Pasen is een feest om bij te zingen. We vieren de opstanding van Christus. Dat is een feest, een groot feest en bij feesten hoort muziek. De verkondiging van de opstanding van Christus is ook iets wat ons voorstellingsvermogen te boven gaat. Dat maakt het tegelijkertijd moeilijker om het vieren, maar juist dan komt het op zingen aan. ‘We zingen het geloof naar binnen’, zei de dichter Ad den Besten ooit. We zingen niet alleen omdat we geloven, maar ook opdat we geloven. En juist het hoge feit van de overwinning van Christus op de dood is iets dat bij uitstek bezongen moet worden.
Maar zijn de psalmen daarvoor geschikt? De uittocht van Israël uit Egypte, dat wordt gevierd met het Pascha, wordt wel uitgebreid bezongen in de psalmen. Het is het feest van bevrijding uit de slavernij en van die bevrijding verhalen veel psalmen. En tijdens dit feest van Pesach, vindt de gevangenneming van Jezus, Zijn lijden en sterven plaats. De bevrijding die dit brengt is nauw verbonden met de bevrijding die met Pesach gevierd wordt. In dood en opstanding van Jezus gaat het om de bevrijding uit de macht van het kwaad en de dood voor heel de mensheid. In Handelingen 4 getuigt Petrus voor het Sanhedrin, die eerder Jezus veroordeeld heeft, van Jezus, lijden, dood en opstanding en dat doet hij met een psalm, met psalm 118:
Deze Jezus is de steen die door u, de bouwers, veracht werd, maar Die de hoeksteen geworden is.
Deze psalm hoort bij het Hallel die op Pesach gezongen wordt, wordt hier door Petrus op Jezus betrokken. Voor Petrus verkondigt deze psalm de opstanding van Jezus. In de Evangeliën betrekt Jezus dit psalmvers ook op zichzelf. Aan het kruis citeert Jezus psalm 22 en 31. Als we psalm 22 lezen is het verwonderlijk hoe sterk wij daar het lijden van Jezus in herkennen. Jezus leefde de psalmen en geeft ze nieuwe betekenis. Het lijden van Jezus weerspiegelt het vele lijden van de psalmen en de opstanding van Jezus vormt de vervulling van het reddend handelen van God waarvan de psalmen getuigen.
Door Jezus, die niet alleen aan Pesach, maar ook aan de psalmen een nieuwe dimensie geeft. Psalm 118 zingt van het handelen van God. In de bevrijding van Egypte, maar ook van de bevrijding van het kwaad en de dood, door de hoeksteen door bouwers afgekeurd, door God zelf ten hoeksteen gelegd.
Zie de mens die in zijn lijden teken werd voor alle tijden van wat liefde dragen kan.
Deze woorden zijn geïnspireerd op woorden van Pontius Pilatus. Nadat hij Jezus had laten geselen en de soldaten hem een doornenkroon op hadden gezet en een purperen kleed om hadden gedaan, zijn ‘Zie de mens’ de woorden waarmee hij Jezus voorstelt aan de verzamelde menigte.
Waarom zegt Pilatus dat? Om bij de menigte zie zich tegen Jezus gekeerd heeft mededogen op te wekken? Laat je raken door deze deerniswekkende figuur. Want een mens is mens in kwetsbaarheid. Als wij de ander aangetast zien, dan herkennen wij onszelf in de ander. Daar zien wij een mens, zoals wijzelf zijn. Daar zijn we verbonden met elkaar. Jezus is echt mens, net zo echt als wij mens zijn, juist in zijn lijden. Het is tevergeefs, de menigte is in de greep van bloeddorstigheid. Waar blijft hun menselijkheid?
De woorden hebben binnen het evangelie naar Johannes een nog grotere reikwijdte. Het evangelie begint met: Het Woord is mens geworden. Dat klinkt mee in deze woorden van Pilatus. Hier staat hij: Het woord van God, dat mens geworden is. Pilatus bedoelt het niet, maar het betekent het wel. In deze lijdende mens verbindt God zich met heel de mensheid, Met alle mensen. Jezus is de mens bij uitstek. Jezus is de mens zoals God het bedoelt: Een mens met ontferming, levend vanuit zijn liefde. Voor ons is Jezus ook degene die laat zien hoe God is. Dat God niet bovenaf wil beschikken over de mensen, maar ons wil dienen. Zich met ons wil verbinden op leven en dood.
