In de afgelopen periode ben ik veel opgetrokken
met het evangelie naar Mattheüs.
Ik verdiepte me ook in de persoon van Mattheüs .
Een evangelist met een rafelrand.
Hij was ooit tollenaar van beroep.
Daar heeft hij bepaald geen vrienden mee gemaakt.
Het is hem waarschijnlijk nog lang blijven achtervolgen.
Hij heeft het zichzelf vast ook nog lang kwalijk genomen.
In de serie The Chosen (Prime Video), die gaat over het leven van Jezus,
neemt Mattheüs in de kring van Jezus’ leerlingen
een eenzame plek in in de marge.
Hij wordt door de andere leerlingen niet zomaar vertrouwd
en als het kan op afstand gehouden vanwege zijn bedenkelijke verleden.
Niet zo gek dat juist Mattheüs in zijn evangelie
Jezus een bijzondere naam geeft: ‘vriend van tollenaren en zondaren’.
Daar heeft Mattheüs zichzelf aan opgetrokken en vastgehouden.

Mattheüs vertelt ons in zijn evangelie
dat Jezus ook dat beeld van de werkelijkheid schetste.
Als een complex geheel waarin de dingen vermengd zijn en door elkaar liggen.
In Mattheüs 13 gebruikt Jezus het beeld van een boer
die tot de dag van de oogst tarwe en onkruid samen laat opgroeien.
Het is niet keurig uit elkaar te houden.
Voor je het weet trek je met het onkruid ook de tarwe uit de grond.
Je kunt je kennelijk zomaar vergissen in wat tarwe is en wat onkruid.
De boer moet dealen met beiden.
Het beeld blijft dus gemengd en rommelig.

In Mattheüs 5 lees ik over de ‘armen van geest’. (vers 3 in de HSV).
Dat zijn diegenen die het niet precies op een rijtje hebben.
Zij die het niet gemaakt hebben in het leven.
Iemand herschreef deze verzen eens als volgt:

Zalig zijn zij die mislukken, maar toch proberen.
we zijn een stille wanorde, ontregelde boel
we hebben het niet op een rijtje
we falen bij de vleet dat is een voldongen feit
vanuit hemels perspectief zijn we allemaal gelijk
geen verschil in behandeling tussen jou en mij
je anders denken en zondigen zet ik voor de goegemeente niet te kijk.

we zijn de kerk van brokkenpiloten
gezegend zijn zij die het verkloten
zalig zijn zij die proberen maar mislukken
Christus laat zich vinden te midden van brokstukken
niet om te oordelen maar om te redden
wat er te redden valt tussen schip en wal
we zijn onvolmaakt en verre van af

Ook in 1 Korintiërs 1 lees ik eenzelfde boodschap.
Ook hier vinden we geen keurig gepolijst beeld van geloof.
Paulus identificeert zichzelf en zijn medegelovigen met het beeld van een dwaas.
Het beeld van de dwaas kende men in Paulus’ dagen.
Hij speelde een belangrijke rol in het theater.
Hij werd daar stereotype uitgebeeld met fysieke lelijkheid en onnozelheid.
Bij voorkeur met een grote neus, grote flaporen en een kaal hoofd.

Wat verderop in dezelfde brief aan de Korintiërs
zet Paulus dat beeld van dwazen nog wat scherper aan.
‘Wij zijn het uitschot van de wereld, het uitvaagsel van de mensheid.’ (1 4,10)
Uitschot of schuim is volgens het woordenboek
‘dat wat afvalt na een sortering op kwaliteit.’
Een beetje als te kleine, magere visjes
die na de vangst weer worden teruggeworpen.
Onder de maat. Niks mee te beginnen.
Overboord ermee.
Uitvaagsel is wat je aan afval overhoudt na een grondige schoonmaak.
The Message van Eugene Peterson spreekt hier zelfs over de ‘Messiah’s misfits
en vertaalt uitschot en uitvaagsel met:
‘garbage, the leftovers that nobody wants.’

Dat dwaze heeft bij voor Paulus en de Korintiërs
natuurlijk alles te maken met het bizarre geloof
in een gekruisigde Jood als redder van de wereld.
Het dwaze zit ‘m ook in het gegeven
dat dat handjevol gelovigen in Korinthe
nou niet bepaald bestond uit de elite van de samenleving.
Laagopgeleid, niet veel invloed, geen grote namen.
Mensen uit de onderste laag van de samenleving,
het klootjesvolk zeg maar.
Maar dat dwaze zit ‘m voor een ander deel ook in het gedrag
dat Paulus ziet bij deze gelovigen.
Het is nogal een zooitje ongeregeld
waarin zaken spelen als seksuele losbandigheid, incestueuze affaires,
echtscheidingen, geruzie en jaloezie
ontaardend in escalerende beschamende rechtszaken,
haantjesgedrag, wettische scherpslijperij, afgoderij, jaloezie,
slordigheid in de samenkomsten zoals dronkenschap rond avondmaal.
Rommeligheid is hier echt een understatement.

En in deze brief komt dit allemaal ter sprake.
Niets wordt gladgestreken, geen rommel verdwijnt onder het tapijt.
En toch begint juist deze brief
aan deze specifieke rommelige gelovigen
met woorden van genade.
‘ Genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Heer Jezus Christus’ (1 1,3).
En ook het laatste woord van de brief is een genadewoord:
‘De genade van de Heer Jezus zij met u.
Mijn liefde gaat uit naar u allen, met wie ik verbonden ben in Christus Jezus.’ (1 16,23)

Als ik deze tekstgedeelten goed op me laat inwerken
kom ik deze rommeligheid ook in mij zelf tegen.
Het is de kloof tussen het ideale opgepoetste beeld van mijzelf als gelovige.
En de persoon die ik zie als ik eerlijk in de spiegel durf te kijken.
Een deel van mij wil omhoog, vooruit, groeien, beheersen, grip hebben.
En een ander deel struggelt met innerlijke leegte, angst en onvermogen.

Ik zie dat Mattheüs er nog maar net is begonnen aan zijn evangelie.
Hij schrijft het geslachtsregister van Jezus.
En ineens realiseer me dat die passage ook echt helemaal past
bij het beeld van zijn eerste werk.
Het laat zien hoe de geslachtslijn van de Messias door en door
is verweven met allerlei rommelige levens.
Dat geslachtsregister is opgebouwd rond Abraham,
David en de ballingschap. Abraham en David
mannen van God vol geloof en moed.
Maar tegelijk worden ook hun schaduwzijden zichtbaar.
En de ballingschap is het trieste dieptepunt
van het collectieve morele falen van een heel volk.
Er worden in dit geslachtsregister ook diverse vrouwen genoemd
die om verschillende redenen geen beste reputatie hadden.
Al speelden in al die gevallen ook mannen een bedenkelijke rol.
Tamar verleidde haar schoonvader, Rachab werkte als prostituee,
Batseba kreeg een buitenechtelijk kind, Ruth was geen Joodse.
Dit is een line-up van stuk voor stuk rommelige, rafelige levens.
Die desondanks of misschien wel juist daarom een plaatsje krijgen
in het geslachtsregister van Jezus.

