Een tijdje geleden
las ik een interview met Vincent Bijlo,
cabaretier en blind.
Hij zat met vrienden in een restaurant
toen ineens het licht uitviel.
Paniek alom.
Mensen tastten in het donker,
konden hun zaklamp op de telefoon niet vinden.

En Vincent?
Met hem was niets aan de hand.
Toen het licht weer aanging,
kwamen mensen geschrokken naar hem toe:
hij zal toch ook wel bang zijn geweest?
Maar nee.
Voor hem was er niets veranderd.
En juist hém noemen wij dan “beperkt”.

Vincent zei iets wat bleef hangen:
als je echt inclusief wilt zijn,
moet je je verdiepen in de wereld van de ander.
Voor zienden is donker
iets wat alleen bestaat
bij de gratie van licht.
Maar voor iemand
die nooit licht heeft gezien,
is het niet “donker”.
Het is gewoon zijn wereld.

In het verhaal van de blindgeborene gebeurd precies hetzelfde.
En let op hoe snel we alweer invullen.
“De blindgeborene”…
we praten óver hem, niet mét hem.
Net als de leerlingen,
die meteen willen weten:
wie heeft hier gezondigd?
Hijzelf? Zijn ouders?
Jezus kapt dat af. Verkeerde vraag.

Jezus houdt geen betoog. Hij doet iets.
Hij ziet hem staan,
dat is het eerste wat er staat.
Hij spuugt, maakt modder,
strijkt die over zijn ogen
en stuurt hem naar Siloam.
Ga je wassen.

En dan gebeurt het: hij ziet.

Maar wat volgt is geen jubelverhaal.
Het wordt ingewikkeld.
Buren geloven het niet.
Farizeeën raken geïrriteerd.
Ouders houden zich op de vlakte.
Iedereen praat, discussieert, verdenkt.
Maar niemand lijkt echt blij.

En de man zelf? Die blijft opvallend nuchter.
Geen groot verhaal.
Geen vrome taal.
Hij zegt steeds hetzelfde:
“Ik was blind en nu kan ik zien.”
Meer weet hij niet.
Meer heeft hij niet nodig.

Pas aan het eind,
als Jezus hem weer opzoekt,
komt het tot een persoonlijke ontmoeting.
“Geloof je in de Mensenzoon?” vraagt Jezus.
“Wie is dat dan?” zegt hij.
En als Jezus zegt:
“Je ziet hem. Hij staat voor je,”
knielt de man neer en zegt:
“Ik geloof, Heer.”

Dat is de veertigdagentijd ten voeten uit.
Minder praten, meer zien.
Minder verklaren, meer ontmoeten.
Niet alles dichttimmeren met meningen,
maar je laten raken.
Jezus gaat voorbij, ziet mensen, en brengt licht.
Juist daar waar wij het al hadden opgegeven.

Dat is geen theorie. Dat moet je zien.

 

Een goed gesprek. Daar knapt een mens van op.
De meeste gesprekken die we voeren,
gaan over alledaagse dingen.
Over het weer. Over werk.
Over voetbal of wat je hebt gegeten.
Dat is helemaal niet verkeerd.
Dat hoort erbij.
Het is een beetje zoals apen elkaar vlooien:
maar wij doen dat met woorden.
Het schept vertrouwen, het houdt ons bij elkaar.

Maar soms gebeurt er iets anders.
Soms kom je in een gesprek dat dieper gaat.
Dan gaat het niet meer over koetjes en kalfjes,
maar over wat jou bezighoudt.
Over wat pijn doet.
Over waar je naar verlangt.
Over wie je bent.
In zo’n gesprek is er ruimte en veiligheid.
De ander luistert echt,
zonder meteen met een eigen verhaal te komen.
Je mag je hart laten spreken.

De veertigdagentijd is precies zo’n tijd.
Een tijd om even stil te staan.
Om niet alleen maar door te hollen,
maar om eerlijk te kijken:
wat leeft er in mij?
Waar heb ik dorst naar?

Het verhaal van Jezus en de vrouw bij de bron
is zo’n echt gesprek.
In eerste instantie lijkt het
alsof ze elkaar niet begrijpen.
Zij heeft het over gewoon water.
Jezus over levend water.
Zij denkt praktisch:
“Mooi, dan hoef ik niet meer elke dag naar die put.”
Maar Jezus schuift het gesprek een andere kant op.
Over haar leven. Over haar relaties. Over wie zij is.

En toch gebeurt er iets wezenlijks.
Dit gesprek verandert haar.
En het verandert ook Jezus.
Dat is misschien wel het kenmerk
van een echt gesprek:
je komt er anders uit dan je erin ging.
Er is van alles bijzonder aan deze ontmoeting.
Jezus reist door Samaria.
Dat deed je eigenlijk niet.
En Hij spreekt een vrouw aan.
En dan ook nog midden op de dag,
bij de bron,
op een moment dat je liever niet gezien wordt.
En toch gaat hij met haar in gesprek.
Zonder oordeel. Zonder haast.