Deze mens is de stichter van een koninkrijk. Hij draagt de tekenen van zijn koningschap: een doornenkroon en de purperen mantel. Straks is zijn troon het kruis. Zijn koningschap is van een totaal andere orde. Is van een andere wereld. Een wereld waar de mens is zoals God het bedoelt. En in zijn weg wordt Hij voor ons de weg, de poort naar dat nieuwe koninkrijk.
Hij wordt dat voor de mensen van toen en nu. De woorden van Pilatus zijn in het Latijn overbekend geworden: ‘Ecce homo’. Zie de mens. De ware mens voor ons die de liefde leeft opdat wij ons aan die liefde geven.
De zeventiende-eeuwse Franse wis- en natuurkundige, christelijk filosoof en theoloog Blaise Pascal schreef eens:
alle problemen van de mensheid komen voort uit het onvermogen van de mens om rustig alleen in een kamer te zitten.
En nu, vierhonderd jaar later, hebben we bewijs van hoe moeilijk we dit vinden.
Onderzoekers voerden een experiment uit waarbij ze meerdere mensen alleen in een kamer plaatsten met niets anders te doen dan daar vijftien minuten te zitten. De meerderheid gaf toe zich ongemakkelijk te gaan voelen als men zich met niets anders dan zijn gedachten bezighoudt. Het experiment werd herhaald, alleen werd er dit keer een instrument in de kamer geplaatst dat een onaangename elektrische schok kon toedienen. In de periode van vijftien minuten diende één op de vier vrouwen zíchzelf de schok toe om de verveling te verlichten. Twee op de drie mannen deden dat ook.
Er is een kans dat we de verkeerde conclusies trekken uit sociale experimenten omdat het moeilijk is om in de gedachten van anderen te kruipen, maar we kunnen hier een goede gok wagen. Onze levens zijn overprikkeld. Alleen in een kamer zijn met onze gedachten voor een langere tijd is vreemd. We hóren niet zo te leven menen we. Onze smartphones zijn de ‘stok en staf die ons vertroosten’. Elk vrij moment moet worden besteed aan TikTok, Instagram of Spotify.
Naarmate mensen ouder worden, denken ze vaak dat de wereld zijn aandachtsspanne verliest, zonder te beseffen dat de focus afneemt naarmate we ouder worden. Maar er lijkt iets te zijn veranderd in de afgelopen twee decennia. Er is een geheel nieuwe digitale architectuur ontworpen die er niet was. Het creëert de buzz van de stad, en is om ons heen verrezen als wolkenkrabbers, waardoor koude schaduwen en bittere windtunnels van woede en afleiding ontstaan die de warmte blokkeren.
Deze nieuwe online stad is opzettelijk ontworpen om onze aandacht vast te houden; om te voorkomen dat we offline iets gaan doen. En het werkt. Tussen 2010 en 2020 hebben we wereldwijd twintig keer meer informatie verbruikt. Dit is een kolossale toename voor onze hersenen om in een oogwenk te verwerken. Onze geest is minder geworden als het coole, witte minimalistische interieurontwerp waar mensen naar streven in het leven en meer als het rommelhok waar kapotte en nutteloze spullen worden gedumpt.
Sommige wetenschappers stellen dat we onszelf de schuld van deze situatie geven. Als we anderen vertellen dat onze smartphone ons afleidt, is het antwoord dat we krijgen dat we hem moeten uitzetten. Hoewel we dit soort stappen kunnen ondernemen, worden we er echter meer en meer afhankelijk van gemaakt door techbedrijven . Natuurlijk is er net als bij shopaholics sprake van individuele verantwoordelijkheid, maar er is ook het bouwwerk van consumentenkapitalisme dat is ontworpen om ons meer spullen te laten kopen of – in het geval van het internet – meer informatie te laten absorberen.