Door de generaties heen is er een wonderlijke God
aan het werk die allerlei losse eindjes aan elkaar knoopt.
Een rode draad van genade die uitloopt op de man
die niet komt om ons te verlossen ván dit bestaan
maar verlossing wil brengen ín (!) dít leven.
Afdaalt in de rommel die wij er vaak van maken.
In de kerk als een verzameling misfits, brokkenpiloten.
Zoekende zielen met alle rommeligheid die daar bij hoort.
Hij verstrengelt Zich met mij. met Zijn Geest
ondanks alles toch ook in mij doet wonen.
En in mijn rommelige kleine leven weeft Hij zijn draden
van wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid en verlossing (1 1, 30)

 

De enorme overvloed van beloftes en getekende decreten
in de eerste paar dagen van de nieuwe regering
van president Donald J. Trump
gingen als een ongekende storm over de wereld.

Wanneer een nieuwe regering de macht overneemt,
is het gebruikelijk om een noot van hoop voor de toekomst te laten horen,
de natie te verenigen,
voorzichtig te anticiperen op een nieuwe dageraad,
te beloven het beste voor het volk te doen, enzovoorts.
Toch was Trumps toespraak optimisme ‘on steroids’.
Hij kondigde het begin aan van een ‘Gouden Eeuw’ voor Amerika.
‘Vanaf deze dag’, stelde hij,
‘zal ons land bloeien en weer overal ter wereld gerespecteerd worden.
We zullen de afgunst van elke natie zijn
en we zullen niet langer toestaan dat we worden uitgebuit.’

Elon Musk, zijn partner in crime, ging nog verder.
Musk zei dat de tweede periode van de regering Trump
‘splitsing in de weg van de menselijke beschaving wordt.’
Als gevolg van de Republikeinse kiezers,
‘werd de toekomst van de beschaving veiliggesteld’,
terwijl hij uitkeek naar een dag
waarop de sterren en strepen (de Amerikaanse vlag)
zelfs op de planeet Mars zouden worden geplant.

Er is een dun lijntje tussen hoop en arrogantie.
Veel commentatoren hebben deze sombere vooruitzichten vergeleken
met het optimistische optimisme van de Republikeinen.

Hoop verheft de geesten van mensen.
Het geeft een gevoel van mogelijkheden
en wijst op een onbekende maar stralende toekomst.
Paulus vraagt: ‘Wie hoopt op wat hij kan zien?’ (Romeinen 8,24)
Hoop erkent dat de toekomst
niet volledig in onze handen ligt, dat gebeurtenissen
– en onze eigen koppigheid –
de best voorbereide plannen kunnen dwarsbomen.
Het weet dat de toekomst onzeker is en gelooft toch,
vanwege het simpele vertrouwen
dat de wereld uit goedheid is ontstaan
en met goedheid zal eindigen,
dat de toekomst soms ondanks,
in plaats van dankzij,
onze inspanningen stralend is.

Hubris (Grieks: hoogmoed)
is echter wanneer het menselijk vertrouwen in overdrive gaat.
In de klassieke wereld zagen schrijvers
als Hesiodos en Aeschylus hubris
als het gevaarlijke moment waarop een sterveling
beweerde gelijk te zijn aan, of beter dan, een god.

Phaëthon was een tienerjongen die dagelijks met zijn zonnewagen racete,
een zoon van de zonnegod Helios.
Hij nam op een zekere dag de strijdwagen van zijn vader
en dacht dat hij beter kon sturen dan zijn bejaarde pa,
hij reed te snel, te dicht bij de aarde, verbrandde deze
en verdiende zo een kenmerkende bliksemschicht van Zeus voor zijn moeite.
Arachne kon buitengewoon goed weven
en zij maakte een doek mooier dan dat van Athena, de godin van alle wevers.

En natuurlijk, de beroemdste van allemaal, Icarus,
hij maakte voor zichzelf een paar vleugels,
zweefde net iets te hoog naar de zon, en zo smolt de was
die de vleugels bij elkaar hield,
en stortte in de zee als een uitgebrande satelliet,
en zonk vervolgens in de donkerblauwe diepten
van de uitgestrekte oceaan.

Iemand zin in een reisje naar Mars?

 

Veel van onze evangelisatiebenaderingen gaan ervan uit

dat mensen vragen hebben over het christelijk geloof.

Maar hoe betrekken we mensen

die er in het geheel geen last van lijken te hebben?

Ik stel je voor aan Pim.

Hij is een van de moeilijkste mensen om een gesprek

over Jezus mee te beginnen.

Want Pim is niet anti, noch vijandig,

hij is gewoon volkomen ongeïnteresseerd in het geloof.

Pim was opgegroeid in een christelijk gezin,

maar was als tiener van zijn geloof afgestapt.

Nu wist hij niet wat hij geloofde, maar dat deerde hem niet.

Tijdens een gesprek, toen ik Jezus noemde, antwoordde Pim:

‘Kijk, God kan mij niets schelen’.

Ik deinsde een beetje achteruit

en hij vertelde verder:

‘Het leven is leuk! Ik heb de baan die ik wil, de auto die ik wil, de flat die ik wil,

de vrouw die ik wil. Waar komt God erbij, dan?”

Ik ken nog meer mensen zoals Pim en jij misschien ook.

Vrienden, collega’s, buren en zelfs familieleden,

die zich blijkbaar niets aantrekken van geestelijke zaken.

Als je met ze over geloof probeert te praten,

kan het voelen alsof je mist aan de muur probeert te spijkeren.

Uit een recent onderzoek bleek dat dit type persoon in aantal groeit.

Het lijkt erop dat steeds meer mensen het niets kunnen schelen:

nee, ze zijn geen atheïst, ze zijn ‘apatheïstisch‘.

Hoe bereiken we mensen zoals Pim?

Zoals ik al eerder aangaf:

veel van onze evangelisatiebenaderingen

gaan ervan uit dat mensen erom geven of vragen hebben.

Maar hoe betrekken we hen die er geen lijken te hebben?

Dit is waar een voorvraag enorm behulpzaam kan zijn.

Een vraag die zich afvraagt, is gebaseerd op,

het verschil tussen ergens naar kijken en ergens doorheen kijken.

In een essay van ruim honderd jaar geleden vraagt

schrijver F.W. Boreham ons een telescoop voor te stellen die bij een raam staat.

Nu kun je naar de telescoop kijken en de koperen fittingen bewonderen,

hoe goed hij is ontworpen, enzovoort.

Of je kunt naar de telescoop gaan, er doorheen kijken en aanschouwen!

Je zult verbazingwekkende dingen zien als je naar de nachtelijke hemel tuurt.

En dat verschil tussen kijken en dóórkijken

geldt ook voor veel van onze dagelijkse ervaringen.

Laat ik dit illustreren aan de hand van een gesprek dat enige tijd geleden plaatsvond

tussen de Canadese psycholoog Jordan Peterson (beroemd vaag over God)

en de Britse psycholoog en presentator Susan Blackmore.