In dit verhaal zitten allerlei lagen.
Het gaat over water dat je dorst lest,
maar ook over een diepere dorst.
Over de bron waar jij uit leeft.
Is dat een put met stilstaand water?
Of een bron waar het water blijft stromen?
De vrouw begint te begrijpen
dat Jezus meer is dan een gewone man.
Ze noemt hem een profeet.

En dan zegt Jezus iets heel bijzonders:
“Ik ben het, die met u spreekt.”
Voor het eerst zegt hij zo openlijk wie Hij is.
Juist tegen haar. In een gesprek. Van mens tot mens.

Dat maakt dit verhaal zo passend voor de veertigdagentijd.
Het is een tijd van eerlijke gesprekken.
Met jezelf.
Met God.
Misschien met een ander.
Gesprekken waarin je niet hoeft te doen alsof alles klopt.
Waarin je mag zeggen wat er werkelijk speelt.
De vrouw zegt later in haar dorp:
“Kom mee, ik heb iemand ontmoet die alles van mij weet.”
Dat klinkt misschien spannend, maar het is vooral bevrijdend.
Gekend worden, zonder veroordeeld te worden.
Dat is wat Jezus doet.
God aanbidden in geest en waarheid betekent:
eerlijk zijn. Jezelf niet mooier maken dan je bent.
Je hart openen.

En nog iets.
Dit gesprek overbrugt verschillen.
Tussen man en vrouw.
Tussen Jood en Samaritaan.
Tussen verschillende manieren van geloven.
Jezus zoekt niet naar gelijk krijgen,
maar naar verbinding.
Dat is ook voor ons een opdracht.
Zeker in deze tijd.
Een echt gesprek brengt je niet verder in je eigen gelijk,
maar opent je voor de ander.

Dus de vraag voor deze veertigdagentijd is:
waar put jij uit? Wat lest jouw dorst?
Is het genoeg om vast te houden aan wat altijd zo was?
Of durf je te zoeken naar levend water?
Want stilstaand water droogt op.
Levend water blijft stromen.

 

Paulus doet iets wat wíj meestal vermijden:
hij kijkt eerlijk terug op zijn leven.
Niet sentimenteel,
maar boekhoudkundig.
Winst links. Verlies rechts.
En geloof me:
vóór zijn bekering stond die winstkolom ramvol.

Perfect Joods. Achtste dag besneden. Ras-Israëliet.
Stam Benjamin. Moedertaal Hebreeuws. Farizeeër.
Wet tot in de puntjes nageleefd.
Voor God en mensen: onberispelijk.
Religieuze LinkedIn op standje indrukwekkend.

En ja, oké, hij vervolgde christenen.
Fanatiek zelfs.
Maar ook dat deed hij “uit overtuiging”.
Met ijver. Met passie. Alles klopte.

Totdat hij Jezus ontmoet.

En dan keert de hele balans om.
Alles wat eerst winst was, schuift naar verlies.
Niet voorzichtig. Niet onder voorbehoud
Nee: afval. Vuilnis. Rioolspul.
Paulus gebruikt een woord dat je beter vertaalt met:
door de wc gespoeld. Weg ermee.
Want als je het bewaart, gaat het stinken.

Was dat allemaal slecht?
Nee.
Maar het stond in de weg.
Het gaf hem het gevoel dat hij zichzelf wel kon redden.
En precies dát moest weg om Christus te winnen.

Want bij Jezus is geen ruimte voor eigen verdienste.
Geen spirituele cv.
Geen “ik heb het toch netjes gedaan?”.
Wie zichzelf rechtvaardigt,
heeft Christus niet nodig.
En wie Christus wil kennen,
moet zijn eigen gelijk loslaten.

En dan zegt Paulus iets wat schuurt.
Hij zegt: ik wil Christus kennen
en de kracht van zijn opstanding ervaren.
Dat klinkt goed.
Leven. Hoop. Overwinning.
Maar hij gaat verder:
door te delen in zijn lijden.
Door aan hem gelijk te worden in zijn dood.

Pardon?

Dat stond niet in de reclamefolder.
We willen leven, niet lijden.
Groei, geen kruis.
Maar Paulus kiest hier bewust voor.
Waarom?
Omdat juist dáár die opstandingskracht zichtbaar wordt.

Het woord dat hij gebruikt voor “kracht” is dynamiet.
Explosieve kracht.
Niet om problemen te ontwijken,
maar om er dwars doorheen te breken.
Blokkades verdwijnen.
Angst. Weerstand. Zelfs de dood.

