Ze zijn Jezus gevolgd. Door de nauwe straten van de stad Jeruzalem.
De Damascuspoort uit.
Tot op de kruisheuvel Golgotha.
Het zijn Maria, de moeder van Jezus;
Maria, de vrouw van Klopas en Maria uit Magdalena.
Het is hun liefde voor Jezus die hen hier heeft gebracht, bij het kruis van Jezus.
Wat een intens verdriet moet het hen gedaan hebben
toen ze zagen hoe hun geliefde Jezus aan het kruishout werd vastgespijkerd.
Wat een gevoelens van machteloosheid moeten hen zijn overvallen
toen ze hoorden hoe hun geliefde Jezus werd bespot en veracht
door de geestelijke leiders van hun volk.
Het zwaard snijdt in al zijn scherpte door hun ziel
als ze aan de voet van het kruis staan
waar hun geliefde Jezus als een gewetenloze misdadiger hangt.
Dan merkt Jezus hen op. Zijn oog valt op Maria, zijn moeder.
En op Johannes, de enige van de leerlingen die niet is weggevlucht.
‘Toen Jezus zijn moeder zag staan,
en bij haar de leerling van wie Hij veel hield,
zei Hij tegen zijn moeder: ‘Vrouw, dat is uw zoon,’
en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’ (Johannes 19:26-27)
Het is opvallend hoe Jezus in zijn lijden aan het kruis
steeds met anderen bezig is geweest.
Het zijn bewogen woorden, die Hij vanaf het kruis spreekt.
Woorden die voortkomen uit het diepste van zijn wezen.
Bewogen met anderen.
Want hoe moet het nu verder met Maria?
Moet ze straks helemaal alleen weer terug naar Nazareth?
Hoe lang zou ze al de weduwe van Jozef zijn?
Wie zal er daar in haar levensonderhoud voorzien?
De gekruisigde Jezus spreekt hier Maria aan als ‘vrouw’
en niet als moeder.
Maria is niet alleen zijn moeder,
zij is ook de vrouw die zich uit liefde in dienst gesteld heeft van haar Heer.
‘De Heer wil ik dienen: laat er met mij gebeuren wat u hebt gezegd.’
(Lucas 1: 38)
Heel Maria’s leven staat in het teken van het dienen van de Heer!
Vanaf zijn kruis draagt Jezus in zijn liefdevolle bewogenheid
deze vrouw op aan de zorgen van Johannes.
Daarmee snijdt Hij de natuurlijke band met zijn moeder door.
Hij neemt afscheid van haar,
door haar een ander in zijn plaats als zoon toe te wijzen.
En opnieuw moet Maria als moeder een stap terug doen.
Nu voorgoed.
Nu definitief.

En Johannes?

Sommige uitleggers denken dat Johannes, net als Jakobus zijn broer,
een neef van Jezus moet zijn geweest.
Eén van die donderse jongens van Zebedeüs en Salome.
Johannes is de leerling waar rabbi Jezus veel van is gaan houden.
Iemand die Hem drie jaar lang is gevolgd, door dik en door dun.
Trouw en het vertrouwen waard.
Johannes is dan ook de enige leerling
waar we in het evangelie van lezen dat hij bij het kruis staat.
Ook Johannes wordt door de gekruisigde Jezus persoonlijk aangesproken.
Het is geen vriendelijk verzoek dat Jezus doet aan zijn beste vriend.
Het is een taak, een opdracht die de Heer hem geeft: ‘Zorg voor haar!’
De man en de vrouw waar Jezus op aarde
het meest van is gaan houden worden
door Hem door dit kruiswoord aan elkaar verbonden.
Hij wil dat ze één gezin gaan vormen.
Voortaan woont Maria in het huis van Johannes.
Zij zullen samen het begin gaan vormen van een nieuwe gemeenschap:
de gemeente van Jezus Christus.
Zij zullen als eersten brood en wijn met elkaar delen.

En wij?

Ook ons spreekt de gekruisigde Jezus aan.
Aan zijn kruis brengt Hij mensen bij elkaar.
Hij draagt ons op om zorg te dragen voor elkaar.
Om als broeders en zusters in liefde met elkaar om te gaan.
Om onze vreugde en ons verdriet,
onze rijkdom en onze nood met elkaar te delen.
Aan het kruis herinnert Jezus ons aan de woorden
die Hij eerder sprak:
‘Want ieder die de wil van mijn Vader in de hemel doet,
is mijn broer en mijn zus en mijn moeder.’ (Matteüs 12: 50)
Als je Jezus gaat volgen, kun je allerlei banden,
zelfs familiebanden, kwijtraken.
Maar de gekruisigde Jezus ziet je staan
en geeft je een nieuwe familie om je heen:
de gemeente van onze Heer Jezus Christus.