Als we bedenken wat het betekent om Jezus vandaag de dag te volgen, beseffen we vaak niet wat technologie met ons doet. De voordelen zijn duidelijk – de wereld binnen handbereik hebben, in een oogwenk met familie en vrienden kunnen praten – maar de nadelen blijven onduidelijk. Hoe beïnvloedt digitale afleiding het lezen van de Bijbel en een toewijding aan gebed? Er is weinig onderzoek naar gedaan, maar we geven God misschien minder toegewijde aandacht dan voorheen. Als we van de ene bron naar de andere fladderen, als een vlieg op een warme zomerdag, blijven we niet lang genoeg op één plek om te ontdekken of God daar op ons wacht.
Aanwijzingen van God komen vaak van buiten het kerkelijk denken. Nu heeft een groep tech-tovenaars uit Silicon Valley het idee van een digitale sabbatical bedacht, waarbij mensen één dag per week offline doorbrengen. Hoewel ze zichzelf beschrijven als niet bepaald religieus, verdrinkt hun manifest zo’n beetje in religieuze traditie. Ze adviseren mensen om:
Technologie te vermijden
Contact te houden met geliefden Uw gezondheid te koesteren
Naar buiten te gaan
Commercie te vermijden
Kaarsen aan te steken
Wijn te drinken
Brood te eten
Stilte te vinden
Iets terug te geven
Het is een sabbatical die opnieuw is uitgevonden voor het digitale tijdperk.
Er wordt een aantal praktische acties opgesomd die kunnen worden ondernomen, zoals gefocust blijven op de taak en blootstelling aan sociale media te beperken, omdat is aangetoond dat dit in grote hoeveelheden slecht is voor de geestelijke gezondheid. We moeten onze gedachten ook kunnen laten afdwalen. Dit spreekt het argument over het niet verliezen van de focus niet tegen. Het afdwalen van de gedachten is, paradoxaal genoeg, een vorm van aandacht. Het is de ruimte waarin we de puzzels van ons leven oplossen, punten met elkaar verbinden die we hadden gemist, een plaatje inkleuren om het tot leven te brengen.
Wanneer de profeet Elia God ontmoet op de berg Horeb, is er eerst een sterke wind, daarna een krachtige aardbeving en ten slotte een laaiend vuur. Maar God openbaart zichzelf niet in deze aangrijpende verschijnselen. Hij is te vinden in de pure stilte die volgt; in het gefluister van een stem.
De pure stilte van vandaag wordt verbroken door het vertrouwde gezoem van een nieuwsfeed of een update op sociale media – of de schok van een elektrische stroom. Het is nu het moment dat we binnen gehoorsafstand van de zwakke audio van het Goddelijke komen.
‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft het Licht dat Leven geeft.’ Of met andere woorden: ‘Zoals God in de woestijn het Licht was voor het volk van Israël, zo ben Ik nu het Licht dat Leven geeft aan iedereen.’ Dat was vele generaties terug. De mensen in de tijd van Jezus denken: ‘Onze tempel, dat is de plaats waar God nú woont. Hier moeten de mensen naar toe komen om God – het Licht – te ontmoeten. Onze tempel … dat is het Licht voor de wereld!’ Begrijp je hoe woedend de geestelijke leiders van Israël op die rabbi uit Nazareth zijn? Juist op déze plek, de plek waar de kandelaars en de vuren zijn aangestoken, zegt Jezus: ‘Ík ben het Licht voor de wereld. Wie Mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft het Licht dat Leven geeft.’ ‘Wie denkt Hij wel Wie Hij is?’ De Farizeeën en de andere geestelijke leiders kunnen die rabbi uit Nazareth niet uitstaan. Al hun heilige huisjes gooit Hij omver. Hun haat wordt met de dag groter. Uiteindelijk zullen ze Hem monddood maken. Ze zullen zijn Licht voorgoed doven! ‘Weg met Hem!’ Het is best wel opvallend hoe vaak Johannes het in zijn evangelie over ‘de wereld’ heeft. Voor Johannes was de aanduiding ‘de wereld’ gelijk is aan het ‘rijk van de duisternis’. Het is de wereld waarin mensen leven zonder God. De wereld waarin het donker en duister is. Waar de zonde het voor het zeggen heeft. In díe wereld, die God-vijandige en donkere wereld, is Jezus gekomen. Hij is de strijd aangegaan met de heerser van deze wereld en Hij heeft uiteindelijk het rijk van de duisternis verslagen. Dat wordt ook duidelijk als op Goede Vrijdag na een drie uur durende angstaanjagende duisternis God zijn Licht weer op aarde laat schijnen. Wie een volgeling van Jezus wil zijn kan deze wereld niet ontlopen. Wie echter in Jezus gelooft, wie in Jezus God de Vader heeft leren kennen, wandelt niet langer meer in het donker, in de woestijn van het leven. Jezus, het Licht wijst je de weg naar het land van Gods beloften. Het land waar het Licht … Leven is!