De kerk groeit niet ondanks verdrukking,
maar vaak erdoorheen.

Het bloed van martelaren werd zaad.
Dat is geen romantiek, dat is geschiedenis.
En het geeft hoop.
Ook nu, nu geloof krimpt
en de kerk naar de rand schuift.

Paulus twijfelt niet aan de toekomst.
Als hij zegt: “hoe dan ook zal ik opstaan”,
bedoelt hij geen onzekerheid,
maar vertrouwen.
Hij weet niet hóé het zal gaan.
Maar dát het zal gebeuren, staat vast.

Christus kennen is geen denkspel.
Het is je hele leven inzetten.
Met winst én verlies.
Met dood én leven.

Het graf is niet het eindpunt.
De kracht van de opstanding werkt al.
En zal afmaken wat God begonnen is.

Alles door de wc.
En toch rijker dan ooit.

 

Moet je eigenlijk heel slim zijn om in God te geloven?
Of juist een beetje dom?

Vraag het op een universiteit en je weet het antwoord al.
Evolutie regelt het leven. Natuurkunde regelt het heelal.
Psychologie regelt ons hoofd.
God? Overbodig. Oud idee.
Geloof is iets voor wie het allemaal niet zo scherp ziet.

En toch hoor ik in de kerk juist het omgekeerde.
Niet: “Wat is geloven makkelijk.”
Maar: “Ik vind het zo ingewikkeld.”
Die dikke Bijbel.
Zonde, verlossing, kruis, opstanding, eeuwig leven.
Onzichtbaar. Ongrijpbaar.
Tweeduizend jaar oud. Dat geloof je toch niet zomaar?

Welkom in de veertigdagentijd!
De tijd waarin het christelijk geloof ook níét probeert makkelijk te zijn.
Geen paashaas, geen halleluja. Maar stilte. Schuren. Het kruis.

Paulus wist daar alles van.
In Korinthe liep hij niet te scoren met slimme praatjes.
Dat was nou juist dé stad van slimme praatjes.
Filosofen, denkers, debaters.
Maar Paulus deed niet mee.
Geen mooie woorden. Geen logische bewijzen.
Hij kwam met één boodschap:
Jezus Christus – en die gekruisigd.

Dat was ongeveer het domste wat je daar kon zeggen.

Een God die mens wordt?
Een God die sterft?
Aan een kruis nog wel?

Dat paste totaal niet in hun wereldbeeld.
Net zo min als het vandaag past in het onze.
Wij geloven in vooruitgang, zelfontplooiing en controle.
En dan komt die veertigdagentijd ineens
met een God die verliest, lijdt en zwijgt.
Dat botst.
Logisch dat je gaat twijfelen.

Twijfel is geen teken dat je niet gelooft.
Twijfel is vaak juist een teken dat je wakker bent.

Paulus zelf was bang en onzeker.
Hij zegt het gewoon: zwak, bevend, geen succesverhaal.
In anderhalf jaar tijd vijftig mensen overtuigd.
Dat is geen TED Talk. Geen bestseller.

Maar hij hield vol.
Niet omdat hij alles begreep.
Niet omdat hij slimmer was dan de rest.
Maar omdat hij Jezus ontmoet had.
Dat ene moment had
zijn hele wereldbeeld omgegooid.
Alsof hij ineens ontdekte
dat de aarde niet plat was, maar rond.

En dát is misschien wel de kern van de veertigdagentijd.
Niet: alles zeker weten.
Maar durven loslaten wat vanzelfsprekend voelt.
Durven luisteren naar een verhaal dat niet lekker ligt.
Dat schuurt met wat iedereen zegt.

De vraag is dus niet: ben je slim of dom?
De vraag is: waar luister je naar?

Naar het lawaai van meningen, nieuws en tijdlijnen?
Of naar die stille Man aan het kruis,
die zegt dat liefde sterker is dan macht?

De veertigdagentijd vraagt geen bewijsdrang.
Ze vraagt eerlijkheid.
En misschien ook moed.

Want voor die liefde aan het kruis
is niemand te slim.
En niemand te dom.

 

Ik las het laatst en ik schrok me rot:
als we zo doorgaan, brengen we de komende tien jaar
ongeveer anderhalf jaar van ons wakkere leven door op onze telefoon.
Anderhalf jaar. Scrollend. Tikkend. Swipend.

En dan heb ik het niet eens over Generatie Z,
die gemiddeld zes uur per dag op dat ding zit.
Zes uur.
Dat is geen bijzaak meer.
Dat is een levensstijl.
Dat is liturgie.