Dat is het geheim van dit derde bewogen kruiswoord!

Ze zeiden tot Hem: ‘Rabbi – vertaald betekent dit: Meester – waar houdt Gij U op?’ Hij zei hun: ‘Gaat mee om het te zien.’
Johannes 1,38-39

Kan er uit Nazareth iets goed komen?
Misschien speelt mee dat Natanaël zelf uit Kana afkomstig is,
een plaatsje in de buurt van Nazareth.
Iemand uit het dorp verderop? Dat kan toch nooit iets bijzonders zijn?

Het is een opmerkelijk fragment, aan het begin van het Johannesevangelie. Zou je de moeite nemen om het helemaal uit te puzzelen,
dan verbaas je je steeds meer over wat er precies wordt verteld
en hoe er onderling wordt gereageerd.
De ene keer neemt Jezus het initiatief,
de andere keer komen de leerlingen op hem af.
En dan de uitspraken: de twijfel van Natanaël – uit Nazareth,
dat kan niks wezen – maar nog meer de uitspraken van Jezus.
Hij noemt die twijfelende, sceptische Natanaël
‘een echte Israëliet, een mens zonder bedrog’.
Waar is dat weer op gebaseerd?
En dan die uitspraak aan het einde,
als hij zijn verbazing over Natanaëls verbazing heeft uitgesproken:
‘jullie zullen nog grotere dingen zien:
de hemel open en de engelen van God omhooggaan
en neerdalen naar de Mensenzoon’, dat zijn toch wonderlijke uitspraken.

En let eens op met hoeveel verschillende namen en titels Jezus krijgt.
Lam van God, maar ook, Rabbi, Messias –
en dan ben ik nog niet compleet.
Er is veel meer over te zeggen, maar dat voert nu te ver.
Waar het mij om gaat is te laten zien dat het symbool van het lam van God meer is dan alleen een verwijzing naar het kruisoffer;
sterker, dat daar niet de belangrijkste betekenis
van het symbool in gelegen is. Wat dan wel?

Misschien moeten we het zoeken bij de eerste associatie die opkomt bij het beeld van een lam. Dat van de onschuld en de vredelievendheid.
Jezus is het lam van God, dat door zijn liefde de zonde van de wereld wegdraagt, wegvaagt. Lam van God.
Symbool van de zachte krachten, die het uiteindelijk winnen
van de macht en het geweld dat zich in de wereld zo breed maakt.
Het is opmerkelijk dat dit beeld van het lam van God
aan het begin van het evangelie voorkomt
en niet pas bij de kruisiging waar je het misschien zou verwachten.
Het evangelie begint als het ware in de hemel: In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Maar dan daalt het af, naar de aarde
Er is dan sprake van ontmoeting in het menselijke,
van het getuigenis van Johannes de Doper
en van de een die de ander overhaalt en overtuigt, kom en zie.
Daar begint het mee, mensen raken overtuigd, gaan meedoen,
herkennen in Jezus de Messias, enzovoort.

Zo vindt Jezus de mens op zijn pad, vinden mensen Jezus op hun weg,
en vinden mensen elkaar in dat vinden.
‘Vinden’ is een kernwoord in dit gedeelte. Vinden en gevonden worden. Zien en gezien worden. Het actieve en het passieve, inéén.
Geloof begint niet met een redenering,
je gaat niet geloven als je eerst alle opties hebt verkend
en alle verstandelijk twijfels hebt overwonnen,
maar geloven is, je mee laten nemen in een ontmoeting
die veelbelovend is, die verwachtingen wekt
van grotere dingen en nieuwe ervaringen,
geloven begint met de ervaring gevonden te worden.

Aan het begin van het evangelie wordt deze Jezus ons aangewezen.
Dat moet, anders zouden we hem niet opmerken,
in het geweld van de wereld, in de waan van de dag.
Je hebt andere mensen nodig om hem op het spoor te komen.
Je hebt de aanmoediging van anderen nodig, om te kunnen geloven,
te durven geloven, dat de weg van het lam,
van de weerloosheid en de geweldloosheid, de weg naar het leven is.

‘Kan er iets goeds komen uit Nazaret’, vraagt Natanaël zich af.
Is dat dwaze geloof in een lam dat de wereld regeert,
nog wel van deze tijd?
De reactie van Filippus is: Kom en zie’ ‘Ga zelf maar kijken…’.
Ja, waarom ook niet.
Ga zelf maar kijken…