Susan is atheïst, maar meer nog,

Susan zou zeggen dat ze letterlijk geen enkel nut in religieus geloof ziet.

Ze geeft gewoon niets om God.

Maar halverwege het gesprek merkte Susan op:

De afgelopen jaren heb ik de gewoonte gehad om ’s ochtends wakker te worden

(zelfs als het regent), naar buiten te kijken en

‘Wauw!’ te zeggen, als een gevoel van dankbaarheid.

Geen dankbaarheid tegenover God, of wie dan ook, of wat dan ook,

gewoon vrij zwevende dankbaarheid.’

Ze werkte het idee verder uit:

Vanochtend keek ik bijvoorbeeld naar buiten en het was zo groen,

we hebben vorst gehad en het was de afgelopen dagen wit,

maar vanochtend was het groen.

En [ik voelde] dankbaarheid jegens het universum, als je het een naam wil geven.

Het is niet echt ‘god’ omdat het geen schepper is,

maar het is ook niet iets waar ik voor kan bidden.’

Er is hier een voor de hand liggende vraag, en Jordan stelde die:

‘Dus waarom zou je daar dan dankbaarheid voor voelen?’

Waarop Susan reageerde met de onsterfelijke woorden: ‘Ik weet het niet.’

Ik denk dat Susan ermee worstelde dat als je denkt

dat we in een universum leven waar atomen de ultieme realiteit zijn,

waar de wetenschap alles kan verklaren

in termen van materiële processen, dankbaarheid niet past.

Maar als Susan haar slaapkamerraam opengooit, wil ze instinctief roepen:

‘Wauw! Bedankt!’

Misschien is het probleem dat Susan

naar de ervaring van dankbaarheid kijkt,

in plaats van er doorheen.

Waar zou dankbaarheid op kunnen wijzen als je er doorheen keek,

in plaats van alleen maar aan te nemen

dat het een paar synapsen waren die niet werkten?

Ik zou Susan graag willen vragen:

‘Heb je je ooit afgevraagd waarom dankbaarheid zoveel voor ons betekent?

Misschien ontbreekt het velen van ons niet aan dingen om dankbaar voor te zijn,

maar misschien ontbreekt het sommigen van ons

aan iemand om dankbaar voor te zijn?’

 

Een ander voorbeeld van een vraag komt van Michael,

die met een student aan het chatten was.

Toen die ontdekte dat Michael een christen was,

flapte de student eruit: ‘Ik houd niet van God!’

‘maar waar houd je dan wel van?’ vroeg Michael.

‘Liefde!’ antwoordde de leerling.

‘Dat is geweldig,’ antwoordde Michael.

‘Heb je je ooit afgevraagd wat liefde is?’

De student dacht even na voordat hij antwoordde:

‘Ik weet het niet zeker’.

‘Aangezien jij niet van God houdt,’ antwoordde Michael,

‘zullen we dan een biologische verklaring proberen.

Kunnen we zeggen dat liefde een chemische reactie is

die in onze hersenen is ontwikkeld,

om ons aangetrokken te voelen tot mensen

(meestal van het andere geslacht),

zodat we ons kunnen voortplanten

en het menselijk ras draaiende kunnen houden?’

‘Dat is een onzinverklaring!’

zei de studente.

Michael vroeg haar vervolgens of ze zich ooit had afgevraagd

waarom ze liefde zo belangrijk vond

en waarom, als ze echt een atheïst was,

een puur materialistisch antwoord niet genoeg was.

Bovendien, als we niet alleen naar liefde kijken

(‘Hoera, ik voel me liefdevol vandaag, mijn genen werken correct!’),

maar door de ervaring, zou het misschien zo kunnen zijn

dat liefde in de zin dat de meeste mensen

het woord gebruiken meer maakt zin

binnen een christelijke kijk op de wereld?

Met een verwonderende vraag is je doel:
· Zoek iets waar je vriend om geeft
· Wees geïnteresseerd en stel vragen
· Gebruik een verwonderende vraag om zachtjes het idee

te introduceren dat datgene waar je vriend om geeft

niet goed past in een goddeloze wereld
· Laat zien hoe Jezus dit het meest logisch maakt

 

Een ander voorbeeld:

Toen ik de Amnesty International-sticker

op de achterruit van de auto van Pim zag,

vonden we eindelijk een manier

om geestelijk gesprekken te voeren en vroeg ik:

‘Heb je je afgevraagd waarom je om gerechtigheid geeft?’

Daar heb je een opening…

En nee, hoewel ik er een nieuwe draai aan heb gegeven

dit is geen compleet nieuwe aanpak:

Paulus gebruikt het in Athene in Handelingen 17,16-34,

of zoals C.S. Lewis in eens zei:

‘Ik geloof in het christendom net zoals ik geloof in het opgaan van zon,

niet alleen omdat ik hem zie, maar omdat ik daardoor al het andere zie.’

 

Omdat het christendom licht werpt op al het andere,

is het stellen van geïnteresseerde vragen over datgene waar mensen om geven

een mooie, zachte en krachtige stap naar gesprekken over het evangelie.

 

De kerstboom is allang weer afgetuigd,
het weer is grijs en nat,
(en voor sommigen: de nieuwe regering Trump treedt vandaag aan)
het leven is wéér duurder geworden,
en we hebben onze nieuwjaarsvoornemens waarschijnlijk al gebroken;
ja, januari lijkt veel uit te moeten leggen!

Zozeer zelfs dat deze maandag, de derde maandag in januari zelfs
Blue Monday is genoemd – de meest deprimerende dag van het jaar.

Het idee is een marketingtool en ontwikkeld met behulp van een wiskundige vergelijking
die rekening houdt met alle elementen van de ellende in januari…
En de remedie? Een zonnige vakantie boeken.

Het klinkt logisch, nietwaar?
Voelen we ons niet allemaal een dip in de donkere koude dagen midden in januari?

Maar het probleem is dat Blue Monday is gebaseerd
op een nogal wankele pseudowetenschap
die puur is bedacht voor een reisorganisatie
om hun zomervakanties te verkopen.
In de vergelijking zijn de eenheden niet gedefinieerd
en kan de formule niet worden geverifieerd,
waardoor deze effectief nutteloos is.

Desondanks heeft het idee van Blue Monday
onze verbeelding en onze aandacht gevangen;
wat betekent dat het idee is blijven hangen,
ook al is het niets meer dan een marketingcampagne
die al in 2005 is geschreven.
Het idee is blijven hangen omdat het logisch is.

En we willen graag onze gevoelens begrijpen, toch?
Als we een specifieke reden kunnen aanwijzen
waarom we ons somber of ongemotiveerd voelen,
voelen we ons minder alleen.
Misschien is dat de reden
dat het idee van Blue Monday al twintig jaar bestaat.

Voor sommigen kunnen de seizoenen
een tastbaar effect hebben op de geestelijke gezondheid,
en tot wel drie procent van de mensen leeft
met ‘ernstige winterdepressie’
en gimmicks als Blue Monday
riskeren de verzwakking van een seizoensgebonden affectieve stoornis
te bagatelliseren.