We lachen erom.
“Ja, ik zit wel veel op m’n telefoon.”
Maar intussen pakken we ’m op
zonder dat we het doorhebben.
Bij elk piepje. Bij elke stilte.
Bij elke seconde verveling.
“Ik probeer te leven – maar ik raak afgeleid” las ik laatst.
Dat is geen onschuldig zinnetje. Dat is een diagnose.

En precies daarom komt de veertigdagentijd als geroepen.

We begonnen met Vastenavond, ‘Shrove Tuesday’
– pannenkoeken stapelen, alles opmaken wat op moet.

En dan:
Aswoensdag.
Stof ben je.
Zes weken oefenen in minder.
Minder eten. Minder luxe. Minder ruis.
Niet om zielig te doen, maar om wakker te worden.

Wat als we dit jaar eens zouden vasten van onze telefoon?

Ja, ik weet het.
Werk.
Appjes.
Agenda.
Maar wees eerlijk: hoeveel daarvan is echt nodig?
En hoeveel is gewoon gewoonte?
We hebben onszelf getraind in afleiding.
Elke dag herhalen we hetzelfde ritueel:
pakken, kijken, scrollen.
Ons hart volgt onze handen.
En onze handen grijpen
steeds naar glas en licht.

We zeggen dat we verbonden zijn.
Maar wat voor verbinding is dit?
We worden gebombardeerd
met meningen, rampen,
perfecte lichamen en perfecte levens.
En ondertussen missen we de mensen
die letterlijk tegenover ons zitten.
“Sociaal” is het allang niet meer.
Het is lawaai.

Misschien is het tijd voor iets radicaals.
Iets ouds. Iets analoogs.

Een gewoon horloge. Een echt boek.
Een notitieboekje
in plaats van meteen googelen.
Een wandeling zonder podcast.
Ongemakkelijk?
Absoluut.
Inefficiënt?
Zeker.
Maar dat is nou juist het punt.

Want het analoge leven gaat over drie dingen
die we aan het kwijtraken zijn:
gemeenschap, creativiteit en rust.

Gemeenschap:
niet duizenden volgers,
maar één mens aan je keukentafel.
Iemand aankijken
zonder dat je scherm ertussen zit.

Creativiteit:
niet alleen consumeren, maar maken.
Iets met je handen doen.
Naaien. Tekenen. Schrijven. Koken.
We zeggen dat we “geen tijd” hebben.
Onzin.
We hebben tijd zat.
We geven ’m alleen weg.

En dan rust. Echte rust.
Niet “even Netflixen om bij te komen”.
Maar stoppen.
Een sabbat. Een dag zonder moeten.
Zonder presteren. Zonder scrollen.
Gewoon zijn.
Verveling toelaten.
Want juist in die leegte gebeurt er iets.
Daar geneest je verbeelding.
Daar hoor je weer wat er in je leeft.
Daar kan God eindelijk tussenkomen
zonder dat Hij moet concurreren
met je notificaties.

Dit is geen pleidooi om technologie te links te laten liggen.
Het is een oproep tot bekering.
Ja, dat woord.
Omkeren.
Je tijd opnieuw ordenen.
Je verlangens opnieuw richten.

Veertig dagen. Dat is alles wat ik vraag.

Niet om offline te vluchten uit de werkelijkheid,
maar om terug te keren naar wat echt is.

Want de vraag is niet hoeveel schermtijd je hebt.

De vraag is: wie word je ervan?

 

Half februari.

De goede voornemens liggen al bij het grofvuil.
We zouden toch gezonder, fitter, rustiger, beter worden.
Twee weken later zaten we alsnog met chips op de bank.
We knikten zelfs braaf bij Blue Monday
– zogenaamd de somberste dag van het jaar –
alsof we een officiële stempel nodig hebben
voor dat knagende gevoel
dat het allemaal wat minder glanst dan gehoopt.

Maar misschien zit de echte somberte niet in het weer. Misschien zit ’ie dieper.

Kijk om je heen.
Twee derde van de wereld leeft inmiddels in landen
waar te weinig kinderen worden geboren
om de bevolking op peil te houden.
Voor stabiliteit heb je gemiddeld 2,1 kind per vrouw nodig.
In Nederland is dat 1,43.
In grote delen van Europa is het niet veel beter.
Dat is geen dipje. Dat is een trend.

En natuurlijk: we noemen het Vrijheid,
Keuze, Zelfbeschikking.
We plannen ons leven zorgvuldig.
We optimaliseren, vergelijken, berekenen.
Alles moet kloppen. Het huis. De baan. De planeet.
Onszelf.

Maar onder al dat plannen ligt een stillere laag.
Twijfel. Uitstel. Wachten op betere tijden.
Tot de hypotheek betaalbaar is.
Tot de politiek rustiger wordt.
Tot het klimaat stabieler voelt. Tot we zelf ‘klaar’ zijn.

Alleen: dat moment komt zelden.