Hoe vrij zijn we eigenlijk? Er zit een diep verlangen in ons om vrij te zijn. Maar wie van u hier kan volmondig zeggen: ik ben vrij, en daar leef ik elke dag weer uit? Ik geniet van het leven zoals God het bedoeld heeft?
Ja, als christenen belijden we dat in het bloed van Christus een diepe vrijheid verborgen ligt… toch zie je daar in de praktijk van je leven soms weinig van terug. We zijn gebonden door het leven en door onszelf. Ik denk dat we dat allemaal wel herkennen, dat ook als je Christus kent en als je Zijn naam belijdt, je leven niet plots over rozen gaat. En we weten soms niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan. Want ergens verwacht je toch, dat als je God kent, dat je leven makkelijker zal zijn dan daarvoor. Je dacht vrijheid te hebben gevonden bij God – maar niets is minder waar.
‘Wees niet bang’, zegt God bij monde van Jesaja ‘want ik zal je vrijkopen, ik heb je bij je naam geroepen, je bent van mij! Moet je door het water gaan – ik ben bij je; of door rivieren – je wordt niet meegesleurd. Moet je door het vuur gaan – het zal je niet verteren, de vlammen zullen je niet verschroeien.’
God bevrijdde de Israëlieten uit de handen van de Egyptenaren, Hij bevrijdde Daniël uit de leeuwenkuil, Hij bevrijdde Christus uit de dood. En zal jou bevrijden uit alles wat je maar gebonden houdt.
God doet geen half werk. Hij bevrijdt je uit Egypte en neemt je aan als zijn kind op grond van het bloed van Jezus. Daar wees het bloed aan de deurposten in Egypte al op. Maar dan wil Hij u ook elke dag weer bevrijden wanneer je in moeilijke situaties terecht komt.
Maar als je niet meer kan? Wat als er geen droog pad door de Rietzee lijkt te komen? Wat nou als je al zo lang gevangen zit in je eigen gevoelens van angst of onzekerheid. Wat nou als ziekte het wint van mensen die je dierbaar zijn.
Moet je dan maar stil zijn? Moet je dan maar vertrouwen? Waar is God dan?
Want dan, dan blijft het van Gods kant soms zo stil. Ja – Soms blijft het van Gods kan heel stil. Maar God strijdt ook in die stilte wel voor ons. Toen Jezus berecht en veroordeeld werd deed hij zijn mond niet open. Hij stierf aan het kruis en nog nooit was het zo stil in de wereld, als de dag dat God dood was. Nog nooit was het zo stil als op stille zaterdag. En nog nooit was de strijd van God voor ons zo groot.
Elke stilte in ons leven is betekenisvol, niet omdat we zwijgen. Niet omdat we geen antwoorden weten en ons verloren voelen in de wereld. Maar omdat God gesproken heeft. God zei: Er zij licht. Zo sprak Hij in Genesis en zo sprak hij op die eerste dag van de week toen Christus opstond uit de dood. Als we nu stil zijn omdat we oog in oog staan met ziekte, met druk, met stress, dan weten wij dat het altijd slechts de stilte van Stille Zaterdag is. Als we de overwinning nu nog niet zien, dan straks wel. Want Christus leeft!!