Zelfs voor degenen onder ons
die niet met seizoensgebonden psychische aandoeningen leven,
hebben we verschillende behoeften afhankelijk van de seizoenen.
Onze energiebalans kent het hele jaar door een soort eb en vloed:
het is natuurlijk om in een rustiger tempo te willen leven
tijdens de donkere wintermaanden;
veel mensen slapen en eten meer
als we kortere dagen en langere nachten hebben.

Emotioneel zullen we ook seizoenen hebben
waarin we het leven net zo levendig ervaren als de lente
en andere seizoenen waarin we ons willen terugtrekken
en de behoefte voelen om te rouwen om onze verliezen
terwijl de zaden zich onder de grond verstoppen,
weg van de kou, wachtend om te bloeien.

Iemand schreef eens:
‘Planten en dieren vechten niet tegen de winter;
ze doen niet alsof het niet gebeurt en proberen
niet hetzelfde leven te leiden als in de zomer.
Ze bereiden zich er op voor.
Ze passen zich aan.
Ze voeren buitengewone metamorfoses uit
om ze erdoorheen te helpen.’

Het is iets dat zowel de Bijbel als het kerkelijk jaar erkennen,
dat we ons moeten aanpassen aan de seizoenen
van het leven waarin we leven.
De schrijver van Prediker, sommigen denken dat het koning Salomo was,
schrijft dat in hoofdstuk 3
‘er een tijd is voor alles, en een seizoen voor elke activiteit onder de hemel’ 
en hij gaat verder met het opnemen van leven en sterven,
planten en ontwortelen, doden en genezen.

We kunnen worden aangemoedigd
door het feit dat er geen specifieke dag is
die meer of minder deprimerend is dan een van de andere,
maar ook de veranderende seizoenen herkennen
die onze emoties doormaken
op dezelfde manier als de natuurlijke wereld dat doet.

Wat ertoe doet, is dat we ons richten op het seizoen
van het leven waarin we ons bevinden
en het niet ontkennen.
Het kerkelijk jaar stelt ons in staat
dit te doen door middel van liturgie,
terwijl we door Advent, Kerst, Vastentijd, Pasen
en gewone tijden fietsen.
Er zijn mogelijkheden om te rouwen om ons verlies,
onze vreugde te vieren, lessen te leren en te oefenen
wat het betekent om in gemeenschap te zijn
door elke emotie heen.
Om ons door deze seizoenen te bewegen
geven we onszelf de kans
om onze emotionele spieren te strekken in rouw, vreugde
en gewoon uit te vinden hoe
we door het dagelijks leven kunnen navigeren!

Paulus, die in de begintijd van de kerk pastor was
en aan veel gemeentes schreef,
vertelde om
met je blije vrienden te lachen als ze blij zijn;
deel tranen als ze down zijn’, (Romeinen 12)
en ik denk dat dit eenvoudig advies is voor ons
terwijl we door de seizoenen van ons leven en het jaar reizen.
Alle emoties – hoe ongemakkelijk ze ook mogen zijn –
hebben aandacht nodig.

Ja, Blue Monday mag misschien een marketingmythe zijn,
maar erkennen dat we ruimte moeten maken
voor al onze gevoelens
– de blije en de verdrietige –
kan precies de aanmoediging zijn die we nodig hebben.

 

Maar al te vaak eist de wereld van ons
dat we het een zijn, of het ander.
In onze reacties, onze ideologieën, onze overtuigingen,
wordt van ons verwacht
dat we dit zijn, of dat zijn.
Erin of eruit. Ja of nee. Rood of blauw. Zwart of wit.
De wereld vindt het leuk als we onszelf labelen
met een zekerheid die het makkelijker maakt om ons te marketen,
vast te leggen in een strategisch plan of te bereiken in een algoritme.

Op sociaal niveau kunnen deze zelfcategoriserende definities
– wat ik geloof, op wie ik stem, wat ik consumeer –
een filtersysteem worden voor
wie toegang tot ons krijgt en wie niet.
In een combinatie van associatie en veronderstelling
bepalen we wie ‘onze mensen’ zijn en wie niet.
En het lijkt eenvoudig.

Dat is het totdat je je twee dingen realiseert:
het grootste deel van het leven speelt zich niet af
binnen de grenzen van zwarte of witte zekerheid,
maar in het grijze, tussengebied.
En niemand van ons is een-voudig.

We geloven misschien graag dat we duidelijke individuen zijn
die gemakkelijk te definiëren,
mooi georganiseerde ideeën en overtuigingen hebben,
maar de werkelijkheid is veel rommeliger.
Onze houdingen, opvattingen en gevoelens
zijn lichtjes gebonden aan een spectrum
en we bevinden ons bijna altijd ergens in het midden.

Denk er eens over na.
Kunt u zich de laatste keer herinneren
dat u zich onafgebroken, onvervalst gelukkig voelde,
zonder dat er ergens in uw achterhoofd
iets of iemand om u heen bleef hangen?
Het omgekeerde is ook waar.
Ik ken mensen die in de loopgraven van verdriet
hardop lachen om hun favoriete Instagram-reels.
Meestal is er niet veel voor nodig
om ons weg te slepen van de hoogtepunten
en dieptepunten van het leven.
We zijn erop ingesteld om in de tussenruimtes te leven.

Deze aantrekkingskracht naar het midden die we voelen
is niet verrassend.
Eén van de leiders van de vroege kerk, Paulus,
zei dat
als iemand in Christus is, de nieuwe schepping is gekomen.’ (2 Korintiërs 5)
Wij zijn dus nieuwe scheppingswezens,
omringd door nieuwe scheppingsideeën,
in een oude scheppingswereld.
Onze sociale constructies, systemen en levens
zijn gebouwd op de vooronderstelling
van ergens tussen het oude en het nieuwe,
een grijs gebied van deels heden en deels toekomst.

Paula Gooder, een Britse nieuwtestamenticus,
zegt over Paulus’ geschriften:
Met Jezus’ dood en opstanding
ligt de nieuwe schepping bij de oude schepping.
Van tijd tot tijd zul je momenten van perfectie zien,
momenten van opstanding,
en dat zijn de momenten
die ons gaande houden in de moeilijke tijd (…)
Hoewel je nieuwe schepping bovenop hebt liggen,
heb je nog steeds oude schepping eronder liggen.
Als je de vraag wilt stellen
waarom de wereld zo verschrikkelijk is zoals hij is,
komt dat doordat we in een oude schepping leven.

Door het Koninkrijk van God te omarmen,
zowel het alreeds als het nog niet,
zetten we ons in voor een daad van verzet
tegen ideeën over zwart-wit bestaan
door te leven in een grijs gebied
dat geschikt is om uit te barsten
in heldere, hemelse kleuren.