Misschien is dat wel de kern van onze tijd.
Niet egoïsme. Niet onwil.
Maar een te broos vertrouwen in de toekomst.
Want we zijn opgegroeid met het idee dat alles groter,
beter en rijker zou worden dan gisteren.
Die belofte kraakt.
Oorlog. Klimaatstress. Polarisatie.
Het voelt soms alsof we leven
in een wereld die haar glans verloren heeft.

En toch.

En juist nu schuift de christelijke kalender
de veertigdagentijd binnen.
Na het uitbundige van Vastenavond volgt Aswoensdag.
Een zwart kruis op je voorhoofd,
met de woorden: ‘Gedenk, mens, dat je stof bent.’
Geen marketingpraatje.
Geen maakbaarheidsmantra.
Gewoon een reality check:
je bent eindig. Kwetsbaar. Beperkt.

Dat klinkt somber. Maar misschien is het bevrijdend.

Want we zijn moe van het idee
dat grenzen er zijn om te doorbreken.
Dat plafonds altijd hoger te kunnen.
Dat groei vanzelfsprekend is.
Wat als volwassen worden betekent
dat je leert leven mét grenzen,
in plaats van ertegen te vechten?
Wat als hoop niet ontstaat
uit onbeperkte mogelijkheden,
maar juist uit eerlijkheid over wat breekbaar is?

Het askruis zegt niet:
geef het op.
Het zegt: kijk eerlijk.
Het leven is kwetsbaar. Jij ook.
En precies daar kan iets nieuws groeien.

Hoop is geen optimisme dat alles goed komt.
Hoop is het vertrouwen
dat betekenis niet afhankelijk is
van perfecte omstandigheden.
Dat zelfs in een tijd van dalende cijfers
en stijgende zorgen,
de toekomst niet gesloten is.

Half februari.

De regen tikt tegen het raam.
De voornemens zijn gesneuveld.
Maar misschien is dat geen nederlaag.
Misschien is het een uitnodiging om kleiner te denken
en groter te verwachten.
Niet van onszelf, maar van wat ons draagt.

Misschien begint hoop precies hier.
Niet in glans. Maar in eerlijkheid.

 

Laat ik er maar gewoon voor uit komen:
ik krijg heel erg jeuk van trendy vasten.
Serieus.
Vandaag is het vastenavond, ‘Shrove Tuesday
Vastenavond; de laatste dag voor het vasten
en er mag dus nog even genoten worden.
Er moet een flinke voorraad vet aangelegd worden
en alles in huis moet opgemaakt worden.
Vroeger bestond de voorraadkast en koelkast
vooral uit boter, melk, eieren, meel en suiker.
En je raadt het misschien al,
hier kun je perfect pannenkoeken van maken.
Deze werden dan ook rijkelijk gegeten
voordat de strenge vastenperiode er aan komt.
Daarmee is pannenkoekendinsdag geboren.
En na de pannenkoekendinsdag
begint op Aswoensdag het vasten.

Morgen is het dan weer zover.
Aswoensdag, het begin van de Veertigdagentijd.
Bijvoorbeeld veertig dagen zonder suiker.
Zonder alcohol. Zonder vlees.
Zonder Instagram. Zonder je elektrische fiets,
je cappuccino, je glimlach,
ja, je kunt het zo gek niet bedenken
of iemand doet er veertig dagen niet aan mee.

En het bijzondere?
De helft van die mensen
heeft niks met God, kerk of geloof.
Maar zodra de Veertigdagentijd begint,
is heel seculier Nederland ineens in retraite.

En dan zit jij daar dan als christen.
Met je Bijbel. Met je traditie.
En je denkt: hé, wacht eens even… was dit niet óns ding?

Het voelt een beetje alsof je huis wordt gekraakt
terwijl jij zelf op de bank zit.
Alsof de wereld zegt:
dank voor het idee, we doen het zelf wel.
En dan komt die ongemakkelijke vraag omhoog:
moet ik dan niet ook vasten?
Wat verwacht God eigenlijk van mij?
Doe ik het wel goed?

Die vraag is oprecht. Daar zit liefde onder.
We willen het goed doen voor God.
Maar misschien moeten we eerst eerlijk zijn
over wat vasten vandaag meestal is:
gedragsoptimalisatie.
Detox voor je lijf.
Reset voor je brein.
Even afkicken van je dopamineverslaving.
En ja, dat kan nuttig zijn.
Veertig dagen iets volhouden
en je hersenen maken een nieuw paadje aan.
Mooi. Gefeliciteerd.
Nieuwe gewoonte unlocked.

Maar christelijk vasten is geen lifehack.