We zijn er misschien wel zo’n een beetje aan gewend geraakt, aan dat kruis. We schrikken er niet meer zo van. We praten er soms over alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. ‘Jezus is aan het kruis gestorven voor mijn zonden.’ Maar het is zo ongewoon. Zo afzichtelijk ook. Het kruis is niet mooi. En tegelijk heeft dat kruis, dat lelijke kruis alles met het leven te maken. We kunnen er niet omheen. En we moeten dat ook niet willen.
Er hangt een bloedende Man aan het kruis. Man van smarten. En dat opschrift aan het kruis, vat het heel kort samen: ‘Dit is de Koning der Joden.’ En je proeft nog de spot die erin doorklinkt, je hoort nog de lach van de man die de letters in het bordje graveerde, en je ziet nog de lol die de omstanders hadden. Wat een Koning is die Man van smarten! Wat een Koning. Belachelijk. Eén brok zwakheid. Hij kan niet eens van het kruis afkomen. Om je dood te lachen.
Wilt u dat wel? Zo’n koning? Het antwoord op die vraag hangt ook een beetje af van twee andere koningen. Twee koningen die in deze wereld ongelooflijk veel heerschappij uitoefenen. Twee koningen die op aarde heersen. Het gaat dan over de koningen die Paulus noemt in de brief aan de Romeinen: De zonde en de dood. Hij noemt de zonde en de dood ook koningen. Koningen met macht en veel invloed.
Ja, daar kun je ook anders tegenaan kijken. De zonde, daarvan kun je zeggen: ‘ach mensen, dat valt toch allemaal wel wat mee; zeur toch niet zo over zonde; natuurlijk, we maken allemaal onze fouten, en dat is niet goed; maar het kan toch niet zo zijn dat God daarom zijn eigen Zoon de dood injaagt.’ Zo kun je omgaan met de zonde. Nauwelijks een vijand. Bijna geen macht. Hoezo: koning? En van de dood geldt hetzelfde: ‘dood is dood, zeggen veel mensen; we sterven nu eenmaal allemaal een keer; dat hoort bij het leven.’ Zo kun je omgaan met de dood: nauwelijks een vijand, geen echte macht. Hoezo: koning?
Maar de Bijbel leert ons om de zonde en de dood te zien als koningen die niet thuishoren op aarde. Dood en zonde horen niet bij het leven. Het is een vreemd element in Gods goede schepping. Dat is niet wat God wil. Daarom laat Hij ons aan de enorme macht zien die de zonde en de dood als koningen in ons leven hebben. En daarom hebben we die andere Koning nodig. Die Koning aan het kruis die de zonde uit de wereld wegdraagt en die de dood de doodsteek toebrengt. Jezus Christus. Een koning in nederigheid en zwakheid. Alleen zo kan Hij de koningen zonde en dood overwinnen.
En dat vinden we allemaal samengebald terug in dat korte opschrift. ‘Dit is de Koning der Joden.’ In drie talen stond het er. Want iedereen moet het kunnen lezen, deze beschuldiging op grond waarvan Jezus is veroordeeld. Iedereen moet kunnen begrijpen hoe belachelijk dit is. Want wat is dat nou voor een koning!? Hij kan niet eens zelf van het kruis af komen? Hoofdschuddend kijken de mensen ernaar. ‘Mij niet gezien, zo’n koning!’
En toch wilde Jezus op en top zó Koning zijn. Nederig, zwak, geen politieke power, maar liefdevolle dienstbaarheid en nederige zelfverloochening. Dat moeten we erin zien. Een zwakke Koning, maar wat gaat juist daar veel kracht vanuit! Wat is er een kracht voor nodig om zwak te durven zijn. Wat is er een moed voor nodig om trouw te zijn tot in de dood. Wat is er een liefde nodig om de zonden van de wereld op je te willen nemen en aan het kruis te nagelen. Zo is Christus onze Koning.