Oppervlakkig gezien suggereert het verhaal
dat onze oorsprong van bestaan vormgeeft,
het scheppingsverhaal in Genesis,
een God die werkt in binaire verhoudingen
– nacht en dag, land en zee.
Maar we weten dat er ook
dat de minder gemakkelijk te definiëren schemering,
schemering en dageraad, moeras en mist is.
De schepping zelf geeft aan dat leven
in dualiteit een onmogelijke opgave is.
We zijn tenslotte niet gemaakt voor scheiding,
maar voor eenheid en verzoening.
Overal om ons heen getuigt de natuurlijke wereld
van een God die de dingen
daartussen heeft geschapen en,
net als de ondergaande en opkomende zon,
ze spectaculair en boeiend heeft gemaakt.

Richard Dawkins en de nieuwe atheïstische beweging
proberen alles netjes in het midden te verdelen
tussen dingen die je zonder enige twijfel kunt bewijzen,
en blind geloof.
Maar zij zien niet dat de meest interessante dingen
zich op geen van beide plekken afspelen.

Hoewel zekerheid zijn moment en zijn verdiensten heeft,
denk ik niet dat het slecht is om in een grijs gebied te leven.
Ik denk zelfs dat we er allemaal beter aan toe zouden zijn
als we eraan zouden kunnen wennen.
We zijn evoluerende wezens
en als zodanig zal de materie
die we vandaag in ons hoofd en hart hebben,
morgen veranderen en groeien
en mogelijk veranderen.

Ons leven is meer dan een optelsom
van winst en verlies, komedie en tragedie,
oud en nieuw, zwart en wit.
Dus, nu we aan het begin van dit jaar staan,
vraag ik u om ruimte te maken
voor alles wat gebeurt binnen de grenzen
van wat de wereld verwacht en accepteert.
Om de puinhoop van het tussenliggende te omarmen.
Om door te gaan in de grijze gebieden van het leven;
alleen om het vol, levendig en glorieus
te ontdekken in een nieuwe scheppingskleur.

 

In de aanloop naar de Amerikaanse presidentsverkiezingen
heb ik me wat meer verdiept in ‘toolbox’ 
van nationalisten en vooral populisten
Eén van de middelen waar vooral populistische politici gebruikmaken
is het middel van de zondebokideologie:
je framed een zaak die veel mensen bezighoudt,
je roept het uit tot ‘crisis’
en vervolgens probeer je een groep daarvoor
tot zondebok te maken.
In Nederland zie je bijvoorbeeld dat migranten
zo’n ‘status’ krijgen.

in Amerika zie je eenzelfde reflex:
J.D. Vance, de beoogd vice-president naast Donald Trump,
probeert dat bijvoorbeeld.
En daarbij tracht hij ook christelijke theologie
en christelijke waarden en normen
hiermee in verband te brengen.
Veel Amerikaanse politieke journalisten
moesten hun lezers een spoedcursus geven
in enkele van de meest controversiële ideeën in de moderne theologie.
In een recent artikel in Politico valt dat op
omdat het niet alleen een nietsvermoedend publiek kennis liet maken
met een filosoof, maar het hen (ons) ook vertelde
over de tegenstrijdige manieren waarop men die theoloog zou kunnen lezen.
En toch dwingen deze tegenstrijdigheden ons
om een moeilijkheid onder ogen te zien
waarmee iedereen die zich bezighoudt met democratisch debat te maken krijgt.

In het artikel wordt namelijk de impact van René Girards zondebokmechanisme
op Vance te onderzocht.
Daarmee wordt de invloed van Girards ideeën
in de intellectuele kringen rond J.D. Vance onderstreept.

Girard, een Amerikaans-Franse filosoof die in 2015 overleed,
wordt vooral herinnerd om zijn analyse
van de relatie tussen verlangen en conflict.
Girard stelt dat verlangen ‘memetisch’ is,
dat wil zeggen, het imiteert: ik wil wat ik zie dat anderen willen.
Dit leidt vanzelfsprekend tot conflict,
een conflict dat alleen kan worden opgelost door een zondebok.
Het identificeren van een zondebok, een out-group,
is een kracht die krachtig genoeg is om een gevoel
van solidariteit te creëren tussen degenen
die anders in conflict zouden zijn over gedeelde verlangens.

Politico liet zien hoe Vances lezing van Girard
zich zou kunnen verhouden tot Vances verdediging
van de valse suggestie van deze running mate
dat Haïtiaanse immigranten
de huisdieren van hun buren in Springfield, Ohio opeten.
Het ging zelfs zo ver om te suggereren dat
– in plaats van een verwerping van Girards analyse –
Vance begrepen zou kunnen worden
door het toepassen van een pragmatische lezing van Girard:

‘Hoewel Girard dat nooit ronduit heeft gezegd,
hebben sommige van zijn interpretatoren betoogd
dat Girards idee van de christelijke ethiek
– die in theorie een alternatief biedt
voor ritueel geweld als basis voor sociale cohesie –
in de praktijk niet kan dienen als basis voor een grote,
complexe en moderne samenleving.

Zondebok zijn is onvermijdelijk, gebruik het in je voordeel.
We kunnen niet precies weten
hoe deze of welke lezing van René Girard
dan ook een rol speelt in zijn politieke tactieken.
Wat we wel kunnen weten,
is dat Vances publieke fascinatie voor grote ideeën hem blootstelt
aan een beschuldiging waarop een gezonde democratie berust:
hypocrisie.

Daarentegen is er vaak een verrassende transparantie
in Trumps beroep op eigenbelang.
In juli sprak Trump een publiek toe en verklaarde:

‘Christenen, ga stemmen, alleen deze keer.
Jullie hoeven het niet meer te doen.
Nog vier jaar, weet je wat, het zal worden opgelost,
het zal goedkomen,
jullie hoeven niet meer te stemmen,
mijn mooie christenen.’

Hoezeer Vance en anderen ook proberen dit te veranderen,
er zit weinig ideologische inhoud,
geen substantie achter ‘Make America Great Again
voor zover Trump het vertelt.
Het is politiek op zijn meest transactioneel
en wat Trump zijn aanhangers biedt, mooi of niet,
is zo vaak een zondebok.
Trump is hier doorgaans vrij open over en,
hoe lelijk dit soort politiek ook is,
er zit een vreemd soort eerlijkheid in.
Maar Vance is anders.
Hij heeft ‘grote ideeën’.
En hoe vreemd u deze ideeën ook vindt,
en hoeveel spanning er ook lijkt te zijn
tussen zijn liefde voor René Girard
en zijn zondebok-zijn van Haïtiaanse immigranten,
democratie is beter voor die spanning.
Constructief democratisch debat is in zekere zin afhankelijk van hypocrisie.
Zonder hypocrisie zou democratie
niets meer zijn dan een onderhandeling over puur eigenbelang.

De eerste generaties christenen liepen tegen een soortgelijk probleem aan.
De wet waarvan ze geloofden dat ze die van God hadden gekregen,
toonde hun een visie voor het goede leven,
net zoals het alle manieren waarop ze tekortschoten onthulde.
Zoals de vroege kerkleider Paulus schreef:
door de wet komt de kennis van zonde.’
We kunnen eraan toevoegen
dat door politieke ideologie
of aspiratie de kennis van politieke hypocrisie komt.