In de Bijbel is vasten rauw.
Het gaat over schuld. Over verdriet.
Over honger naar God.
De inwoners van Ninevé bijvoorbeeld
trekken boetekleren aan
als ze de boodschap van Jona horen.
Niet omdat ze van suiker af willen,
maar omdat ze beseffen:
wij zitten fout.
Of de profetes Hanna die vast en bidt
omdat ze uitziet naar de Messias.
Dat is geen detox, dat is verlangen.
En als de kerk bidt en vast in Handelingen,
dan is het om God te smeken om leiding.
Vasten is daar geen doel. Het is een schreeuw.

En toen kwam Jezus Christus.

En wat doet Hij? Hij gooit het schema om.
Zijn leerlingen vasten niet.
Waarom niet?
Omdat, zegt Hij, de Bruidegom er is.
Je gaat toch niet vasten op een bruiloft?
Dat is alsof je op een trouwfeest
je boterhammetjes uit je tas haalt
omdat je “aan het minderen” bent.

Begrijp je hoe radicaal dit is?
Jezus zegt niet: vast meer.
Hij zegt: kijk naar Mij.
Als Ik er ben, is het feest.
Nieuwe wijn. Nieuwe tijd.
Probeer Mij niet op je oude leven te plakken
als een religieuze pleister.
Ik ben geen upgrade van je bestaande systeem.
Ik ben een compleet nieuw besturingssysteem.

En daar wringt het.

Wij willen best veertig dagen zonder chocola.
Maar willen we ook veertig dagen zonder trots?
Zonder hebzucht? Zonder die stille minachting voor je collega?
Wij passen Jezus graag in tussen werk, sport en Netflix.
Maar Hij wil niet ingepland worden.

Hij wil vernieuwen. Alles.

Dus moet je vasten? Nee.
Er is geen christelijk gebod dat zegt:
gij zult veertig dagen afzien.
Maar als je vast, doe het dan niet om jezelf te fixen.
Doe het om ruimte te maken voor God.
En als je ruimte maakt,
vul die dan niet met extra werk of scrolltijd,
maar met gebed. Met geven.
Met echte aandacht voor je naaste.

Want dát is het punt.
In Jesaja 58 zegt God:
jullie vasten wel,
maar ondertussen buiten jullie mensen uit.
Denk je dat Ik onder de indruk ben
van je lege maag als je hart vol ego zit?

Auw.

Misschien is de scherpste vraag niet:
moet ik vasten?
Maar: wie bepaalt mijn ritme;
mijn honger, mijn feest, mijn keuzes?
Ikzelf?
Of het Koninkrijk?

Met Jezus worden vastendagen feestdagen.
Niet omdat alles makkelijk wordt,
maar omdat Hij zelf het diepste vasten heeft gedaan,
tot in de dood.
Hij gaf niet alleen brood op.
Hij gaf zijn leven.
Zodat wij niet leven vanuit kramp, maar vanuit genade.

Dus ja, vast gerust van Instagram. Of van wijn.
Maar vast vooral van jezelf.
En vier dan wat ervoor in de plaats komt:
een leven dat niet meer om jou draait, maar om Hem.

Dat is pas pijnlijk. Dat is pas bevrijdend.

 

Het verhaal van Jezus’ lijden en uiteindelijke dood aan het kruis,
is geen punt.
Het is een komma.
Want het verhaal gaat door.
Zo zou je het verhaal van Pasen kunnen samenvatten.
Het woord zelf, betekent zoveel als doortocht, voorbijgaan.
Geen punt, maar een komma.
Het leven gaat door.
Het leven van Jezus gaat door.
Het contact is niet verbroken,
ook al is het lijntje dat wij daarmee onderhouden
misschien wel dun geworden,
of ben je het soms even kwijtgeraakt,
dat kan.
Maar Pasen vieren, is toch steeds ook weer
van ons uit bezien, de draad oppakken.
Weer gaan staan in het licht van dat verhaal,
het verhaal van Jezus,
waarin jij zelf ook betrokken bent, hoe dan ook.

Het verhaal van bevrijding gaat door.
Zo vieren wij Pasen,
het oude verhaal, dat telkens actueel is.
Omdat het gaat over lijden en dood,
en dat is van alle tijden.
Omdat het gaat over het offer van de liefde, die alles overwint.
De liefde die van elke punt, een komma kan maken.
Het verhaal gaat door.
Het leven van Jezus is niet voorbij.
Hij leeft verder, in ons verhaal,
in daden van bevrijding.
Hij zelf trekt ons in het licht en neemt ons mee op die weg.