Op Witte Donderdag gedenken we hoe Jezus voor de laatste keer met zijn leerlingen bijeen was. Hoe hij met hen die maaltijd vierde die zo’n bijzondere betekenis kreeg. Want het was de laatste maaltijd en tegelijk niet de laatste. De Heer maakte tijdens de maaltijd duidelijk dat ze deze maaltijd moesten blijven houden: ‘doet dit tot mijn gedachtenis’. Juist deze maaltijd moest voor hen en alle gelovigen het teken zijn dat hij zelf in hun midden was. Zij zouden hem steeds weer mogen herkennen ‘in het breken van het brood’. In deze maaltijd schenkt Jezus zichzelf aan ons voor ons leven als gelovige mensen: ‘Dit is mijn lichaam’ zegt hij bij het breken van het brood en het uitdelen ervan. Het is heel belangrijk dat we dit voor ogen houden. Niet wíj zeggen bij het breken van het brood ‘we denken aan Jezus’ alsof wíj betekenis geven aan het brood. Het is de Heer zelf die zegt: ‘dit is mijn lichaam’. Hij ís het zelf. Wat hij zegt dat is hij. En wat hij is dat zegt hij. Het is deze liefde voor de blijvende tegenwoordigheid van Christus in brood en wijn die ons telkens van zijn nabijheid in ons leven mag vervullen. En hij voegt eraan toe dat wat hij gedaan heeft in de voetwassing een voorbeeld is voor allemaal. Respect en liefde voor de werkelijke tegenwoordigheid van de Heer in ons midden kan niet zonder liefde en respect voor elkaar. We moeten waardevol en kostbaar zijn in elkaar ogen. Elkaars zwakheden verdragen, fouten vergeven, en elkaars talenten herkennen en stimuleren, en in elkaars noden zo mogelijk voorzien. Dat is elkaar de voeten wassen, zoals Jezus ons heeft voorgedaan en opgedragen, nog voor de maaltijd. Met het offer van zijn leven door zijn lijden en sterven aan het kruis dat we in deze dagen gedenken, heeft Jezus ons de voeten gewassen, onze zonden vergeven en tot nieuwe mensen gemaakt, mensen van God.
Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’ Johannes 1,38-39
Kan er uit Nazareth iets goed komen? Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is, een plaatsje in de buurt van Nazareth. Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?
Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen, dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld en hoe er onderling wordt gereageerd. De ene keer neemt Jezus het initiatief, de andere keer komen de leerlingen op hem af. En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth, dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus. Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël ‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’. Waar is dat weer op gebaseerd? En dan die uitspraak aan het einde, als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken: ‘jullie zullen nog grotere dingen zien: de hemel open en de engelen van God omhooggaan en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.
En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt. Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias – en dan ben ik nog niet compleet. Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver. Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer; sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?
Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid. Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God. Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt. Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God aan het begin van het evangelie voorkomt en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten. Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Maar dan daalt het af, naar de aarde Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke, van het getuigenis van Johannes de Doper en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie. Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen, herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.
Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg, en vinden mensen elkaar in dat vinden. ‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén. Geloof begint niet met een redenering, je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen, maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting die veelbelovend is, die verwachtingen wekt van grotere dingen en nieuwe ervaringen, geloven begint met de ervaring gevonden te worden.
Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen. Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken, in het geweld van de wereld, in de waan van de dag. Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen. Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven, te durven geloven, dat de weg van het lam, van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.
‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af. Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert, nog wel van deze tijd? De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’. Ja, waarom ook niet. Ga zelf maar kijken…
Als kerk hebben we natuurlijk de tien geboden. En we hebben het grote gebod: heb de Heer uw God lief en je naaste als jezelf. Maar, er is nog een belangrijk gebod. Het meest voorkomende gebod in de Bijbel. Het staat er zo’n 400 keer in. Meer dan één keer voor elke dag.
En dat gebod is: Wees niet bang.
En als iets zo vaak in de Bijbel genoemd wordt, betekent dat dat het heel belangrijk is. Maar als ‘wees niet bang’ 400 keer in de Bijbel staat, dan betekent dat ook dat wij het heel moeilijk vinden om er naar te luisteren en er van overtuigd te raken.