Als Vance nooit publiekelijk de theorie van Girard had onderzocht,
als hij alleen maar een opportunist was geweest,
meer zoals Trump,
dan hadden we één middel minder gehad om hem ter verantwoording te roepen.
Elke politicus zal tekortschieten als hij wordt beoordeeld
op zijn publieke ideologische aspiraties.
En hoe meer ideologische aspiraties,
hoe groter de beschuldiging van hypocrisie.
Hypocrisie zal altijd worden aangetroffen
waar we mensen vinden die debatteren
en streven naar ideeën die perfecter zijn dan zijzelf.
Ik verdedig geen enkele individuele hypocrisie;
de inwoners van Springfield, Ohio en nieuwkomers in de VS
verdienen zoveel beter.
Hypocrisie is altijd teleurstellend,
maar minder teleurstellend dan de alternatieven:
ofwel een naakte jacht op eigenbelang
of een naïeve verwachting van ideologische zuiverheid.

De vraag voor ieder van ons in een democratie is
hoe we met hypocrisie kunnen leven,
het verwachten en tegelijkertijd meer verwachten
van degenen die ons in een openbaar ambt willen dienen.
En een moment van introspectie onthult dat het een last is
waarmee ieder van ons ook geconfronteerd wordt:
de schandelijke kloof
tussen mijn aspiraties voor mijn leven en de realiteit.
De vraag hoe we met deze hypocriete politici leven,
is eigenlijk de vraag hoe we met onszelf leven?

Daarmee keren we terug naar Girard.
Hij beweerde dat Jezus Christus
vrijwillig een doorzichtig onschuldige zondebok werd
en daarmee het mechanisme ondermijnde.
In het Politico-artikel wordt Vance als volgt geciteerd:

‘In Christus zien we onze pogingen om de schuld
en onze eigen tekortkomingen op een slachtoffer te schuiven
voor wat ze zijn:
een moreel falen, gewelddadig geprojecteerd op iemand anders.
Christus is de zondebok
die onze onvolkomenheden onthult
en ons dwingt om naar onze eigen tekortkomingen te kijken
in plaats van de schuld te geven
aan de door onze maatschappij gekozen slachtoffers.

De veeleisende logica van de kruisiging voorkomt
dat we zelfs de zondebokken van politici tot zondebok maken.

Maar Jezus’ dood is meer dan een belichaamde sociale kritiek.
Door naar ons toe te komen en te sterven
in de persoon van Jezus,
toonde God zijn liefde voor onvolmaakte mensen
die worstelen onder het gewicht van perfecte ideeën.
Hij kwam om het een thuis en de veiligheid te geven
die we allemaal wensen, vrij aangeboden aan hypocrieten.
Het punt van Christus’ dood is niet, althans in eerste instantie,
om mij te inspireren om anderen beter te behandelen.
Het is Gods onvoorwaardelijke aanbod
aan de gebroken en hypocriete,
als de gebroken en hypocriete,
niet zoals hij zou willen dat we zijn.

Paulus zegt het zo:
God bewijst zijn eigen liefde voor ons hierin:
toen wij nog zondaars waren, stierf Christus voor ons.
Ja, Gods genade is te dramatisch,
te sterk om ons niet te provoceren en ons op te roepen
om te veranderen,
maar zijn liefde komt tot ons vóór welke verandering dan ook.
Het komt tot ons zoals we zijn,
wij die onze hooivorken koesteren
en dat zelfingenomen gevoel
dat het allemaal de schuld van iemand anders is.

Als we de politiek instappen met het gevoel
dat dingen beter zouden kunnen,
kunnen we snel hypocriet worden.
Maar we mogen deze hypocrisie niet goedpraten;
we moeten onszelf en onze leiders ter verantwoording roepen.
En toch kunnen we dat dankbaar doen,
en dankbaar vastgehouden worden
door een God die voor hypocrieten op aarde kwam.

 

Al lange tijd speelt er een discussie over de vraag hoe wij als christenen
moeten omgaan met de sociale media en de moderne technologie.
Theoloog Ad de Bruijne bijvoorbeeld pleitte laatst in een krant ervoor
dat een christen X rigoureus moet afwijzen
omdat er veel misselijks gebeurt
zoals anti-feministische en anti-democratische roeptoeterij.
Daarin verschilt X niet trouwens niet bijster van het echte leven.
Maar er gebeurt zoveel meer op dat medium.
En dan – zoals De Bruijne doet – gelovigen een decreet opleggen
om niet op X te blijven, dat zou ik niet kunnen geven.
Ik blijf op X, zolang deze zich houdt
aan de Europese regelgeving voor social media.

Maar hoe wordt er over moderne technologie gedacht,
en daar komt sociale media natuurlijk ook in mee.
Martin Heidegger was een Duits filosoof en heeft interessante dingen gezegd
over de moderne technologie.
Hij stelt bijvoorbeeld dat moderne technologie niet bestaat uit neutrale gereedschappen
die voor goede of slechte doeleinden kunnen worden gebruikt,
en ook niet simpelweg een natuurlijke uitbreiding is van menselijke activiteit
die we al sinds de steentijd doen.
Moderne technologie heeft een technologische samenleving
en de leden van die samenleving gevormd,
zodat we alles in de natuurlijke wereld (inclusief wij zelf en onze buren)
positioneren als bronnen die kunnen worden ontgonnen.
Heidegger zag het technologische tijdperk waarin we leven
als ‘een manier van zijn’ en die onder alle technologie ligt
die ons leven vult en dat we als leden van een technologische samenleving zijn gevormd,
of je zou kunnen zeggen gedwongen wordt om te volgen,
om op een bepaalde manier te leven.
Deze ‘manier van zijn’, de essentie van technologie,
is om alles in de wereld primair te zien
als een verzameling gereedschappen en bronnen.

Maar als dit Heideggers diagnose van moderne technologie is,
wat kunnen we er dan aan doen?
Wat is Heideggers oplossing voor het probleem dat hij identificeerde?
Is er een manier om vrij te leven van dit ‘zijn’ van moderne technologie?

Voordat we echter bij die vraag komen,
moeten we ons eerst afvragen of het eigenlijk wel mogelijk is om iets te doen.
Want als Heideggers visie op moderne technologie juist is
en ons denken en zijn in de wereld zo gevormd zijn door de essentie van technologie,
dan zitten we misschien vast in een manier van denken
die ons gevormd heeft en die we niet kunnen veranderen.

Er zijn volgens mij zeker twee redenen waarom we het technologische probleem
dat Heidegger ons heeft onthuld, niet kunnen oplossen.

Ten eerste het probleem van gevangen zitten in een systeem
dat ons denken heeft gevormd:
hoe kunnen we ons een weg uit dit technologische tijdperk denken
als we al gevormd zijn door de manier waarop dat tijdperk in de wereld staat?
Als het technologische systeem zo totaliserend is
en de geesten van mensen in de samenleving zo krachtig heeft gevormd
als Heidegger suggereert,
lijkt het bijna onmogelijk om voorbij of om het systeem
heen te denken en er dus uit te breken.