Pasen daagt ons uit, ten slotte,
om na te gaan,
waar in ons eigen leven,
punten in komma’s kunnen worden veranderd.
De kracht van Pasen is toch,
om onwrikbare situaties open te breken,
om ons uit onze stellingen te halen,
waarin we onszelf hebben teruggetrokken,
in eigen gelijk of in verongelijktheid.
Het kan altijd anders.
Midden in het leven van alledag,
terwijl je je misschien wel eens afvraagt
of het nou wel zoveel verschil maakt
dat Jezus uit de dood is opgestaan.
Natuurlijk maakt dat verschil!
Want omdat Hij leeft,
sta je er niet alleen voor.
Hij leeft,
Hij is erbij.
En Hij spreekt. Woorden van leven.
Maar dan moet je wel zelf ook op staan,
in beweging komen,
meegaan in de beweging van bevrijding en van leven,
die Jezus zelf heeft ingezet.
Wat wij moeten doen is onze oren spitsen.
Luisteren naar Zijn stem.
En het dan ook wágen met Hem.
Dan zál Hij je ook zegenen,
vast en zeker.

O vlam van Pasen, steek ons aan,
de Heer is waarlijk opgestaan!

 

‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ … ‘Echt ik ken die man niet!’
De dienstmeisjes van de hogepriester hebben
Petrus, leerling van rabbi Jezus uit Galilea in een hoek gedreven.
Petrus kan geen kant meer uit.
Om zijn hachje je redden ontkent hij drie keer
dat hij ook maar iets met Jezus heeft te maken.
In de vroege ochtendschemering kraait een haan.

Zijn eigenlijke naam is Simon Barjona. Simon, zoon van Johannes. Visser uit Betsaïda.
Zijn netten, zijn vissersboot, zijn gezin – kortom zijn hele vroegere bestaan –
heeft Simon achter zich gelaten. En hij is Jezus gevolgd.
Drie jaar lang is hij met rabbi Jezus en zijn leerlingen \
door het hele land van Judea en Galilea getrokken.
Vanaf het begin is Simon erbij geweest.
Getrokken, geboeid, geroepen door deze bijzondere rabbi uit Nazareth.
Rotsvast is zijn geloof in Jezus, om jaloers op te worden:
‘U bent de Messias, de Zoon van de levende God’.
Ja, Simon – die van Jezus de bijnaam Petrus, Rots krijgt –
weet het zeker: deze Leraar is de langverwachte Bevrijder van Israël.
Het Koninkrijk van God is aanstaande.
De Romeinen zullen binnenkort hun biezen moeten pakken.
Maar hoe anders is het gelopen, deze laatste dagen in Jeruzalem.
Het begon allemaal zo indrukwekkend.
Op een ezel daalt Jezus de Olijfberg af.
De geestelijke leiders van het volk voeren intussen hun duivels plan uit.
De agenten van de tempelpolitie nemen rabbi Jezus gevangen.
Hij wordt hardhandig afgevoerd naar het paleis van Kajafas, de hogepriester.
Monddood zullen ze Hem maken, die o zo populaire rabbi uit Galilea.

En dan gebeurt het. Het onverwachte, het onvermijdelijke.
Een dienstmeisje meent hem te herkennen als een leerling van rabbi Jezus:
‘Jij hoorde ook bij die Jezus uit Galilea!’

Petrus schrikt zich rot. Hij vlucht in de ontkenning.
Maar daardoor verwijdert Petrus zich radicaal van Jezus.
Elke band met de Meester snijdt de leerling door.
En dat terwijl Jezus juist hém daarvoor had gewaarschuwd.

Simon Petrus, een mens als u en jij en ik.
Hij wordt door Jezus geroepen om leerling van Hem te zijn.
Rotsvast is zijn geloof.
Hij verloochent zijn Meester.
Maar ook voor hem is er vergeving en verzoening.
Ook voor hem is er – na Pasen – een nieuw begin mogelijk.
Voor hem … en voor ons!

Pontius Pilatus wast zijn handen in onschuld, olie op hout, 107 x 122 cm,
Vlaamse School, eerste helft 16de eeuw (naar Vilmos Tátrai)

 

Hoe reageer je op figuren als Trump?

In aanloop naar Pasen en terwijl ik mijzelf ook voorbereid op preek voor Pasen,
vallen mij enkele lijnen op vanuit het passie evangelie naar de huidige tijd.
Het begon met de schandelijke vleierijen van president Macron en premier Starmer
om president Donald Trump in de Oval Office in het Witte Huis te pleasen.

Het begon te lijken op de dertig zilverlingen.
Werd Oekraïne hier verraden voor de snuisterijen en snuisterijen,
alleen maar om in de gunst te blijven bij de machtigste man ter wereld?

Nu we net met de eerste volle week van de Veertigdagentijd bezig zijn,
krijgen deze gedachten een fellere focus
nu de personages uit de Passietijd van Pasen
hun plaats lijken in te nemen in onze wereldpolitiek.