En we hebben ook heel veel om bang voor te zijn. Nu bijvoorbeeld dat coronavirus wat de hele wereld in haar ban houdt. De besmettingen dalen stijgen per dag. Je bestaanszekerheid kan zomaar onder druk We weten werkelijk niet waar we aan toe zijn. Als je baan op de tocht staat of je bedrijf op omvallen staat. Als je bang bent voor je financiële toekomst.
‘Ga maar vast met de boot naar de overkant,’ had Jezus tegen zijn discipelen gezegd. Hijzelf zou de menigte, die daar was, wegsturen. Jezus neemt afscheid van de menigte en dan wordt het eindelijk stil. De avond valt, de mensen zijn vertrokken en de discipelen zijn het water opgegaan. Na een lange, drukke dag is stilte een zegen. Even alleen zijn en tot rust komen. Jezus gaat de berg op, schrijft Marcus, en dat betekent dat Hij God opzoekt, want ‘de berg’ is in de Bijbel niet zomaar een plaats. De berg is de plaats van de nabijheid van God. Een plek te zoeken waar je in alle rust samen kunt zijn met God en verder niemand.
Intussen bevinden de discipelen zich in een totaal andere situatie: midden op het meer van Galilea is de wind plots gaan waaien. De golven worden steeds groter en het schip steeds kleiner. Geen prettige toestand, maar deze mannen zijn wel wat gewend. ‘Als Jezus zegt dat ze naar de overkant moeten, dan zullen ze er komen ook!’ – En ze geven niet op. Maar het is al avond, en het begint nu toch donker te worden. Bezorgde gezichten kijken elkaar aan. De moeheid slaat toe en de wind gaat niet liggen. De zee wordt onstuimiger, het water vliegt hen om de oren.
Het is goed om je te realiseren dat zulke plekken dus bestaan. Plekken waar je onveilig bent, waar je machteloos staat, overgeleverd aan de onvoorspelbare krachten van het kwaad, overgeleverd aan de grillige deining van de golven. Ik stel die vraag, omdat ik denk dat dit nog niet zo vanzelfsprekend is om daar rekening mee te houden. Onze westerse maatschappij is ver gekomen in het handhaven van de orde, we alles goed voor elkaar lijken te hebben: verzekerd van wieg tot graf. Het zijn allemaal dingen waar we dankbaar voor moeten zijn. Het maakt ons leven veiliger. Maar we denken vaak ook dat we het risico van het leven hebben afgekocht, dat we het kwaad onderschatten of weg relativeren. De zee is in de Bijbel een beladen begrip. De zee als domein van de chaos is er ook altijd, en zal er ook altijd zijn tot op de jongste dag. Er kunnen van die momenten in het leven zijn dat je uitroept: ‘Is God er werkelijk bij?’ Er staat te veel in de weg om dat mee te maken. Er is te veel om Jezus te herkennen op de golven van de zee. Het is niet eenvoudig om God te herkennen wanneer een stormwind opsteekt. Het leven is zo verraderlijk als de zee. En God verandert daar niets aan voor je gevoel, omdat je hem niet herkent, omdat alles wat gerust moet stellen je bevreemdend in de oren klinkt.
In het Bijbelgedeelte uit Marcus waait de wind waait nog steeds en golven slaan tegen het schip en in het geweld van de zee loopt Jezus de discipelen … voorbij. Ze schreeuwen het uit. Jezus hoort zijn discipelen roepen. Hij ziet dat ze in paniek raken van zijn verschijning. Ze zien hem wel, maar ze herkennen hem niet. Ze snappen niet dat ze nu veilig zijn, omdat Jezus hen voorgaat. Jezus is er wel, maar het komt niet tot een werkelijke ontmoeting.
Dan doet Jezus iets, wat ik echt bijzonder vind. Ontroerend eigenlijk. Hij loopt naar het schip en kalmeert zijn leerlingen. Als Hij wandelend over de zee niet herkent wordt, dan komt Hij dichterbij. Als angst de kop opsteekt, klimt Hij aan boord. Als God in de hoge te ver weg is, dan daalt Hij af naar beneden. Jezus komt aan boord en dan zien ze het pas: het is hun Heer! ‘Wees niet bang’ zegt hij tegen zijn discipelen en ook tegen ons.