Ten tweede is er het probleem van het gebruik van technologisch denken
om het probleem van technologisch denken op te lossen.
Dit tweede punt is een natuurlijke uitbreiding van het eerste:
binnen een technologische samenleving zal het het meest natuurlijk aanvoelen
om een reeks technieken of methoden te bedenken
die gebruikt kunnen worden om mensen te bevrijden
van het technologische tijdperk,
maar omdat het technieken zijn,
zouden ze niets anders doen dan de problemen van technologisch denken versterken.
Of om het anders te zeggen,
we hebben een nieuwe manier van denken en in de wereld staan nodig
die niet leidt tot zomaar een andere methode.
Een methode of techniek is simpelweg een technologie
van zelftransformatie, jezelf veranderen,
en houdt ons daarom gevangen in de technologische essentie.
Zelfhulpboeken zijn hiervan het meest voor de hand liggende voorbeeld.
Want het probleem van technologie ligt
in de verslaving aan methoden van denken en waarnemen.

Een voorgestelde oplossing van Heideggers is
om mensen uit te nodigen het verlangen te verwerpen
dat ze in zichzelf vinden om de natuurlijke wereld te dwingen
zich aan hun behoeften aan te passen.
Ten tweede, en op dezelfde manier,
om de wereld om zich heen uit te nodigen
zich aan de persoon te presenteren in plaats van voor de persoon.
Heideggers oplossing voor het probleem is
om leden van een technologische samenleving uit te nodigen
om vrijgevig te leven in plaats van naar de ‘echte’ wereld te grijpen.
De oplossing die hij biedt, ligt op het niveau van verlangen in plaats van activiteit.
De enige optie die Heidegger geeft is de diagnose,
die als hij een stapsgewijze oplossing zou bieden
voor dit probleem is het ‘omkaderen’,
je er van doordrongen weten van het feit dat je in dit tijdperk leeft.
Je kunt simpelweg geen technieken gebruiken
om de problemen van een technologisch tijdperk op te lossen.

Als christen vind ik veel in Heideggers analyse van ons technologische tijdperk erg overtuigend.
Ik begrijp instinctief zijn existentiële beschrijving van de essentie van moderne technologie
als ‘zijn’.
Wanneer ik mijn eigen gewoonten observeer en wanneer ik luister
naar de verhalen van de mensen om mij heen,
zie ik voorbeeld na voorbeeld van de technologie in ons leven
die ons traint om de ‘echte’ wereld te behandelen
als niets meer dan een hulpbron die geplunderd kan worden
voor onze behoeften en genoegens.

Ik denk dat Heidegger een echt inzicht geeft in
waarom we er tot nu toe niet in slagen
om ons gebruik van fossiele brandstoffen in te dammen,
ondanks de bijna wereldwijde consensus dat het een goed en juist iets zou zijn om te doen.
Als samenleving zijn we geconditioneerd om de natuur te zien
als niets meer dan een bron van brandstof die benut kan worden.
Onze maatschappelijke verslaving aan koolwaterstoffen
begint met de veronderstelling dat olie er is voor ons gebruik.
De mentaliteit van het ‘zijn in een technologisch tijdperk’ zou die aanname doen:
olie is er niet om voor zichzelf te zijn,
maar wordt in plaats daarvan in de inventaris geplaatst
als een nuttig en daarom waardevol product om te winnen en in te zetten.

Naast de natuurlijke hulpbronnen van de schepping waarin we leven,
zie ik Heideggers analyse aan het werk
in de houding van mensen ten opzichte van elkaar.
Het wordt steeds moeilijker om andere mensen niet te behandelen
als niets meer dan hulpbronnen die gebruikt of weggegooid kunnen worden,
afhankelijk van of ze hun doel vervullen of niet.
De ‘intentie’ van het algoritme van sociale media is
om elk van zijn gebruikers om te zetten in makers van content.
We worden aangemoedigd om te posten, te liken en te delen
en we merken vaak niet dat de content die we ‘creëren’ wijzelf zijn.
Sociale media veranderen de mensen die het gebruiken
in de content die het verkoopt,
wij zijn de hulpbron geworden die de machine aan het delven is.
En hoewel sociale media een duidelijk voorbeeld zijn
van mensen die weinig meer zijn dan hulpbronnen die geoogst kunnen worden,
beperken de effecten van deze technologische mindset zich niet tot de virtuele omgeving.

Ik denk dat een oplossing baat zou kunnen hebben
bij een diepere reflectie op de christelijke traditie:

Ten eerste is er binnen de christelijke traditie al lang sprake
van de erkenning van concurrerende krachten van discipelschap.
In het christelijke wereldbeeld is er geen neutrale ruimte van bestaan,
onze houdingen en verlangens worden altijd door het een of ander getraind.
In zijn brief aan de kerk in Rome zegt Paulus het zo:
‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld,
maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen,
om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’
Paulus vertelt ons dat ‘de wereld’, of in ons geval ‘de essentie van de moderne technologie’,
ons denken voortdurend in overeenstemming met haar trekt.
Maar Paulus wijst ons vervolgens op iets dat Heidegger niet kan,
de stem van buiten het systeem.
In het licht van een totaliserende en allesomvattende technologische samenleving
die alles bejubelt als een hulpbron die wacht om gebruikt te worden, is
heeft Heidegger geen andere hoop dan de wilskracht van het individu
om zichzelf te bevrijden van het systeem, omdat hij geen andere hoop heeft,
niets buiten het systeem.

Maar Paulus wijst ons daarentegen op God.
Een bron van transformatie en leven die niet is aangepast aan de wereld
en niet afhankelijk is van de wereld voor zijn bestaan,
maar die desondanks, door een daad van genade,
ervoor heeft gekozen om zichzelf te openbaren in de wereld ter wille van de wereld.
Hier vinden we een persoon door wie onze geest kan worden getransformeerd,
die ons kan bevrijden van de denkpatronen van deze wereld, die onze verlangens kan hervormen.

Dit is de gave van gebed, een ruimte om te zijn en God en de wereld te laten zijn.
Voor veel christenen is de ervaring van gebed
dat ze door pure inactiviteit en stilte (langzaam, soms onmerkbaar) worden getransformeerd.

Heidegger waarschuwde ons voor een aanzienlijke moeilijkheid
om onze weg te vinden uit de technologische mindset.
Suggereer ik dat we God veranderen in een methode om onze geest te transformeren,
zodat we kunnen ontsnappen aan de valkuilen van modern technologisch denken?
Ik hoop het niet.
Hoewel het zeker mogelijk is om te proberen gebed om te zetten
in een techniek om God te laten geven wat je wilt,
is dat niet wat ik hier suggereer.
Ik doel in plaats daarvan op het soort gebed dat Moeder Teresa beroemd beschreef
toen haar ooit in een interview werd gevraagd:
‘Wat zeg je als je bidt?’
Ze antwoordde: ‘Niets, ik luister alleen.’
De verslaggever vroeg toen: ‘Nou, wat zegt God dan tegen je?’
Waarop ze antwoordde: ‘Niets bijzonders, Hij luistert ook.’