Lijkt de Amerikaanse vicepresident J.D. Vance
een beetje op de hogepriester van de tempel van Jeruzalem, Kajafas,
als hij retorisch eist:
‘Het is beter voor u dat één man sterft voor het volk
dan dat de hele natie ten onder gaat’?
Is de prijs van het ten val brengen van Zelensky
en het sussen van de Russische Vladimir Poetin
het niet waard voor vrede in Oekraïne?

Het zou gebruikelijk kunnen zijn
in een column als deze
om kenmerken van de cast
van de Passie van Christus
toe te schrijven aan de leiders van de huidige grootmachten.
Maar dat is te gemakkelijk en werkt niet echt.
Macron en Starmer zijn geen Judas.
Hun hoffelijke vleierij van Trump
ging vooraf aan de poging tot vernedering
van Zelensky in Washington,
waar op 28 februari met de mores van vastgoedmaffiosi
en een dosis emotioneel incontinentie Trump en Vance
president Volodymyr Zelensky het Witte Huis uit brulden.

Nee, Macron en Starmer
zijn geen verraders van Zelensky, integendeel.
En hoe dan ook, door hun in die rol te casten,
riskeer je de heiligschennis van het vergoddelijken van Zelensky,
die absoluut niet de Messias is.
Je hoeft inderdaad geen toegewijde Trump-fan te zijn
om op te merken dat zijn optreden voor Trump en Vance niet messiaans was,
maar eerder dat van een heel ondeugende jongen.

Maar zulke vergelijkingen gaan ons niet ver brengen.
Misschien is het beter om ze andersom te draaien.
Van grotere waarde is misschien om de machtsspelletjes
die we zojuist op ons wereldtoneel hebben gezien
beter te gebruiken om het spel te begrijpen
dat we binnenkort in Jeruzalem
van een paar millennia geleden zullen herdenken.

Door dat te doen, kunnen we misschien
zelfs een kijkje nemen in een aantal inzichten
die elke zaak ontkrachten dat de historische gebeurtenissen
van de Passietijd vandaag de dag niet relevant zijn.
En dit gaat niet alleen over politiek,
het gaat over ons menselijk vermogen tot machtsmisbruik.

Neem die scène in het Oval Office toen Zelensky werd gepest
door de twee machtigste figuren
(met uitzondering van Elon Musk)
in het nieuwe Amerikaanse regime.
Het is een klassiek wapen in elke huiselijke geweldsrelatie
om het slachtoffer de schuld te geven.
Zo waren Trump/Vance er als de kippen bij
Zelensky de schuld te geven voor zijn onderdrukking door Rusland.

En zo was het ook toen de Nazarener voor Pontius Pilatus stond,
de woordvoerder van de machtigste man op aarde van zijn tijd,
de keizer van Rome, Tiberius.
De overeenkomsten tussen de twee situaties zijn opvallend.
En niet alleen omdat je er redelijkerwijs aan kunt twijfelen
dat Jezus van Nazareth die dag ook een pak droeg.

De laatste, een mishandelde ambachtsman en rabbi
uit de provincieheuvels
en een man ‘zonder zonde’,
is een klassiek onderwerp van slachtofferbeschuldiging.
Net als Trump wilde Pilatus gewoon een deal sluiten
om de vrede te bewaren.
Net als Trump vertelde hij Jezus dat Hij niet genoeg waardering had
voor wat hij voor Hem probeerde te doen.
Net als Trump vertelde Hij hem dat hij absolute macht had over zijn lot.
En net als Trump is hij er zeker van dat waarheid alles is
wat hij wenst dat het is op het moment dat hij minachtend vraagt:
‘Wat is waarheid?’

De intrigerende vraag is hoe dit ons vertelt te reageren
op de Trumps en Pilatus van deze wereld.
In de directe omstandigheden van verhoor
in zowel het Oval Office als het praetorium,
lijkt het antwoord deels stilte te zijn.
Christus kiest het;
Zelensky krijgt het opgedrongen
door de dwingende controle van zijn gesprekspartners.

Nogmaals, ik doe geen aanspraak op een Christus-achtige Zelensky.
Maar stilte als menselijk antwoord
vindt steevast zijn oorsprong in nederigheid.
In de meest wereldse zin is dat nu heel duidelijk
in de verzoenende woorden van de Oekraïense president
richting zijn pestkop,
die zijn leiderschap ‘sterk’ noemt,
spijt heeft van hoe de vergadering is verlopen
en bereidheid uitdrukt om terug te keren
naar de onderhandelingstafel.

Nederigheid is geen zwakte.
Het brengt de kracht van vrede
en maakt de triomf van liefde mogelijk.
Dat is de les van tweeduizend jaar geleden.
En de les is ook dat er niets goeds kan voortkomen
uit een totaal gebrek daaraan,
net als voor Trump en Pilatus.