Pasen is niet te geloven. Echt niet.
Het is het kernfeest van de kerk,
het hart van het christelijk geloof.
Zonder Pasen geen christendom.
Als je erover begint,
ga je vanzelf zachter praten.
Alsof je op heilige grond staat.
Voor mensen totaal onvoorstelbaar.
Ik hoorde laatst een collega theoloog op Radio 1.
De vraag was simpel:
wat betekenen Goede Vrijdag en Pasen?
Hij zei: “De bottomline?
De dood heeft niet het laatste woord.”
Punt.
En precies op dat moment werd hij onderbroken.
Er was ergens een doelpunt gevallen
op een Nederlands voetbalveld.
Typisch.
De dood overwonnen
en hup,
we schakelen over naar de eredivisie.
Maar hij had gelijk.
Dat is Pasen:
de dood heeft niet het laatste woord.
En tegelijk: het is niet te geloven.
Wie ooit bij een dode heeft gestaan,
weet hoe definitief de dood voelt.
Hoe koud. Hoe stil.
Hoe onomkeerbaar.
Dood is dood.
Ook bij Jezus.
Hij hing daar, zichtbaar voor iedereen.
Hij stierf. Hij gaf de geest.
Geen schijnvertoning.
Geen bijna-doodervaring.
Gewoon: gestorven.
En dan dat verhaal
uit het evangelie van Matteüs.
Vrouwen bij het graf. Een aardbeving.
Een engel die de steen wegrolt
en er doodleuk op gaat zitten.
“Wees niet bang.
Hij is niet hier.
Hij is opgestaan.”
Het graf is leeg.
Niet te geloven.
Tenminste, niet als je denkt
dat Pasen betekent
dat Jezus na drie dagen
gewoon weer verderging
waar Hij gebleven was.
Alsof er een pauzeknop was ingedrukt.
Dat is een karikatuur.
Pasen is geen terugspoelen.
Geen weder-opstanding in de zin van:
we pakken de draad weer op.
Door Pasen is alles anders.
De opstanding zelf zien we niet.
Geen camera’s in het graf.
Geen verslaggevers.
Het blijft een mysterie.
Wat we zien, is een leeg graf.
Wat we horen, is een boodschap:
Hij leeft.
En wat we merken in de verhalen:
niemand herkent Hem meteen.
Er is angst.
Twijfel.
Ontzetting.
En steeds weer die woorden:
wees niet bang.
Pasen is geen truc.
Het is een lens.
Je kijkt naar dezelfde wereld
– met oorlog, verlies, ziekte, onrecht –
maar je ziet méér.
Je ziet dat liefde
niet is weggevaagd door geweld.
Dat wat Jezus leefde en verkondigde
niet is geëindigd aan een kruis.
De liefde van God laat zich niet begraven.
De dood heeft niet het laatste woord.
Dat betekent niet dat de dood er niet meer is.
Het betekent dat hij niet beslissend is.
Niet ultiem.
Niet het einde van het verhaal.
En dat verandert alles.
Het bevrijdt je van cynisme.
Van dat harde stemmetje dat zegt:
“Het wordt toch nooit wat.”
Het bevrijdt je
– wonderlijk genoeg –
zelfs van de verlammende angst voor de dood.
Als de dood niet het laatste is,
dan hoef ik niet krampachtig vast te houden.
Dan mag ik leven. Voluit.
Breken en delen.
Liefhebben zonder garantie.
Pasen is niet alleen iets om te geloven.
Het is iets om te doen.
De vrouwen worden weggestuurd bij het graf.
Weg van het verleden.
De wereld in.
“Hij gaat jullie voor.”
Dat is Pasen:
in beweging komen.
Opstandig worden tegen alles wat doods is
tegen onrecht, haat, onverschilligheid.
Omdat je gelooft dat leven sterker is.
“In Christus is een nieuwe schepping,” schrijft Paulus.
Dat is geen theorie.
Dat is een manier van bestaan.
Een nieuwe mens worden.
Hier.
Nu.
Dus ja, Pasen is niet te geloven.
Maar misschien
is dat precies de bedoeling.
Niet dat je het kunt verklaren.
Maar dat je het aandurft.
Te leven want de dood
heeft niet het laatste woord.
Werkelijk niet.