 

Thomas van Aquino,

de grote filosoof en theoloog uit de 13e eeuw

voegde aan de vier klassieke deugden,

drie ‘theologale’ of goddelijke deugden toe:

geloof, hoop en liefde.

Die drie deugden komen

uit de eerste brief van Paulus aan de gemeente in Korinthe.

Daar schrijft Paulus

‘Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie,

maar de grootste daarvan is de liefde’ (1 Korintiërs 13,13).

De grootste, de belangrijkste is de liefde,

en met die deugd zullen we deze serie dan ook afsluiten.

Geloven is volgens Thomas

een gerichtheid op het ultieme goede, op Gód.

Maar geloof is volgens hem ook een geschenk,

een genadegave van God.

God is oorsprong en doel en zin.

We zijn van nature gericht op het goede,

maar dan wel het goede voor onszelf.

Het gaat er om dat wij ons richten op het goede

voor de gemeenschap.

Er is een kracht of een impuls buiten onszelf nodig

die ons richt op dat goede dat ons overstijgt.

 

Tweestrijd is in de Bijbel een regelmatig terugkerend thema.
Ik proef het bij Paulus in Romeinen 7,18-19:
‘Ik wíl het goede wel, maar het goede doen kan ik niet.
Want ik doe niet wat ik wil, het goede,
maar juist wat ik niet wil, het kwade, dat doe ik.’
Ik denk aan Jezus’ tweestrijd in Getsemané:
‘Neem deze beker van Mij weg.
Maar laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt.’ (Markus 14,36)
Tegen zijn slapende leerlingen zegt hij daar en toen:
‘De geest is wel gewillig, maar het lichaam is zwak.’

Ook in het eerste deel van de Bijbel kom ik tweestrijd tegen.
Het oorspronkelijke Hebreeuws van de Thora
kent zelfs een apart leesteken waarmee tweestrijd wordt uitgedrukt.
Het is de Sjalsjelet, die eruit ziet als een kleine bliksemschicht, soort zigzagbeweging.
Het geeft aan dat het personage besluiteloos is en onzeker
en worstelt met een innerlijk conflict.
Deze sjalsjelet zien we in de Hebreeuwse Bijbel vier keer opduiken.
Bij Jozef in Genesis 39,8
als hij weigert om met de vrouw van Potifar het bed te delen.
Bij Lot die in Genesis 19,16
aarzelt als hij alles moet achterlaten om Sodom te ontvluchten.
Bij Abrahams knecht Eliëzer die bij de put voor Isaak een vrouw zoekt.
Hij verkeert in Genesis 24,12
in tweestrijd omdat hij mogelijk zelf in beeld zou komen als erfgenaam,
als hij zonder huwelijkskandidaat terugkeert.
En in Leviticus 8,23 krijgt Mozes een sjalsjelet
wanneer hij Aäron inwijdt als hogepriester en door die taakverdeling
zelf niet meer deze intimiteit met God in de tempel zal ervaren.
Telkens staat er iets op het spel.
Een tweestrijd tussen hebben of loslaten, claimen of dienen, houden of gunnen.

Zelf denk ik bij tweestrijd aan de Bijbelse figuur Jakob.
Strijd typeert zijn hele leven.
Al voor zijn geboorte vecht hij met zijn broer Esau.
Hij strijdt met Esau om het eerstgeboorterecht en de zegen.
Hij strijdt met Laban om diens dochters Lea en Rachel
en om een eigen deel van de veestapel.
En de meest bepalende ervaring van zijn leven
is een worsteling in de nacht met God.
Zijn beide namen roepen de sfeer van strijd op: Jakob: hij die de hiel vastpakt.
Israël: hij die strijdt met God en mensen en wint.

 

Het leven wordt achterwaarts begrepen, maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Dat zei de Deense filosoof en theoloog Søren Kierkegaard.
We voelen allemaal op onze klompen aan dat dat niet zo eenvoudig is.
Als je bijvoorbeeld reist met navigatie helpt het je niet verder
als het schermpje je alleen de afgelegde route toont.
Je houdt je bezig met het traject dat voor je ligt.
Een achteruitkijkspiegel is best handig,
Maar je moet er niet te vaak en te lang in turen.
Ogen op de weg, handen aan het stuur dus.

Het leven wordt achterwaarts begrepen. Maar het moet voorwaarts worden geleefd.
Een uitspraak die ook past in het Bijbelse denken.
Het leven wordt inderdaad achterwaarts begrepen.
Bijbelschrijvers nemen ons steeds opnieuw mee naar vroeger tijden.
Naar wat vorige generaties gelovigen met God hebben beleefd.
Wat ze erin hebben geleerd en afgeleerd.
En de hele Bijbel is een aansporing om in die keten te staan.
Heel bewust te putten uit een rijke traditie van getuigenissen en liederen,
verhalen en profetische stemmen.
Het is bagage die helpt om iets te begrijpen van het leven
en van de God die de Bron en het Doel is van dit leven.
En het is een valkuil om te weinig terug te kijken.
Alsof je de eerste zou zijn die voor levensvragen staat.
Alsof niet al sporen zijn getrokken en wegen gebaand
door al degenen die voor ons uit zijn getrokken.
Alsof God in vroeger tijden zijn glorie niet heeft getoond.
Niet heeft bewezen wie Hij was, is en zijn zal.
Inderdaad, het leven wordt achterwaarts begrepen.

Maar er is ook een andere valkuil denkbaar.
Namelijk dat je vooral achterwaarts georiënteerd bent
en vergeet dat het leven toch echt voorwaarts geleefd wordt.
Er zit in ons menselijk bestaan een instinctieve behoefte aan geborgenheid
en zekerheid een vasthouden aan oude zekerheden van vroeger tijden.
Een hang naar wat bekend is en vertrouwd.
Waardoor we terugschrikken voor de weg die voor ons ligt.
In heel wat Bijbelverhalen proeven we juist de spanning
tussen verder trekken of terugkeren, tussen omzien of vooruitkijken.

Het leven wordt achterwaarts begrepen, het moet voorwaarts worden geleefd.
Het is de strekking van de leefregel uit Filippenzen 3.
Paulus zet er de zaak op scherp.
Hij heeft het niet eens meer over achterwaarts begrijpen.
Hij heeft het over loslaten, afleggen, wegwerpen, prijsgeven.
Ik vergeet wat achter me ligt en richt me op wat voor me ligt.
Ik ga recht op mijn doel af: Christus kennen, de kracht van zijn opstanding ervaren
en leren delen in zijn lijden.
Je proeft in deze verzen de houding en focus van de sportman.
De hardloper die alles wat hem hindert kwijt moet
zodat hij vrij is om ongehinderd de eindstreep te halen.
En zo zijn roeping als christen te vervullen
en volledig tot zijn bestemming te komen.