men van nageslacht van Abraham zou kunnen spreken. In Isaak was al Abrahams verwachting samengetrokken.
En dat was maar niet alleen al Abrahams menselijke verwachting,
omdat Isaak de enige was
die zijn eigen naam zou kunnen laten voortbestaan,
maar vooral ook Abrahams geloofsverwachting.
Isaak was de wonderzoon in wie al Gods beloften waren samengevat.
Hij was zijn houvast, zijn onderpand,
dat God ook verder zou doen wat Hij beloofd had.
Veel eerder dan om de vraag of Abraham alles voor God over zou hebben, gaat het in deze proef dus om de vraag of Abraham,
nu hij Isaak heeft gekregen, nog steeds wel alles van God zou verwachten. Iedereen die zichzelf een beetje kent,
weet hoeveel zin zo’n beproeving heeft.
Verwachten we dan ook nog alles, echt alles van Hem?
Waar blijft onze verwachting op de Heer?
Daarom is ook de boodschap voor ons niet zozeer de vraag
of wij alles voor God over hebben,
maar de vraag of wij alles van Hem verwachten willen.
En dat werkelijk in de praktijk van ons leven.
Niet maar met woorden — en ondertussen toch je eigen gang gaan — maar met daden.
Hoe vaak gebeurt het ons niet dat wij,
zodra wij weer een beetje grip op ons bestaan denken te hebben,
in dezelfde beweging weer op eigen kracht en op eigen houtje gaan leven? Dat had bij Abraham toch net zo kunnen zijn? Maar dat blijkt niet zo. Abraham noemt ‘die plaats waar hij een ram heeft gevonden
om die in plaats van zijn zoon te offeren’
maar niet ‘de Heer zal erin voorzien’
omdat hij daar net die ram gevonden had.
Nee, hij noemt die zo, omdat dat het precies is,
waar het in heel het verhaal om ging:
de Heer stelde Abraham op de proef
of hij inderdaad leefde uit die verwachting,
dat de Here in alles zou voorzien, wat er ook gebeurde.
En daaruit had hij inderdaad geleefd.
God zal zichzelf voorzien van een dier voor het brandoffer, mijn zoon.
Dat is werkelijk godvrezend zijn,
niet maar de plichten van je geloof afwerken,
God bewaren voor noodgevallen en verder je eigen gang gaan,
niet maar zeggen dat je gelooft wat God zegt,
maar er verder geen handen en voeten aan geven,
maar leven vanuit de zekerheid dat God zal voorzien van wat nodig is, alles van Hem verwachten.
Alles? Ja. Alles.