Ja, ook ons bootje wordt dan geteisterd door diezelfde golven. En ja wij kunnen soms moeite hebben om onszelf drijvend te houden. En ja soms raken we behoorlijk uit koers. Maar Jezus belooft dat hij ons op deze weg niet alleen laat. Hij draagt ons in zijn gebeden. Hij is dichterbij dan wij vaak vermoeden of durven hopen. Hij vraagt niet van mij om dan dat laatste stukje zelf te overbruggen. Hij loopt helemaal door tot hij mij vindt waar ik ben. En brengt daar iets van vrede, te midden van de golven.
Voor mij is het tegenovergestelde van angst niet controle, maar vertrouwen, als tegenwicht tegen de onzekerheid. Vertrouwen kijkt de onzekerheid echt in de ogen en kan dat aan omdat het vertrouwen de balans herstelt. Is controle over de manier waarop het leven gaat, niet vrijwel altijd een illusie? Hoe zou het zijn als we meer Godsvertrouwen hadden? Vertrouwen vraagt dat je buiten jezelf treedt, dat je je verbindt met anderen. Vertrouwen is de erkenning dat de ander een dragend deel is van jouw bestaan. Waar controle, als antwoord op angst, gevangen blijft binnen het schema van een individualistisch mensbeeld, treedt vertrouwen daarbuiten en laat het de ander toe als onmisbaar om mij in evenwicht te houden in crisistijden als deze…
Abraham moest Isaak offeren. Zijn enige zoon. Dat wil zeggen: hij was Abrahams enige hoop, de enige door wie men van nageslacht van Abraham zou kunnen spreken. In Isaak was al Abrahams verwachting samengetrokken. En dat was maar niet alleen al Abrahams menselijke verwachting, omdat Isaak de enige was die zijn eigen naam zou kunnen laten voortbestaan, maar vooral ook Abrahams geloofsverwachting. Isaak was de wonderzoon in wie al Gods beloften waren samengevat. Hij was zijn houvast, zijn onderpand, dat God ook verder zou doen wat Hij beloofd had. Veel eerder dan om de vraag of Abraham alles voor God over zou hebben, gaat het in deze proef dus om de vraag of Abraham, nu hij Isaak heeft gekregen, nog steeds wel alles van God zou verwachten. Iedereen die zichzelf een beetje kent, weet hoeveel zin zo’n beproeving heeft. Verwachten we dan ook nog alles, echt alles van Hem? Waar blijft onze verwachting op de Heer? Daarom is ook de boodschap voor ons niet zozeer de vraag of wij alles voor God over hebben, maar de vraag of wij alles van Hem verwachten willen. En dat werkelijk in de praktijk van ons leven. Niet maar met woorden — en ondertussen toch je eigen gang gaan — maar met daden. Hoe vaak gebeurt het ons niet dat wij, zodra wij weer een beetje grip op ons bestaan denken te hebben, in dezelfde beweging weer op eigen kracht en op eigen houtje gaan leven? Dat had bij Abraham toch net zo kunnen zijn? Maar dat blijkt niet zo. Abraham noemt ‘die plaats waar hij een ram heeft gevonden om die in plaats van zijn zoon te offeren’ maar niet ‘de Heer zal erin voorzien’ omdat hij daar net die ram gevonden had. Nee, hij noemt die zo, omdat dat het precies is, waar het in heel het verhaal om ging: de Heer stelde Abraham op de proef of hij inderdaad leefde uit die verwachting, dat de Here in alles zou voorzien, wat er ook gebeurde. En daaruit had hij inderdaad geleefd. God zal zichzelf voorzien van een dier voor het brandoffer, mijn zoon. Dat is werkelijk godvrezend zijn, niet maar de plichten van je geloof afwerken, God bewaren voor noodgevallen en verder je eigen gang gaan, niet maar zeggen dat je gelooft wat God zegt, maar er verder geen handen en voeten aan geven, maar leven vanuit de zekerheid dat God zal voorzien van wat nodig is, alles van Hem verwachten. Alles? Ja. Alles.